Chapter 1
DE DECAMERONE. VAN BOCCACCIO.
Uit het Italiaansch vertaald en bewerkt door J. K. RENSBURG.
Complete, geïllustreerde uitgave. Amsterdam Vennootschap “Letteren en Kunst”.
HET LEVEN VAN GIOVANNI BOCCACCIO
FLORENTIJNSCH DICHTER.
Gelijk steeds uit de bestanddeelen van heet ijzer, door den smidshamer geslagen, tal van brandende vonken schitteren als schijnsels in een glansenden kring, zoo verwekte Dante, daarna Petrarca,—mannen van de grootste begaafdheid, die de verouderde Poëzie bewerkten, zoodat zij den roest van vele eeuwen er uit verwijderden,—als uit een vuursteen de flikkerende vonken van dichterlijken geest, en wiesen lichtende vlammen in grootschen gloed. Aldus ook Zanobio da Strada, van wien wij elders melding hebben gemaakt, en die Giovanni, van welke wij thans hebben te spreken. Zijn vader was Boccaccio van Certaldo, een dorp in het Florentijnsche gebied, een man beroemd door de gratie van zijn manieren. Hij bevond zich voor zijn handelszaken te Parijs en was even vrij en aangenaam van geest als luchtig van karakter en licht tot beminnen geneigd. Door die aantrekkelijkheid van zijn aard en van zijn manieren werd hij verliefd op een Parijsch meisje van een rang, het midden houdend tusschen adellijk en burgerlijk, voor wie hij in de hevigste liefde ontbrandde en gelijk de kenners der werken van Giovanni het willen, verbond deze zich met hem in den echt, waaruit die Giovanni is voortgekomen, het kind, dat onder Maëstro Giovanni, den vader van den dichter Zanobio slechts gebrekkig de spraakkunst had geleerd. De vader begeerde van hem en noopte hem om redenen van winstbejag zich op de rekenkunde toe te leggen en om dezelfde redenen te reizen; zoo zwierf hij langen tijd door vele en verschillende streken, dan hier, dan daar. Reeds op zijn achtentwintigste jaar naar vaderlijk gebod te Napels gekomen, vestigde hij zich te Pergola, waar hij verblijf houdende, op een dag voor zijn genoegen wandelde en op de plaats kwam, waar de asch van Virgilius Maron begraven is. Giovanni beschouwde deze grafstede met bewondering en lang ook hem, dien deze omsloot en in twijfel peinzend over de faam van dat gebeente, begon hij opeens het noodlot verwijten te doen en zich hierover te beklagen, waardoor hij met geweld gedwongen was zich toe te leggen op de hem antipathieke handelszaken. Van toen af aangegrepen door een plotselinge liefde voor de heilige Muzen, keerde hij huiswaarts, verwaarloosde zijn koopmanschap en wijdde zich met den vurigsten ijver aan de Dichtkunst, waarin hij in korten tijd nobele gedachten met brandenden ijver verbond en groote vorderingen maakte. Zijn vader bemerkte dit en meende, dat de hemelsche liefde meer op den zoon vermocht dan het vaderlijk gezag. Hij stemde eindelijk in zijn studiën toe en hielp hem met zijn gunst, voor zoover het mogelijk was, hoewel hij hem eerst tot de studie van het kanonieke Recht aangespoord had.
Toen Giovanni zich vrij voelde, begon hij met de grootste zorg datgene na te vorschen, wat voor de Poëzie noodig was en ziende, dat de beginselen en grondslagen der dichters, welke betreffende de romans en de fabels bestaan, zoo goed als geheel waren verloren gegaan, begaf hij zich, alsof hij door een voorbeschikking was bewogen, op weg en schrikte niet terug voor de vermoeiendste zwerftochten. Daartoe doorreisde hij vele en verschillende streken, waar hij met grooten ijver bestudeerde, wat hij van de dichters kon bemachtigen en ook legde hij zich op de Grieksche wetenschap met groote en volhardende vlijt toe, zoodat hij alles kon nasporen, terwijl hij zich voor de Grieksche dichtkunst wendde tot den zeer geleerden Meester Leontius, den Graecus. Ten slotte bracht hij alles, wat hij met zijn langdurig onderzoek kon vinden, samen in één boekdeel, dat hij “Over den Geslachtsboom der Goden” betitelde, waarin de commentaren over de antieke dichters met bewonderenswaardige orde en in sierlijken stijl,—wat hij verbazend goed verstond—in allegorischen vorm zijn verzameld, een ongetwijfeld aantrekkelijk en nuttig werk en zeer noodig voor wie de werken der dichters wil kennen, zonder hetwelk het moeilijk zou zijn ze te begrijpen en hun kunst te bestudeeren. Want al de geheimenissen der dichters en de allegorische beteekenissen, welke de historische romans of de fabel verbergen, maakt hij met bewonderenswaardige scherpzinnigheid openbaar en als voor aller hoofden bevattelijk. En aangezien de namen der rivieren, bergen, wouden, meren, moerassen en zeeën, welke in de boeken der dichters en historici beschreven worden, veranderd waren, hetzij door willekeur in verschillende eeuwen of door verschillende gebeurtenissen en zij dus met andere namen werden genoemd, welke hij las of veranderde of voor twijfelachtig hield, stelde hij een boek samen over de rivieren, de bergen en het andere bovengenoemde, waarin met opzettelijke aanduiding elk met de namen naar den loop des tijds was opgeteekend, wat de lezers van de studiën der Oudheid van vele dwalingen kan bevrijden. Hij schreef ook een boek over de lotgevallen der groote mannen en een ander over beroemde vrouwen, waarin hij door zooveel zeggingskracht en sierlijkheid van stijl en statie schittert, dat men kan zeggen, dat hij niet alleen de verhevenste geesten der Ouden in die studie evenaart, maar misschien zelfs naar verdienste overtreft.
Behalve die gezegde werken maakte hij zestien zeer schoone herderszangen en vele brieven in verzen en in proza, welke door geleerden niet weinig worden op prijs gesteld en zeker toonen de boeken, welke hij schreef aan waardige en zeer begaafde mannen, hoe groot zijn genie was. Petrarca zelfs prijst hem, die zóó zijn vriend was, dat zij als één ziel in twee lichamen werden beschouwd, in hooge mate naar waarheid en niet door de warmte van zijn vriendschap, gelijk hij zegt en de dichter Zenobio, zooals die in zijn verzen bewijst, laat aan hem de vrijheid de stof voor zijn geschriften uit te zoeken. Er zijn nog verschillende werken door hem geschreven in volkstaal, sommige in rijm gezongen, een ander in prozaisch verloop opgezet, waar zijn geest behagen schept—een weinig te openlijk—in wulpsche jeugd, wat hij later, ouder geworden, in het duister wilde laten. Maar hij kon, gelijk hij begeerde, het vroeger uitgesproken woord niet naar de borst terugroepen, noch het vuur, dat hij met den blaasbalg had aangewakkerd, met den wil dooven. Naar verdienste ook paste het den grooten man met den dichterlauwer te zijn bekroond, maar de droeve ellende der tijden, welke de bezitters der tijdelijke goederen tot laag winstbejag had gebracht en ook zijn armoede beletten dit. Doch de boeken, door hem voortgebracht, waard om te worden bekroond, eeren in plaats van mirte en klimop zijn doorluchtige slapen.
De dichter was van eenigszins zwaarlijvig postuur en groot; zijn gelaat was glad maar met de neus boven de neusvleugels een weinig ingedrukt, met ietwat dikke lippen, niettemin fraai en wel belijnd; de kin had een kuil en toonde, als hij lachte, een schoonen vorm. Hij had een vroolijk en luchthartig uiterlijk, was aangenaam in al zijn gesprekken en schiep tamelijk veel genoegen in het praten. Hij verwierf zich door zijn voorkomendheid vele vrienden, echter geen een, die aan zijn armoede dacht. Hij stierf in 1375 op den leeftijd van 62 jaar en werd in het plaatsje Certaldo in het klooster van Santo Jacopo, ook wel genoemd la Canonica, met eerbewijzen begraven onder het grafschrift, dat hij voor zich zelf, nog in leven, maakte en dat aldus luidde:
Onder deze steen rust de asch en het gebeente van Giovanni, Zijn geest zetelt bij God, geëerd naar de verdienste van zijn werken: Sterfelijk was die van bestaan, zijn vader was Boccaccio, Zijn vaderstad was Certaldo, zijn lust was de liefelijke Dichtkunst.
Er wordt in Florence geloof geslagen aan het gerucht, dat Boccaccio tot de familie der Chellini’s behoorde, en dat zijn vader van de Florentijnsche Republiek als magistraat een inkomen genoot.
Het Boek, de Decamerone [1] getiteld, bijgenaamd Vorst Galeotto [2] vangt aan, waarin honderd novellen staan, verhaald in tien dagen door zeven jonge dames en drie jonge heeren.
Het is menschelijk medelijden te hebben met hen, die bedroefd zijn en hoewel dit iedereen goed staat, wordt dit het meest gevraagd van hen, die zelf vroeger behoefte hadden aan troost en dien steeds vonden. Onder dezen, hetzij het hem aangenaam is of dat hij eertijds er behagen in kreeg, als iemand hem daarom vroeg, behoor ook ik. Want ik was van af mijn eerste jeugd af tot dezen tijd toe fel ontbrand door een verheven en edele liefde [3], misschien veel meer dan het naar mijn lagen stand zou schijnen en passen er van te spreken.
Hoewel ik bij hen, die bescheiden waren en tot wier kennis dit kwam, er om geprezen zou zijn en nog veel meer bekend zou wezen, had ik er niettemin veel last van, zeker niet door de wreedheid van de beminde dame maar wel door het te overvloedige vuur, in den geest opgehoopt, bij een slecht geregelde eetlust, welke, omdat die mij geen enkel oogenblik verzadigd liet, mij verscheidene malen meer belemmering deed gevoelen dan mij lief was. In dit soort lijden brachten de opwekkende redeneeringen van zekeren vriend en zijn lofwaardige troostgronden reeds zooveel verzachting, dat ik de onwrikbare meening in mij omdraag, dat ik hieraan het leven te danken heb. Maar alnaar het Hem behaagde, die—eeuwig zijnde—aan alle wereldsche zaken door onveranderlijke wetten een einde stelde, verminderde mijn liefde, vuriger dan elke andere na verloop van tijd van zelf, welke geen kracht van redeneering of raad of in het oog loopende belachelijkheid of daaruit volgend, mogelijk gevaar kon breken of buigen. Die liefde heeft aldus in mijn ziel alleen die vreugde achter gelaten, welke de tijd gewoon is aan hem te verschaffen, die niet te veel nadenkt, zoodat, waar het gevoel gewoonlijk pijnlijk was, hij alle verdriet wegnam en het aangename achter bleef.
Maar zoo de smart ophield, is daardoor de herinnering niet weggevlucht van vroeger ontvangen weldaden, mij bewezen door hen, voor wien bij de welwillendheid mij toegedragen van hun kant, mijn nooden als ernstig golden en die heugenis zal, geloof ik, ook nooit vergaan, tenzij door den dood. En omdat de dankbaarheid, naar ik meen, onder de andere deugden hoogelijk is aan te bevelen en het tegengestelde laakbaar, heb ik, om niet ondankbaar te schijnen, mij zelf voorgenomen met het weinige, dat in mijn vermogen is, in ruil voor wat ik ontving, nu ik mij vrij kan noemen, verlichting te verschaffen en zoo niet aan hen, die mij hielpen—voor wien het door hun verstand of hun fortuin niet behoeft—dan ten minste aan diegenen, die het wèl noodig hebben. En ofschoon de steun of troost, die ik wil geven, vrij gering kan zijn en is, toch schijnt het mij, dat ik die des te eerder moet schenken, waar de behoefte grooter schijnt, zoowel omdat die er meer nut zal doen als omdat die er meer op prijs zal gesteld worden.
En wie zal ontkennen, wie het ook zij, dat men die niet meer moet schenken aan de schoone vrouwen dan aan de mannen? Zij houden in hun teedere boezems vreesachtig en vol schroom de liefdevlammen verborgen, welke zooveel meer kracht hebben dan de geopenbaarden, naar zij weten, die dit hebben ervaren, en bovendien—gebonden door de wilsuitingen, de luimen, de bevelen van vaders, moeders, broeders en echtgenooten—blijven zij het grootste deel van den tijd in de kleine ruimte van hun kamers opgesloten en schijnbaar rustig daar zittend, willend en niet willend terzelfder ure, rollen ze in zich zelf verschillende gedachten om, die zeker niet altijd vroolijk kunnen zijn. En indien door dezen eenigerlei zwaarmoedigheid, ontstaan uit de vurige begeerte, in hun hoofden opkomt, waarin deze zich gewoonlijk nestelt met hevig verdriet, wordt die er niet uitgedreven door nieuwe redeneeringen; buitendien zijn zij veel minder sterk dan de mannen om dit te doorstaan. Dit gebeurt bij verliefde mannen niet, gelijk wij duidelijk kunnen zien. Wanneer eenige melancholie of ernst van gedachten hen bedroeft, hebben zij verschillende manieren om die te verlichten of er zich over heen te zetten, omdat, als zij dit willen, niets hen belet uit te gaan, veel te hooren en te zien, zich op de vogelvangst te begeven, te jagen, te visschen, paard te rijden, te spelen en handel te drijven. Op die wijze heeft elk de kracht hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk den geest tot zich zelf te roepen en hem van trieste gedachten af te brengen, althans na eenig tijdsverloop, waarna op de een of andere manier of troost verrast of de ontstane smart vermindert.
Derhalve wensch ik, opdat door mij het kwaad van het Noodlot verzwakt, waar bij minder kracht—gelijk wij bij de teedere donna’s zagen—ook minder steun bestond, tot hulp en toevlucht van hen, die beminnen (hoewel voor de andere vrouwen de naald en de spil en de haspel van het spinnewiel voldoende zijn) honderd verhalen te doen of fabels of parabels of histories, al naar we die noemen willen. In tien dagen werden ze door een eerzaam gezelschap van zeven dames en drie jongelieden verteld en verzonnen gedurende den voorbij geganen sterftetijd van de pest en ook enkele liederen van gezegde dames, toen voor hun vermaak gezongen.
In deze novellen zullen zich komische en treffende liefdegevallen voordoen en andere gelukkige gebeurtenissen, zoowel uit de oude als uit de nieuwe tijden, waaruit de al genoemde vrouwen, die dezen zullen lezen, evenzeer genoegen als nuttige raad kunnen halen door de grappige feiten daarin verhaald en leeren wat daaruit dan ook vermeden en nagevolgd moet worden, hetgeen ik niet geloof, dat kan gebeuren zonder verdrijving van het verdriet.
Laten wij, indien dit geschiedt, (wat God geve) Amor daarvoor danken, welke mij uit zijn banden bevrijdend, mij gedwongen heeft die te kunnen aanwenden tot hun genoegen.
De eerste dag van de Decamerone begint: waar aangetoond wordt, naar de verklaring van den auteur, waarom het gebeurde, dat de personen, die bij elkaar komen, zich moesten vereenigen om zich samen te onderhouden. Onder de leiding van Pampinea verhaalt men van wat het meest aan elk behaagt.
Zoo dikwijls als ik, zeer genadige donna’s, bij mezelf denkend er op let, hoe gij allen natuurlijk ernstig gestemd zijt, zoo vaak ben ik mij bewust, dat het tegenwoordige werk, naar uw oordeel, een ernstigen en droeven oorsprong moet hebben gelijk de smartelijke herinnering aan de voorbijgegane, pest verbreidende sterfte in het algemeen hinderlijk is voor ieder, die deze mocht zien of op andere wijze kennen. Het boek bevat vooraan deze herinnering. Maar ik wil niet, dat dit u zal afschrikken er meer van te lezen, alsof gij altijd onder tranen en zuchten met de lectuur zoudt moeten voortgaan. Dat vreeselijke begin zal u niet anders aandoen dan een ruwe en steile berg reizigers treft, wanneer een zeer schoone, zachte en aangename rustplaats volgt, welke hun des te behagelijker zal zijn, naarmate de moeite van het bestijgen en afdalen daarvan grooter is geweest. En gelijk het uiterste van vreugde smart inhoudt, zoo worden de verdrietelijkheden door daarop volgende vreugde beëindigd. Op dit korte verdriet (ik zeg kort, omdat dit in weinige woorden vervat is) volgt spoedig het genoegen en het genot, dat ik u bij voorbaat had beloofd en dat misschien bij een aldus gemaakt begin niet verwacht zou worden, indien ik het niet had vermeld. Inderdaad, indien ik op fatsoenlijke manier op een andere wijze had kunnen komen tot wat ik verlang dan langs het ruwe pad, waarover ik dit doe, dan had ik het graag gedaan, maar daar ik de oorzaak, door welke de dingen geschiedden, die later zullen gelezen worden, niet kon verklaren zonder die herinnering, breng ik mijzelf, als door noodzakelijkheid gedwongen, er toe om dit te beschrijven.
Ik zeg dus, dat de jaren sinds de Onbevlekte Ontvangenis van Gods Zoon al gestegen waren tot het getal dertienhonderd achtenveertig, toen in de zeer goede stad Florence, schooner dan elke andere Italiaansche, de moorddadige pestziekte uitbrak, welke door den invloed der hemellichamen of voor onze zondige daden door Gods gerechten toorn onder de stervelingen gezonden, eenige jaren te voren in het Oosten ontstond, een ontelbaar aantal levenden wegrukte en zonder oponthoud van de eene plaats naar de andere voortgaande, zich op allertreurigste wijze naar het Westen heeft verbreid. [4] En hiertegen hielp geen enkele wetenschap noch menschelijke wijsheid, hoe de stad ook gezuiverd werd van veel onreinheid door de beambten, behalve van die, waarvan het reeds voorgeschreven was en evenmin baatte het, dat het aan elke zieke verboden was de stad binnen te gaan. De vele raadgevingen geschonken voor het behoud van de gezondheid, en ook de nederige smeekbeden, niet ééns maar vele keeren zoowel in geordende processies als op andere wijze tot God gericht door vrome menschen, hielpen niets. Omstreeks het begin van de lente van het voornoemde jaar begon de pest op vreeselijke wijze en op wonderbaarlijke manier haar treurigen invloed te toonen. Zij woedde niet, gelijk zij in het Oosten had gedaan, waarbij ieder, dien het bloed uit den neus kwam, dit een zeker teeken was van onvermijdelijken dood, maar bij het begin der ziekte ontstonden of in de lies of onder de oksels—bij mannen als vrouwen op gelijke wijze—zekere gezwellen, van welke enkelen groeiden als tot een gewone appel, anderen als tot een ei, bij eenigen meer en bij anderen minder, welke de menschen uit het volk pestbuilen noemden. Van de twee genoemde lichaamsdeelen uit begon in korten tijd de reeds gezegde doodelijke pestbuil, onverschillig waar, in een deel er van te ontstaan en op te komen en daarna begon het uiterlijk van genoemd ziekteverschijnsel te veranderen in zwarte of loodkleurige vlekken, welke onder de armen en op de heupen en op elk ander lichaamsdeel verschenen, bij dezen groot en weinig, en bij genen klein en veelvuldig. En daar de pestbuil het eerst was geweest en nog was het zekere teeken van naderenden dood, zoo waren die vlekken het ook bij elk, bij wien zij zich vertoonden. Het scheen, dat tot genezing van dit soort ziekte noch raad van een dokter, noch kracht van welk medicijn ook waarde had of verlichting bracht, daar of de aard van den ramp het niet toeliet, of daar de onwetendheid der geneeskundigen (van welke buiten de wetenschappelijke het aantal zoowel van mannen als vrouwen, die nooit de medicijnen hadden gestudeerd, enorm was geworden) de oorzaak niet kon verklaren. Daar men bij gevolg het noodige geneesmiddel er niet voor koos, herstelden er niet slechts maar weinigen van, maar ongeveer allen binnen drie dagen sinds de verschijning van genoemde teekens, die wat eerder, gene wat later, en de meesten zonder koorts of er bij komende omstandigheden, stierven.
En de kracht van die pest was nog grooter, omdat zij van de zieken door gemeenschappelijk samenzijn zich op de gezonden wierp, op dezelfde wijze als het vuur doet bij droge voorwerpen of gewrevenen, als zij het dicht genoeg zijn genaderd. En er was een nog grooter kwaad n.l. dat niet alleen het spreken en omgaan met de zieken aan gezonden de ziekte bracht of de oorzaak van het gewone sterfgeval werd, maar ook het aanraken van de lakens of welk ander voorwerp ook, dat door deze zieken beroerd werd of gebruikt, scheen die ziekte op hem, die ze betastte, over te brengen.
Het is een wonderlijke zaak om te hooren, die ik vertellen moet en die, indien hij niet door vele en door mijn eigen oogen gezien was, ik ternauwernood zou durven gelooven en niet den moed zou hebben neer te schrijven, zoo ik dit niet van betrouwbare menschen had gehoord. Ik beweer, dat de aard van de vermelde pest van zoodanigen invloed was bij aanraking van het eene wezen met het andere, dat niet alleen de eene mensch den ander, maar wat erger is en duidelijk genoeg bleek, dat het goed van iemand, die daardoor ziek was geweest of overleden, beroerd door een ander schepsel dan van het menschelijk geslacht, het niet alleen daarmee aanstak, maar het in zeer korten tijd doodde. Met mijn eigen oogen heb ik waargenomen, (gelijk kort te voren gezegd is) dat op een dag onder andere gevallen de lompen van een arm man door de ziekte bezweken, op den openbaren weg waren geworpen, toen twee zwijnen naderden en naar hun gewoonte die eerst met den snuit en de tanden opnamen en om den kop schudden. Kort daarop, na een paar maal te hebben rondgewenteld, alsof ze vergift hadden ingenomen, vielen beide op de ongelukslompen dood ter aarde.
Hierdoor en door heel wat meer andere gelijksoortige en erger gevallen ontstonden verschillende angsten en inbeeldingen bij hen, die gespaard bleven en allen kwamen tot een vrij wreede gevolgtrekking, namelijk de zieken en hun omgeving te vermijden en te ontvluchten en aldus handelend meende elkeen zich gelijkelijk redding te verschaffen. Er waren er eenigen, die aanrieden, dat matig leven en zich te onthouden van alle overdaad veel weerstand gaf tegen de zich voordoende ramp, en na een gezelschap te hebben gevormd leefden zij afgescheiden van ieder ander en zij vluchtten in hun huizen en sloten zich op daar, waar geen enkele zieke was, en zij gebruikten om beter te leven zeer matig de fijnste spijzen en de beste wijnen en vermeden elke buitensporigheid zonder te spreken of iemand te laten spreken van buiten over dood en zieken, of eenig nieuws te hooren en bleven dáár bij muziek en bij alle genoegens, die zij zich verschaffen konden. Anderen, van een tegengestelde meening overtuigd, beweerden dat goed drinken en genieten en zingend naar buiten te gaan en zich te vermaken en te voldoen aan iedere behoefte, waar het kon en te lachen en te schertsen om al wat gebeurde, het zekerste middel was tegen zulk een kwaad. Gelijk zij zeiden gingen zij dag en nacht naar hun vermogen te werk, dan naar deze, dan naar die kroeg loopend, zonder overleg en zonder maat drinkend. Zij deden veel meer dan in alle andere omstandigheden alleen dat, wat zij meenden, dat voor hun aangenaam en plezierig kon zijn. En zij konden dit gemakkelijk doen, omdat ieder (alsof hij niet langer had te leven) zijn goederen in den steek had gelaten of hij al dood wás, waardoor de meeste huizen gemeengoed waren geworden. De vreemdeling gebruikte die, alsof hij er behoorde en gelijk de eigen heer er gewoond zou hebben en met die hardvochtige gedachte ontvluchtten zij, zooveel ze konden, steeds de zieken. In zulk een rouw en ellende van onze stad was het eerbiedwaardig gezag van de wetten, zoowel goddelijke als menschelijke, als het ware vervallen en geheel losgelaten door de schepenen en de uitvoerders daarvan. Deze waren gelijk andere menschen of dood of ziek of zoo van familie beroofd, dat geen enkel ambt kon uitgeoefend worden; daardoor stond het aan ieder vrij naar zijn welgevallen te handelen.
Velen volgden tusschen de twee gezegde levenswijzen een gemiddelde, zich niet onthoudend van spijzen als de eersten, nog zich te buiten gaande aan drank en andere losbandigheden gelijk de tweeden, maar zij gebruikten naar genoegen volgens hun begeerten de levensmiddelen en gingen naar buiten zonder zich op te sluiten en droegen deze, bloemen, gene, welriekende kruiden in de handen en andere verschillende specerijen, die zij vaak aan den neus brachten, denkend, dat dit een uitstekend middel was om met dit soort reuk de hersens te versterken; want het was er zoo mee gesteld, dat de lucht geheel van den stank der doode lichamen en van de ziekte en van de medicijnen doortrokken en onrein was.