De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 4
Margaretha van Parma was intusschen meer en meer de voogdijschap van den kardinaal moede geworden; zij vroeg van Philips de terugroeping van den algemeen gehaten man, dewijl zij voor de rust des lands niet kon instaan, wanneer Granvelle langer aan de regeering bleef. Philips II zag zich genoodzaakt om deze wenschen te vervullen. Hij deed het echter niet terstond, opdat de Nederlanders niet in den waan zouden verkeeren, dat zij hem die inwilliging van hunnen eisch hadden afgeperst. Granvelle ontving verlof om voor een korten tijd de Nederlanden te verlaten, dat wil zeggen, hij ontving heimelijk den last om weg te gaan en nooit terug te keeren. Al was zijne rol in de Nederlanden uitgespeeld, toch bleef hij ook in 't vervolg des konings trouwe dienaar.
Zoo vatte ook het volk het vertrek des kardinaals (13 Maart 1564) op; het gaf zonder eenige terughouding aan zijne blijdschap over de verwijdering van den gehaten man lucht.
De dolle Brederode keek met den graaf van Hoogstraten uit een venster, om getuige te zijn van het heerlijk schouwspel van Granvelle's vertrek. Zoodra de kardinaal Brussel verlaten had, volgden beiden hem; zij bestegen te zamen hetzelfde paard, Hoogstraten zat in den zadel, Brederode achter hem. Zoo galoppeerden zij den kardinaal achterna, terwijl zij onophoudelijk hunne blijdschap in niet zeer kiesche bewoordingen aan den dag legden en hem een groot eind weegs uitgeleide deden.
Nog bijtender was de wijze, waarop Granvelle bespot werd op een feest, hetwelk de graaf van Mansveld bij gelegenheid van den doop zijns zoons te Luxemburg gaf. Bij eene luisterrijke maskerade verscheen een mensch in het gewaad des kardinaals en met den rooden hoed op het hoofd, te paard in het renperk. Voor hem uit ging een kluizenaar, met een langen witten baard, op den kardinaal volgde de duivel, in het gewone kostuum, dat den vorst der duisternis toegedicht wordt, die het paard van den kardinaal en den ruiter voor zich uit zweepte. Op dit gezicht ging onder de tallooze menigte, die gedeeltelijk tot de hoogste standen des lands behoorde, een luid vreugdegejuich op.
DERDE HOOFDSTUK.
De Nederlanden. Oranje's hervormingsplannen. Omkoopbaarheid der beambten. Oranje's eerzucht. Egmond als hoveling. De kardinalisten. Oproer te Antwerpen. De Trentsche besluiten. Oranje's redevoering in den staatsraad. Egmond als gezant in Spanje. Treurige uitslag van die zending. Egmond's ijdelheid en zwakheid. Stormachtige beraadslagingen in den staatsraad. De Trentsche besluiten afgekondigd. Het compromis. Marnix van St. Aldegonde. Lodewijk van Nassau. Nicolaas de Hammes. Inhoud der oorkonde van het compromis. Verandering in de godsdienstige denkbeelden van den prins van Oranje. Zijn huwelijk met Anna van Saksen. Verhouding van Oranje en Egmond tot het compromis. De onderteekenaars. Aangroeiend getal der onderteekenaars, ook onder de burgers. Geheime politie van den prins van Oranje. Moeilijke toestand van de landvoogdes. Treurig lot des volks. Hongersnood. Vrijwillige ballingschap. De bijeenkomst te Hoogstraten. Vergadering van notabelen. Intocht van Brederode in Brussel. Ontvangst der edelen bij Margaretha. De staatsraad Barlaimont. »Ce ne sont que des gueux." Antwoord op het verzoekschrift. Het afscheidsmaal. »Leven de Geuzen!"
Onmiddellijk na Granvelle's vertrek schreven Oranje, Egmond en Hoorne aan den koning, om hem te verzekeren, dat hunne gehoorzaamheid jegens hem onwankelbaar was, en dat zij met blijdschap hunne plaatsen in den staatsraad weder zouden innemen. Doch te gelijk deelden zij der landvoogdes mede, dat zij, zoodra de kardinaal terugkeerde, hun ambt zouden nederleggen. Van nu af werden zij nooit in den raad gemist; waar zij met den grootsten ijver, soms tot laat in den nacht, arbeidden.
Oranje had zich ten doel gesteld, drie belangrijke hervormingsmaatregelen in te voeren: vooreerst, de samenroeping van de Staten-Generaal; ten tweede verzachting of liever nog afschaffing van de plakaten ten aanzien van de godsdienst; ten derde opheffing van den geheimen raad en van den raad van finantiën, wier werkzaamheden in het vervolg aan den staatsraad zouden worden opgedragen.
De opheffing van deze beide lichamen scheen inderdaad dringend noodzakelijk, zij maakten het regeeringswerktuig zóó traag van gang en zóó moeilijk te besturen, dat het schier onmogelijk was, over het heirleger van beambten een zorgvuldig toezicht te houden. Door deze beide raadscollegiën werd eene ziekte, waaraan de Nederlandsche staat sterk leed, de omkoopbaarheid der beambten, ongeneeslijk gemaakt.
Het was zóó ver gekomen, dat zelfs de hoogst geplaatsten zonder schroom zich de weldaden, bij de wet den burgers verzekerd, lieten afkoopen. Voor den arme bestond er geen recht meer; hij werd zonder genade wegens het geringste vergrijp in de gevangenis geworpen en, wanneer hij verdacht was van ketterij, dikwijls zonder vonnis ter dood gebracht. Voor den rijke daarentegen was niets onbereikbaar; hij kon zich door middel van zijn geld voor de schandelijkste misdaden genade verwerven. Zelfs rijke ketters wisten den brandstapel soms te ontgaan, door de rechters om te koopen.
Tegen deze omkoopbaarheid van den ambtenaarsstand bond Oranje moedig den strijd aan. Van zijne pogingen om die beide schadelijke raadscollegiën ter zijde te stellen en de geheele regeering aan den staatsraad op te dragen, hebben zijne vijanden hem een scherp verwijt gemaakt. Op grond hiervan beschuldigden zij hem van eene schandelijke eerzucht. Zij geloofden, dat hij daarmee niets anders beoogde, dan zelf de geheele macht in handen te krijgen, dewijl hij thans in den staatsraad den boventoon voerde. Inderdaad scheen dit verwijt niet uit de lucht gegrepen. Willem van Oranje was in de laatste jaren een geheel ander mensch geworden. De levenslust, waarvan hij vroeger tintelde, was geweken; zijn oog stond somber, zijne wang was bleek. Niet in lustige feesten, slechts in ernstigen arbeid schepte hij behagen. Ja, eerzucht had geheel zijne ziel ingenomen; maar het was eene eerzucht van den edelsten aard, zij spiegelde hem als zijn levensdoel niets minder voor dan de bevrijding van het verdrukte volk uit de boeien, waarin Philips II het geslagen had, de afschaffing van de bloedige inquisitie en de handhaving van de rechten en vrijheden des lands.
Minder lofwaardig was de eerzucht, welke Egmond duidelijk genoeg aan den dag legde. De trotsche graaf poogde zijn invloed te verhoogen door tegenover de landvoogdes Margaretha den hoveling te spelen, terwijl hij tegelijk om de volksgunst boelde. Hij schertste met de burgers van Brussel, nam deel aan hunne feesten en noemde een ieder vertrouwelijk bij zijnen naam.
Voor het Nederlandsche volk was de in den staatsraad voorgevallen verandering van het grootste belang. De geloofsvervolging was, sinds Granvelle vertrokken was, veel minder scherp dan vroeger. Toch hield zij nog niet geheel op; daarvoor zorgden de kardinalisten--zóó werden Granvelle's aanhangers in het bewind genoemd. Al hadden deze, Viglius, Barlaimont en anderen, het grootste deel van hun invloed op de landvoogdes verloren, toch konden zij zich beroepen op de bevelen van Philips II, waaraan ook Margaretha zich onderwerpen moest.
Zij kon niet beletten dat Titelman en andere inquisiteurs met het vervolgen van de ketters voortgingen; wellicht lag dit ook niet in haar plan. Gevoelde zij aan den eenen kant geene genegenheid, maar eerder eene soort van afkeer van de kardinalisten, nog minder ingenomen was zij met hunne tegenstanders. Was de overdreven vervolgingswoede der eersten in haar oog gevaarlijk, nog bedenkelijker achtte zij godsdienstige verdraagzaamheid jegens de afvalligen van de moederkerk.
De tegenstand, die zich reeds gedurende het bewind des kardinaals tegen de vervolging van de ketters onder het volk geopenbaard had, nam thans hand over hand toe. In Antwerpen kwam het tot een openlijken opstand. Daar werd een karmelieter monnik Fabricius, die Calvinist geworden was en met ijver het evangelie predikte, gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Gedurende de dagen zijner gevangenschap verdrong het volk zich voor de vensters van zijn kerker. Slechts met moeite kon Fabricius het van een opstand terughouden. Ook toen hij door de straten van Antwerpen naar den brandstapel gevoerd werd, smeekte hij de volksmenigte, die hem in dichte drommen volgde, in warme bewoordingen, dat zij toch om zijnentwil geen oproer zou verwekken, maar hem rustig voor zijne overtuiging laten sterven. Hij vermaande allen, die hem hooren konden, aan de waarheid getrouw te blijven, maar ook den koning trouw en der overheid onderdanig te zijn. Zóó sprak hij nog op het schavot, doch toen de beul hem nu aan den paal kluisteren wilde, barstte de volkswoede eensklaps los. Een hagelbui van steenen werd naar de wachten geslingerd, deze moesten terugwijken; de beul en de hoogere beambten, die de terechtstelling bijwoonden, volgden hen op hunne vlucht.
De menigte stormde op den houtmijt los, maar zij kwam te laat. De beul had, eer hij de vlucht nam, met een dolk den martelaar doorboord en hem met zijn hamer den schedel verbrijzeld.
De woede der menigte gaf zich lucht in een woesten kreet; het volk keerde naar de stad terug, doch dewijl het den geliefden prediker toch niet in het leven kon terugroepen, kwam het eindelijk weer tot rust.
Des nachts werd een met bloed geschreven plakaat aan de muren van het stadhuis gehecht, waarin de moordenaars met eene vreeselijke straf bedreigd werden.
Op andere plaatsen openbaarde de afkeer van de geloofsvervolging zich wel niet in oproer, maar in verzoekschriften aan de landvoogdes. De raad van Brugge, die uitsluitend uit goede katholieken bestond, beklaagde zich bitter over Titelman. Zulke stappen werkten intusschen niets uit, want de kardinalisten in den staatsraad beriepen zich op het bevel des konings, dat steeds strenger vervolging van de protestanten voorschreef.
Het Concilie van Trente was in dien tijd afgeloopen. Zijne besluiten, waarin de leerstukken der katholieke kerk in hunne tegenstelling met het protestantisme zoo scherp mogelijk uitgedrukt waren, waarin de uitroeiing van de ketters met de grootste strengheid bevolen werd en deze van het maatschappelijk leven geheel werden uitgesloten, moesten volgens Philips' bevel ook in de Nederlanden als wet afgekondigd worden. Margaretha van Parma verkeerde tegenover dit bevel in eene pijnlijke verlegenheid.
De Trentsche besluiten waren in meer dan ééne bepaling lijnrecht in strijd met de privilegiën des lands. In weerwil hiervan drongen Viglius en de overige kardinalisten op hunne afkondiging aan, dewijl de koning het zoo wilde, terwijl Oranje opmerkzaam maakte op de noodlottige gevolgen, die daaruit konden voortvloeien.
De landvoogdes besloot een gezant naar Spanje te zenden, ten einde rechtstreeks met den koning te onderhandelen, en zij koos voor dezen eerepost den graaf van Egmond, die zich in den laatsten tijd in hare gunst had weten te dringen. Egmond verklaarde zich bereid om deze taak te aanvaarden; de staatsraad beraadslaagde derhalve over de instructie, welke men hem medegeven zou.
Nu stond Willem van Oranje op, hij voerde in den staatsraad niet dikwijls het woord, maar wanneer hij het deed, spreidde hij eene schitterende welsprekendheid ten toon. Hij drong er op aan, dat Egmond in last ontvangen zou, den koning de geheele waarheid te zeggen. Hij moest Philips meedeelen, dat het eindelijk hoog tijd was om een einde te maken aan de kettervervolgingen en de inquisiteurs en ketterjagers ter zijde te zetten; dat de Nederlanden een vrij land waren, omringd door andere vrije landen, waarin zulke gruwelen niet meer plaats vinden mochten. Zijne Majesteit moest eindelijk bekend gemaakt worden met de schandelijke omkoopbaarheid, waardoor zoowel de leden der rechterlijke macht als de overige beambten aangetast waren; zij moest weten, dat omkoopbaarheid bij hen regel, rechtschapenheid eene zeldzame uitzondering was.
In scherpe bewoordingen rukte Oranje al den hoogen waardigheidsbekleders der kroon het masker van het gelaat, ja, hij toonde aan, hoe juist de hoogste beambten de omkoopbaarste van allen waren. Hij eischte, dat de koning onderricht zou worden van de noodzakelijkheid om den geheimen raad en dien van finantiën te ontslaan en den staatsraad in beider plaats te stellen. Bovendien moest aan Zijne Majesteit vrijmoedig verklaard worden, dat de Trentsche besluiten, die door de geheele wereld, zelfs door de katholieke vorsten van Duitschland afgewezen waren, in de Nederlanden nooit tot wet konden verheven worden en dat, indien men dit doordreef, daaruit de treurigste gevolgen zouden voortvloeien.
Oranje besloot zijne rede met de verklaring, dat hij een goed katholiek was en bleef, maar dat hij het niet zonder afgrijzen kon aanzien, wanneer de vorsten pogingen aanwendden om jegens hunne onderdanen in zaken des gewetens en der godsdienst dwang uit te oefenen.
Des prinsen taal maakte een diepen indruk op de landvoogdes, maar nog dieper op Viglius, die daarvan zoo verschrikt was, dat hij geen woord er tegen in kon brengen en den volgenden morgen na een slapeloozen nacht door eene beroerte getroffen werd. Joachim Hopper, een geleerde Fries, die wegens zijne slaafschheid den bijnaam "de ja-broer van madame", ontvangen had, nam voorloopig de zaken op zich. Viglius herstelde slechts langzaam; zijne volle kracht kreeg hij nooit terug.
Egmond was intusschen vertrokken met instructies, die wel niet zóó krachtig en duidelijk waren als Oranje gewenscht had, maar over het geheel met zijne denkbeelden overeenkwamen.
Vele edele heeren, onder anderen Brederode, de graaf van Kuilenburg en Mansfeld vergezelden hem tot Kamerijk. Hier onderteekenden zij met hun bloed eene oorkonde, waarin zij zich op hunne eer als edellieden verbonden om, zoo den gezant in Spanje iets kwaads overkwam, dat op den kardinaal Granvelle te wreken.
Tot afscheid gaven de edelen den graaf van Egmond een groot feest, waartoe ook de aartsbisschop van Kamerijk uitgenoodigd werd. Overal, waar Brederode zich bevond, kon men er op rekenen, dat een feest in een woest drinkgelag ontaardde. Dit had ook nu plaats. Brederode, die veel gedronken had, geraakte in twist met den aartsbisschop; de graaf van Mansfeld mengde zich daarin en vergat zich eindelijk zoover, dat hij den kerkvorst een slag in het aangezicht gaf.
Dewijl deze twist in de tegenwoordigheid der dienaars voorviel, werd het gerucht van die mishandeling, den aartsbisschop aangedaan, spoedig door de stad verbreid. Het verwekte onder het volk eene groote blijdschap, want de aartsbisschop was wegens zijne wreedheid en trouwloosheid algemeen gehaat. Verdere gevolgen had dit schandaal echter niet, dewijl de kerkvorst, uit bezorgdheid voor zijn eigenen naam, geene aanklacht tegen Brederode en Mansfeld durfde indienen.
Egmond werd te Madrid met de meeste onderscheiding ontvangen. Toen hij de eerste maal voor den koning verscheen, trad deze hem te gemoet en eer de graaf nog den tijd had om de knie te buigen en zijn vorst de hand te kussen, omarmde Philips hem met meesterlijk nagebootste hartelijkheid. Gedurende den geheelen tijd van Egmond's verblijf te Madrid werd hij met vleierijen overladen; hij at aan des konings tafel, eene eer, welke Philips II slechts zelden aan de hoogste dienaren der kroon en aan vorstelijke personen bewees. Philips putte zich uit in beleefdheden; hij overlaadde Egmond met geschenken en met betuigingen van zijne gunst. Hij wist den ijdelen en zwakken man zoo zeer voor zich in te nemen, dat deze den eigenlijken inhoud zijner instructie bijna vergat. Hij kleedde althans zijne woorden zoo in, dat zij den koning niet toornig konden maken.
Dit had Philips juist bedoeld; Egmond werd door hem geheel om den tuin geleid en hoewel deze volstrekt niets kon uitrichten, verklaarde hij zich ten slotte hoogst voldaan. Door halve beloften en vleierijen had hij zich laten begoochelen. Bij zijn vertrek ontving hij van Philips een brief met instructies voor de hertogin. Buitendien werd hem mondeling gelast, in den staatsraad uit te spreken, welk eene diepe smart de koning gevoelde, wijl de ketterij in de Nederlanden nog altijd nieuwe vorderingen maakte, dat het zijn onherroepelijk besluit was, in zijne staten geene verandering in de godsdienst te gedoogen en dat hij zelf, indien hij om dit besluit door te zetten duizend dooden moest sterven, daarvoor niet terugdeinzen zou.
De koning liet de hertogin verzoeken, terstond den staatsraad tot eene buitengewone zitting bijeen te roepen, die ook door een aantal bisschoppen, godgeleerden en priesters van onverdachte rechtzinnigheid bijgewoond moest worden. Deze vergadering moest dan beraadslagen over de beste wijze om de ketters ter dood te brengen, niet door hunne smarten te verminderen--dit kon noch Gode welgevallig, noch voor de godsdienst heilzaam zijn--maar op zulk eene wijze, dat de ketters niet langer in het oog des volks de martelaarskroon droegen. Ten aanzien van eene hervorming der staatsregeling en van eene samensmelting van den geheimen raad en den raad van finantiën met den staatsraad zou de koning later een besluit nemen, wanneer hij van de landvoogdes nog nadere inlichtingen ontvangen had.
Dit was de treurige uitkomst van Egmond's zending; zij was zoo onbeduidend mogelijk, en toch droeg Egmond grooten roem op hetgeen hij verricht had. Hij verklaarde, na zijne terugkomst in zijn vaderland, dat de koning de genadigste vorst ter wereld was, die het zoo goed en trouw als geen ander met zijn volk meende. Zijn blijdschap werd echter spoedig getemperd, toen hij vernam, dat er brieven van den koning aangekomen waren, waarin deze zich zeer scherp over hem uitgelaten had, en toen hij van Willem van Oranje bittere verwijten over zijne dwaze handelwijze in Spanje moest hooren.
Dewijl Philips van nu af in zijne brieven herhaaldelijk op de afkondiging van de Trentsche besluiten aandrong, gehoorzaamde Margaretha; maar reeds de eerste afkondiging verwekte in de Nederlanden eene algemeene verontwaardiging, die nog klom, toen ook een ander bevel des konings ten uitvoer gelegd werd. De ketters werden niet meer in het openbaar verbrand, maar in het holle van den nacht in de gevangenis verdronken en wel op eene afschuwelijke wijze. Men bond hun het hoofd tusschen de knieën en liet hen langzaam in eene waterkuip neerzakken.
Zulk een dood kon den slachtoffers geen ijdelen roem verwerven, dewijl niemand langer zag, hoe zij in hun doodstrijd aan hun geloof getrouw bleven.
Egmond ontwaakte thans uit zijn korten droom omtrent des konings genadige gezindheid. Hij sloot zich op nieuw bij Oranje en Hoorne aan, die beiden de afschuwelijke staatkunde des konings onvermoeid en onversaagd bestreden. Er vielen langdurige en heftige beraadslagingen voor.
De kampioenen van de Nederlandsche vrijheid vonden steun bij het volk. Meermalen vond men aan de deuren der paleizen van Oranje, Egmond en Hoorne geschriften aangeplakt, waarin deze aangespoord werden om den strijd voor de godsdienstvrijheid vol te houden, dewijl het volk op hen alleen vertrouwde. Dagelijks vierde de adel feesten, waarop menig scherp woord tegen de landvoogdes en de kardinalisten viel, en deze openlijk met eene gewelddadige uitbarsting der volkswoede bedreigd werden. Door dit alles liet Margaretha zich echter niet afbrengen van den weg, dien zij na Egmond's terugkomst ingeslagen had. Zij schonk al haar vertrouwen aan den geheimen raad, die alle uit Madrid gezonden stukken ontving en thans er op aandrong, dat de bevelen des konings onverwijld uitgevoerd zouden worden.
Toen Margaretha dit in den staatsraad mededeelde, ontstond er op nieuw een heftige strijd. Zelfs Viglius, die thans hersteld was, deinsde voor beslissende stappen terug en ried tot matiging. De landvoogdes verklaarde, dat zij zich aan de verordeningen des konings onderwerpen moest. Er werd eene proclamatie ontworpen, die voorschreef, dat de besluiten van het Trentsche Concilie, de uitgevaardigde plakaten en de inquisitie in elke stad en in ieder dorp der verschillende gewesten onverwijld ten uitvoer gelegd moesten worden en dat deze afkondiging alle zes maanden herhaald worden moest.
Toen dit besluit genomen was, wendde de prins van Oranje zich tot zijn buurman, die naast hem aan de raadstafel zat, en fluisterde hem zachtkens in het oor: "Met dit besluit begint het treurigste schouwspel, dat men ooit gezien heeft." Hij had maar al te juist voorspeld!
Toen de proclamatie afgekondigd werd, ging een kreet van ontzetting door het geheele land op, een ieder gevoelde dat hier de grenzen stonden der gehoorzaamheid, door onderdanen aan hun vorst verschuldigd, dat uit zulk een toestand niets anders dan een burgeroorlog geboren worden kon.
En inderdaad, reeds deden de eerste kenteekenen van dien strijd zich op.
Terwijl te Brussel tegen het einde van het jaar 1565 schitterende feesten ter eere van het huwelijk van den jeugdigen prins Alexander Farnese, de zoon der landvoogdes, met Maria van Portugal gevierd werden, ontstond dat belangrijke verbond der edelen, hetwelk weldra aanleiding zou geven tot den opstand der Nederlanden.
In het huis van Floris van Pallandt, graaf van Kuilenburg, hadden zich gedurende de huwelijksfeesten meer dan 20 edelen verzameld, om heimelijk een calvinistischen prediker, Franciscus Junius (François du Jon), te hooren. Na de prediking overlegden zij, welke stappen zij tegen de inquisitie konden doen. Deze samenspreking gaf waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het beroemde compromis. Een bepaalden vorm verkreeg het verbond in eene kort daarop in de badplaats Spa gehouden bijeenkomst van een groot aantal edelen, waaraan Lodewijk van Nassau, de broeder van Willem van Oranje, Nicolaas de Hammes, de heraut der orde van het Gulden Vlies, en anderen deel namen. Voor goed gevestigd werd het compromis in de eerste maanden van 1566, door eene oorkonde, welke door Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, werd opgesteld en die Lodewijk van Nassau, Karel van Mansfeld, en Hendrik van Brederode onder hare eerste onderteekenaars telde.
Aldegonde was een trouwe vriend van Willem van Oranje en een der merkwaardigste mannen van zijn tijd. Hij was een beroemd schrijver, die zoowel in proza als in poezie veel schoons geleverd heeft, een grondig geleerde, een diepzinnig staatsman en tegelijk een onverschrokken krijgsman. Als leerling van Calvijn, wiens onverdraagzaamheid hij, helaas! ook had overgenomen, was hij een onverzoenlijk vijand van de inquisitie.
Aan zijne zijde stond Lodewijk van Nassau, Oranje's broeder, die van heeler harte het pausdom en zijne bloeddorstige verdedigers haatte. Hij was een voortreflijk en dapper soldaat, even vroolijk, ja somtijds even uitgelaten als de dolle Hendrik van Brederode, maar niet, gelijk deze, aan de dronkenschap verslaafd.
Nicolaas de Hammes was de vurigste voorstander van het nieuwe verbond, onafgebroken reisde hij het land door, om onderteekenaars aan te werven. Ook Karel van Mansfeld, die later ontrouw werd, gaf zich daarvoor in den beginne veel moeite.
De oorkonde, die eerst slechts de drie ons bekende handteekeningen droeg, doch in den loop van twee maanden door ongeveer 2000 edelen onderteekend werd, was door Sint Aldegonde met zooveel beleid opgesteld, dat zoowel vaderlandslievende katholieken als vurige protestanten daaronder hunne namen konden plaatsen. Zij hield in, dat de edelen zich onderling verdedigen zouden tegen de aanslagen van eenige vreemdelingen, die den koning in strijd met zijnen eed tot het verscherpen van de godsdienstplakaten en tot de invoering van de inquisitie aangespoord hadden.
De onderteekenaars beloofden niet te zullen rusten eer zij de geheele afschaffing van de inquisitie bewerkt hadden; zij verklaarden dat zij de macht des konings en de staatsregeling des lands ongeschonden wilden handhaven, zij beloofden, elkaar tot bereiking van dit doel met goed en bloed te zullen bijstaan en bekrachtigden deze belofte met een eed.