De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 28

Chapter 283,630 wordsPublic domain

Evenmin als in deze onderhandelingen slaagde aartshertog Ernst in het aanwenden van een ander middel tot herstel van den vrede. Hij wilde de Nederlanders van hunne hoofden en aanvoerders berooven. Gelijk eens Willem van Oranje door de hand eens sluipmoordenaars gevallen was, moesten thans volgens des landvoogds plan prins Maurits, Oldenbarneveld, de kanselier Leoninus en andere hoofden der omwenteling vermoord worden, doch de samenzwering, met des aartshertogs hulp tot bereiking van dit doel gesmeed, werd ontdekt en werkte niets anders uit, dan dat in de noordelijke gewesten de landvoogd Ernst, ja het geheele Oostenrijksche huis nog inniger dan vroeger gehaat werd.

In het veld was de aartshertog even ongelukkig als in de staatkunde. Hij kon niet verhinderen, dat Maurits Groningen belegerde en deze stad na eene dappere verdediging van twee maanden, den 22en Juli 1594 innam. Zoo werd Groningen met de Ommelanden op nieuw tot de Unie teruggebracht en deze bestond thans uit zeven vereenigde gewesten.

Met elken dag werd de toestand van den aartshertog hachelijker. In zijn leger brak telkens muiterij uit. De Italiaansche huurbenden sloegen de handen ineen en sloten op eigen gezag met Maurits eene soort van wapenstilstand. Ook de Spanjaarden gehoorzaamden hem niet langer. Zij trokken plunderend door de zuidelijke Nederlanden en weigerden te vechten, voordat hunne soldij stipt uitbetaald was.

In zijne wanhoop riep Ernst den adel en de geestelijkheid, de beide eerste standen van Brabant, in het begin van het jaar 1595 te Brussel bijeen. Doch ook deze stap baatte hem niets; hij was niet in staat om den vrede, waarop men algemeen aandrong, tot stand te brengen, daar de vijand dien niet wilde, en evenmin kon hij den wensch van den hertog van Aerschot, [14] verwijdering van al de Spaansche troepen, om zoo eene verzoening met de vereenigde provinciën te bewerken, inwilligen.

De aartshertog Ernst werd spoedig van den zwaren last zijner waardigheid ontheven; hij stierf den 20en Februari 1595; zijn opvolger was voorloopig, tot groot misnoegen der Nederlanders, de Spaansche graaf Fuentes, die in den veldtocht van het jaar 1595 eenige voordeelen behaalde, eenige steden in Picardië en zelfs het belangrijke, tot dusver door Fransche troepen bezette Kamerijk veroverde.

Philips II had intusschen voor de landvoogdij in de Nederlanden weer een vorst uit het Habsburgsche huis verkozen, namelijk den aartshertog Albertus, den jongeren broeder van den overleden Ernst.

Albertus was in Spanje opgevoed en had de waardigheid van kardinaal ontvangen. Als ijverig katholiek scheen hij de rechte man om de heilige katholieke kerk in de zuidelijke Nederlanden te beschermen. Bovendien had hij zich gedurende den veldtocht in Portugal een bekwaam krijgsman betoond en ook als stadhouder van Portugal vrij groote bekwaamheden als regent aan den dag gelegd. Zijn karakter wordt door geschiedschrijvers, die zijne tijdgenooten waren, geroemd; men zegt, dat hij rechtschapen, rechtvaardig, matig en werkzaam was. Ook zijne vroomheid wordt gehuldigd en daarbij opgemerkt, dat hij toch niet dweepziek was; wellicht was hij het niet volgens de begrippen van dien tijd, maar wij kunnen, omtrent zijne verdraagzaamheid geene hooge gedachten koesteren, wanneer we zien, dat hij eene Brusselsche dienstmaagd wegens ketterij verbranden liet.

Den 29en Juni 1596 kwam aartshertog Albertus met 3000 man Spaansche troepen in de Nederlanden aan. Hij werd in de zuidelijke gewesten met blijdschap ontvangen, wijl de inwoners hoopten, nu althans van den gehaten graaf Fuentes ontslagen te zullen worden. Al werd deze wensch vervuld, al werd Fuentes, de om zijne wreedheid gevreesde en gehate veldheer teruggeroepen, toch plukten de koningsgezinde Nederlanders daarvan niet de minste vruchten. In de plaats van Fuentes kwam als Spaansch veldheer de admiraal van Arragon, don Francisco de Mendoza en evenals voorheen, werden de hoogste en invloedrijkste ambten, zoo in het leger als in den staat, aan Spanjaarden geschonken.

Met den aartshertog Albertus kwam ook een man in de Nederlanden, die een hoog vereerden naam droeg, en van wiens werkzaamheid tot onderdrukking van den opstand koning Philips II zich gouden bergen beloofde. Philips Willem, de oudste zoon van den prins van Oranje, zag eindelijk, na eene drie en dertigjarige afwezigheid zijn vaderland weder.

Op eene andere plaats hebben wij reeds verhaald, dat Philips Willem van Oranje geheel en al een Spanjaard geworden was. Hij was een ijverig aanhanger der katholieke kerkleer. Op zijne reis naar zijn vaderland toch had hij eerst Rome bezocht en daar den heiligen vader de voeten gekust. Hij stond in nauwe vriendschapsbetrekking met den aartshertog Albertus en was bezield met den vurigen wensch, dat zoowel de vrede tusschen Spanje en de Nederlanden als de heerschappij der katholieke kerk in de laatstgenoemde gewesten hersteld mocht worden.

Philips II had Philips Willem jaren lang met een wantrouwend oog gadegeslagen; thans meende hij echter van zijne gehechtheid zeker te zijn. Hij hoopte, dat de Nederlanders hem, om den wil van zijns vaders nagedachtenis, met luide toejuichingen zouden ontvangen, doch tevens hoopte hij, dat er tusschen Philips Willem en zijn jongeren broeder Maurits over beider aanspraken op de vaderlijke nalatenschap een heftige twist ontstaan zou, waardoor de macht en de invloed van prins Maurits natuurlijk gefnuikt zouden worden.

Hoe fijn Philips' berekening ook was, toch had hij zich ditmaal verrekend: Philips Willem weigerde de rol te spelen, welke men hem in de Nederlanden had toegedacht. Toen de Staten-Generaal hem bij zijne terugkomst wel met een gelukwensen begroetten, ja hem uit de opbrengst zijner goederen de som van 10.000 gulden overzonden, maar tevens den wensch uitspraken, dat hij, ten einde geene ontevredenheid te verwekken, niet in de noordelijke Nederlanden verschijnen zou, willigde hij dien wensch in. Kalm en waardig antwoordde hij, dat elk opzet om der vrijheid van zijn vaderland te schaden, ver van hem verwijderd was, dat hij niets anders begeerde dan den staat van dienst te zijn en de welvaart van zijn land te bevorderen. Aan den aartshertog Albertus verklaarde hij, dat hij volkomen bereid was om het zwaard voor den koning van Spanje te voeren, maar nooit tegen de Nederlanders. Hij nam dan ook dapper deel aan den veldtocht tegen Frankrijk, maar niet aan den strijd tegen zijn vaderland, waartegen hij, in weerwil van zijne gehechtheid aan Philips en aan de katholieke godsdienst, niet vijandig wilde overstaan.

De wapenen van den aartshertog waren in het begin zijner regeering, vooral in den oorlog tegen Frankrijk, zeer gelukkig. Meer dan ééne belangrijke stad viel in de macht der Spanjaarden; o. a. werd Calais stormenderhand ingenomen en ook Amiens veroverd. Doch weldra keerde de kans.

Nadat reeds eene vereenigde Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel van Howard, Essex en den heer van Warmond, Cadix ingenomen en in brand gestoken en de Spaansche vloot van 60 oorlogschepen vernietigd had, streed prins Maurits in het jaar 1597 met goed gevolg tegen de Spanjaarden en bevrijdde hij, vergezeld door zijn eerst 13jarigen, krijgshaftigen broeder Frederik Hendrik, de provinciën ten noorden van den Rijn van de Spanjaarden. Ook Hendrik IV van Frankrijk maakte een eind aan de werkeloosheid, waarin hij een tijd lang verzonken was geweest, hij belegerde Amiens. Alle pogingen der Spanjaarden om de stad te ontzetten, waren vruchteloos: den 25en September 1597 moest de vesting zich overgeven. Zooveel tegenspoed deed eindelijk den halstarrigen Philips II zwichten. Dagelijks toch zag de Spaansche koning zijn toestand verergeren. Al zijne middelen tot voortzetting van den oorlog waren uitgeput. Alle schatten uit de koloniën waren niet toereikende geweest om weer nieuwe legers aan te werven en uit te rusten. Even spoedig als het goud uit Peru en Mexico in Spanje aankwam, even spoedig verdween het weder. De koning had schulden op schulden gemaakt, de Spaansche inkomsten waren voor vele jaren verpand, de rente der schuld, ten bedrage van 140 millioen ducaten, kon door het uitgeputte land niet meer opgebracht worden. Reeds in het jaar 1575 had Philips II eene poging gewaagd om door het verlagen van de rente verbetering in zijn geldelijken toestand aan te brengen: doch in het jaar 1596 was hij nog verder gegaan: hij had een schandelijk bankroet gemaakt, door te verklaren dat hij voor het welzijn der christenheid zijne schuldeischers niet betalen kon; doch ook door dit afkeurenswaardig middel had hij zijn geldelijken toestand niet verbeterd.

Hij was den oorlog moede, zoowel dien tegen Frankrijk als tegen de Nederlanders, hij verlangde naar vrede en knoopte daarom met Hendrik IV onderhandelingen aan, die weldra tot het gewenschte doel leidden, dewijl ook de Fransche koning vurig naar het einde van den oorlog wenschte.

Voor de vereenigde Nederlanden waren deze vredesonderhandelingen een zware slag. De Staten-Generaal hadden besloten, den strijd voor de vrijheid met de uiterste krachtsinspanning voort te zetten; alle aansporingen om vrede te sluiten, die in het jaar 1597 van verschillende zijden--o. a. door den keizer, door Denemarken en Polen--tot hen gericht werden, hadden zij dan ook met eene weigering beantwoord; doch tot voortzetting van den krijg was het Fransche bondgenootschap voor hen van het hoogste belang. Zij zonden derhalve Justinus van Nassau--een onwettigen spruit van het beroemde geslacht--met Oldenbarneveld naar Frankrijk en boden Hendrik IV geld en manschappen aan tot voortzetting van den krijg, doch hunne moeite was vergeefsch. Wel verzekerde Hendrik IV hun, dat hij steeds de trouwe vriend der Nederlanders zou blijven, doch hij sloot, in weerwil hiervan, den vrede van Vervins den 2en Mei 1598.

Ten einde ook den vrede met de Nederlanders tot stand te brengen, nam Philips II de toevlucht tot een nieuw middel. Hij huwde zijne 32-jarige dochter Isabella Clara Eugenia uit aan den aartshertog Albertus en stond haar den 6en Mei 1598 de Nederlanden met Franche Comté af, alleen onder voorwaarde, dat het land, in geval het huwelijk kinderloos bleef, weer aan de Spaansche kroon zou vervallen.

De staten der zuidelijke provinciën hadden, toen Philips II hun zijn plan mededeelde, zeer onderdanig geantwoord, dat het hun wel diep smartte, aan de regeering van hun genadigen en grooten koning onttrokken te worden, maar dat zij overeenkomstig hunnen plicht zijn evenbeeld zouden huldigen. Van deze zijde alzoo werd aan Philips' plan geen hinderpaal in den weg gelegd, doch tot den vrede met de noordelijke gewesten leidde het niet.

Deze hadden hun haat tegen Spanje ook op den Duitschen tak van het vorstenhuis overgedragen, zij wilden in 't geheel niet meer onder de heerschappij van een zijner afstammelingen staan. Te dikwijls waren zij bedrogen om thans geloof te slaan aan eenige beloften, slechts in hunne eigene kracht zagen zij den waarborg voor hunne vrijheid. Hoewel Albertus hun de schitterendste beloften deed,--de geheele regeeringsvorm zou blijven bestaan, prins Maurits zou zijne waardigheid behouden en bovendien met het opperbevel in een oorlog tegen de Turken bekleed worden--hoewel hij volle godsdienstvrijheid toezegde, waren de Staten noch tot den vrede, noch tot een wapenstilstand te bewegen. Door Oldenbarneveld's tusschenkomst sloten zij een nieuw verdrag met koningin Elisabeth van Engeland en de oorlog werd voortgezet.

Zoo zag Philips II al zijne pogingen om de in opstand verkeerende Nederlanden op nieuw aan de macht van zijn huis te onderwerpen, mislukken. Na zulk een langdurigen strijd had hij niets gewonnen. De ketterij had in zijne erflanden over alle vervolgingen gezegevierd en dit was wellicht het grootste verdriet, dat hem kwelde, toen hij op een langdurig en smartelijk ziekbed geworpen werd.

Von Raumer schildert ons des konings laatste levensdagen met de volgende treffende woorden:

"Reeds gedurende twee jaren was Philips sterk door het podagra gekweld, doch thans nam zijn lijden op eene vreeselijke wijze toe. Zweren ontstonden op een aantal plaatsen van zijn lichaam, open wonden aan het been en de knie. Nu eens werd hij hier, dan daar gebrand en gesneden en hem onder anderen een vinger der rechterhand afgezet, zonder dat dit alles eene noemenswaardige verbetering aanbracht. Integendeel, op vier plaatsen ging zijne borst open en zulk een onnoemlijk aantal luizen en wormen kroop daaruit te voorschijn, dat geene middelen bij machte waren om ze te verdelgen en vele menschen onophoudelijk bezig waren ze weg te vangen. Hierbij kwam een uitputtend bloedverlies en zulk een ondragelijke stank, dat men het bijna niet bij hem volhouden kon. Drie en vijftig dagen moest hij, dewijl elke beweging hem de ondragelijkste pijnen veroorzaakte, onbewegelijk op zijn rug liggen; tengevolge hiervan kleefde het linnen aan zijn lichaam zoo vast, dat men het slechts met de grootste moeite kon losweeken. Gedurende al dezen tijd legde hij het grootste geduld en een bewonderenswaardige kalmte en gelatenheid aan den dag; tot zijne vertroosting liet hij zich de lijdensgeschiedenis van Jezus voorlezen. "Al deze smarten," sprak hij, "zijn niet zoo groot als die, welke ik over mijne zonden gevoel." Op zijn sterfbed waarschuwde hij zijn zoon, geene groote, eerzuchtige plannen te vormen; "langs dezen weg," voegde hij er bij, "heb ik 600 millioen ducaten en de levens van 20 millioen menschen zonder eenige vrucht verspild."

Den 13en September 1598 stierf Philips II in het Escurial, zijn geliefkoosd verblijf, dat hij in de nabijheid van Madrid gebouwd had, in het 71ste jaar zijns levens. Zijne regeering was een vloek voor alle aan zijn schepter onderworpen landen geweest en toch is zij voor de ontwikkeling der volksvrijheid in Europa een zegen geworden, dewijl zij door overmaat van wreedheid en dwingelandij den Nederlandschen opstand veroorzaakt en daardoor den eersten stoot aan de beweging tot verdediging der vrijheid in ons werelddeel gegeven heeft.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. De oorlog in de Rijnstreken. Mendoza's wreedheid. De Haneveeren. Slappe wijze van oorlogvoeren. Oorlog in het Duitsche rijk. De veldtocht tegen Duinkerken. Isabella's karakter. De slag bij Nieuwpoort. Maurits' schitterende overwinning. Hare weinig beteekenende gevolgen. Oneenigheid tusschen Maurits en Oldenbarneveld. Beleg van Ostende. Ambrosius Spinola. Ostende door de Spanjaarden en Sluis door de Nederlanders veroverd. De oorlog ter zee. De handel met Lissabon door Philips II verboden. Poging om een noordelijke doorvaart te vinden. Ontluikend handelsverkeer met Oost-Indië. Philips II verbiedt den handel met Spanje. Stichting der Oost-Indische compagnie. Vredesonderhandelingen. Prins Maurits en de oorlogspartij. Oldenbarneveld's bemoeiingen tot het sluiten van een wapenstilstand. Vermoeden, dat Oldenbarneveld was omgekocht. Het twaalfjarig bestand. Erkenning van de vrije Nederlanden.

De dood van Philips II oefende op den oorlog in de Nederlanden geen noemenswaardigen invloed uit, de Staten-Generaal gevoelden zich daardoor volstrekt niet genoopt om vrede te sluiten, dewijl de koning immers reeds vroeger zijne souvereiniteitsrechten aan zijne dochter afgestaan had. Zij wilden noch aan den Duitschen, noch aan den Spaanschen tak van het huis Oostenrijk onderworpen zijn. Bovendien meenden die weinigen, die wellicht niet ongenegen zouden geweest zijn om de heerschappij van den Duitschen tak te erkennen, dat de geheele overdracht van het land aan Isabella Clara Eugenia niets anders dan eene staatkundige tooneelvertooning geweest was, dewijl het niet waarschijnlijk was, dat de 32jarige infante nog kinderen zou krijgen en de Nederlanden dus in elk geval na Isabella's dood weer aan Spanje en wèl aan den alles behalve uitstekenden Philips III zouden komen.

De oorlog werd dus voortgezet, hoewel de Nederlanders bijna uitsluitend op hunne eigene krachten moesten vertrouwen. Hendrik IV van Frankrijk, die met Spanje vrede gesloten had, kon hen slechts van ter zijde ondersteunen en ook koningin Elisabeth van Engeland zond geene nieuwe hulptroepen, zij liet slechts die, welke zich reeds in het land bevonden, daar blijven.

Aartshertog Albertus, die zijne vredesvoorslagen van de hand gewezen zag, besloot den oorlog uit alle macht door te zetten; hij kon dit des te eerder doen, dewijl hij nu niet langer genoodzaakt was om terzelfder tijd Frankrijk en de Nederlanden te bestrijden. Don Francisco de Mendoza ontving het bevel, om met een volgens de begrippen van dien tijd machtig leger langs den benedenloop van den Rijn in het hart der republiek door te dringen. Wel telde zijn geheele leger niet meer dan 22,000 man voetvolk en 2000 ruiters, maar machtig was het toch in zekeren zin, dewijl prins Maurits niet meer dan 6000 man voetvolk en 1500 ruiters daar tegenover stellen kon.

Met zulk eene geringe krijgsmacht een slag in het open veld te aanvaarden, zou de dwaasheid zelve zijn geweest. Hij koos, volgens zijne gewoonte, met juisten blik eene goede stelling, die hem tegen elken aanval beveiligde en hem toch de gelegenheid verschafte om ter juister tijd tot bescherming van het eene of andere bedreigde punt toe te snellen, namelijk, een klein eiland tusschen de armen van den Rijn, waar deze, in de Nederlanden vallende, zich in twee armen splitst. Van hieruit kon hij de grenzen des lands dekken, den vijand den toevoer afsnijden en hem hierdoor verzwakken. De eerstvolgende gebeurtenissen bewezen, dat hij goed gezien had.

Het Spaansche leger, dat uit huurbenden van alle natiën samengesteld was, werd ten gevolge van zijne losbandigheid, van zijne roof- en plunderzucht, de schrik der inwoners van de Duitsche rijkslanden, welke het doortrok. Het hertogdom Cleve leed onuitsprekelijk onder de strooptochten van deze woeste, met alle tucht spottende benden. Ten einde leven, have en goed te redden, vereenigden de edelen, burgers en boeren van Cleve zich tot vliegende legertjes, die een verdelgingsoorlog tegen de bloeddorstige, roofzuchtige Spanjaarden voerden. Naar de haneveren, die zij als herkenningsteeken op den hoed droegen en die men coquards noemde, werd later elk aan het hoofddeksel gedragen teeken tot in onze dagen toe eene kokarde genoemd. De Haneveeren brachten in dezen kleinen oorlog den Spanjaarden zeer gevoelige verliezen toe; zij sneden hun den toevoer van levensmiddelen af en dreven hen menigmaal zeer in de engte, terwijl zij prins Maurits, die onder zijne troepen eene voortreffelijke krijgstucht onderhield, bereidvaardig ondersteunden.

In weerwil van zijne overmacht kon Mendoza in den veldtocht van 1598 geene voordeden op Maurits behalen; wel nam hij gedurende den oorlog, die grootendeels op Duitsch grondgebied gevoerd werd, eenige steden in, doch hierdoor deed hij den haat, welken de Duitschers buitendien reeds tegen zijne met orde en tucht spottende soldaten koesterden, slechts te meer aangroeien. Op groote voordeelen kon echter ook Maurits zich niet beroemen, dewijl het hem, in weerwil van de dringende aanzoeken, door hem tot de Staten gericht, niet gelukte eenige noemenswaardige versterking te verkrijgen. In de noordelijke Nederlanden toch morde het volk reeds sinds lang over de ontzaglijke oorlogskosten; de zware belasting werd niet dan met grooten tegenzin betaald. Alleen in Holland vond de prins gehoor, hier werden op zijne vertoogen de noodige maatregelen tot vermeerdering van zijne strijdkrachten genomen. 4000 Franschen, 2000 Duitschers en 1000 Zwitsers werden door de Staten aan het leger van Maurits toegevoegd en ook de ruiterij ontving eene aanzienlijke versterking.

Nadat op deze wijze het Nederlandsche leger aanzienlijk vermeerderd was, meenden de Staten, dat het thans tijd was om aanvallender wijze te werk te gaan. Wanneer Mendoza in het open veld verslagen werd, kon er wellicht spoedig een einde gemaakt worden aan den oorlog.

Maurits van Nassau was van een ander gevoelen en hij liet zich ook door den aandrang der Staten daarvan niet afbrengen. Hij rekende er op, dat de muiterij, waartoe de Spaansche soldaten maar al te zeer geneigd waren, het leger des vijands op den duur verzwakken zou. Het voordeel van een gewonnen slag kon voor de Nederlanders nooit opwegen tegen de schade, welk eene nederlaag hun berokkenen kon; buitendien wist hij, dat de protestantsche rijksvorsten van Duitschland, vertoornd over het schenden van den rijksvrede door de Spanjaarden, den tragen keizer Rudolf tot een oorlog tegen Spanje zouden aanzetten. Dit geschiedde inderdaad. Het besluit tot den oorlog werd genomen, doch zoo jammerlijk uitgevoerd, dat de Nederlanders hieruit volstrekt geen voordeel trokken. Maurits zelfs nam gedurende den weinig belangrijken veldtocht van 1599 schier uitsluitend eene verdedigende houding aan.

Belangrijker was in dit opzicht het jaar 1600. Maurits had thans een leger van 12.000 man voetvolk en 3000 ruiters onder zijne bevelen; daarmee kon hij, naar het oordeel der Staten, iets beters doen dan alleen verdedigender wijze te werk te gaan; op nieuw spoorden zij hem aan tot eene aanvallende beweging. Maurits moest, zeiden zij, den oorlog naar Vlaanderen overbrengen en in de eerste plaats de vesting Duinkerken veroveren, ten einde deze gewichtige haven aan de Nederlanders terug te geven. In Duinkerken toch vonden Spaansche kapers, die den Zeeuwschen en Hollandschen handel belemmerden, eene veilige schuilplaats voor de Nederlandsche kruisers, die hen vervolgden. De Zeeuwen drongen derhalve op de verovering van Duinkerken aan en de Staten van Holland ondersteunden hunne aanzoeken.

Prins Maurits was nog volstrekt niet geneigd om tot eene aanvallende beweging over te gaan, ook zijn bloedverwant, graaf Willem Lodewijk, noemde de onderneming zeer dwaas, dewijl eene overwinning slechts een vluchtig voordeel, eene nederlaag daarentegen den ondergang van den staat ten gevolge hebben zou. Zelfs wanneer men Duinkerken veroverde, verdienden zij, die de onderneming hadden aangeraden, toch de scherpste berisping, dewijl zij het lot van het geheele land aan een zijden draad wilden ophangen.

Zulke redeneeringen, hoe welgemeend en weldoordacht zij ook waren, konden toch de oorlogszuchtige en op verovering beluste leiders der Nederlandsche staatkunde niet overtuigen; de aandrang der Staten werd zoo sterk, dat Maurits eindelijk wel toegeven moest, hoewel hij openlijk verklaarde, slechts eene zeer flauwe hoop op een gunstigen uitslag te koesteren.

De Staten hadden naar de steden Brugge en Gent geschreven en haar de vriendschappelijke betrekking herinnerd, waarin zij vroeger tot de noordelijke gewesten gestaan hadden; doch hunne woorden vond geen weerklank meer. Brugge nam van den aartshertog Albertus bezetting in en toen het Nederlandsche leger voorbijtrok, brandden de burgers het geschut op hunne voormalige vrienden los. De Vlaamsche boeren betoonden zich nog vijandiger: zij vermoordden de Hollandsche achterblijvers; uit weerwraak deden de Nederlanders meer dan één Vlaamsch dorp in vlammen opgaan.

Zonder eenigen noemenswaardigen tegenstand te ontmoeten, kon Maurits zijn leger zuidwaarts tot voor het stadje Nieuwpoort voeren, hetwelk hij veroveren moest, om zich den weg naar Duinkerken te banen.

Bijna scheen het dat de Staten gelijk hadden gehad, toen zij Maurits' bedenkingen tegen hun aandrang tot een aanvallenden oorlog ongegrond noemden: de aanvang van den veldtocht was zeer gelukkig en scheen de macht van Albertus ernstig in gevaar te brengen. Onder zijne troepen heerschte muiterij wegens voortdurende slechte betaling, zij weigerden te vechten; de inneming van Nieuwpoort en Duinkerken scheen kort op handen.