Chapter 16
Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet Lamiens—zoo heette de echtgenoot van Jeannette—hem daar eens zag, arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van zijn bedienden, dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde.
Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit verzorgd had, met de kinderen te spelen.
Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn zoon gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit leven verscheiden, begraven.
Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar toch sloeg hij geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij ooit was geweest. Toen ging elk met ’s konings verlof huiswaarts en de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.
NEGENDE VERTELLING.
Bernabo van Genua wordt door Ambrogiuolo bedrogen, verliest zijn geld en beveelt daarom zijn onschuldige vrouw te laten dooden. Zij ontvlucht en in mansgewaad dient zij den Sultan, vindt den bedrieger en laat haar man naar Alexandrië komen, waar deze gestraft wordt. Zij doet daarop weer haar vrouwenkleeren aan en keert met haar man, rijk geworden, naar Genua terug.
Nadat Elisa met haar aandoenlijke geschiedenis haar plicht had vervuld, zeide koningin Philomena, die schoon en groot was van gestalte en meer dan een andere een innemend en lachend gelaat had: Men moet zich houden aan de overeenkomst aangegaan met Dioneo en daar er geen anderen overblijven dan hij en ik om te verhalen, zal ik het eerst mijn historie vertellen en hij, die dit als een gunst verkreeg, zal als laatste spreken. Na die woorden begon zij aldus:
Men pleegt onder het volk dikwijls het spreekwoord te gebruiken dat de bedrieger de slaaf wordt van den bedrogene, waarvan men op geen enkelen grond de waarheid zou kunnen aantoonen, indien de feiten het niet bewezen. Om ons voornemen te volgen en omdat dit alles, lieve donna’s, waar is, gelijk men beweert, heb ik lust gekregen het u aan te toonen. Het zal u niet onaangenaam zijn dit te hooren, opdat gij u voor bedriegers kunt in acht nemen.
Er waren in een herberg in Parijs eenige zeer groote Italiaansche kooplieden, volgens hun gewoonte de een voor deze, de ander voor gene zaak. Nadat zij op een avond onder elkaar allen gezellig hadden gegeten, begonnen zij over verschillende dingen te spreken en van het eene onderwerp op het andere komend, begonnen zij te praten over hun vrouwen, die ze thuis hadden gelaten en schertsend begon er een te zeggen: Ik weet niet, hoe de mijne doet, maar dit weet ik wel, dat, wanneer een meisje mij in handen komt dat mij bevalt, ik de liefde ter zijde laat, die ik voor mijn vrouw voel en hiervan profiteer zooveel ik kan. De ander antwoordde: En ik handel zoo insgelijks, want als ik geloof, dat mijn vrouw er haar plezier van neemt, dan doet zij het, en als ik het niet geloof, doet ze het ook en dus doen we wederkeerig hetzelfde, leer om leer. De derde kwam, het woord nemend, tot dezelfde meening en om kort te gaan scheen het allen, dat ze het hierover eens werden, dat zij door het achterlaten van hun vrouwen hun tijd niet verloren. Slechts een, die den naam droeg van Bernabo Leomellin van Genua, beweerde het tegendeel en hield vol, dat hij door bijzondere genade van God een vrouw tot echtgenoote had, die meer begaafd was met alle deugden dan in het algemeen een edelvrouw, een ridder of een page, die er misschien in Italië zijn. Want zij was schoon van vorm en nog zeer jong, handig en sterk en er was niets van vrouwelijke bedrevenheid, als het borduren van zijden handwerken en dergelijke dingen meer, wat zij niet beter deed dan wie ook. Behalve dat, zeide hij, was er geen schildknaap of bediende, die beter en vlugger aan de tafel van een heer diende en die hoffelijker, wijzer en meer bescheiden was. Daarna prees hij haar nog meer, omdat ze paard kon rijden, een valk dragen, lezen, schrijven en rekenen alsof ze een koopman was en toen na vele loftuitingen kwam hij, die daarover sprak, er toe plechtig te beweren, dat er geen eerbaarder en kuischer vrouw was te vinden dan zij. Daarom geloofde hij zeker, dat, indien hij tien jaar of zelfs altijd buitenshuis bleef, zij zich nooit zou afgeven met een anderen man. Bij die kooplieden, die zoo spraken was een jonge man, Ambrogiuolo genaamd van Piacenza, die met de laatste loftuiting, welke Bernabo gegeven had aan zijn vrouw, den grootsten spot der wereld begon te drijven en schertsend vroeg hij of de keizer hem dit voorrecht boven alle andere mannen geschonken had. Bernabo zeide een weinig onthutst, dat niet de keizer maar God, die wat meer vermocht dan de keizer, hem die genade had verleend. Toen zeide Ambrogiuolo: Bernabo, ik twijfel er niet aan, dat gij in deze zaken gelooft de waarheid te zeggen, maar naar het mij schijnt, hebt gij op hun aard weinig acht gegeven; want indien gij dit had gedaan zou ik niet denken, dat gij in deze bekende dingen zoo dom waart en gij hierover niet kalmer zoudt spreken. En omdat gij niet gelooft, dat wij, die zeer vrij over onze vrouwen gesproken hebben, ons verbeelden andere vrouwen te hebben of anders gemaakt dan de uwe, maar dat wij aldus gesproken hebben gelijk wij meenen, wil ik met u een weinig over die zaak praten. Ik heb altijd gehoord, dat de man het edelste dier is onder de andere schepsels door God geschapen en daarna de vrouw, maar de man gelijk men algemeen gelooft en ziet door zijn werken is de volmaaktste en daar hij volmaakter is, heeft hij zonder twijfel meer vastberadenheid en standvastigheid, daar de vrouwen in het algemeen veel bewegelijker zijn en waarom, dat zou men om vele natuurlijke redenen kunnen aantoonen, welke ik nu wil ter zijde laten. Indien de man dus van grooter vastberadenheid is en zich niet kan weerhouden, laat staan tegenover een, die het hem vraagt, zelfs tegenover het ontberen van een vrouw, die hem bevalt en bij die begeerte nog alles wil doen om zich met haar te verstaan en dit niet eens in de maand maar duizend keer per dag, wat kunt gij dan hopen, dat een veranderlijke vrouw doen kan tegen de beden, de listen, de geschenken en de duizend andere middelen, die een slim man heeft, welke haar bemint? Denkt gij, dat zij weerstand kan bieden? Zeker, hoezeer gij het ook zoudt volhouden, ik zou niet gelooven, dat gij het zelf denkt. En gij zegt, dat u echtgenoote een vrouw is en dat zij van vleesch en been is als de anderen. Als dit zoo is, moeten haar begeerten ook dezelfden zijn en haar krachten geen anderen om die natuurlijke lusten te weerstaan. Daarom is het mogelijk, hoe eerbaar zij ook mag wezen, dat zij als een andere handelt en geen enkele mogelijkheid kan zoo sterk ontkend worden gelijk gij doet als het tegengestelde bevestigd kan worden. Hierop antwoordde Bernabo: Ik ben koopman en geen wijsgeer en zal dus als koopman antwoorden. Ik zeg u, dat wat ik weet, kan gebeuren aan gekkinnen, die geen eergevoel hebben, maar zij, die verstandig zijn waken zoo voor hun eer, dat zij veel sterker daarin worden dan de mannen, die er zich niet om bekommeren. En zoo is het met de mijne gesteld. Ambrogiuolo zeide: Waarlijk, indien elken keer, dat zij zich tot zulke histories laten overhalen hun een hoorn op het voorhoofd groeide, die getuigenis gaf van wat zij hadden gedaan, dan zou ik gelooven, dat weinigen er toe zouden overgaan, maar in plaats, dat er een hoorn groeit, blijft er bij hen, die wijs zijn spoor noch indruk achter en de schande en de blaam bestaan slechts bij bekend geworden zaken; daarom, als zij het kunnen, doen zij het, of wel ze laten het uit domheid. En houdt dit voor zeker, dat die alleen kuisch is, die nooit gevraagd is door iemand of zoo zij het zelf vroeg, niet werd verhoord. En hoewel ik weet, dat dit om natuurlijke en ware redenen zoo moet zijn, zou ik er niet van spreken zoo overtuigd als ik het doe, indien ik niet herhaalde malen en met vele gevallen het bewijs had gehad. Ik zeg u dit namelijk, dat ik, indien ik bij uw heilige donna was, ik geloof haar in korten tijd over te halen tot wat ik bij anderen gedaan heb gekregen. Bernabo antwoordde verlegen: Ons twistgesprek zou met woorden te lang kunnen duren; gij zoudt dit zeggen en ik dat en eindelijk zou er niets uit volgen. Maar omdat gij zegt, dat allen zoo buigzaam zijn en gij zoo zijt aangelegd, ben ik bereid, opdat gij u van de eerbaarheid van mijn donna verzekert, mij het hoofd te laten afslaan, indien gij haar ooit kunt voeren tot wat u behaagt. Indien gij het niet kunt, wil ik, dat gij mij minstens duizend goudguldens betaalt. Ambrogiuolo, al door dit gesprek verhit, zeide: Bernabo, ik weet niet, wat ik met uw bloed zou doen, indien ik zou overwinnen, maar indien gij er lust in hebt het bewijs te zien van wat ik al gezegd heb, zet gij er dan vijfduizend goudguldens tegen, die u minder dierbaar moeten zijn dan uw hoofd. En daar gij nog geen enkelen termijn hebt vastgesteld, wil ik mij verplichten naar Genua te gaan en binnen drie maanden van af den dag, dat ik van hier vertrek, zal ik uw vrouw naar mijn wil hebben geleid en tot bewijs er van een van haar dierbaarste zaken met mij terug brengen om u zoodanige en zoo groote bewijzen te geven, dat gij zelf zult bekennen, dat het waar is, op voorwaarde, dat gij mij belooft op uw woord niet binnen dien bepaalden termijn naar Genua te gaan, noch haar iets over die zaak te schrijven. Bernabo zeide, dat het hem zeer aanstond en hoewel de andere kooplieden, die tegenwoordig waren, hun best deden hem hiervan af te brengen, wetend dat er groot kwaad uit kon geboren worden, waren toch de geesten der twee kooplieden er zoo door verhit, dat ondanks den wil van de anderen door mooie contracten zij tegenover elkaar wat dat betreft verplichtingen aangingen.
Toen die geteekend waren, bleef Bernabo achter en Ambrogiuolo kwam zoo gauw mogelijk te Genua. Na er eenige dagen gebleven te zijn en met veel voorzorg zich te hebben op de hoogte gesteld van de straatnaam, waaronder de donna woonde en van haar manier van leven, had hij er weer van gehoord, wat hij al van Bernabo vernomen had. Daarom scheen het hem, dat hij een dollen streek had gedaan. Maar toch na een arme vrouw te hebben gesproken, die veel in haar huis kwam en aan wien de donna welgezind was kocht hij, daar hij geen ander middel wist, haar met geld om en liet zich door haar in een opzettelijk gemaakte kist er heen dragen, en niet alleen in huis, maar zelfs in de kamer der donna en daar, alsof de goede vrouw wilde weggaan voor eenige dagen, verzocht zij volgens de les, die Ambrogiuolo haar had gegeven, dat men de kist er gedurende eenige dagen bewaarde. Toen de kist daar bleef en de nacht inviel, maakte Ambrogiuolo op het uur, dat hij dacht, dat de dame sliep, de kist open, en kwam stil in de kamer, waar een licht brandde. Hij begon de ligging van de kamer te onderzoeken, de schilderijen en alle andere merkwaardige zaken, die er in waren, om ze in het geheugen te prenten. Daarop naderde hij het bed en zag, dat de donna en een klein kind bij haar vast sliepen. Hij deed haar geheel naakt liggen en zag, dat zij even schoon was als gekleed, maar dat hij geen enkel teeken kon medenemen behalve een, dat zij op de linkerborst had en dat bestond uit een kleine uitwas, waarom eenige goudblonde haren groeiden. Dit ziende, dekte hij haar weer stil toe, hoewel hij, terwijl hij haar zoo schoon zag, begeerde zijn leven te wagen om bij haar te liggen. Maar daar hij gehoord had, dat zij zoo onverzettelijk was in die dingen, durfde hij het niet. Hij bleef het grootste deel van den nacht op zijn gemak in de kamer, trok een beurs en een vest zonder mouwen uit een van haar koffers, een ring en een gordel en deed alles in zijn kist. Hij ging er ook in en sloot die als te voren en zoo bracht hij twee nachten door zonder dat de donna er iets van merkte. Op den derden dag volgens het afgesproken plan kwam de goede vrouw haar kist halen en bracht die terug, vanwaar ze haar gehaald had. Ambrogiuolo kwam er uit en nadat hij de vrouw volgens de gedane belofte had tevredengesteld, keerde hij zoo gauw hij kon, vóór den bepaalden termijn met die zaken naar Parijs terug.