De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 7
De Vlaamsche protestanten sidderden voor den toorn van den machtigen man. Wel waren zij sterk genoeg om tegen hem op te staan, want de troepen, die hij ter zijner beschikking had, waren niet talrijk, maar tegen den overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen durfde niemand een vinger verroeren.
Met vreeselijke strengheid zette hij de vervolging van de ketters voort. Een niet gering aantal meer of minder schuldigen, zelfs louter verdachten, werd zonder genade opgehangen. Te vergeefs spoorde Oranje zijn vriend tot zachtmoedigheid aan, te vergeefs voegde Lodewijk van Nassau zijne beden bij de wenken zijns broeders, Egmond luisterde niet. Hij was eensklaps zulk een ijverig aanhanger van de landvoogdes en van de katholieke kerk geworden, dat hij niet eens de door Margaretha den hervormden verleende voorrechten eerbiedigde, maar den protestantschen eeredienst ook daar verbood, waar hij reeds vóór den 25en Augustus ingevoerd en dus geoorloofd was.
Geheel anders was de houding van den prins van Oranje, dien de landvoogdes naar Antwerpen gezonden had, om daar de rust te herstellen. Wel liet hij toe, dat de stedelijke overheid een aantal beeldstormers voor het gericht daagde en ter dood deed brengen, doch in persoon nam hij aan de vervolgingen geen deel. De voorrechten, den protestanten door de hertogin toegestaan, eerbiedigde hij stipt, hij liet hen drie kerken in Antwerpen inruimen en wist het door zijne wijze gematigdheid weldra zóó ver te brengen, dat de rust in de machtige handelsstad terugkeerde.
De graaf van Hoorne, die naar Doornik gezonden was, behandelde de protestanten volstrekt niet zoo zacht als Oranje: hij liet de raddraaiers van den beeldstorm vatten en ter dood brengen. Ook stond hij binnen de stad zelve geene kettersche godsdienstoefeningen toe; alleen vergunde hij den hervormden, buiten de muren kerken voor hunne godsdienstige bijeenkomsten te bouwen. Hoewel hij hierdoor de bepalingen van het edict van tolerantie nog niet eens vervulde,--ook te Doornik hadden vóór den 25en Augustus protestantsche godsdienstoefeningen plaats gehad--werd zijne houding door de landvoogdes toch scherp berispt en hij zelf als een begunstiger der ketterij beschouwd.
Margaretha van Parma had zich spoedig hersteld van den schrik, haar door den beeldstorm ingeboezemd; zij zag de drie mannen, die zij voor hare meest geduchte tegenstanders hield, Oranje, Egmond en Hoorne, volgens zeer verschillende beginselen handelen.
Zoolang deze drie eensgezind waren, schenen zij haar gevaarlijk; maar thans, nu Egmond geheel weder de zijde der regeering gekozen had, waren zij volstrekt niet meer te vreezen. Het verbond der geuzen was uiteengespat, zijne katholieke leden waren daarvan afgevallen en zelfs gedeeltelijk ijverige vervolgers van de ketters geworden. Deze konden, in weerwil van hun groot aantal, ter nauwernood aan verzet tegen de regeering denken, zoolang het hen aan geschikte, invloedrijke aanvoerders ontbrak.
Zoodra Margaretha zich weer eenigszins op haar gemak voelde, schroomde zij niet, haar in tijd van nood gegeven woord te verbreken. Alle beschikbare middelen wendde zij aan om vreemde troepen aan te werven, ten einde daarmee, zoo noodig, de wederspannige protestanten te onderdrukken. Egmond was haar hierin behulpzaam en de stadhouder van Henegouwen, de heer van Noircarmes, leende zich gaarne tot het verdelgen van de ketters.
Aan het edict van tolerantie gaf Margaretha thans eene willekeurige uitlegging door te beweren, dat zij wel de vrijheid tot prediken, maar niet het verlof tot het uitoefenen van eeredienst en tot het houden van twistreden over de godsdienst verleend had. Hierdoor opende zij voor de geloofsvervolging op nieuw een onafzienbaar veld.
De prins van Oranje, die tot dusver nog altijd had gehoopt, in vereeniging met Egmond, Hoorne en andere aanzienlijke Nederlandsche edelen, de regentes tot vervulling van hare beloften te zullen bewegen, ontving tegen het einde van het jaar 1566 berichten, welke hem het bewijs leverden, dat Philips II en de landvoogdes vastelijk besloten hadden, hem en zijne vrienden ten val te brengen.
De prins gevoelde volstrekt geene roeping om zich weerloos aan de wraak van den vertoornden koning bloot te stellen; gelukte het hem, Egmond en Hoorne over te halen om met hem de handen ineen te slaan, dan kon hij de landvoogdes dwingen om de Staten-Generaal bijeen te roepen. Zelfs den mogelijken inval van een Spaansch leger had hij dan niet te duchten, want de Nederlanders waren, wanneer zij slechts eendrachtig bleven, sterk genoeg om elken aanval der Spanjaarden het hoofd te bieden.
In eene bijeenkomst, welke Oranje met Egmond, Hoorne, Hoogstraeten en zijn broeder Lodewijk van Nassau te Dendermonde in Vlaanderen hield, legde hij de afschriften van twee brieven over, welke de Spaansche gezant te Parijs, don Francis d'Alava, aan Margaretha van Parma geschreven had. Waren deze brieven echt, dan leverden zij het bewijs, dat Philips II een schandelijk verraderlijk spel speelde met mannen, die hem tot dusver trouw gediend hadden.
De gezant verklaarde daarin, dat de koning reeds sinds lang wist, hoe vijandig Oranje, Egmond en Hoorne jegens hem gezind waren, doch dat hij de landvoogdes aanbeval, in haren omgang met hen de grootste hartelijkheid aan den dag te leggen, dewijl Zijne Majesteit van voornemen was, zich zoo lang mogelijk van de genoemde mannen te bedienen, doch hen dan te straffen, en dat het de plicht der landvoogdes was, den koning in de uitvoering van zijn plan behulpzaam te zijn. De troebelen in de Nederlanden--ging de gezant voort--zouden nooit plaats gehad hebben, zonder de geheime deelneming der verbondene heeren; deze moesten zoo spoedig mogelijk gestraft worden, doch vooraf mocht de hertogin hen op geenerlei wijze doen bemerken, welk een gevaar hen bedreigde; integendeel, zij moest hen in den waan brengen, dat Zijne Majesteit die verraders voor Hare trouwste dienaars hield. Wanneer Oranje, Egmond en Hoorne in dit geloof voortleefden, zouden zij in den dienst des konings, zoolang men hen gebruikte, nuttig kunnen zijn. Der hertogin werd dus gelast, dezelfde houding jegens dit drietal aan te nemen, als de koning jegens de Nederlandsche gezanten, Bergen en Montigny, aangenomen had, wien hij de meeste voorkomendheid bewees, doch die hij onophoudelijk liet bewaken en die hij zeker niet levend uit Spanje zou laten ontsnappen.
Dit was ongeveer de inhoud der brieven, welker afschrift Oranje zijnen vrienden overlegde. Maar waren zij inderdaad echt? Had don Francis d'Alava ze werkelijk geschreven?
Vele nieuwere geschiedschrijvers en onder hen ook de verdienstelijke Motley beantwoorden die vragen ontkennend, terwijl de Hollandsche schrijvers uit die dagen omtrent die echtheid niet den minsten twijfel koesteren. Zeker is het, dat de mededeelingen, in dien brief vervat, volkomen overeenstemmen met het karakter van Philips II en dat zij alle reeds na korten tijd door de uitkomst bevestigd werden. Doch, al is dat zoo, aan den anderen kant ontbreekt het niet aan duchtige redenen, die ons nopen om de brieven voor ondergeschoven te houden. Dat Margaretha van Parma later tegenover Egmond de echtheid dier brieven loochende, zou ons slechts te eer aan die echtheid doen gelooven. Maar zij herhaalde diezelfde ontkenning ook in hare geheime briefwisseling met Philips II, in eene briefwisseling, waarin zij anders gewoonlijk der waarheid getrouw placht te zijn, en deze omstandigheid noodzaakt ons dus om de brieven als ondergeschoven te beschouwen, tenzij Margaretha er om de eene of andere reden belang bij heeft gehad, die briefwisseling met den spaanschen gezant voor den koning te verbergen.
Waren de brieven werkelijk ondergeschoven, wie had dit dan gedaan? Het vermoeden, dat Oranje zich aan die vervalsching schuldig had gemaakt, om Egmond zoowel tot verzet tegen Philips en de landvoogdes als tot eene vaste verbintenis met hemzelven over te halen, ligt in dat geval voor de hand en wordt niet wederlegd door de overdreven loftuigingen, waarmede Motley het karakter van zijn held overlaadt.
Geen vorst schroomde in die dagen, tot bereiking van een staatkundig doel, middelen aan te wenden, die met de eischen der zedelijkheid niet altijd waren overeen te brengen. Ook Willem van Oranje was een kind van zijnen tijd; hoewel hij dien tijd in vele opzichten verre vooruit was, hoewel zijn zedelijk karakter in later dagen zich zeer gelukkig heeft ontwikkeld, mogen wij hem niet tot een halven heilige maken. Ook waar zijne gebreken erkend worden, blijven er in hem genoeg voortreflijke hoedanigheid over om ons den diepsten eerbied voor zijne beginselen en geestkracht af dwingen. Maar achtte hij het niet beneden zich, de dienaars van Philips om te koopen, ten einde des konings geheimen uit te vorschen, dan laat het zich ternauwernood denken, dat hij te nauwgezet geweest zou zijn om, wanneer hij het noodig achtte, van een ondergeschoven brief gebruik te maken, te meer, wanneer die brief den bestaanden toestand volkomen juist in het licht stelde en dus, wat den inhoud betrof, geene enkele onwaarheid behelsde. Zulk een kunstgreep is zeker nooit te rechtvaardigen, maar in den gevaarlijken toestand, waarin Oranje zich bevond, wellicht des te eerder te verontschuldigen, én dewijl daarin niets voorkwam wat niet, getuige de uitkomst, met de waarheid overeenkwam én dewijl de denkbeelden omtrent de voorschriften der zedelijkheid in die dagen geheel anders en veel minder zuiver waren dan tegenwoordig.
Reeds in de bijeenkomst te Dendermonde rees er twijfel ten aanzien van de echtheid der brieven. Egmond sloeg daaraan geen geloof: hij had juist in den laatsten tijd den koning en der landvoogdes belangrijke diensten bewezen, hij was door de laatste met verzekeringen van dankbaarheid, hoogachting en vriendschap overladen; hij had zelfs van Philips meer dan één zeer vleiend en vriendelijk schrijven ontvangen. Daarom kwam het hem volslagen onmogelijk voor, dat ook hij moest vallen als het slachtoffer eener koninklijke wraak, die hij--naar zijne meening--volstrekt niet verdiend had.
Hij weigerde Oranje's plannen goed te keuren. De aansporing van den vurigen Lodewijk van Nassau om terstond de wapenen op te vatten, beantwoordde hij met eene koele weigering, hij wilde niet deelnemen aan eenige onderneming, die tegen de hertogin of den koning gericht was. Ook Hoorne sloot zich bij hem aan en zoo leverde het onderhoud te Dendermonde niet de minste vruchten op.
Egmond nam de brieven mede en hij was volkomen tevreden gesteld, toen de hertogin ze op den toon der diepste verontwaardiging voor onecht verklaarde. Van dit tijdstip af verdubbelde hij zijn ijver in des konings dienst en in de vervolging van de ketters, die maar in eenig opzicht de bevelen der hertogin overtraden.
Hoorne was niet zóó lichtgeloovig, hij gevoelde zich beleedigd, wijl Margaretha de door hem te Doornik uitgevaardigde hervormingen herriep en door den heer van Noircarmes de stad bezetten en den hervormden eeredienst verbieden liet. Hij wilde niets tegen de landvoogdes ondernemen, maar trok zich wrevelig uit den staatsdienst op zijne landgoederen terug.
Oranje stond na het onderhoud te Dendermonde geheel alleen, hij kon thans alleen nog op Brederode en eenige andere dweepzieke geuzen rekenen, maar niet meer op den geheelen verbonden adel, dewijl het verbond uiteengespat was en zelfs vele zijner voormalige leden thans zijne verbitterde tegenstanders waren geworden. Ook op den bijstand der protestantsche vorsten van Duitschland hoopte hij niet. Hij wist dat deze, schoon hun belang zou hebben medegebracht de Nederlanders te ondersteunen, als ijverige Lutheranen, geene hulp zouden verleenen aan hervormden, die grootendeels tot de aanhangers van Calvijn behoorden.
Waarschijnlijk was het hem niet onaangenaam, dat Margaretha, zoodra zij hare macht voelde aangroeien, op nieuw tot beslissende en gestrenge maatregelen overging. Van al de beloften, in het edict van tolerantie gedaan, vervulde zij geene enkele; zij vermeerderde het aantal der vreemde huurtroepen en, ten einde ook in al de staatsbeambten een geheel aan haren wil onderworpen legermacht te bezitten, vorderde zij van hen--van den hoogste tot den laagste--een nieuwen eed, waarbij zij zich verbonden om de bevelen der regeering ten allen tijde, overal en tegenover een ieder, wie het ook wezen mocht, zonder eenige uitzondering of voorwaarde uit te voeren.
Vele beambten, die vroeger tot de geuzen behoord hadden, gehoorzaamden volvaardig; het eerst van allen de graaf van Mansfeld, die thans bij de hertogin reeds in blakende gunst stond. Ook Egmond legde den eed af, hoewel eerst na eenig beraad. Oranje daarentegen weigerde dien. Hij verklaarde, dat hij zich niet verbinden kon om zonder eenig nadenken een bevel op te volgen, dat wellicht even nadeelig kon zijn voor de kroon als voor het land of voor zijne eigene eer. Dewijl hij op grond hiervan de hertogin niet gehoorzamen kon, verzocht hij haar, hem van zijne ambten te ontslaan.
De koning nam dit verzoek om ontslag niet aan, Oranje moest dus nog in dienst blijven, maar hij had vast besloten dien zoo spoedig mogelijk te verlaten en zich naar Duitschland terug te trekken.
Margaretha van Parma had, dank zij de ontevredenheid der katholieken en zelfs van alle gematigde protestanten over den beeldstorm, binnen ongeloofelijk korten tijd zoo veel macht herwonnen, dat zij het edict van tolerantie geheel vernietigen en de geloofsvervolging hervatten konde. Doch geheel zonder weerstand te ontmoeten, was dit haar toch niet gelukt.
Op verscheidene plaatsen grepen de protestanten naar de wapenen. Vele steden weigerden bezettingen in te nemen of de ingevoerden evangelische godsdienst weer af te schaffen. De meeste zwichtten, zonder het tot een opstand te laten komen, maar te Valenciennes sloten de burgers de poorten, zich beroepende op hunne oude rechten en op het edict van tolerantie.
De heer van Noircarmes werd uitgekozen om de weerspannigen te tuchtigen. Met eene aanzienlijke krijgsmacht trok hij tegen de stad op. De burgers verdedigden zich dapper; zij hoopten op ontzet; ook nadat twee samengeraapte benden protestanten door Noircarmes zonder moeite overwonnen en uit elkander gejaagd waren, bleven zij toch nog gelooven, dat van eene andere zijde hulp zou komen opdagen. Zij wisten immers, dat Brederode ijverig bezig was met het aanwerven van troepen, waarmede hij hun ter hulp komen zou.
Brederode had nog eens gepoogd, door middel van een smeekschrift op de hertogin te werken. Hij had om vrijgeleide naar Brussel gevraagd, ten einde het verzoekschrift te kunnen overhandigen, doch zijn verzoek was met verachting van de hand gewezen. De landvoogdes had hem zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat alle in Augustus door haar verleende voorrechten ingetrokken waren, en had van hem geëischt dat hij zich onvoorwaardelijk aan de wet en aan de koninklijke macht zou onderwerpen.
Thans achtte Brederode den tijd gekomen om naar de wapenen te grijpen. Gedurende de geheele maand Februari hield hij zich te Antwerpen op, hier wierf hij heimelijk troepen aan. Hij was van plan in de eerste plaats te beproeven, zich door een handgreep van het eiland Walcheren meester te maken; gelukte het hem, zulke belangrijke steden als Vlissingen en Middelburg te bemachtigen, dan twijfelde hij niet of het zou hem mogelijk zijn, zelfs aan den inval van een Spaansch leger het hoofd te bieden.
Vervolgens wilde hij Valenciennes ontzetten en tegen Brussel oprukken, om der hertogin de vredesvoorwaarden voor te schrijven. De prins van Oranje droeg kennis van Brederode's plannen en had hij vroeger meermalen gepoogd den overmoedigen man tot gematigdheid te bewegen, thans liet hij hem zijn gang gaan, ja begunstigde hij zijne ontwerpen. Wellicht was het toch mogelijk, dat Brederode slaagde en dan bestond er altijd nog kans om Nederland te bewaren voor de jammeren, die het dreigden te overstelpen.
Toen de hertogin den prins beval, aan Brederode's drijven paal en perk te stellen, gebood hij wel dat de wervingen gestaakt moesten worden, doch hij liet toe dat Brederode uit Antwerpen vertrok, om elders zijne troepen te verzamelen.
Te Brussel had de staatsraad intusschen ijverig beraadslaagd over de stappen, welke men doen moest tegen Brederode en de overige oproermakers, die naar de wapenen gegrepen hadden. Egmond had zelfs 700 à 800 Walsche veteranen bijeengebracht, die hij in Vlaanderen te zijner beschikking hield en hij verzekerde de landvoogdes, dat hij volkomen bereid was om met hen de opstandelingen te verpletteren.
Margaretha dankte hem met vriendelijke woorden voor zijne trouwe gehechtheid, maar zij vertrouwde hem toch niet en wees zijn aanbod van de hand. Inderdaad scheen alle ernstige bezorgdheid ook bijna belachelijk, want de rebellen, die gepoogd hadden zich te scheep naar Vlissingen te begeven, waren in de eerste dagen van Maart daar afgeslagen. Zij hadden het plan om zich van het eiland Walcheren meester te maken, opgegeven en waren in de nabijheid van Antwerpen teruggekeerd, waar zij niet ver van de stad, bij een dorpje Austruweel (Oosterweel) eene versterkte legerplaats betrokken.
Brederode bevond zich niet bij hen, zij werden aangevoerd door Marnix van Tholouse, den broeder van Aldegonde, een jong en vurig Calvinist, die echter geene ervaring van den oorlog had en geen ander recht op den veldheerstitel kon doen gelden dan zijn onversaagden moed. Zijne troepen bestonden uit een hoop samengeraapt gespuis.
Te Austruweel groeide het aantal der rebellen intusschen onophoudelijk aan; dagelijks kwamen de ontevredenen uit den omtrek, om zich in Tholouse's gelederen te laten inlijven. Spoedig had hij meer dan 3000 man onder zijne bevelen. De toestand werd voor de landvoogdes thans reeds onrustbarend, dewijl ook Brederode in Holland troepen aanwierf en beloofde, binnen kort met 6000 man tot ontzet van Valenciennes te zullen oprukken.
Dewijl de landvoogdes niets liever wenschte dan de omwenteling in de kiem te smoren, nam zij het aanbod van den bevelhebber harer garde, Philips van Lannoy, heer van Beauvoir, aan, die zich verbond om onverwijld het rebellennest uit te roeien. Lannoy snelde met de helft zijner garde, waarbij Egmond buitendien nog 400 man Walsche veteranen voegde, in 't geheel alzoo met ongeveer 800 man goed gewapende en voortreflijk geoefende troepen, naar Antwerpen. Hoewel de soldaten der hertogin veel kleiner in getal waren dan de protestanten, overtroffen zij deze toch verre in oefening en krijgstucht. Met onstuimig geweld tastten zij de verschansingen aan, waardoor Tholouse zijne legerplaats tegen elken aanval beveiligd achtte, en zij behaalden reeds bij den eersten aanloop eene beslissende zegepraal. Tholouse zelf, die met den grootsten heldenmoed vocht, sneuvelde, zijne manschappen verstrooiden zich, doch zij werden vervolgd en bijna tot den laatsten man toe neergehouwen.
De uitslag van het gevecht bij Austruweel zou wellicht geheel anders zijn geweest, indien de hervormden in de naburige stad Antwerpen hunnen geloofsgenooten ter hulp waren gesneld; hiertoe echter besloten zij eerst, toen het te laat was, toen Tholouse's ordelooze benden reeds uit elkaar gejaagd waren en thans door de hertogelijken met verbittering vervolgd werden.
Het volk liep op de straten van Antwerpen te hoop; eene schaar van wel 10.000 hervormden wilde uittrekken om hunne geloofsgenooten te helpen.
Oranje hoorde dit, hij voorzag, dat de Antwerpsche burgers even goed verslagen zouden worden als Tholouse's manschappen, dewijl ze geene aanvoerders en zelfs geene wapenen hadden. Een treurig lot hing der rijke handelstad, die door Margaretha van Parma als een broeinest van ketters beschouwd werd, boven het hoofd, indien hare burgers aan den strijd deelnamen.
Oranje besloot dit voor te komen; hij wierp zich den burgers, die juist op het punt stonden, naar het slagveld te trekken, in den weg. Hij, wien men lafhartigheid verweten heeft, waagde zich alleen onder de woedende menigte, die hem ontving met den kreet: "Weg met den papist, weg met den verrader!"
Zijn leven werd bedreigd, hij sloeg er geen acht op: met kalme waardigheid trad hij der opgewonden menigte te gemoet. Hij drong haar om naar hem te luisteren en het gelukte hem inderdaad, haar van haar voornemen af te brengen, door haar te doen inzien, dat hare tusschenkomst niets meer baten en slechts aanleiding tot nutteloos bloedvergieten geven zou.
Zoo wist Oranje de burgerij tot rust te brengen, gelijk hij ook een oproer, dat kort daarna uitbrak, door even krachtige als verstandige maatregelen zonder bloedvergieten onderdrukte.
Na de overwinning van Lannoy moesten de burgers van Valenciennes alle hoop om hunne stad nog langer tegen de overmacht der hertogin te verdedigen, wel opgeven. Zij besloten eindelijk tot de overgave; Noircarmes beloofde hun, dat zoowel het leven als de bezittingen der burgerij gespaard zouden worden. Doch deze belofte was slechts gedaan, om verbroken te worden. Nauwelijks was Noircarmes de stad binnengedrongen, of hij liet de poorten sluiten, de rijkste inwoners gevangen nemen en de soldaten, die niet openlijk mochten plunderen, bij de burgers inkwartieren. Hier veroorloofde men hun, te rooven en te moorden, zonder dat zij voor hunne misdaden de geringste straf ontvingen.
Noircarmes had, naar zijne meening, wel beloofd, dat hij de inwoners, maar niet, dat hij de misdadigers sparen zou, en misdadigers waren alle rijken. Een groot aantal van deze werd ter dood gebracht, hunne goederen werden verbeurd verklaard: Noircarmes zelf maakte zich tot hun erfgenaam. Dat buitendien eenige honderden Calvinisten verbrand of opgehangen werden, spreekt van zelf; ook zij waren immers allen misdadigers.
Na den val van Valenciennes werd nergens meer tegenstand geboden; Margaretha was op nieuw meesteres in de Nederlanden. Zij regeerde waarlijk streng en wreed genoeg, doch in weerwil hiervan voer toch eene kille huivering door het geheele land, toen men hoorde, dat Alba door den koning uitverkoren was om met een leger de rust geheel te herstellen en allen te straffen, die het ooit gewaagd hadden, den koning ongehoorzaam te zijn.
Thans begreep ook Oranje, dat het voor hem hoog tijd werd om op zijne eigene veiligheid bedacht te zijn; hij wilde Alba's komst niet afwachten. Nog eens waarschuwde hij zijn vriend Egmond. Te Willebroek, tusschen Brussel en Antwerpen, had hij met dezen nog eene laatste bijeenkomst, die ook door Mansfeld bijgewoond werd. Hij trachtte Egmond over te halen om de Nederlanden te verlaten en veilig en rustig in Duitschland te gaan leven. Oranje wist namelijk, dat Egmond's dood even goed door den koning besloten was als de zijne. Hij waarschuwde zijn ouden vriend ernstig.
Maar deze antwoordde, dat die vrees een ijdele hersenschim was, dat de koning goed was en genadig en niets zou ondernemen tegen een man, die hem steeds trouw gediend had.
"Waarlijk, Egmond," hernam Oranje, "die goedheid des konings, welke gij zoo hoogelijk roemt, zal u in het verderf storten. Ik wenschte wel, dat ik mij bedroog, maar ik voorzie, dat gij de brug zijn zult, welke de Spanjaarden, zoodra zij er overgetrokken zijn om ons land te overstroomen, zullen afbreken."
Egmond sloeg deze waarschuwende woorden in den wind, hij bleef bij zijn besluit om de Nederlanden niet te verlaten. Voor de laatste maal omarmde de prins hem; daarop scheidden zij, om elkaar nooit weder te zien.
Door vele geschiedschrijvers wordt aan deze laatste samenkomst van den prins met Egmond eene anecdote vastgeknoopt, die echter alle geschiedkundige waarheid, alle waarschijnlijkheid zelfs mist. "Vaarwel, prins zonder hoed," zou Egmond bij het afscheid hebben uitgeroepen: "Vaarwel, graaf zonder hoofd!" zou Oranje's antwoord zijn geweest.
Hoe onwaarschijnlijk het is, dat in zulk een ernstig oogenblik van scheiden de beide vrienden zulke platte aardigheden verkocht zouden hebben, behoeven wij wel niet uiteen te zetten.