Chapter 13
Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon [34], die Beminedab heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den koning van Algarvië [35], had hij, toen de koning hem een bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica [36] en voelden het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, die op het vaartuig waren, de een na den ander, hoewel wie het eerst er in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de geroepenen waren veel te ver weg.
Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo goed zij kon en zag de donna’s die in haar gezelschap waren en al de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met gebaren hun ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging met hen naar zijn kasteel. Toen de donna’s met levensmiddelen en met rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon’s zin moest volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee als met een dienaar van Venus haar machtig te worden.
Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl de booze daad.
Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met koopwaren voor Clarentza [37] in Romania, waarvan twee jonge Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en beval, hoe door hen de donna den volgenden nacht moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te twisten en toen hun toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.
Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde haar als zijn eigen vrouw.
Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood kon gelooven, dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.
Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt hij zeer in ’t geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en eenige van zijn dienaren te hebben laten komen, de donna oppakken, zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was.