De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 5
Het compromis was aanvankelijk niets anders dan een verbond van edelen, tegen den vreemden, in de Nederlanden heerschenden invloed en tegen elke soort van inquisitie gericht. De aanzienlijkste heeren des lands hadden daaraan geen deel genomen, ook Oranje niet; men wist, dat hij op den vorm van het compromis meer dan eene aanmerking had, doch dat hij met de zaak zelve ongetwijfeld ingenomen was. Of had hij niet geweigerd, de Trentsche besluiten en de nieuwste edikten in zijn stadhouderschap af te kondigen en zich ook ten aanzien van de inquisitie in een brief aan de landvoogdes zeer beslissend uitgelaten? In dezen brief had hij gezegd, dat het Nederlandsche volk zich alleen een weinig getroost had met de hoop, dat de inquisitie niet voor altijd ingevoerd zou worden, dat, indien het deze hoop niet gekoesterd had, handel en nijverheid door het vertrek van duizenden reeds geheel vernietigd zouden zijn. Hij had daarin verklaard, dat wanneer de plakaten met alle gestrengheid toegepast werden, een opstand bij het tot wanhoop gebrachte volk niet kon uitblijven, en dat de koning hierbij niets winnen, maar wel de liefde zijner onderdanen verliezen kon. Aan het slot van zijn brief had de prins verklaard, dat hij de bevelen van Zijne Majesteit zou opvolgen, zooals dit de plicht van een goed christen was.
Veelbeteekenend ten aanzien van de denkbeelden van den prins was deze laatste uitdrukking. Een jaar vroeger zou hij gezegd hebben: "Gelijk het de plicht van een goed katholiek is", doch in het laatste jaar waren zijne denkbeelden in menig opzicht veranderd. Hij was niet meer zoo onverschillig omtrent godsdienstige zaken als vroeger; reeds had de vraag, of de hervorming niet evenzeer op godsdienstig als op staatkundig gebied eene dringende behoefte was, zich ernstig aan zijnen geest voorgedaan. Het is niet onwaarschijnlijk, dat tot dezen ommekeer in zijne geloofsovertuiging ook het tweede huwelijk des prinsen bijgedragen heeft.
Sedert den 24en Augustus 1561 was hij namelijk de echtgenoot eener protestantsche vorstin, Anna van Saksen, de dochter van den beroemden keurvorst Maurits.
Nog bij de onderhandelingen over dit huwelijk had Oranje zich een goed katholiek betoond en beslist geweigerd, eene overeenkomst aan te gaan, waarbij bepaald werd, dat het der vorstin na haar huwelijk vergund zou zijn, bij haar geloof te blijven, en dat zij daarvan noch door overreding noch door bedreiging afgetrokken zou worden; dat zij het recht zou hebben om protestantsche boeken te lezen en elk jaar, zoo dikwijls zij dat begeerde, de Nederlanden te verlaten, om zich te begeven naar eene plaats, waar zij het avondmaal volgens de Augsburgsche geloofsbelijdenis vieren kon; dat de prins, ingeval van ernstige ziekte of van eene moeilijke verlossing zijner gemalin, wanneer er noodzakelijkheid toe bestond, een evangelisch prediker roepen zou, om haar in hare woning het avondmaal toe te dienen, en dat de kinderen, uit het huwelijk geboren, in de leer der Augsburgsche geloofsbelijdenis opgevoed zouden worden.
Vele lastige onderhandelingen waren er gevoerd, eer de oom der vorstin, de keurvorst August van Saksen, en haar grootvader, de oude landgraaf Philips van Hessen, zich lieten overhalen om hunne toestemming tot het huwelijk te geven, nadat de prins geweigerd had, de gestelde voorwaarden aan te nemen. Het huwelijk was intusschen gesloten en de vorstin had beloofd, zonder haar geloof ontrouw te worden, toch voor het uiterlijk als eene katholieke te zullen leven. Dit geschiedde dan ook inderdaad.
Niet alleen het eerste kind, dat geboren werd, maar ook zij, die volgden, werden door katholieke priesters met alle katholieke plechtigheden gedoopt. Hoewel de prins ook na zijn huwelijk nog geene bijzondere ingenomenheid met de protestanten aan den dag legde, kwam hij daardoor toch in eene nieuwe vriendschappelijke betrekking met de ketters, welke niet zonder invloed op hem blijven kon.
In weerwil hiervan beviel het compromis hem toch niet; hoofdzakelijk wijl aan het hoofd der verbondenen de dolle Brederode stond, die altijd geneigd was tot onbezonnen streken. In zijnen broeder en in Sint Aldegonde stelde Oranje wel een onbepaald vertrouwen, maar hij betwijfelde hunnen invloed en kon daarom niet besluiten, zich met het compromis in te laten. Vele aanzienlijke Nederlanders, de stadhouders en ridders van het gulden Vlies volgden zijn voorbeeld; Egmond, Hoorne, Montigny en anderen traden niet tot het verbond toe.
De verbondenen--zoo noemden zich de onderteekenaars van het compromis--versterkten hunne gelederen aanvankelijk dan ook met zulke edelen, die geene hooge betrekkingen bekleedden. Eenige der onderteekenaars waren goede katholieken, die alleen de inquisitie en den Spaanschen invloed haatten; anderen waren ijverige Calvinisten of vurige Lutheranen; anderen weder bekommerden zich weinig om de godsdienstige beginselen hunner bondgenooten; het waren edellieden, die hun vermogen verkwist hadden en die nu, begrijpende, dat de kerkelijke goederen voor hen een goede buit zouden zijn, gunstig jegens de hervorming gezind waren.
Men heeft later gezegd en geschiedschrijvers van naam hebben het den vijanden van de Nederlandsche vrijheid, den aanbidders van Philips II naverteld, dat het grootste getal der verbondene edelen alleen door den drijfveer van het laagste eigenbelang bestuurd werd en dat de Nederlandsche omwenteling dus niet het gevolg der dwingelandij van Philips II maar alleen de vrucht der roofzucht van een door zijne verkwisting aan lager wal geraakten adel geweest is.
Met zulke beschuldigingen zijn de penvoerders, die in dienst der reactie staan, altijd spoedig gereed en hunne woorden hebben maar al te dikwijls geloof gevonden, dewijl inderdaad een groot deel dezer edelen het voorbeeld van Brederode volgde en door woeste slemppartijen de goede zaak, welke zij voorstonden, onteerde. Een ander en aanzienlijk gedeelte sloot zich echter bij Lodewijk van Nassau en Sint Aldegonde aan, wien niemand een dergelijk verwijt voor de voeten kan werpen.
Hoewel het compromis naar de letter eene verbintenis tusschen edellieden moest zijn, werden echter ook burgers en kooplieden tot de onderteekening uitgenoodigd en het vond ook onder deze een groot aantal onderteekenaars. Ook hier zeggen de vijanden der omwenteling, dat dit geschiedde, dewijl de ijdele burgers het zich tot eene eere rekenden hunne namen tusschen die der edelen geplaatst te zien. Al heeft wellicht deze of gene zich door zulk een kleingeestigen drijfveer laten besturen, toch bewijst de heldenmoed, waarmede de Nederlandsche burgers in dien tijd den marteldood voor hun geloof ondergingen, dat verreweg de meesten hunner zich uit volle overtuiging met den adel tot bestrijding van de inquisitie verbonden hebben.
Met het aangroeien van het getal der onderteekenaars klom ook hun moed. Bij de feesten, die toenmaals in alle deelen des lands tot de leefwijze van een edelman behoorden, werd eene hoe langer zoo stouter taal gevoerd.
De prins vernam dit met groote bezorgdheid, hij wist maar al te goed, dat elk daar gesproken woord terstond door Spaansche spionnen naar Madrid overgebracht en den koning meegedeeld werd. Sinds lang was Oranje doordrongen van de overtuiging, dat het tusschen den koning en het Nederlandsche volk eindelijk tot eene hevige botsing komen moest. Hij had daarom gezorgd zich op de hoogte te stellen van hetgeen er aan het hof van Madrid omging. Het middel, door hem gekozen, was zeker niet in overeenstemming met de strengste eischen der zedelijkheid, maar wel met den geest dier tijden.
Evenals Philips II in de Nederlanden, zoo had Willem van Oranje in Spanje zijne spionnen, die hem uitmuntende diensten bewezen. Wanneer de koning des avonds de ontvangen brieven zorgvuldig wegsloot, dan vermoedde hij zeker niet, dat onzichtbare handen ze reeds voor den volgenden morgen afgeschreven en de afschriften aan Willem van Oranje gezonden hadden. Deze wist daardoor zeker, dat alle plannen der verbondenen den koning bekend waren en dat Philips op wraak zon.
De landvoogdes Margaretha verkeerde, terwijl het getal der onderteekenaars van het compromis met elken dag aangroeide, in de grootste verlegenheid. De bevelen des konings drongen haar om de plakaten ten uitvoer te leggen; zij wilde gaarne gehoorzamen, maar zij kon niet.
Bijna alle gouverneurs der provinciën verklaarden, dat het hun onmogelijk was den wil des konings op te volgen, en ten minste 50 of 60.000 inwoners des lands naar den brandstapel te verwijzen.
Margaretha werd door die koninklijke bevelschriften bijna tot wanhoop gebracht, niet wijl zij eenig medelijden voor de slachtoffers der inquisitie gevoelde, maar omdat zij wist, welk gevaar haar bedreigde, indien zij den koning gehoorzaamde. Wel rustte Philips zich allengs ten strijde toe en was hij bezig met het aanwerven van soldaten, maar eer deze in de Nederlanden konden verschijnen, zou de macht der verbondenen zeker nog in groote mate toenemen.
Ook het volk bevond zich in een schier wanhopigen toestand. Een hongersnood heerschte en de ellende werd nog vermeerderd, dewijl steeds meerderen uit vrees voor de inquisitie vrijwillig het land verlieten. Reeds waren ongeveer 30.000 burgers naar Engeland gevlucht, waar zij door koningin Elisabeth gastvrij werden ontvangen.
In den aanvang van de maand Maart besloten de verbondene edelen, steunende op hun aantal, tot een nieuwen stap over te gaan; zij spraken af, dat door een aantal edelen in persoon een verzoekschrift aan de landvoogdes overgebracht zou worden. De prins van Oranje werd van dit plan onderricht; hij kon zich niet ontveinzen, dat die stap noodlottige gevolgen kon hebben. Dien verhinderen kon en wilde hij niet, maar hij achtte het zijn plicht, aan de demonstratie haar dreigend karakter zoo mogelijk te ontnemen. Met dit doel riep hij eene vergadering van hooggeplaatste en invloedrijke mannen te Hoogstraten bijeen. Egmond, Hoorne, Hoogstraten, Montigny en, van de andere zijde, Brederode en eenige andere hoofden der verbondene edelen waren uitgenoodigd om die bij te wonen. Men kon het echter niet eens worden. Vele aanzienlijke heeren achtten een nieuw verzoekschrift niet alleen gevaarlijk, maar zelfs misdadig, terwijl Brederode en zijne vrienden veel onstuimiger te werk wilden gaan dan zelfs vele tegenstanders der inquisitie, die anders zijne zijde hielden, konden goedkeuren. Zoo liep de bijeenkomst te Hoogstraten vruchteloos af. Toch rekende Oranje zich verplicht om zijne pogingen niet op te geven en het gelukte hem, tengevolge van zijn persoonlijken invloed, in de bedoelde petitie, die reeds opgesteld was, menige wijziging te doen aanbrengen. Haar toon werd merkelijk verzacht.
Eenige dagen daarna hield Margaretha van Parma eene vergadering van den staatsraad, waarbij ook Oranje en Egmond tegenwoordig waren. Hier verhaalde een der heeren, dat hij mededeeling ontvangen had van het bestaan eener kettersche samenzwering. Reeds waren 30.000 man heimelijk gewapend en gereed om den opstand te beginnen. Het teeken daartoe zou een verzoekschrift zijn, dat door 1500 gewapende edelen der landvoogdes aangeboden zou worden. Egmond was hierover zoo verschrikt, dat ook hij zich verleiden liet tot het doen van eene mededeeling; hij verklaarde, dat ook hij dergelijke berichten ontvangen had, dat namelijk de verbondene edelen van plan waren om de regeering te veranderen. Hij bracht zelfs een exemplaar van het compromis als bewijs voor het bestaan van de samenzwering ter tafel.
Margaretha van Parma was radeloos: het scheen haar even gevaarlijk, geweld tegen de verbondenen te gebruiken als hen hun gang te laten gaan. De kardinalisten in den raad wilden, dat zij het verzoekschrift wel aannemen maar maatregelen nemen zou om de overbrengers gezamenlijk gevangen te nemen en ter dood te brengen. Hiertegen kwam Oranje met kracht op. De verbondenen, zeide hij, waren mannen van eer en rang, velen van hen waren zijne bloedverwanten en vrienden, voor wier eer hij kon instaan; zij hadden recht op eene eervolle behandeling. Egmond, die steeds weifelde, stemde met dit gevoelen in.
Dewijl de hertogin niet besluiten kon, op eigen gezag een beslissenden stap te doen, riep zij eene groote vergadering van notabelen bijeen, waartoe alle leden van den staatsraad en den geheimen raad, de gouverneurs der provinciën en de ridders van het Gulden Vlies uitgenoodigd werden. Doch ook in deze vergadering kwam men niet tot een besluit.
Den 3en April 1566, des avonds omstreeks 6 uur, trok Hendrik van Brederode aan het hoofd van 200 gewapende edelen te paard de stad Brussel binnen. Hij werd door het volk, dat sedert lang dezen stap der verbondenen verwacht had, met groot gejuich begroet. Den volgenden dag verscheen de graaf van Kuilenburg met nog ongeveer 100 ruiters. In den morgen van den 6en April verzamelden al de edelen zich in het paleis van Kuilenburg. Van hier trokken zij kort voor den middag te voet naar het paleis der hertogin. Het waren bijna allen jonge lieden uit de edelste geslachten des lands; zij werden door de dicht opeengedrongen volksmenigte met luide kreten van bijval begroet: de burgers zagen in hen hunne bevrijders van de inquisitie en van het Spaansche juk. Lodewijk van Nassau en Brederode, die den langen trein sloten, waren de voorwerpen van de warmste hulde.
De hertogin Margaretha ontving de edelen, gezeten op haren troon, en omringd van de grootwaardigheidsbekleeders des lands. Toen zij de rijen der verbondenen overzag, bemerkte zij onder hen met schrik vele bloedverwanten en aanhangers van den prins, van Egmond en van Hoorne.
Brederode naderde met eene diepe buiging den troon; hij verklaarde, dat hij met allen, die hem vergezelden, hier gekomen was, om Hare Hoogheid een ootmoedig verzoekschrift te overhandigen, dat hij wel gehoord had, hoe de wakkere edellieden, die hier stonden, als verraders en oproermakers belasterd waren, doch dat hij zulke leugens met verachting van zich wierp. Hierop reikte hij het smeekschrift over, hetwelk daarop met luider stemme voorgelezen werd.
De toon van het smeekschrift was zoo zacht mogelijk; de edelen betuigden daarin hunne onwankelbare trouw jegens den koning en de hertogin, zij smeekten slechts om opheffing van de inquisitie of tenminste, bij de groote gisting, die in het geheele land heerschte, om tijdelijke schorsing van de koninklijke plakaten, totdat de koning in overleg met de Staten-Generaal nadere beschikkingen zou genomen hebben. Het smeekschrift was kalm, ja ootmoedig gesteld; toch joeg het der landvoogdes schrik aan. Men bemerkte, dat tranen langs hare wangen vloeiden, terwijl zij naar de voorlezing luisterde. Toen deze geëindigd was, zweeg zij nog een tijd lang en eerst toen zij hare aandoening overmeesterd had, antwoordde zij met enkele woorden, dat zij de zaak met hare raadslieden bespreken en later antwoord geven zou. Hiermede werden de verbondenen uit hare tegenwoordigheid ontslagen.
Na hun vertrek had terstond eene zitting van den staatsraad plaats. Oranje trachtte de landvoogdes tot kalmte te brengen. Hij verklaarde, dat de verbondenen geene rebellen, maar loyale edellieden waren, wier bedoeling allen lof verdiende; dat zij niets anders beoogden dan het land voor een dreigend gevaar te behoeden. Egmond durfde hem niet ondersteunen; hij verkeerde klaarblijkelijk in de grootste verlegenheid; hij wilde noch voor noch tegen de verbondenen spreken. Ten einde zich uit die moeilijkheid te redden, verklaarde hij, dat hij binnen kort het land verlaten moest, om eene badplaats te bezoeken, dewijl zijne gezondheid al te zeer geschokt was.
Men sprak door elkaar, totdat Barlaimont het woord nam en zich tot de hertogin wendde met de vraag: "Hoe kan Uwe Hoogheid bevreesd zijn voor een troep bedelaars (gueux); willen deze menschen, die niet eens hun eigen vermogen beheeren kunnen, den koning en Uwe Hoogheid leeren, hoe men een land besturen moet? Bij den eeuwigen God, wanneer men mijnen raad wilde volgen, dan zou men op hun smeekschrift met een dracht slagen antwoorden. Ik zou hen de trappen spoediger afjagen dan zij ze opgeklommen zijn."
Het woord van Barlaimont is historisch geworden. De scheldnaam "bedelaars" (gueux), door hem den verbondenen gegeven, zou weldra in een eernaam worden herschapen.
Den 6en April verscheen Brederode met een groot aantal zijner bondgenooten op nieuw in het paleis, om het antwoord van Margaretha te vernemen. De landvoogdes beloofde, dat er een gezantschap naar den koning gezonden worden zou. Gedurende den tijd, welke tot aan zijne terugkomst moest verloopen, zou den inquisiteurs gelast worden, in de uitoefening van hun ambt zoo zacht mogelijk te werk te gaan, zoodat niemand reden tot klagen zou hebben. Daarentegen hoopte de hertogin, dat ook de edelen niets doen zouden wat in strijd was met de oude godsdienst des lands.
Twee dagen later, den 8en April, werd Brederode nog eens ten gehoore toegelaten. De verbondenen dankten de hertogin voor haar antwoord; zij betreurden het, dat de inquisitie, tot de verwachte beslissing des konings, niet volkomen opgeheven werd, maar zij spraken te gelijk hun vertrouwen uit, dat de landvoogdes tot dat tijdstip althans de vervolging zou schorsen.
Denzelfden dag werd in het paleis van Kuilenburg een schitterend feest gevierd, waarbij Brederode 300 gasten had uitgenoodigd. De wijn stroomde bij beken, de hoofden waren reeds verhit, toen de gastheer eensklaps opstond: zijne krachtige stem klonk boven het woeste geraas uit, hij wist voor een oogenblik gehoor te krijgen en nu verhaalde hij wat Barlaimont der hertogin had aangeraden en dat hij al de edelen bedelaars (geuzen) had genoemd.
Een luide kreet van verontwaardiging ging op. Doch Brederode wist spoedig de rust te herstellen. "Zij noemen ons bedelaars," riep hij, "welaan, wij willen dezen titel aannemen; wij zullen de inquisitie bestrijden, maar den koning getrouw blijven, ook al moeten wij tot den bedelstaf geraken." Bij deze woorden gaf hij een zijner pages een teeken, deze bracht een lederen zak, gelijk de bedelaars van beroep toen droegen, en een houten nap, waarin deze gewoonlijk de hun geschonken spijzen ontvingen. Den bedelzak hing Brederode zich om het lijf, daarop vulde hij den nap met wijn, hief dien met beide handen omhoog en ledigde dien in éénen teug. "Vivent les gueux, leve de geuzen!" riep hij en juichend herhaalden zijne gasten dien kreet.
Brederode's scherts werd met de grootste bijvalsbetuigingen begroet; de bedelzak ging rond; de eene gast na den ander hing dien om en allen ledigden op hunne beurt den met wijn gevulden nap op de gezondheid der geuzen. Van dezen dag af noemden de verbondenen zich bedelaars, gueux, geuzen.
Het feestmaal was nog niet ten einde, aan den bedelzak en den nap werd eene eereplaats aan een der pijlers van de zaal toegewezen. Vervolgens gingen de gasten voort met drinken en praten; zoowel door den wijn als door hunne staatkundige gesprekken werden ze meer en meer opgewonden. Juist terwijl het geraas het sterkst was, trad de prins van Oranje met de graven van Egmond en Hoorne de zaal binnen. Terstond werden zij door een aantal geuzen omringd en met den kreet: "Leven de koning en de geuzen!" drong men hen om een beker wijn te ledigen.
Zij konden zich tegen de beschonkenen niet verzetten, doch weigerden in hun midden plaats te nemen. Spoedig verlieten zij de zaal, nadat zij de leiders van het feest aangespoord hadden om aan het rumoer een einde te maken. Zij begaven zich rechtstreeks naar den staatsraad, waar de landvoogdes hun haren dank betuigde, omdat zij door hunne tusschenkomst nog ergerlijker tooneelen verhoed hadden.
VIERDE HOOFDSTUK.
De Nederlanden. Aangroeiende macht der geuzen. Brederode te Antwerpen. Moderatie, moorderatie. Montigny en Bergen tot Philips II gezonden. De hagepreeken. Uitbreiding der hervorming. Oranje's houding. Bijeenkomst der edelen te St. Truien. Oranje's pogingen tot bemiddeling. Lodewijk van Nassau en zijne 12 apostelen voor de hertogin. De beeldstorm. Margaretha's schrik en voorgenomen vlucht. Hare beloften. Hare trouwloosheid. Oordeel van Oranje. Brederode en Egmond over den beeldstorm. Halve beloften van Philips II. Zijne plannen. Reactie. Egmond's wreedheid jegens de ketters. Gematigdheid van Oranje. Hoorne te Doornik. Ontbinding van het verbond. Woordbreuk der hertogin. Oranje en zijne vrienden te Dendermonde. Vervalschte brieven? Egmond als trouw dienaar des konings. De nieuwe eed. Oranje's verzoek om ontslag. Belegering van Valenciennes. Brederode's plannen. Het gevecht bij Austruweel. Oranje's verstandige houding te Antwerpen. Noircarmes in Valenciennes. Oranje's laatste samenkomst met Egmond. Vergeefsche waarschuwing. Oranje's vertrek naar Duitschland. Brederode's vlucht en dood. De laatste dagen van Margaretha's regeering. Groot aantal uitgewekenen.
De door den overmoedigen Brederode uitgevonden partijnaam vond een ongemeenen bijval. Weldra weergalmde door al de Nederlandsche gewesten de kreet: "Leven de geuzen!". De jonge edellieden, die tot dus ver fluweelen, rijk met goud bestikte wambuizen gedragen hadden, kleedden zich nu in grijze kleederen van grof laken en droegen mantels van dezelfde kleur. Op straat verschenen zij met een hoed van gewoon vilt, de bedelzak en bedelnap waren hunne eenige sieradiën. Er werden penningen geslagen, die op de voorzijde het beeld van Philips II, op de keerzijde twee ineengeslagen handen vertoonden met de zinspreuk: "Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak toe." Deze penningen bevestigden de edelen en de burgers aan hun hoed, gelijk eene kokarde, of zij droegen die als een ordeteeken om den hals.
Terstond na het feestmaal verlieten de edelen de hoofdstad, om naar hunne woonplaatsen terug te keeren. Brederode reed aan het hoofd van een stoet adellijke ruiters de poort van Brussel uit. De tallooze toeschouwers begroetten hem met luide bijvalskreten. Door 43 edelen vergezeld kwam hij in Antwerpen aan, waar hij overnachtte.
De groote geus--zoo werd hij reeds genoemd--was het voorwerp van de levendigste belangstelling der geheele bevolking. Zijn logement werd door 4 à 5000 burgers letterlijk belegerd. Toen hij voor het venster verscheen, met den bedelzak aan de zijde en den met wijn gevulden nap in de hand, ging er onder de menigte een donderend gejuich op. Hij verklaarde, dat hij bereid was om zich voor de rechten des volks in de bres te stellen en dat hij zich tot den laatsten droppel bloeds tegen de plakaten en de inquisitie verzetten zou. Vervolgens dronk hij op de gezondheid des volks en verzocht hij allen die bereid waren om, evenals hij, de inquisitie te bestrijden, de handen op te steken.
De goede Antwerpenaars schepten in dat ongewone tooneel groot behagen, zij staken als één man de handen op en terwijl Brederode zijn nap in één teug ledigde, kwam er geen eind aan de vreugdekreten.
Verdere onlusten kwamen er uit dit tooneel niet voort; Brederode verliet Antwerpen weer, zonder dat het, gelijk de hertogin gevreesd had, tot ergerlijke voorvallen was gekomen. Ook de overige edellieden werden door het volk als zijne bevrijders van het Spaansche juk beschouwd en overal met eerbewijzen ontvangen. Inderdaad scheen het ook, dat het smeekschrift der edelen een krachtigen invloed had uitgeoefend: men hoorde, dat de plakaten gematigd, de inquisitie afgeschaft, de gewetensvrijheid gewaarborgd zouden worden. Toen dit gerucht zich meer en meer verbreidde, ging er door het geheele land een luide juichtoon op. Vele vluchtelingen en ballingen keerden naar de Nederlanden terug. Zij, die zich tot dusver uit vrees voor vervolging schuil gehouden hadden, staken stoutmoedig het hoofd op en vertoonden zich weer in het openbaar.