De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 8

Chapter 83,660 wordsPublic domain

Eenige dagen later schreef Oranje een brief aan den koning, waarin hij dezen aankondigde, dat hij zijn ambt had nedergelegd en naar Duitschland vertrokken was. Hij gaf gehoor aan den raad van den landgraaf Philips van Hessen, die hem smeekte spoedig te komen, dewijl de hertog van Alba, dien hij kende, zeker booze plannen koesterde.

Den 11en April verliet Oranje Antwerpen, den 22en vertrok hij naar Dillenburg en waarlijk, hij ging op het rechte tijdstip, want nauwelijks was hij in Duitschland aangekomen, of hij ontving van den door hem omgekochten geheimschrijver van Philips II het afschrift van een brief, dien de koning aan Alba geschreven had, en waarin hij dezen streng beval, den prins, zoodra hij zich van hem meester maken kon, gevangen te nemen en diens rechtsgeding binnen 24 uren ten einde te brengen.

Oranje was niet de eenige, die het land verliet: ook Brederode achtte het geraden, zich naar Duitschland terug te trekken. Hier leefde hij nog een jaar; door onmatig gebruik van wijn wilde hij zijn leed verzachten; hierdoor ondermijnde hij zijne gezondheid zoo zeer, dat hij aan de gevolgen zijner buitensporigheden op het slot Hardenberg stierf.

Zoo groot was in de Nederlanden de vrees voor nieuwe geloofsvervolgingen, dat alle inwoners, die maar eenigszins van ketterij verdacht werden, of die wisten, dat zij in de laatste troebelen betrokken waren geweest, poogden te ontvluchten. Wie maar eenigszins de middelen er toe bezat, verliet het land; bij geheele scharen trokken de landverhuizers over de grenzen. En waarlijk, de hervormden hadden gelijk, dat ze hun heil in de vlucht zochten, want de landvoogdes legde thans weder eene schrikverwekkende hardheid tegen de ketters aan den dag; zij liet hen naar hartelust ophangen en onthoofden. De met hare toestemming onlangs gebouwde kerken werden omvergehaald, van hare balken bediende men zich om galgen op te richten; de edele hertogin vond het zeer grappig, dat de ketters aan het hout hunner eigene kerken werden opgehangen.

De goederen der vluchtelingen en der ter dood gebrachten werden verbeurd verklaard. Zij, wien het onmogelijk was te vluchten, trachtten de verdenking zoo goed het kon van zich af te weren. Velen, die vroeger tot de ijverigste protestanten behoord hadden, legden thans een schier dweepzieken ijver voor het katholicisme aan den dag; zij bezochten meermalen daags de kerk. Anderen bewezen hunne rechtzinnigheid door hunne vroegere vrienden en geloofsgenooten als ketters aan te klagen.

Den 24sten Mei vaardigde de landvoogdes een nieuw plakaat uit, welks strengheid niets te wenschen overliet: alle aanhangers van de kettersche leer werden daarin met den dood bedreigd. Ten gevolge van dit plakaat nam de landverhuizing in zulk eene mate toe, dat Margaretha het noodzakelijk achtte, een ieder het overschrijden van de grenzen te verbieden. Met den dood werd iedere voerman en elke schipper bedreigd, die het zou durven wagen een ketter in zijne vlucht behulpzaam te zijn.

Zoo stonden de zaken in de Nederlanden, toen de hertog van Alba in aantocht was, om met nog grooter gestrengheid tegen het kettersche volk te werk te gaan, dewijl Margaretha van Parma naar Philips' oordeel als landvoogdes op verre na niet krachtig genoeg geregeerd had.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Philips' plannen met de Nederlanden. De staatsraad. Benoeming van Alba. Alba's verleden. Zijn karakter. Uitrusting van het leger. Vergeefsche pogingen van Margaretha om Alba's zending te verhinderen. De Nederlandsche gezanten in Spanje gevangen genomen. Bergen's dood. Alba's tocht naar de Nederlanden. Zijne ontvangst. Oneenigheid tusschen Alba en de hertogin Margaretha. Alba's instructie. Zijne zachtmoedigheid. Zelfbedrog van Egmond. Vruchtelooze waarschuwingen. Egmond en Hoorne gevangen genomen. Algemeene verslagenheid in de Nederlanden. De bloedraad; zijne bevoegdheid; zijne leden. Vargas. Werkzaamheid van den bloedraad. Algemeene schrik. Margaretha verlaat de Nederlanden.

Philips II was geen vriend van snelle handelingen; bedaard en langzaam, maar onwrikbaar ging hij steeds op zijn doel af. Hij had besloten, de beeldstormers en alle Nederlanders, die het gewaagd hadden zich tegen zijn gezag te verzetten, ten strengste te straffen, maar hij haastte zich daarmede niet. Hij ging voort genadige brieven aan de hoofdleiders der Nederlandsche beweging, aan Oranje en zijne vrienden, te schrijven en te beloven, dat hij in persoon naar de Nederlanden komen zou, om den vrede te herstellen. Intusschen bereidde hij in stilte alles tot zijne wraakoefening voor.

In April van het jaar 1567 werd in een grooten staatsraad, die alleen door Spanjaarden werd bijgewoond, over de maatregelen beraadslaagd, welke men tegen de opstandelingen moest nemen. Kort te voren was een bericht van hertogin Margaretha gekomen, hetwelk inhield, dat het land tot rust gebracht, de ketterij onderdrukt was en de vroegere plakaten omtrent de godsdienst weder in volle kracht ten uitvoer gelegd werden; dat de koning, wanneer hij thans in de Nederlanden verscheen, ook zonder eenige krijgsmacht, alleen door zijne tegenwoordigheid lichtelijk den vrede geheel herstellen en de pest der ontevredenheid verdrijven kon; dat een Spaansch leger slechts schrik inboezemen en de reeds zoo verderfelijke landverhuizing nog aanwakkeren zou. De landvoogdes smeekte Philips meer als vader dan als vorst des volks te komen, dan zou het gemakkelijker vallen alles te regelen en de beste verstandhouding tusschen de vroeger oproerige gewesten en den koning te herstellen.

Met den welgemeenden raad, welken Margaretha in dezen brief uitsprak, betuigde ook Ruy Gomes, de prins van Eboli, zijne instemming. Hij was over het algemeen vredelievend gestemd, doch in dit geval trachtte hij nog des te meer den vrede te bevorderen, dewijl zijn tegenstander, de hertog van Alba, reeds door Philips uitverkoren was om in de Nederlanden de rust te herstellen: den hertog van Alba gunde de prins van Eboli de eer en het voordeel niet, die uit zulk eene opdracht zouden voortvloeien. Hij wees op het gevaar en de kosten, aan eene dergelijke onderneming verbonden, en hij vond steun bij Antonio Perez en bij des konings biechtvader.

Alba daarentegen drong op eene onverwijlde onderwerping van de Nederlanders door kracht van wapenen aan. Reeds te lang hadden de rebellen den koning getart, ja door de hun betoonde toegevendheid waren zij slechts te overmoediger geworden. Al was de opstand voor dezen oogenblik ingesluimerd, spoedig zou hij met verdubbelde kracht beginnen, indien hij ongestraft bleef. De kardinaal Spinosa schaarde zich aan zijne zijde en beiden overtuigden Philips II, dat Alba's gevoelen het juiste was; hij bleef bij zijn reeds vroeger opgevat besluit om Alba met een leger naar de Nederlanden te zenden. Intusschen voegde hij er bij, dat ook hij zich over Savoie, Bourgondië en Lotharingen derwaarts wilde begeven; het leger, dat hij onder Alba zond, moest hem slechts vooruitgaan; hij zou spoedig volgen.

Hoewel Philips vast besloten had, nooit zijn woord te houden en rustig in Spanje te blijven, wist hij toch met zijne gewone list alle vorsten van Europa en ook de Nederlanders zelven te doen gelooven, dat hij werkelijk van plan was, Spanje te verlaten. Hij gaf bevel om terstond de beste troepen des rijks, de vier legioenen van Napels, Sicilië, Sardinië en Lombardije, samen te trekken: ongeveer 10.000 man, allen uitgelezen veteranen, tot wier opperbevelhebber de hertog van Alba benoemd werd.

Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, was op dat tijdstip 60 jaar oud. Hij was de meest beroemde veldheer van Spanje, geen ander kon op zoovele schitterende wapenfeiten wijzen als hij, hij had zijn roem op krijgskundig gebied niet alleen aan zijne stoutmoedigheid, maar evenzeer aan zijne voorzichtigheid en standvastigheid te danken. Reeds van zijne vroegste kindsheid af was hij soldaat, zijn geheele leven was te midden van het gewoel des oorlogs vervlogen.

Keizer Karel V had hooge achting voor Alba gekoesterd en hem meermalen de belangrijkste bevelhebbersposten toevertrouwd. In den Smalkaldischen krijg was hij opperbevelhebber geweest; zijn meest beroemd wapenfeit was de slag bij Mühlberg.

Had Alba zich als veldheer een welverdienden roem verworven, als staatsman beteekende hij weinig of niets, dewijl hij zijn geheele leven onder de wapenen had doorgebracht.

Geen Spanjaard was beter berekend om de bloedige wraak uit te oefenen, welke Philips op de Nederlanders wilde nemen, dan Alba, die de ketters haatte met een doodelijken haat. De koning kende hem als een man zonder hart, die brandde van begeerte om de rijke, kettersche Nederlanders te tuchtigen en dien geen opwelling van medelijden zou verhinderen, zich met al zijne krachten aan het hem opgedragen ambt van wreker toe te wijden.

De hoogmoedige, hebzuchtige, bloeddorstige, maar krachtig doortastende hertog was juist een man, zooals Philips tot volvoering van zijne plannen noodig had. Het leger, dat hij zou aanvoeren, bestond uit de voortreflijkste troepen, die Spanje in het veld kon brengen; het stond onder het bevel van de uitstekendste generaals, zooals Juliaan Romero, Alfonso d'Alloa, don Ferdinand van Toledo, grootvizier der orde van Calatrava, Alba's onechte zoon, Gabriël Serbelloni, den bevelhebber der artillerie en Frans Paciotto, den beroemden ingenieur.

Niets werd gespaard aan de uitrusting van dit leger; daarbij bevond zich zelfs--en dit is veel beteekenend voor de krijgers, die volgens Philips' bewering als kampioenen voor het ware geloof in de Nederlanden verschijnen zouden--eene schaar van 2000 liederlijke vrouwspersonen, die volkomen regelmatig gedisciplineerd en geëxerceerd, ja geheel aan militaire regeling onderworpen werden.

Brantôme zegt, dat zij schoon en dapper waren als princessen, zoowel die, welke te paard zaten, als die, welke te voet moesten marcheeren.

Den 10en Mei 1567 scheepte de hertog van Alba zich te Carthagena in, om van Genua uit den marsch naar de Nederlanden te beginnen.

Margaretha van Parma ontving nauwelijks bericht van de zending des hertogs, of zij schreef terstond aan Philips, om hem nog eens dringend te smeeken, den Nederlanders den inval van een Spaansch leger te besparen, zij beklaagde zich bovendien, wijl een ander gezonden werd om de vrucht van hare bemoeiingen te oogsten. Door hare krachtsinspanning, verklaarde zij, waren de Nederlanders tot rust gebracht, wanneer Alba thans kwam, zou hij weer omverwerpen wat zij met zooveel zorg en moeite opgebouwd had. Reeds de naam van Alba was in de Nederlanden zoo gehaat, dat de geheele Spaansche natie daaronder leed. Zij hield den koning voor, dat Alba's zending niets dan de treurigste gevolgen zou na zich slepen.

Philips had eenmaal zijn besluit genomen en legde het zonder weifelen ten uitvoer. Van eene bemiddeling wilde hij thans niets meer weten, dit toonde hij ook door zijne houding tegenover de Nederlandsche gezanten, den markgraaf van Bergen en den heer van Montigny: deze werden niet langer als gezanten, maar als gevangenen beschouwd. De markgraaf van Bergen, die ernstig ziek geworden was en die volgens de uitspraak der geneesheeren alleen herstellen kon, wanneer hij verlof ontving om naar zijn vaderland terug te keeren, verkreeg die vergunning niet. Hij stierf, wellicht--gelijk sommigen beweren--aan vergif, wellicht ook zijn natuurlijken dood. Zijn medegezant Montigny werd gevankelijk naar Segovia gevoerd.

Terstond na Bergen's dood zond Philips het bevel aan de landvoogdes, dat alle goederen van den gevangene in beslag genomen moesten worden.

Bergen had bij zijn testament twee jeugdige bloedverwanten tot zijne erfgenamen benoemd; de koning beval, deze onder voorwendsel van ketterij in hechtenis te nemen.

Alba was intusschen naar de Nederlanden op marsch gegaan. Met 8700 man voetvolk en 1200 ruiters, dus ongeveer 10.000 man, was hij den Mont-Cenis overgetrokken. De Zwitsers maakten zich over de Spaansche krijgsmacht ongerust; zij waren van plan, den hertog in een nauwen Alpenpas te overvallen, maar zij deden het niet. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, rukte Alba voorwaarts. Ook op zijn verderen marsch zou het weinig moeite gekost hebben, hem tot den terugtocht te dwingen, indien de Fransche Hugenooten hem den doorgang versperd hadden. Wanneer Egmond inderdaad hoogverraad had willen plegen, zou hij dit gemakkelijk hebben kunnen doen, maar Egmond dacht niet aan zoo iets, hij was des konings trouwste dienaar.

Alba kon derhalve zonder oponthoud door Bourgondië en Lotharingen naar Luxemburg trekken. Het was in het midden van Augustus, toen hij te Thionville aankwam, waar hij door Barlaimont en Noircarmes verwelkomd werd. Onderweg had hij ook een brief van Margaretha ontvangen, waarin deze hare bezorgdheid uitsprak over den indruk, dien zijne verschijning aan het hoofd van een leger op de Nederlanders maken zou. Hare waarschuwing droeg echter niet de minste vrucht. Alba antwoordde daarop met verachtelijken toon: "Ik heb in der tijd volken van ijzer en staal bedwongen, zou ik bang zijn voor zulke botermenschen?"

Inderdaad scheen daartoe ook niet de minste reden te bestaan, want de Nederlanders haastten zich, Alba door deputaties te doen begroeten en van hunne trouw te verzekeren. Zelfs Egmond achtte het niet beneden zich, den machtigen man het hof te maken; den 22en Augustus bracht hij uit Brussel met een aantal edelen Alba te Dendermonde een bezoek.

De hertog was jegens Egmond reeds sinds lang vijandig gezind; hij kon dezen zijne overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen niet vergeven, maar gloeide van naijver op den krijgsroem van den jongeren veldheer. Bij die eerste samenkomst was hij dan ook zich zelven niet geheel meester. "Daar komt de voornaamste ketter," zeide hij zoo luid, dat Egmond het hoorde, maar hij wischte den ongunstigen indruk dier harde woorden terstond door verdubbelde hoflijkheid weder uit. Ook te Leuven legde hij jegens den jongen graaf van Buren, Oranje's zoon, eene groote mate van vriendelijkheid aan den dag. "Ik verlang niets vuriger dan den prins van Oranje te begroeten," verzekerde hij.

Door de hertogin werd Alba te Brussel zeer koel ontvangen, zij vergaf het hem niet, dat hij den roem kwam inoogsten, dien zij, naar hare meening, door de onderwerping van de Nederlanden verdiend had. Ook gevoelde zij zich in hare vorstelijke waardigheid als des konings zuster gekrenkt, dewijl een onderdaan eene volmacht had ontvangen, die hem naast, ja in zeker opzicht boven haar plaatste.

Oogenschijnlijk was Alba niets dan opperbevelhebber van het leger, doch daar hij in die betrekking geheel onafhankelijk was, dewijl hij bovendien in last had, alle vergrijpen tegen de godsdienst en alle daden van hoogverraad te straffen, bleef der hertogin alleen het zoogenaamde burgerlijk bestuur, dat is een eerambt zonder invloed, over. Dit bleek dan ook duidelijk uit al de brieven, welke Philips II aan alle steden des lands uitvaardigde en waarin hij haar streng beval de bezettingen in te nemen, welke de hertog haar geven zou, en elk zijner bevelen op te volgen, totdat de koning in persoon in het land komen zou.

Margaretha maakte geen geheim van haren wrevel, zij verklaarde openlijk, dat zij door de zending van Alba diep beleedigd was, en hierdoor wist zij inderdaad een gevoel van medelijden en genegenheid voor haar persoon bij het volk op te wekken, want elk Nederlander haatte den hertog van Alba, iedereen sidderde bij zijne komst.

Het goedhartige volk treurde, toen het hoorde, dat Margaretha aan den koning geschreven en hem om haar ontslag verzocht had; het had alles vergeten wat het onder haar bloedig bewind had geleden, dewijl het onder de regeering van haren opvolger nog veel erger dingen vreesde.

De instructies, die door Granvelle en Spinosa voor den hertog opgesteld en door Philips II goedgekeurd waren, hielden in, dat alle Nederlanders, die zich ooit tegen de inquisitie aangekant of eenige daad van verzet tegen de regeering begaan hadden, ter dood veroordeeld moesten worden. In de eerste plaats moesten daartoe de hoofden der Nederlandsche volkspartij gevangen genomen en gestraft worden. Zoowel de prins van Oranje, de graven van Egmond, van Hoorne en van Hoogstraeten als al de onderteekenaars van het compromis moesten onschadelijk worden gemaakt, zonder acht te slaan op de vergiffenis, hun vroeger door de hertogin verleend.

Oranje, Hoogstraeten en andere aanvoerders der geuzen bevonden zich buitenslands. Wellicht was het mogelijk, hen over te halen om terug te keeren; daarom betoonde de hertog zich in den eersten tijd uiterst vriendelijk jegens Egmond, die zich nog gemakkelijk in veiligheid had kunnen stellen, indien hij door Alba's houding en door een genadigen brief, dien hij van Philips II ontving, niet in slaap gewiegd was.

Egmond nam ijverig deel aan de schitterende feesten, waarmede de Spaansche officieren hunne aankomst te Brussel vierden. Hij werd de vertrouwde vriend van Ferdinand van Toledo, Alba's natuurlijken zoon. De hertog zelf bewees hem de grootste onderscheiding; hij zond hem meer dan eens kleine vriendschappelijke geschenken, als Spaansche en Italiaansche vruchten, welke hij door regeeringskoeriers ontving.

Egmond's beminlijke omgang maakte op vele Spaansche generaals, die hem als zegevierend veldheer hoogachtten, een diepen indruk. Zij kenden het lot, dat hem wachtte, en zouden hem gaarne daarvoor bewaard hebben. Meermalen ontving hij geheimzinnige waarschuwingen en den raad om naar Duitschland te vluchten, nu het nog tijd was, maar hij gaf daaraan geen gehoor. Hij was zich immers bewust, dat Philips geen trouwer dienaar dan hem onder de Nederlandsche edelen bezat; hoe kon hij dan gelooven, dat eenig gevaar hem bedreigde?

Ook de admiraal, graaf van Hoorne, werd op dezelfde wijze door Alba geblinddoekt en door allerlei vriendschapsbetuigingen overgehaald om zich van Weerdt, waar hij zich ophield, naar Brussel te begeven. Zelfs Hoogstraeten maakte zich op om het veilige Duitschland te verlaten, dewijl ook hij zich om den tuin leiden liet. Alleen Oranje doorzag den verraderlijken toeleg; hij wist, welk een lot hem in de Nederlanden wachtte en liet zich dus door Alba's list niet tot terugkeer bewegen.

De hertog, die van Philips II in last had, zoo snel en zoo krachtig mogelijk door te tasten, liet de hoop, dat hij den prins zou kunnen misleiden, varen en besloot den sinds lang voorbereiden slag tegen Egmond en Hoorne te slaan. In den nacht van den 8en September verscheen in Egmond's woning een Spanjaard, die hem dringend smeekte, ernstig aan zijne veiligheid te denken, dewijl elke minuut toevens hem noodlottig worden kon. De gravin van Egmond, die deze bijzonderheid later heeft medegedeeld, herkende den bezoeker niet terstond, maar zij meende dat het Juliaan Romero, de Spaansche generaal, geweest is. Egmond luisterde niet naar de waarschuwing, blindelings liep hij het verderf in de kaken.

Den volgenden dag, den 9en September 1567, gaf don Ferdinand van Toledo een schitterend gastmaal, waarop Egmond, Hoorne, Noircarmes en andere Nederlandsche edelen genoodigd waren. Terwijl de gasten aan tafel zaten, kwam er eene boodschap van den Hertog van Alba, die hen verzocht tot hem te komen, dewijl hij hen wenschte te raadplegen over het bouwen van eene citadel te Antwerpen. Egmond zat naast Ferdinand van Toledo. Deze fluisterde hem in 't oor: "Heer graaf, ga zoo spoedig mogelijk weg, neem het vlugste paard uit uwen stal en vlucht zonder een oogenblik te verliezen!"

Verward en gejaagd stond Egmond van de tafel op, thans geloofde hij zelf, dat hem eenig gevaar dreigde, dewijl de zoon en vertrouweling des hertogs hem waarschuwde. Hij begaf zich naar de aangrenzende zaal, werwaarts Noircarmes en eenige andere edelen hem volgden. Egmond deelde hun mede wat hij gehoord had en dat hij van plan was terstond te vluchten.

"Graaf, wees niet zoo lichtzinnig;" antwoordde hem Noircarmes, "hoe kunt gij zóó blindelings geloof slaan aan hetgeen uw vriend u gezegd heeft? Wanneer gij eensklaps vlucht, zullen de hertog van Alba en alle Spanjaarden gelooven, dat gij schuldig zijt. Juist uwe vrees zou beschouwd worden als eene bekentenis dat gij u aan hoogverraad schuldig acht."

Egmond liet zich overreden; hij geloofde Noircarmes en in plaats van te vluchten, begaf hij zich naar de tafel terug.

Na afloop van het gastmaal vergezelden Hoorne en andere edellieden hem naar het paleis van Alba, die hem met de grootste voorkomendheid ontving. Men beraadslaagde over de plannen voor den bouw van de citadel van Antwerpen; gedurende die beraadslagingen verwijderde Alba zich onder voorwendsel, dat hij zich licht ongesteld gevoelde.

De edelen bleven bijeen tot des avonds 7 uur. Toen zij vertrokken, trad de kapitein der hertogelijke garde, don Sancho d' Avila, op Egmond toe en verzocht hem nog eenige oogenblikken te blijven, dewijl hij hem eene belangrijke mededeeling te doen had. Zoodra zij alleen waren, eischte hij den graaf zijn degen af.

Stom van verbazing en schrik staarde Egmond den Spanjaard aan, doch deze verklaarde op stelligen toon, dat hij volgens het uitdrukkelijk bevel des hertogs handelde. Op een door hem gegeven teeken gingen de deuren van het aangrenzend vertrek open en daar aanschouwde Egmond eene compagnie Spaansche musketiers en hellebardiers. Hij begreep, dat alle tegenstand nutteloos zou zijn, en gaf den Spanjaard zijn degen over met de fiere verklaring, dat hij gemeend had dien degen, waarmede hij den koning zoo menigen dienst bewezen had, tot een beter doel te zullen gebruiken.

Egmond werd naar een in de bovenste verdieping van het paleis gelegen vertrek gevoerd, waar men voor hem in aller ijl eene voorloopige gevangenis in gereedheid had gebracht: hier bleef hij eenigen tijd onder gestrenge bewaking.

Tegelijk met Egmond was ook graaf Hoorne, toen hij na afloop der beraadslagingen het binnenplein van het paleis overging, gevangen genomen; ook hem wees men eene gevangenis in Alba's paleis aan.

Den 21en September werden beiden onder sterk geleide naar het slot te Gent overgebracht.

Op den zelfden dag met Egmond en Hoorne werden op Alba's bevel ook nog eenige andere aanzienlijke mannen in hechtenis genomen, onder hen bevond zich Antonië van Stralen, burgemeester van Antwerpen, die op uitnoodiging der hertogin naar Brussel gekomen was, verder Johan van Casembroot, heer van Bakkerzeel, de vertrouwde geheimschrijver van Egmond, en Alonzo de Laloo de geheimschrijver van Hoorne.

Alba zelf had al de bijzonderheden dier inhechtenisneming geregeld.

Onmiddellijk na de gevangenneming van Egmond en Hoorne, begaf de secretaris Albornoz zich naar de woningen der gevangenen, om daar alle papieren in beslag te nemen. Nog in dien zelfden nacht schreef de hertog een brief van gelukwensching aan Philips II, hij verontschuldigde zich daarin, dewijl hij met die belangrijke zaak zoo lang getalmd had, maar verzekerde, dat dit noodig was geweest om met éénen slag al die machtige mannen te grijpen en hierin was men nu voorspoedig geslaagd.

Het bericht van de inhechtenisneming der beide graven, die bij het volk als de trouwste dienaars van Philips, als de aanzienlijkste edelen in de Nederlandsche gewesten bekend stonden, bracht eene algemeene verslagenheid te weeg. Men wist, dat Egmond een trouw katholiek was, dat hij in de moeilijkste omstandigheden der hertogin van Parma ter zijde had gestaan: wanneer hij niet veilig was voor Alba's vervolgingen, wie kon dan nog op zijne vrijheid rekenen?