De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 9

Chapter 93,735 wordsPublic domain

De hertogin Margaretha was diep verontwaardigd over Alba's stap, wel sprak ze geen woord ten gunste van Egmond en Hoorne, wel gevoelde zij voor hen geen medelijden, maar zij was diep beleedigd, dat zulke invloedrijke mannen in hechtenis konden genomen worden zonder hare uitdrukkelijke machtiging. Zij beklaagde zich bij allen, die haar omringden, ja bij allen, die het hooren wilden, over het gedrag des hertogs en over zijne onrechtvaardigheid en eigendunkelijkheid. Ten gevolge van deze klachten beschouwden de Nederlanders haar als Alba's vijandin, en dit was genoeg om haar hunne genegenheid te verzekeren.

De graaf van Hoogstraeten, die in het vertrouwen op de vriendschappelijke behandeling, welke Egmond van Alba's zijde ten deel gevallen was, besloten had naar de Nederlanden terug te keeren, was reeds op weg naar Brussel, toen hij door een gelukkig toeval zijne hand bezeerde. Hij moest eenigen tijd te Keulen blijven en hier ontving hij het bericht van de gevangenneming zijner beide vrienden. Natuurlijk zette hij zijne reis niet voort, maar trok hij zich naar eene veilige plaats terug. Ook de jeugdige graaf van Mansfeld, die wel in den laatsten tijd der hertogin zeer trouw ter zijde had gestaan, maar toch vroeger een invloedrijk lid van den Geuzenbond geweest was, haastte zich de Nederlanden te verlaten, om zich in Duitschland in veiligheid te stellen.

Nadat Egmond en Hoorne gevangen waren genomen, bestond er voor Alba geene enkele reden meer om de uitvoering van zijne wraakoefening te verschuiven. Zijn eerste werk hiertoe was het instellen van een nieuw collegie, waaraan hij den naam "raad van beroerten" gaf, doch dat het volk den bloedraad noemde.

De bloedraad nam de plaats in van alle vroegere raadscollegiën. Geene rechtbank, zonder uitzondering, mocht langer uitspraak doen over eene zaak, die met de laatste beroerten in betrekking stond. De staatsraad werd van nu af aan slechts zelden bijeengeroepen; zijne werkzaamheden werden insgelijks grootendeels aan den bloedraad opgedragen. De taak van het nieuwe collegie was, allen te straffen, die aan hoogverraad schuldig of zelfs daarvan verdacht waren. Als schuldig aan hoogverraad nu werd een ieder beschouwd, die ooit een verzoekschrift tegen de inquisitie of de plakaten had onderteekend; een ieder, die de ketters begunstigd of zich niet tegen hen verzet had; een ieder, die aan den beeldstorm deelgenomen of predikaties van ketters aangehoord had; een ieder, in één woord, die des konings rechten met woord of daad had aangerand. Voor hen allen bestond er slechts ééne straf: de dood en verbeurdverklaring van hunne goederen.

De bloedraad bestond deels uit Spanjaarden, deels uit Nederlanders. Alba koos hen op raad van den geleerden Viglius, die zelf te slim en te laf was om daarin zitting te nemen, maar die met zijne kennis van menschen en zaken gaarne den hertog ten dienste stond.

De ziel van den bloedraad was Juan de Vargas, een Spanjaard, die zich in zijn vaderland aan eene schandelijke misdaad had schuldig gemaakt, doch die om zijne inderdaad duivelsche wreedheid door Alba voor dat gewichtig ambt geschikt geoordeeld werd. Naast Vargas stond een Bourgondiër, Lodewijk del Rio; de overige leden waren grootendeels Nederlanders zonder wil of karakter; zij voegden zich steeds naar den wil der Spanjaarden, die elken beschuldigde ter dood veroordeelden. De Vlaming Jacob Hessels, die bij de beraadslagingen gewoonlijk insliep, antwoordde, wanneer men hem wakker maakte en naar zijn oordeel vroeg, onveranderlijk: "aan de galg, aan de galg!" zonder eens te weten, waarom het te doen was. Ook Noircarmes en Barlaimont, die het niet beneden zich achtten, in den bloedraad zitting te nemen, verlaagden zich tot blinde werktuigen van des konings wraak.

De bloedraad hield zijne eerste zitting den 20en September 1567 in Alba's woning en van nu af was hij met een rusteloozen ijver werkzaam. Hij ging daarbij zeer eenvoudig en snel te werk. Benden spionnen trokken het land door, om allen op te sporen, die bij de laatste onlusten betrokken waren geweest of ook om andere redenen aan hoogverraad schuldig schenen, bij voorkeur de rijken, wier vermogen verbeurd kon worden verklaard. Zoodra er eene aanklacht inkwam, onverschillig of zij een enkelen persoon, dan wel honderd tegelijk betrof, vonniste de bloedraad, zonder zelfs den beschuldigde te hooren of hem een verdediger toe te staan. Zijn vonnis veroordeelde bijna altijd ter dood, en werd binnen 24 uur voltrokken.

Na de instelling van den bloedraad verbreidde zich een naamlooze schrik door al de Nederlanden; wie het met den vloek geslagen land nog ontvluchten kon, vlood met achterlating van have en goed, ten einde althans het leven te redden. Alle vreemde kooplieden verlieten het land, handel en nijverheid kwijnden.

Een Nederlandsch geschiedschrijver geeft ons van den treurigen toestand van zijn vroeger zoo bloeiend vaderland in die dagen de volgende levendige schets:

"Dat een volk, zoo bloeiend in kunsten en welvaart, een adel zoo trotsch op zijn wapenschild, gemeenten zoo moedig op hare vrijheid, dien onlangs de pracht eens kardinaals van Granvelle wee in het oog deed, zich nu door de snoodsten en eerloosten der aarde den buik laten intrappen!.... Want wien in alle gewesten, waggelde het hoofd op den hals niet, daar men zulk een voet van rechters en rechtsvorderingen volgde, daar zaken van 't uiterste gewicht, zonder op plaats of hoven, waaronder ze gevallen waren, te letten, zonder uitvlucht van beroep tot hooger vierschaar of nader overzicht, bij twee of drie ellendigen, die allen naar den mond van een Vargas zagen, besloten werden? 't Ging dan aan elken kant op een vangen en spannen van allerlei stand, allerlei sekten, allerlei ouderdom. De galgen hingen gerist, de raden, de staken, de boomen aan de wegen stonden beladen met lijken, geworgd, onthalst, gebrand: zoodat de menschen nu in de lucht, tot ademschepping geschapen, als in een gemeen graf en woning der overledenen verkeerden. Elke dag had zijne deerlijkheid in het bassen der bloedklok, dat met den dood van namaag den eenen, van zwager of vriend den ander in het hart klonk; aan het bannen, aan 't verbeurd verklaren der goederen was geen einde. Tilbaar, ontilbaar, 't werd al aangeslagen en (ongeacht het aantal der schuldeischers) bekommerd gehouden, tot onberekenbare schade van rijken, van armen, van kloosters, gasthuizen, weduwen en wezen, die na loopende jaren lang van hun recht en renten door booze uitvluchten verstoken bleven." [1]

Dewijl de goederen der veroordeelden in des konings schatkist vloeiden, was dit eene nieuwe reden om de doodvonnissen niet te verminderen en, evenals men in de dagen van het schrikbewind geld sloeg op het omwentelingsplein te Parijs, zoo deed men het thans op de gerichtsplaats te Brussel. De geheele waarde der op die wijze in beslag genomen goederen wordt op twintig millioen fransche daalders geschat, eene voor dien tijd ongehoorde som, die zoowel getuigt van den rijkdom der Nederlanders als van de onbeschaamde verdrukking, welke zij van de zijde hunner dwingelanden ondergingen. Ook de billijkste, heiligste schulden werden van het vermogen niet afgetrokken, waardoor niet alleen een aantal schuldeischers, maar ook vele openbare stichtingen tot armoede vervielen. De heer van Bakkerzeel (Casembroot) werd op de pijnbank gelegd, opdat hij de schatten van zijnen heer aan het licht zou brengen en, naar het schijnt volgens zijne aanwijzing, werden elf kisten en eenige koffers met zilveren voorwerpen te Gent opgegraven. In dezelfde stad werden den 16en Januari 1567 zeven en veertig burgers tegen den 4en, denzelfden dag acht en veertig anderen tegen den 6en en den 17en nog acht en veertig anderen tegen den 17den Februari ingedaagd. Het waren volledige proscriptielijsten, die aan het raadhuis aangehecht werden. Elk, wiens naam daarop voorkwam, kon zijn leven alleen redden door de vlucht.

Margaretha van Parma, die toch waarlijk niet weekhartig was--dit had zij bij het vervolgen van de ketters voldingend bewezen,--huiverde terug voor de wijze, waarop de bloedraad te werk ging. Zijne vonnissen toch troffen evenzeer goede Katholieken als Calvinisten en Lutheranen; geene diensten, vroeger den koning bewezen, konden iemand van de doodstraf redden, vooral wanneer de rijkdom eens beschuldigden zijnen dood wenschelijk maakte.

De aanklacht van dezen of genen veilen spion en het vonnis van Alba's blinde werktuigen waren voldoende om de aanzienlijkste en rechtschapenste mannen van het leven te berooven. Margaretha kon zulke gruwelen niet langer aanzien; reeds lang had zij Philips II om haar ontslag verzocht en zij was zeer verheugd, toen zij dit in December 1567 eindelijk ontving. Nog éénen brief schreef zij aan den koning, waarin zij hem smeekte zachtmoedig en barmhartig te zijn; toen verliet zij de Nederlanden in denzelfden tijd, waarin Alba ijverig bezig was een nieuwen dwinger tegen de Nederlandsche vrijheid, de beroemde citadel van Antwerpen, te stichten en te bevestigen [2].

Het Nederlandsche volk hield Margaretha in dankbaar aandenken, hetwelk zij niet aan hare verdiensten, maar aan 's volks haat tegen Alba, die haar had verdrongen, te danken had.

ZESDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. De bloedraad daagt Oranje in. Zijn antwoord. Alle Nederlanders door de inquisitie ter dood veroordeeld. De Boschgeuzen. Oranje's krijgstoerustingen. Voordeelen, door Lodewijk van Nassau in het Noorden behaald. De slag bij Heiligerlee. Alba'a wraak. Egmond en Hoorne ter dood gebracht.

In het begin van het jaar 1568 werden de uit het land gevluchte geuzen, de prins van Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau, de graaf van Hoogstraeten, de graaf van Kuilenburg, Brederode en anderen, in naam van den hertog van Alba ingedaagd, om voor den bloedraad te verschijnen. In geval zij weigerden aan die oproeping gehoor te geven, werden zij met eeuwige verbanning en met verbeurdverklaring van hunne goederen bedreigd. Natuurlijk verscheen geen dier heeren, zij wisten dat gehoorzaamheid aan het opontbod voor hen allen, zonder uitzondering, hetzelfde zou zijn als de dood.

De aanklacht, welke de bloedraad tegen den prins van Oranje uitsprak, hield in, dat deze het plan gekoesterd had om zich tot heer der Nederlanden te verheffen, en dat hij, tot bereiking van dat doel, Zijner Majesteits onderdanen tot verzet tegen de plakaten had aangespoord, onder voorwendsel, dat de Spaansche inquisitie in het land ingevoerd zou worden; dat hij Brederode en de overige verbondene edelen tot opstand had aangespoord en dat hij, eindelijk, naar Antwerpen gezonden, om daar den opstand te onderdrukken, de ketters aangemoedigd en den hervormden vrijheid van godsdienst verleend had.

In antwoord op deze beschuldiging ontzegde de prins den bloedraad in korte, minachtende bewoordingen elk recht om over hem de vierschaar te spannen; hij verklaarde, dat hij als ridder van het Gulden Vlies en als vorst van het Duitsche rijk noch van den hertog van Alba, noch van eene dergelijke rechtbank bevelen te ontvangen had; dat hij bereid was om zijne onschuld te bewijzen, hetzij als Vliesridder voor eene rechtbank, uit leden dier orde samengesteld, hetzij als Duitsch vorst voor den keizer, de keurvorsten en de andere Duitsche vorsten.

Uit dit antwoord blijkt, dat Oranje toen nog altijd schroomde, zich openlijk tegen Philips II te verzetten. Alleen de wederrechtelijke macht van Alba en den bloedraad wees hij af; daarentegen was hij bereid om zich tegen eene wettige aanklacht voor een aan zijnen rang passend gerechtshof te verdedigen. Weldra zou hij door nieuwe maatregelen van geweld, tegen hem genomen, tot openlijk verzet tegen den koning gedwongen worden.

Zijne goederen in de Nederlanden werden verbeurd verklaard en de maat van onrechtvaardigheid en willekeur ten zijnen aanzien vol gemeten, naardien Alba zich van zijn oudsten zoon, den jeugdigen graaf van Buren, die te Leuven studeerde, meester maakte en hem naar Spanje zond.

Alle overwegingen, welke Oranje tot dusver weerhouden hadden in het openbaar met kracht van wapenen tegen Alba en Philips II op te treden, traden nu op den achtergrond. Het was voor hem nu alleen de vraag, of het mogelijk zou zijn, de Spaansche troepen te overwinnen. Het antwoord daarop hing uitsluitend af van de gezindheid der Nederlanders om ten gunste van Oranje tegen Alba in opstand te komen. Dit was niet onwaarschijnlijk, want de onderdrukking van het rampzalige volk was zoo groot, dat ook het geduld der zachtmoedigsten wel uitgeput moest worden.

Onvermoeid had de bloedraad zijn vreeselijk werk voortgezet en al zijne vonnissen waren op Alba's bevel zonder genade voltrokken. Toen de magistraat van Antwerpen een gezantschap tot den hertog zond, ten einde hem voor eenige der aanzienlijkste burgers hunner stad, die door den bloedraad veroordeeld waren, om genade te smeeken, antwoordde hij den afgevaardigden op gestrengen toon: "Ik ben verbaasd dat gij het waagt, om genade te smeeken voor verraders en ketters, neemt u zelven maar in acht! Ik heb besloten, wanneer het noodig is, al de inwoners der stad te laten ophangen, als voorbeeld voor het overige land. Zijne Majesteit koning Philips II wil liever het geheele land in eene woestenij herscheppen, dan dulden, dat daarin ook slechts één ketter in het leven blijft!"

Inderdaad, men scheen wel te moeten gelooven, dat Philips van plan was, de Nederlanden te ontvolken en tot eene woestenij te maken. Of wat anders was de strekking van een op zijn bevel opgemaakt en door hem goedgekeurd besluit der Spaansche inquisitie? In weerwil der bittere klachten over den bloedraad, die uit de Nederlanden bij hem ingebracht werden, en die zelfs den paus bewogen hadden om den koning tot matiging aan te sporen, was Philips niet tot eenigen stap tegen dit gerechtshof over te halen. Hij legde de geheele zaak aan de rechtbank der inquisitie voor en deze verklaarde, dat alle Nederlanders, met uitzondering van eenige weinige, met name genoemde mannen, ketters of begunstigers van ketters en alzoo aan hoogverraad schuldig waren, daar zij òf aan den beeldstorm deelgenomen òf dien niet verhinderd hadden.

Philips bekrachtigde deze vreeselijke uitspraak; hij verklaarde daarmede, dat alle Nederlanders ter dood veroordeeld waren en dat zij, die niet omgebracht werden, zich slechts als begenadigden moesten beschouwen. De Nederlandsche geschiedschrijver Hooft vraagt terecht, of wel ooit, zelfs door de wreedste dwingelanden, zulk een vonnis geveld is.

Natuurlijk kon het des konings bedoeling niet zijn, alle inwoners der Nederlanden ter dood te laten brengen; doch het volk wist dat allen evenzeer veroordeeld waren en dat de hertog van Alba en de bloedraad de macht hadden om die uitspraak der inquisitie elk oogenblik naar goeddunken op een ieder toe te passen. Een ieder, tot welken stand hij ook mocht behooren, kon voor den bloedraad gebracht en veroordeeld worden, zonder eenig misdrijf te hebben begaan.

Inderdaad toonde de bloedraad, dat hij volkomen bereid was om zijn last te volvoeren. Geen dag verliep er, waarop het schavot geene nieuwe slachtoffers ontving, en deze behoorden zoowel tot den hoogsten als tot den laagsten stand der maatschappij. Reeds het bezit van rijkdom was op zich zelf eene onvergeeflijke misdaad; doch ook de armoede beveiligde niet tegen de galg; zoowel de hongerige werkman, als de welvarende burger werd aan den beul overgeleverd.

Een nieuwe maatregel van den bloedraad verhoogde nog de schrik voor deze rechtbank. Het was meermalen gebeurd, dat ter dood veroordeelden op den weg naar het schavot aanspraken gehouden hadden tot de menigte, die hen vergezelde. Om dit in het vervolg voor te komen, werd om de tong der veroordeelden een ijzeren ring gelegd, vervolgens raakte men de punt der tong met een gloeiend ijzer aan, de zwelling belette het afvallen van den ring en maakte het den veroordeelden onmogelijk, zelfs een enkel woord te spreken.

Onbegrijpelijk schijnt het, dat een volk, hetwelk nog vóór korten tijd zooveel geestkracht aan den dag had gelegd, die ontzettende onderdrukking geduldig kon verdragen, dat het niet overal in opstand kwam, om de betrekkelijk geringe krijgsmacht van Alba te verdrijven. Slechts enkelen waagden het, zich tegen het Spaansch geweld te verzetten en deze behoorden volstrekt niet tot de beste standen des volks; gedeeltelijk waren het voortvluchtige misdadigers, roovers, die hun schandelijk handwerk onder de leus van vaderlandsliefde dreven, ten einde bij de plattelandsbevolking bescherming te vinden voor de vervolging der rechtbanken, gedeeltelijk ook tot wanhoop gebrachte protestanten, die niet buiten 's lands hadden kunnen vluchten en derhalve, om zich aan de klauwen van den bloedraad te onttrekken, naar de wapens grepen en een avontuurlijk leven leidden.

Talrijke benden, die zich zelven Wilde Geuzen of Boschgeuzen noemden, namen de onderscheidingsteekenen der omwenteling aan en begingen onder haren dekmantel afschuwelijke misdaden. Roovend en blakerend trokken zij het land door. Hun doel was, al de geleden ellende op de katholieken te wreken. Zij deden dit op eene wijze, welke hen in het oog van alle rechtschapen protestanten verachtelijk maken moest.

Een groot aantal kloosters werd geplunderd en verbrand, vele priesters werden verminkt of ten minste mishandeld. Het was eene schandelijke liefhebberij der Boschgeuzen, den katholieken priesters, die in hunne handen vielen, neus en ooren af te snijden en deze aan de manen en den staart hunner paarden te hangen.

Alba vaardigde tegen de Boschgeuzen een donderend edict uit, hij gaf aan een ieder verlof om hen, waar hij hen ook aantrof, zonder vorm van proces te dooden; hen, die de misdadigers in bescherming namen, bedreigde hij met de strengste straffen; doch hiermede bereikte hij zijn doel niet, eerst toen hij de gewapende macht tegen hen liet oprukken, gelukte het hem, de roovers voor eenigen tijd te onderdrukken.

De opstand der Boschgeuzen was alleen in zoo ver van eenig belang, dat hij den prins van Oranje versterkte in de meening, dat thans voor hem de oogenblik om te handelen gekomen was, dewijl hij op ondersteuning der Nederlanders kon rekenen. Hij wendde zich tot de protestantsche vorsten van Duitschland, voornamelijk tot den landgraaf van Hessen en den keurvorst van Saksen, ten einde zich van hunne hulp te verzekeren. Hij knoopte zoowel in Engeland als in Frankrijk betrekkingen aan; de Hugenooten in laatstgenoemd land leenden aan zijne voorstellen gewillig het oor, daar zij hem als hun natuurlijken vriend en bondgenoot beschouwden. Vele uit de Nederlanden gevluchte edellieden voegden zich bij hem, om onder hem tegen Alba en voor hun vaderland te strijden. Reeds had hij eene kleine legerafdeeling onder zijne bevelen; het bevel daarover droeg hij op aan zijn broeder Lodewijk van Nassau, dien hij den 6en April 1568 te Dillenburg bepaaldelijk machtigde om verder troepen aan te werven en daarmede den hertog van Alba te bevechten.

Niet tegen den persoon van Philips, niet tegen diens rechten op het bewind over de Nederlanden, maar alleen tegen de Spaansche troepen van Alba gordde hij de wapenen aan. Nog altijd bleef hij vasthouden aan zijne verzekering, dat hij des konings trouwe dienaar was en juist om diens erflanden ongeschonden te bewaren, aan de heerschappij der Spanjaarden een eind maken en de door den koning zelven bezworen privilegiën tegen Alba in bescherming nemen moest.

Om een leger aan te werven en een gewapenden inval in de provinciën te doen, had Oranje in de eerste plaats geld noodig en dit bezat hij niet, daar hij uit zijne verbeurd verklaarde bezittingen in de Nederlanden geene inkomsten meer kon trekken. Ook de ondersteuning, hem door de voortvluchtige edelen verleend, was niet voldoende. Ten einde zich geld te verschaffen, moest de prins al zijne kleinoodiën, zelfs het kostbare huisraad zijner kasteelen, zijne paarden en andere voorwerpen van waarde verkoopen, en hij deed dit zonder aarzelen.

Volgens het door hem beraamde plan zou de inval in de provinciën op drie verschillende plaatsen geschieden, twee kleine legerafdeelingen zouden in de zuidelijke Nederlanden vallen, terwijl Lodewijk van Nassau in de noordelijke de vaan van den opstand opsteken zou. Het plan werd volvoerd, maar niet met gelukkigen uitslag.

De invallen in het Zuiden werden door de Spanjaarden afgeslagen, alleen Lodewijk van Nassau behaalde in het Noorden aanvankelijk eenig voordeel. Met ongeveer 7000 man viel hij in het voorjaar van 1568 in Groningerland, en het gelukte hem den 23en Mei een Spaansch legerkorps onder aanvoering van den hertog van Aremberg bij het klooster Heiligerlee te verslaan en uit elkander te drijven. Aremberg zelf sneuvelde, maar ook Lodewijk van Nassau had een zwaar verlies te betreuren: zijn jongsten broeder, graaf Adolf van Nassau, een veelbelovend jongeling, telde men insgelijks onder de dooden.

De overwinning bij Heiligerlee beteekende op zich zelve weinig, dewijl Lodewijk van Nassau daarvan geene partij trekken kon; hij had geen geschut voor de belegering der steden, die de steunpunten van zijne macht moesten uitmaken, wanneer hij op duurzame voordeelen wilde rekenen. Bovendien was hij te zwak om aan eene grootere Spaansche macht in het open veld het hoofd te bieden en daarom moest hij elk oogenblik vreezen, dat zijne slecht betaalde Duitsche huurtroepen hem de gehoorzaamheid zouden opzeggen.

Veel belangrijker was de zedelijke invloed der zegepraal. Tot heden hadden de Nederlanders de Spaansche keurtroepen als onoverwinlijk beschouwd; thans was het gebleken, dat zelfs een zwak leger, gelijk dat van Lodewijk, Alba's in den oorlog vergrijsde krijgers kon overwinnen; hun moed herleefde, de overwinning bij Heiligerlee bereidde den lateren algemeenen opstand voor. Voorshands echter waren hare gevolgen noodlottig.

Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde dat Lodewijk van Nassau eenig voordeel had behaald. Hij besloot, zelf tegen den aanvoerder der opstandelingen op te trekken, doch eer hij dit deed, toonde hij den Brusselaars, hoe geducht zijne wraak jegens alle opstandelingen was.

Den 28en Mei 1568 vaardigde hij een edict uit, waarbij Oranje, Lodewijk van Nassau, Hoogstraeten en vele andere edelen voor altijd uit het land verbannen werden; ingeval zij terugkeerden, zouden zij zonder omwegen ter dood worden gebracht. Al hunne goederen werden verbeurd verklaard, het paleis van Kuilenburg, waar de vergadering der geuzen gehouden was, werd geheel omvergehaald; op zijne puinhoopen werd een gedenkteeken opgericht.

Den eersten Juni werden 18 mannen van naam te Brussel ter dood gebracht; men stelde hunne hoofden op palen ten toon; den 2en Juni volgden vier anderen hen in den dood.

Den 3en kwamen in de hoofdstad twee compagniën voetvolk en twee escadrons ruiterij aan; zij begeleidden de graven van Egmond en Hoorne, die in een wagen van Gent waren overgebracht, om te Brussel te recht te staan.

Tegen beiden was na hunne gevangenneming een proces aangevangen, dat wel eene bittere bespotting van alle rechtsvormen heeten mocht. De aangeklaagden werden beschuldigd, dat zij met den prins van Oranje een complot hadden gesmeed, om den koning uit de Nederlanden te verdrijven en de provinciën onder elkaar te verdeelen; dat zij het verbond der edelen ondersteund, de ketters begunstigd en buitendien allerlei misdaden van hoogverraad gepleegd hadden.

Egmond en Hoorne hadden geëischt, als ridders van het Gulden Vlies, overeenkomstig de statuten dier orde, gericht te worden; de keizer zelf was voor hen bij Philips in de bres gesprongen, vele andere vorsten hadden dit voorbeeld gevolgd, doch de koning gedroeg zich naar den raad van Vargas, die hoonend uitriep: "Wat gaan uwe privilegiën ons aan?" Een rechtsgeleerd advies, door den geleerden Viglius opgesteld, trachtte deze zijne handelwijze te wettigen.