De Decamerone van Boccaccio

Chapter 14

Chapter 144,135 wordsPublic domain

Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, wat door hen het best kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.

Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de fortuin haar van te voren had bereid.

Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.

De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen Osbech met zijn krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.

Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:

Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde. Het is waar, dat het zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger zijn, indien ik u niet hier zag, die—geloof ik—voor haar dezelfde vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven.

Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij bij toeval door die dame daar aan een venster opgemerkt. Omdat zij zeer schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.

Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, verzoek ik u aan niemand ooit te zeggen mij te hebben gezien of ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles.

Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van Antigono naar den Sultan, die haar—wat niemand hoeft te vragen—met vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:

Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen om het te plunderen. Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar—al weet ik niet, wat ze ook zeiden—werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.

Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de kade Antigono voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.

De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel als de maan.

ACHTSTE VERTELLING.

De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld.