Chapter 11
Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend zijn ongeluk gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga hier dus in ’s hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen. De buren, die van te voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en die dwaasheden toe te roepen, ga dus in ’s hemelsnaam hier vandaan, goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar die hoorde zijn woorden niet tot het einde aan en sprak hem nog veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In ’s hemels naam, vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra die kerel hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan te roeren. Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door de grootste droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen er in zakken om er in af te dalen.
Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.
ZESDE VERTELLING.
Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, komen zij alle drie weer tot groot aanzien.
De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de vreugde, die volgde.
Liefste donna’s, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een napolitaansch edelman Arrighetto Capece; [29] deze had tot echtgenoote een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk Sicilië. Toen hij vernomen had, dat Karel de Eerste den slag bij Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo, [30] waar zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte.
Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam terug keerden, begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was te weenen en te treuren.
Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado (Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.
Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra [31]. Daar zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.
De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen van Madame Beritola met de twee zoontjes van deze ten deel gevallen aan een zekeren Messire Guasparrino d’Oria.