De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 6

Chapter 63,702 wordsPublic domain

Het bevel, door Margaretha Van Parma den inquisiteurs gegeven, om hunnen ijver te matigen, had de meest gewenschte uitwerking. Men hoopte, dat het den aanvang van een nieuwen en beteren tijd aankondigde, dat door vaste wetten aan het woelen der inquisitie paal en perk zou worden gesteld, want men had vernomen dat de landvoogdes in een geheimen raad, waarin zij de ridders van het gulden vlies had doen verschijnen, ernstig over zulk eene wet beraadslaagde.

Deze wet kwam inderdaad tot stand: Viglius had haar in 53 artikelen samengevat. Dewijl zij eene matiging in het vervolgen der ketters te weeg brengen moest, werd zij de moderatie genoemd. Doch zij beantwoordde reeds niet langer aan de eischen der in den laatsten tijd sterk toegenomen beweging. Zij verbood het aanhangen van eenige andere godsdienst dan de Roomsch-katholieke; geene godsdienstoefening der protestanten, hetzij in 't geheim of openbaar, werd veroorloofd, alle kettersche geschriften moesten, evenals vroeger, onderdrukt worden. Deze wet verdeelde de ketters in twee klassen: verleiders en verleiden, zij nam den schijn aan, alsof zij den verleiden genade wilde bewijzen; voor de verleiders bleef zij de doodstraf vaststellen, alleen zouden zij in plaats van op den brandstapel aan de galg sterven.

Doch ook deze schijnbare zachtmoedigheid was niet oprecht gemeend; de bepalingen der wet waren zóó onduidelijk, dat bijna elke ketter als een verleider beschouwd kon worden. Bovendien waren er nog een groot aantal uitzonderingen; met den dood werd nog steeds een ieder bedreigd, die het waagde over godsdienstige vraagstukken te redetwisten, den bijbel uit te leggen, in zijn huis eene godsdienstige handeling toe te laten, kettersche predikers te verbergen, enz. Zulke misdadigers moesten ter dood gebracht worden, om het even of zij berouw aan den dag legden of niet. Volgens de moderatiewet kon elke ketter, evenals te voren, om het leven gebracht worden. Dat zulk eene wet niet in staat was om de bestaande gisting te doen ophouden, spreekt van zelf. Het vernuft des volks noemde haar dan ook veelbeteekenend moorderatie in plaats van moderatie.

Met het uitvaardigen van de moderatie meende de landvoogdes hare belofte, dat zij de koninklijke plakaten met matiging ten uitvoer leggen zou, vervuld te hebben. Op grond van deze wet ontvingen de gezanten, die tot Philips II gezonden werden, dan ook hunne instructiën.

Op nieuw had men Egmond met dit gezantschap willen belasten, maar hij had geweigerd, deze taak op zich te nemen. De baron van Montigny en de markgraaf van Bergen namen de taak op zich, de vertoogen van den staatsraad naar Spanje over te brengen.

Montigny verliet Brussel den 29sten Mei; hij reisde over Parijs. Hier werd hij tegen het voortzetten van zijne reis gewaarschuwd. Philips II--zoo verzekerde hem de Spaansche gezant--was zóó woedend op de Nederlanders, dat zelfs het leven der gezanten gevaar liep. Toch liet Montigny zich door deze waarschuwing niet van zijn stuk brengen; hij achtte het zijn plicht, de taak, die hij aanvaard had, te volvoeren. Kort daarna volgde hem ook de markgraaf van Bergen, die tot dusver door ziekte terug gehouden was. Beiden zouden hun vaderland niet wederzien. Zij vermoedden niet, dat, terwijl zij op weg waren om van Philips II de afschaffing der inquisitie en verzachting van de plakaten te verwerven, tusschen den koning en de hertogin eene geheime briefwisseling gevoerd werd, waarin de eerste der hertogin beval, zoowel de inquisitie als de plakaten zoo spoedig mogelijk weer in volle gestrengheid in werking te doen treden.

Voorshands kon Margaretha het ontvangen bevel niet opvolgen, daar de hervorming eensklaps in de Nederlanden eene ongedachte vlucht genomen had. Het volk trotseerde de inquisitie en de plakaten; een groot aantal stoutmoedige predikers waagde het, hoewel door de landvoogdes een prijs op hun hoofd gesteld was, openlijk de leer van Luther en Calvijn te verkondigen. Niet langer in de beperkte ruimte van een gesloten huis, niet langer voor eene vergadering van trouwe geloofsgenooten, neen, in groote volksvergaderingen, die onder den blooten hemel gehouden werden en waartoe duizenden samenstroomden, traden die predikers op.

Eene wacht omringde den geïmproviseerden kansel, die nu eens uit een wagen, dan weer uit eene verhevenheid van aarde of zoden bestond; de overige gewapenden plaatsten zich in een wijden kring rondom de vrouwen en kinderen, opdat deze tegen een mogelijken overval beveiligd zouden zijn.

Zulke volksvergaderingen, hagepreeken genoemd, dewijl ze liefst achter heggen of struiken, gehouden werden, hadden overal in de Nederlanden plaats. In Holland werd de eerste te Overveen, in de nabijheid van Haarlem, gehouden; een voormalig monnik, Peter Gabriël, predikte hier voor vele duizenden toehoorders, die van heinde en ver waren samengestroomd, om zijn woord te hooren.

In het midden van het jaar 1566 hadden dergelijke bijeenkomsten in de nabijheid van alle aanzienlijke steden plaats. Bij Antwerpen, waar zij nu en dan uit 10.000 menschen bestonden, vormde zich als 't ware eene vaste legerplaats; hetzelfde geschiedde ook in andere streken.

Het aantal der ketters groeide met eene ongeloofelijke snelheid aan. De rijkste en aanzienlijkste mannen schroomden thans niet meer, dien tot dusver verafschuwden naam te dragen. De meeste protestanten helden tot de leer van Calvijn over, die ook om hare staatkundige strekking in de Nederlanden den grootsten bijval vond en des te eerder verbreid werd, omdat de meeste kettersche predikers uit Frankrijk kwamen. Behalve de Calvinisten trof men er echter ook vele Lutherschen en Wederdoopers aan.

De aanzienlijke Nederlandsche heeren verkeerden tegenover deze steeds verder rondom zich grijpende godsdienstige beweging in eene uiterst moeilijke houding: zij konden zich evenmin daarbij aansluiten als haar tegenwerken. De meeste stadhouders, ridders van het Gulden Vlies en hoogere staatsbeambten waren en bleven goede katholieken. Zij zagen de uitbreiding der hervorming met leede oogen aan, doch zij waren niet in staat om er iets tegen te doen.

In den moeilijksten toestand verkeerde de prins van Oranje. Door zijne spionnen te Madrid was hij onderricht, dat de landvoogdes hem bij Philips II den raddraaier der geheele beweging genoemd had, ja dat in geheime brieven de verdenking te zijnen aanzien werd uitgesproken, dat hij en zijne vrienden zich van het gezag over de Nederlanden wilden meester maken. Hij zag zich dus gewantrouwd door Margaretha, die in haren omgang met hem de grootste vriendschap voor hem huichelde.

Reeds toen was het hem ongetwijfeld klaar als de dag, dat een volkomen breuk met den koning onvermijdelijk moest heeten; hij moest er daarom op bedacht zijn, zich bondgenooten te verwerven. Waar zou hij die eerder vinden dan onder de protestantsche vorsten van Duitschland?

Dewijl de Duitsche vorsten echter het Calvinisme haatten, helde Oranje natuurlijk meer tot het Lutheranisme over. Hij verborg zijn afkeer van de Calvinisten en van de Wederdoopers niet.

Tengevolge van de hagepreeken nam de gisting in het land met elken dag toe. Eensklaps verbreidde zich het gerucht, dat de hertogin troepen bijeengetrokken had, om daarmede de hervormden, wanneer zij in het open veld ter godsdienstoefening bijeen waren, te overvallen. Terstond groeide het getal van hen, die aan deze bijeenkomsten deelnamen, nog aan. Niemand verscheen daar langer ongewapend. Dikwijls kwamen daar 10-12.000, somtijds zelfs 25.000 menschen bijeen.

Ook de adel zat intusschen niet stil. De geuzen hielden in Juli 1566 eene groote vergadering te St. Truien in het Luiksche. Den 13en dier maand kwamen zij daar samen en zij bleven tot het begin van Augustus bijeen.

Ongeveer 1500 edelen, allen door hunne schildknapen en gewapende manschappen vergezeld, hielden eene vergadering, die veel te talrijk voor geregelde beraadslagingen, maar volkomen geschikt was om kleine en groote feesten naar den smaak van Brederode te vieren.

De edelen, die alle huizen en herbergen bezet hadden,--sommigen moesten zich zelfs op het open veld legeren--hielden woeste drinkgelagen. Eene menigte lediggangers sloot zich bij hen aan, zelfs landloopers en bedelaars mengden zich onder het aanzienlijk gezelschap en schreeuwden met hen: "Leven de Geuzen!"

De indruk, door zulk eene vergadering te weeg gebracht, kon niet gunstig zijn. Ook de besluiten, die in beperkter kringen genomen, doch door allen goedgekeurd werden, waren niet geschikt om der hertogin vertrouwen op de verbondenen in te boezemen. Dezen toch verklaarden openlijk, dat zij geene vervolging ter zake der godsdienst meer duldden en, zoo noodig, ter hunner bescherming Duitsche troepen, tot 1000 ruiters en 40 compagniën voetvolk aanwerven zouden.

In het oog van de landvoogdes was de vergadering van St. Truien zóó onrustbarend, dat zij den prins van Oranje dringend om zijne tusschenkomst smeekte. Hij beloofde die en begaf zich naar de vergadering, die hem met luid gejuich ontving.

Te Duffel, een dorp nabij Mechelen, had Oranje een onderhoud met de leiders der vergadering; hij trachtte hen neer te zetten en verzocht hen, zich ten minste zoolang van verdere stappen te onthouden, totdat de naar Spanje afgevaardigde gezanten uit Madrid bericht omtrent hun wedervaren zouden overgezonden hebben. Doch zijne woorden vonden geen ingang: de aanvoerders der geuzen beklaagden zich over de arglist der landvoogdes en over de moderatie, die niets dan een valstrik voor de protestanten was. Zij besloten, nog eens door Lodewijk van Nassau eene boodschap naar Brussel te zenden, om Margaretha van Parma ernstige vertoogen te doen.

Dit geschiedde, Lodewijk van Nassau ontving met 12 edelen, die men schertsend zijne 12 apostelen noemde, gehoor bij de landvoogdes. De taal, door hem gevoerd, was reeds veel krachtiger en veel minder ootmoedig dan die van de onderteekenaars van het compromis. Wel hielden de geuzen nog altijd vast aan de verzekering van hunne trouw jegens den koning, wel verbonden zij zich om den vrede te bewaren en naar hun beste vermogen het volk tot kalmte te brengen, maar zij stelden daartoe voorwaarden, die niet gemakkelijk waren te vervullen. De hertogin moest hun--zoo luidde hun eisch--verzekeren, dat zij zich wegens het vroeger voorgevallene niet wreken zou, dat zij niets zonder den raad van Oranje, Egmond en Hoorne zou doen en dat zij eindelijk de Staten-Generaal bijeenroepen zou. Ja de afgezanten der geuzen gingen zoo ver, te verzekeren, dat zij buiten 's lands hulp zouden zoeken, indien zij door geweld tot wettige zelfverdediging geroepen werden.

De hertogin gaf op deze eischen een scherp antwoord, zij gevoelde zich daardoor zwaar beleedigd. Men kon het niet eens worden en Lodewijk van Nassau en zijne medeafgevaardigden ontvingen op eene alles behalve vriendelijke wijze hun afscheid.

De vergadering te St. Truien ging uiteen, zonder iets anders dan verhooging van de spanning uitgewerkt te hebben. Deze gaf zich in die dagen in betreurenswaardige tooneelen van vandaalsche vernielzucht lucht.

Evenals in Duitschland, ontaardde ook in de Nederlanden de haat der hervormden tegen het pausdom, helaas! in blinde woede tegen de oude heiligdommen, tegen de kerken en de kloosters.

De dweepzieke ijveraars verkregen voor een korten tijd de overhand over de rustige, bezonnen belijders van het nieuwe geloof en zij trokken van hunne overmacht partij om een woesten beeldstorm aan te richten.

Waar dit oproer, dat zich in het midden van Augustus over al de Nederlanden, met uitzondering van de provinciën Limburg, Luxemburg en Namen en van enkele steden, uitbreidde, eigenlijk ontstaan is, laat zich niet met zekerheid aanwijzen. De brand brak ter zelfder tijd en met dezelfde hevigheid op de meest verschillende plaatsen uit.

Het was een allertreurigst schouwspel, dat zich voordeed! Kerken en kloosters werden verwoest, de altaren werden omvergehaald, zoowel 2000 kunstgewrochten van allerlei aard, en daaronder van onschatbare waarde, als een aantal kostbare boekverzamelingen werden vernietigd. Dit alles geschiedde in een tijdsverloop van 10 tot 12 dagen. Alleen in Vlaanderen werden 400 kerken verbrand of omvergehaald.

Het onbeschaafde gemeen, de heffe des volks, was voor een korten tijd heer en meester in de Nederlanden en trok van zijne macht partij, om aan zijne vernielingswoede bot te vieren.

Diep betreurenswaardig was voorzeker die beeldstorm, welke den vijanden van godsdienstige en staatkundige vrijheid rechtmatigen grond opleverde om hunne stem tegen zulk een vandalisme te verheffen. Doch zelfs te midden van deze treurige tooneelen doet zich een verkwikkend verschijnsel aan ons voor, dat krachtig getuigt voor het hooge standpunt van verstandelijke en zedelijke beschaving, waarop het Nederlandsche volk in die dagen stond.

De heffe des volks had alle breidels afgeworpen, zij vernielde, om te vernielen, maar zij roofde en moordde niet. Zij gaf aan hare woede niet lucht in het dooden van hare vijanden; zij spaarde zelfs het leven der gehate inquisiteurs en van zulke priesters, die steeds het verbranden van de ketters als een godewelgevallig werk hadden aangeprezen.

De goederen der kerken werden vernield, maar niet geroofd. Deze beeldstormers, die bijna zonder uitzondering tot de laagste klasse der maatschappij behoorden, die bijna allen aan het dagelijksch brood gebrek hadden, lieten toch de kostbaarste kleinodiën, het gouden en zilveren vaatwerk, de edelgesteenten, waarmee de kerksieraden prijkten, onaangeroerd op den grond liggen. Zij vernielden de schatten der kerk, zonder zich die toe te eigenen. Zij gaven lucht aan hun afkeer van hetgeen in hun oog doemwaardige afgoderij was, maar zij lieten zich niet door den lagen drijfveer der roofzucht besturen. Ja, indien een hunner het ongeluk had, zich door den aanblik van die gouden en zilveren voorwerpen tot diefstal te laten verleiden, dan oefenden zijne gezellen op staanden voet en zonder genade gericht over hem. In Vlaanderen werd een jongman ter dood gebracht, dewijl hij het gewaagd had, een voorwerp ter waarde van 5 francs te stelen. Te Valenciennes wilde de geestelijkheid den beeldstorm voor aanzienlijke sommen afkoopen, maar met verachting wezen de arme dweepers het goud van de hand.

Alle waarheidlievende katholieke schrijvers van dien tijd stemmen in de vermelding van dit merkwaardig feit overeen.

De eerste gevolgen van den beeldstorm waren schijnbaar gunstig voor de protestanten. De landvoogdes, door een hevigen schrik voor den opstand bevangen, verloor bijna het hoofd, en had men haar vroeger voor eene heldin gehouden, thans bleek het, dat zij niets dan eene zwakke, vreesachtige vrouw was.

Den 22en Augustus, des nachts te 3 uur, ontbood zij Oranje, Egmond, Hoorne, Hoogstraeten en andere leden van den staatsraad aan haar paleis; zij deelde hun mede, dat zij gereed stond om uit Brussel te vluchten, dat hare goederen reeds gepakt en de leden van haar hofgezin reisvaardig waren. Zij wilde naar Bergen gaan, om zich daar tegen het oproerige volk in veiligheid te stellen, dewijl men haar meegedeeld had, dat de protestanten van plan waren om Brussel te veroveren, alle daar woonachtige katholieken te vermoorden en de regeering omver te werpen.

De prins van Oranje, Egmond en Hoorne smeekten de hertogin dringend, zulk een noodlottig plan te laten varen; zij hielden haar voor oogen, dat eerst door hare vlucht de woeste beweging, waaraan slechts een klein deel des volks medeplichtig was, tot een werkelijken opstand aangroeien zou. Zij zwoeren, de landvoogdes des noods ten koste van hun leven te zullen verdedigen, maar verzekerden haar tevens, dat zij voorshands niet het minste gevaar liep. Eindelijk gelukte het hun door die beden en redeneeringen Margaretha tot blijven te bewegen. Toch was ze niet gerust, en toen haar opnieuw werd bericht, dat het volk van plan was het paleis te bestormen, besloot zij aan den avond van dien dag toch te vluchten.

Op nieuw gelukte het den graaf van Hoorne en den prins van Oranje haar van dit besluit te doen afzien; ja zij haalden haar over om een belangrijken stap te doen, ten einde het oproerige volk tot bedaren te brengen. Zij stond toe, dat voortaan de protestantsche eeredienst uitgeoefend mocht worden op alle plaatsen, waar dit reeds vóór den 25en Augustus geschied was en dat de hervormden volle vrijheid van belijdenis zouden genieten.

Lodewijk van Nassau ontving eene schriftelijke oorkonde, een tolerantie-edict, waarin de hertogin verklaarde, dat de inquisitie afgeschaft was en dat de koning binnen kort een nieuw edict zou uitvaardigen, waarbij eene algemeene vergiffenis zou worden afgekondigd. Daarentegen onderteekende Lodewijk van Nassau met 15 andere geuzen een stuk, waarin de geuzen beloofden, zoolang hun verbond als opgelost te beschouwen en het koninklijk gezag uit alle macht te zullen steunen, als de hertogin hare beloften hield.

De nieuwe beloften van Margaretha werden in alle steden des lands openbaar gemaakt. Alleen door vrees had de landvoogdes zich tot deze toegevendheid jegens den volkswensch laten overhalen; zij verklaarde dit zelve in een brief, dien zij terstond aan Philips II schreef; zij nam God tot getuige, dat zij daartegen zich zoolang mogelijk verzet had, en dat zij eerst, toen zij door het volk in haar paleis belegerd en schier eene gevangene was, toen zij, ziek naar lichaam en geest, niet meer wist wat zij doen moest, den geuzen vergiffenis en den ketters vrijheid van godsdienst toegestaan had; dat al deze beloften echter niet de minste waarde hadden, voordat ze door den koning bekrachtigd waren, dewijl zij slechts in haren eigenen, niet in des konings naam gehandeld had; dat Philips dus door niets gebonden was en dat zij van ganscher harte hoopte, dat Philips zich om het door haar gegeven woord niet bekommeren, maar in persoon naar de Nederlanden komen zou, om de beleedigingen, der heilige kerk door de ketters aangedaan, bloedig te wreken; slechts deze hoop--zoo eindigde zij--hield haar in het leven en behoedde haar voor vertwijfeling.

In een volgenden brief bracht zij bittere klachten in tegen Oranje, Egmond en Hoorne, dezelfde mannen, die zij even te voren met blijken van vertrouwen overladen had. Zij verzekerde, dat Hoorne van plan was, alle priesters en monniken in het geheele land te laten vermoorden; dat Egmond openlijk de geuzen begunstigde en reeds in Duitschland troepen voor hen aanwierf; dat Oranje vast besloten had, zich tot heer van het geheele land te verheffen en de regeering omver te werpen.

Eene gewetensvrijheid, die uitsluitend op de beloften van Margaretha berustte, beteekende waarlijk niet veel, en toch was zij het eenige nut, hetwelk de beeldstorm het Nederlandsche volk aanbracht. In weerwil hiervan waren de protestanten zoo verblind, dat zij zich overgelukkig gevoelden; zij hoopten, dat nu de inquisitie en met haar de geloofshaat en de geloofsvervolgingen voor goed afgeschaft waren. Zij zagen niet, dat reeds in de eerstvolgende dagen dreigende onweerswolken zich samenpakten.

Al de aanzienlijke edelen, ook zij die tot dusver de protestantsche beweging ondersteund hadden, waren diep verontwaardigd over de schandelijke tooneelen, door de beeldstormers aangericht, en vele bezonnen aanhangers der hervorming waren het met hen eens. De prins van Oranje liet zich openlijk zeer ongunstig uit over de dweepzucht van een hoop ellendelingen, die het geheele schandaal hadden teweeg gebracht. Hij beklaagde de muiters en veroordeelde de raddraaiers. Zelfs de woeste Brederode noemde de beeldstormers waanzinnigen en den geheelen opstand onverantwoordelijk.

Egmond legde onverholen zijn afkeer aan den dag van allen, die door hunne handelwijze de katholieke kerk zoo gruwelijk beleedigd hadden. Vele hoofden der geuzen waren van oordeel, dat zij met dergelijke lieden niet langer hand aan hand konden gaan; wellicht waren sommigen hunner reeds sinds lang het verbond moede en was de beeldstorm voor hen een welkom voorwendsel om zich van hen af te scheiden.

Hetzelfde deden ook vele strenge katholieken, die zich van nu af op hunne landgoederen gedroegen als besliste tegenstanders van de hervormden, welke zij tot dusver beschermd hadden.

Aan koning Philips II bood de beeldstorm eene gewenschte gelegenheid aan om strenger maatregelen tegen de ketters te nemen. Hij had de Nederlandsche gezanten, Montigny en Bergen, met gehuichelde vriendelijkheid ontvangen en hunne wenschen aangehoord, welke inhielden, dat de inquisitie afgeschaft, de koninklijke plakaten verzacht en volle vergiffenis voor alles wat tot dusver in de Nederlanden gebeurd was, verleend zou worden. Philips had in schijn deze eischen ingewilligd; zonder bepaalde beloften te doen, had hij toch op eene gedeeltelijke vervulling van de volkswenschen hoop gegeven en verklaard, dat hij zelf naar de Nederlanden dacht te gaan, om orde op de verwarde zaken aldaar te stellen. Aan Margaretha had hij geschreven, dat de verlangde amnestie onder zekere voorwaarden verleend kon worden en ook de afschaffing van de pauselijke inquisitie kon worden toegestaan, dewijl immers de bisschoppen thans in staat waren om in hunne bisdommen eene bisschoppelijke inquisitie in te voeren en met kracht door te zetten.

Doch zelfs deze halve beloften was de koning niet van plan te houden; het sterkste bewijs hiervoor leverde hij door, terstond nadat hij den brief geschreven had, een notaris te ontbieden en in tegenwoordigheid van Alba en van twee andere vertrouwde getuigen te verklaren, dat zijne belofte van eene algemeene vergiffenis hem alleen door de troebelen in de Nederlanden afgeperst, maar niet vrijwillig, niet in volle vrijheid gedaan en daarom ook niet geldig was, en dat hij zich alzoo het recht voorbehield om alle schuldigen, wanneer het hem noodzakelijk scheen, te straffen.

Tegelijk spoorde Philips de landvoogdes aan om den Nederlanders de schoonste uitzichten voor te spiegelen en zelfs de hoop op de bijeenroeping van de Staten-Generaal bij hen op te wekken, hoewel hij vast besloten had, dit nooit te doen.

Was de koning reeds heftig vertoornd over de uitbreiding van de ketterij in de provinciën, hij geraakte in de grootste woede, toen hij het bericht van den beeldstorm ontving; "Dat zal hen duur te staan komen," riep hij, zich den baard uitrukkend, "ik zweer het bij de ziel mijns vaders!" Van dezen oogenblik af legde hij zich met den grootsten ijver toe op het nemen van maatregelen tot de vreeselijke wraak, welke hij oefenen wilde.

In de Nederlanden waren de omstandigheden intusschen grootelijks veranderd; de blijdschap over de inwilligingen der landvoogdes duurde niet lang; de protestanten moesten weldra leeren inzien, dat de beeldstorm hen veel meer schade dan voordeel had aangebracht. Op Egmond, den beroemden veldheer, hadden zij gerekend; wanneer hij zich aan hun hoofd plaatste, was geene macht ter wereld meer in staat om de protestantsche beweging te onderdrukken. Alleen in Vlaanderen toch telde men niet minder dan 6000 gewapende mannen, die bereid waren om voor de godsdienstvrijheid in de bres te springen; slechts aanvoerders ontbraken hun. Wanneer Egmond hun hoofd werd, vormden zij een leger, waarmee de beroemde veldheer in staat zou geweest zijn om het land tegen elken aanval van Spaansche troepen te verdedigen.

De verwachtingen, welke de hervormden op den lieveling des volks, den graaf van Egmond, gebouwd hadden, werden jammerlijk teleurgesteld. Egmond verscheen in Vlaanderen, niet als de aanvoerder der protestanten, maar als hun verbitterde vijand, als de ijverigste aanhanger der regeering, die zelfs, buiten de bevelen der hertogin om, allen strafte, op wie slechts de minste verdenking van medeplichtigheid aan den beeldstorm rustte.

Hij gaf terstond bevelen om een groot aantal beeldstormers en zelfs vele andere ketters ter dood te brengen.