De Decamerone van Boccaccio

Chapter 12

Chapter 124,033 wordsPublic domain

Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,—omdat zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was—dat het licht schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi (Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige knechtschap, ontvluchtte den dienst van Messire Guasparrino, ging op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.

Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.

Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.

Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat Currado aan hen dacht, zette koning Piero di Raona [32] door de medewerking van den heer Gian di Procida [33] der Sicilianen tot opstand aan en gaf aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: “O wee! Het duurt nu al veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te voorschijn te komen.”

Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?

Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.

Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.

Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich komen en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed en vriendschappelijk behandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.

Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.

De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, die uit uw woorden doorstraalt, voedt mij dan niet met ijdele hoop, laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.

Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in ’t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het jou schijnen, als ik je zoo’n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke trekken van het gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.

Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van een dienaar in het huis van Guasparrin d’Oria verblijf houdt, welke mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert te weten te komen, wat er van mijn vader d’Arrighetto geworden is, of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet te veel aan de verzinsels hecht van dien Giannotto, die zich nu Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in ’t geheim de voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en kreeg er vertrouwen in.

Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid.

Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets meer had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.

En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna’s met zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, vrienden waren van Messire, den goeden God.

ZEVENDE VERTELLING.

De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië als bruid.

Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; daarom begon hij, die zeer volgzaam was:

Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs handelen, dan moeten wij ons houden aan wat Hij geeft en kan geven, die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna’s, het meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde.