Chapter 15
De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit oneindig aantal, zeg ik dan:
Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d’Angers in hun plaats tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van oorlogvoeren, scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie [38] waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde.
Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze oorzaken, schijnt het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.
Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer geloof zou worden geschonken aan de kwaadwilligheid van die vrouw dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf.
Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen.
Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, als gij er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat zij zoo’n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.
Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, dien deze en zij ten zeerste lief hadden, zoowel omdat het een jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan hun zoon tot vrouw moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.
Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De donna—te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, waarnaar zij zich het voorstelde—antwoordde gulweg, dat hij gerust elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in den kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.
Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De jongeling was hierover in ’t geheel niet tevreden en werd opeens veel erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken.
Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.
Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem als verloren achtergelaten.