De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 27

Chapter 273,660 wordsPublic domain

Sinds vele jaren ging Philips II zwanger van den wensch om aan de kettersche koningin Elisabeth van Engeland den oorlog te verklaren. De rooftochten van de Engelsche scheepsbevelhebbers Drake en Cavendish tegen de Spaansch-Americaansche koopvaarders, de onderdrukking van de katholieke godsdienst in Engeland, Elisabeth's vriendschap voor de Fransche en Nederlandsche ketters, dit alles deed den koning nog vuriger naar dien krijg wenschen, en toen Elisabeth nu zelfs openlijk voor de Nederlanders partij koos, toen zij haren gunsteling, den graaf van Leicester, de landvoogdij aanvaarden liet, en hem, zij het dan ook niet zeer krachtig, ondersteunde, werd de oorlog voor den koning van Spanje schier onvermijdelijk.

Philips II was--gelijk wij reeds meermalen gezien hebben--geen vriend van snelle besluiten, doch met de hardnekkigheid, hem eigen, bereidde hij zich op een beslissenden slag voor; de uitvoering van zijn plan werd door het aan Maria Stuart voltrokken doodvonnis nog bespoedigd.

In de aanzienlijkste havens van Spanje was men sinds lang bezig met het uitrusten van eene vloot, wier gelijke de wereld nog nooit aanschouwd had. Zij telde ongeveer honderd dertig schepen, met ruim 3000 vuurmonden en eene bemanning van bijna 30.000 koppen, de matrozen en de galeislaven er onder gerekend. Bovendien trof men aan boord eene schaar vrijwilligers, uit de aanzienlijkste geslachten van Spanje gesproten, en bijna driehonderd bedelmonniken, priesters en gerechtsdienaars aan. Onder die schepen bevonden zich omstreeks zestig galjoenen, vier galjassen en even vele galeien, alle reusachtige zeekasteelen, waarvan enkele met torenhooge bolwerken aan den voor- en achtersteven en van binnen met statiezalen, hutten, kapellen en kansels voorzien waren. Bovendien waren zij rijkelijk met tenten, wimpels, standaards, heiligenbeelden, enz. versierd.

Ook in de Nederlanden had de hertog van Parma zich krachtig ten strijde toegerust en een leger van 30.000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Italië, Duitschland en Bourgondië bijeengetrokken. Deze troepen moesten zich in de onder de Spaansche heerschappij teruggebrachte havens van Sluis, Duinkerken en Nieuwpoort inschepen. Ook een aanzienlijk getal koopvaarders had de hertog verzameld en gedeeltelijk in oorlogschepen veranderd.

Parma wenschte de onder zijne bevelen staande macht in de eerste plaats aan te wenden om de Nederlanders te onderwerpen. Hij hield den koning voor, dat het thans mogelijk was de muiters ten onder te brengen, dat een aanval op Engeland juist na het onderwerpen van de Nederlanden met de beste kans van slagen ondernomen kon worden en dat het in elk geval noodzakelijk was, zich vóór het begin van den oorlog van de Hollandsche en Zeeuwsche havens te verzekeren, opdat de Spaansche vloot, bij een ongelukkigen afloop van den strijd, een veilig toevluchtsoord mocht bezitten.

Koning Philips was intusschen te zeer verbitterd over den dood van Maria Stuart, om aan zulke voorslagen, hoe juist ook, het oor te leenen, hij meende bovendien alle maatregelen zoo goed genomen te hebben, dat de overwinning hem niet ontgaan kon. Hij hield zich overtuigd, dat eene door Parma ondersteunde landing op Engeland's onbeschermde kusten zeker gelukken en der kettersche koningin den troon kosten moest. Hij brak daarom de nog altijd hangende onderhandelingen met Engeland af en gaf Parma bevel, al zijne strijdkrachten tot ondersteuning van de Armada aan te wenden.

Nadat de vloot, die door Philips reeds bij voorbaat de "onoverwinnelijke" genoemd werd, onder bevel van den hertog van Medina Sidonia, in de laatste dagen van Mei verzameld en onder zeil gegaan was, werd zij bij kaap Finisterre door een hevigen storm overvallen, die haar noodzaakte om in de haven van Corunna binnen te loopen, ten einde de geleden schade te herstellen. Den 22en Juli daaraanvolgende koos zij op nieuw zee en den 29en kreeg zij het eerst het doel van haren tocht, de Engelsche kusten, in het gezicht.

Hier had men echter niet stil gezeten. Eene vloot van 67 zeilen--later tot ongeveer 150 schepen van grooter en kleiner afmeting aangegroeid--wachtte in het kanaal den vijand af. Zij werd aangevoerd door uitstekende bevelhebbers als Howard, Drake, Hawkins en Frobisher. Reeds bij het eerste treffen, den 30en Juli, bleek het, dat de Engelsche zeelieden in zeemanschap en de Engelsche vaartuigen in bruikbaarheid voor het zeegevecht de Spaansche even ver overtroffen als hunne vloot wat het aantal, de grootte en bewapening der schepen betrof, voor de Armada moest onderdoen. Aanhoudend bestookt door de Engelschen, die den overmachtigen vijand gevoelige afbreuk deden, maar zich niet in een beslissend treffen met hem inlieten, bereikte de Spaansche scheepsmacht den 6en Augustus de reede van Calais, waar zij het anker liet vallen, om hier den hertog van Parma met zijne landingstroepen af te wachten, opdat zij gezamenlijk de verovering van Engeland zouden ondernemen. De Engelschen lieten de vijandelijke vloot hier echter evenmin met rust; zij zonden gedurende den volgenden nacht branders op haar af, die twee schepen in vlammen deden opgaan en onder de overige zulk eene verwarring aanrichtten, dat vele vaartuigen ontredderd werden. De Armada verliet nu hare stelling en zette noordwaarts koers, steeds gevolgd door de Engelschen, die haar bij het Grevelingsche zand zoo duchtig aantastten, dat Medina Sidonia zijne vereeniging met Parma en de landing in Engeland opgaf en zijn heil in de vlucht zocht. De Engelschen zetten den vijand tot den 12en Augustus na; zij namen eene snoevende houding aan, om hem schrik aan te jagen, hoewel zij noch kruit, noch levensmiddelen meer hadden. De Spanjaarden poogden langs het noorden van Schotland de Spaansche havens weer te bereiken. Op dien tocht hadden zij met aanhoudende en hevige stormen te kampen, die het vernielingswerk der Engelschen duchtig voortzetten. Van de 134 schepen, die in Juli de haven Corunna verlaten hadden, keerden niet meer dan 53 vaartuigen in Spanje terug, doch deze waren zoo deerlijk gehavend, dat zij niet meer geschikt waren om zee te bouwen. Van de 30.000 man, die zich op de vloot hadden bevonden, zag ongeveer een derde hun vaderland weer. Een groot aantal bevelhebbers was gesneuveld of krijgsgevangen; anderen stierven na hunne thuiskomst, tengevolge van de doorgestane vermoeienissen.

Waarom was Parma niet opgedaagd? Wat hadden de Hollanders en Zeeuwen uitgericht, terwijl de Engelsche vloot met de Armada slaags was?

Zoodra de tijding, dat Philips zich ernstig tot een inval in Engeland toerustte, om daarna den oproerigen Nederlanders den kop te vermorselen, in Holland bekend werd, had men daar maatregelen van tegenweer genomen. Alles kwam er op aan, Parma's landing te beletten door hem met zijne transportschepen in de havens van Sluis, Nieuwpoort en Duinkerken op te sluiten. Eene Hollandsch-Zeeuwsche vloot werd daartoe onder de bevelen van Justinus van Nassau, van der Does, Warmond en Joost de Moor gesteld. Zij hadden hunne eer verpand, dat zij den hertog niet zouden laten ontsnappen. En zij hielden woord! Zelfs geen sloep had een der genoemde havens kunnen verlaten, zoo waakzaam bespiedden zij alle zeegaten. Meer dan eens lokten zij zelfs Parma uit om in zee te steken, van begeerte brandende om ook met de Spanjaarden aan den dans te gaan. Maar Parma liet zich hiertoe niet verleiden. Hij wist maar al te goed, dat zulk een strijd den ondergang van zijn geheele leger na zich slepen moest.

Komt dus aan de Engelsche zeelieden alle eere toe voor het beleid en de onversaagdheid, in het bestrijden van de Armada ten toon gespreid, de Nederlandsche vloot heeft aanspraak op gelijken lof. Indien het Parma gelukt was, den 6en of 7en Augustus naar Engeland over te steken, terwijl de Engelsche en Spaansche vloten slaags waren, dan zou de geschiedenis van het Britsche rijk, ja van gansch Europa wellicht een geheel anderen loop genomen hebben.

Met den ondergang der Armada vangt voor de Nederlanders een tijdperk van overwinning en voorspoed aan; als door een tooverslag was eensklaps de stand van zaken te hunnen gunste veranderd. Het bondgenootschap met Engeland, dat tot dusver weinig had beteekend, was door de gemeenschappelijk behaalde overwinning steviger dan ooit bevestigd. De veerkracht, de moed en de hulpmiddelen der Nederlanders waren aangegroeid, terwijl Philips' hulpbronnen aan geld en manschappen tengevolge van het ontzettende verlies, dat hij geleden had, bijna geheel waren uitgeput. Hierbij kwam nog, dat ook in Frankrijk tengevolge van de troonsbestijging van Hendrik IV weldra de zaken voor de Nederlanders eene gunstige wending namen. Toen Philips II de ligue tegen Hendrik IV ondersteunde, zag Parma zich genoodzaakt om zijn leger te verdeelen en daardoor zijne kracht te versnipperen. Op de oproerige Nederlanders alleen had hij wellicht nog meer dan eene overwinning kunnen behalen, maar de Nederlanders en Hendrik IV tegelijk te bevechten, dat ging boven zijne macht. Bovendien werd Parma in het jaar 1589 ziek en kreeg hij nooit zijne volle kracht terug; zijne werkzaamheid werd verlamd door kuiperijen, welke zijne vijanden aan het Spaansche hof tegen hem smeedden; de krijgstucht onder de Spaansche troepen verdween bijna geheel, tengevolge van de onregelmatige betaling van hunne soldij, en zelfs des hertogs geestkracht was niet bij machte om die volkomen te herstellen.

Onder zulke omstandigheden was het den Nederlanders mogelijk, van een verdedigingskrijg tot een aanvallenden oorlog over te gaan. Zij konden er aan denken, de belangrijkste, hun ontnomen steden te heroveren en de uitkomst bekroonde hunne pogingen. Zij dankten dit in de eerste plaats aan den jeugdigen Maurits van Nassau.

Maurits, graaf van Nassau, de tweede zoon van den overleden Willem van Oranje, had tot het tijdstip, waarop Leicester zijne waardigheid als landvoogd nederlegde, meer eene schijnbare dan eene werkelijke macht bezeten. Wel was hij stadhouder van Holland en Zeeland en kapitein-generaal der land- en zeemacht, doch zijn invloed bleef in weerwil van die titels zeer beperkt, dewijl de oudere staats- en krijgslieden zich wel gaarne van den beroemden naam van Willem's zoon bedienden, maar in den nog zoo jongen man--die tot dus ver geene gelegenheid had gevonden om zich te onderscheiden--niet genoeg vertrouwen stelden om zich geheel aan hem te onderwerpen.

De jonge vorst zag zijne macht aanzienlijk uitgebreid, toen de graaf van Nieuwenaar en Meurs, de stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijssel, stierf. De graaf, vroeger een ijverig aanhanger van Leicester, had geheel met diens partij gebroken en deze, door wier invloed de burgemeester Prouninck te Utrecht regeerde, met de hulp der patriciërs ten val gebracht. Prouninck werd uit Utrecht gebannen en de stadhouder voerde op nieuw de patricische regeering in. In het jaar 1590 stierf Nieuwenaar. Maurits werd eenigen tijd daarna met diens waardigheid bekleed en verkreeg daardoor eene hoogst belangrijke en invloedrijke plaats in het bestuur der republiek.

Maurits had de taak om de Nederlanders van de Spaansche heerschappij te verlossen als een heilig erfdeel zijns vaders aanvaard en zich voortreflijk toegerust tot hare vervulling. In die dagen hadden de Nederlanders meer behoefte aan een uitstekend veldheer dan aan een scherpzinnig staatsman, en juist voor veldheer was Maurits bovenal geschikt.

Met een stalen vlijt had hij zich op de studie der oude krijgskunst en der wiskunde toegelegd. De in den wapenhandel vergrijsde bevelhebbers lachten aanvankelijk wel dikwijls om den onervaren jongeling, die naar het voorbeeld der Grieken en Romeinen oorlog dacht te voeren en het hoofd vol had van wiskunstige figuren en berekeningen; zij vermoedden volstrekt niet, dat Maurits spoedig in zekeren zin de schepper van eene nieuwe krijgskunst zou worden.

Kalm en koelbloedig, gelijk zijne lievelingswetenschap de wiskunde, ging Maurits ten strijde, de oorlog was voor hem eene zaak van berekening, een schaakspel in het groot, gelijk hij daarvan ook in het klein een vurig minnaar was. Hoewel bezield door eene groote persoonlijke dapperheid, die hem menigmaal verleidde om zijn leven meer in gevaar te stellen dan den veldheer past, was hij toch volstrekt geen vriend van vermetele, dolzinnige ondernemingen. De roem, dien anderen door schitterende wapenfeiten trachten te verwerven, liet hem geheel onverschillig, de avontuurlijke ridderlijkheid van don Juan Van Oostenrijk ontbrak hem ten eenemale. Nooit was hij geneigd tot gewaagde plannen, waarbij het geluk den moed ter hulp komen moest, om ze te doen gelukken; slechts aarzelend en alleen dan, wanneer hij daartoe genoodzaakt werd, stelde hij zich aan de wisselvallige kansen van een veldslag bloot. Bij de verdediging en belegering van vestingen zocht hij zijn heil nooit in woedende aanvallen en onverhoedsche bestormingen, waarbij de kansen van welslagen en mislukken tamelijk gelijk stonden.

Hij voerde den oorlog niet om den oorlog zelven en ook niet om den roem, en daarom vatte hij altijd slechts één doelwit in het oog, namelijk met zoo weinig mogelijk offers zooveel mogelijk voordeel te behalen. Geheel in strijd met de gewoonte van andere veldheeren zijner dagen, was hij uiterst spaarzaam met menschenlevens, die hij nooit voor eene schitterende, maar in de gevolgen onvruchtbare onderneming op het spel zette. Het oorlogstooneel was--gelijk we reeds zeiden--in zijne schatting een reusachtig schaakbord, waarop hij met een kalm hoofd en een scherpen blik zijne eigene zetten en die zijner tegenpartij vooruit berekende. Volgens vooraf rijp overwogen plannen bracht hij zijne ondernemingen ten uitvoer, zonder zich ooit door hartstocht tot overijling te laten vervoeren. Indien hij zijn leven meermalen op het spel zette, deed hij dat alleen om in persoon de uitvoering van zijne plannen te bewaken en te besturen, dewijl van de kalmte en juistheid, waarmede dit geschiedde, de uitslag zijner berekeningen afhing.

De eerste vrucht van Maurits' krijgskundige studiën was de overtuiging, dat men op een klein, goed gewapend en geoefend, aan eene strenge tucht gewend leger beter vertrouwen kan, dan op talrijke, maar ongeregelde benden.

Het leger der republiek telde, na aftrekking van de voor de bezetting der steden vereischte manschappen, niet veel meer dan 10.000 man voetvolk en 2000 ruiters. Meer dan de helft der soldaten waren vreemdelingen, Duitschers, Engelschen, Schotten en Franschen, dappere maar roofgierige huurlingen, die slechts zoo lang trouw bleven als hunne soldij uitbetaald werd, die buitendien elke gelegenheid tot plunderen ook van bevriende plaatsen aangrepen en steeds geneigd waren tot muiterij, zoodra men hunne roofzucht beteugelen wilde.

Deze benden aan orde en tucht te gewennen, beschouwde Maurits als zijne eerste en belangrijkste taak. Hij zorgde voor eene regelmatige uitbetaling van de soldij, doch tevens voerde hij eene strenge krijgstucht in. Zelfs geringe vergrijpen tegen de tucht strafte hij zonder genade met den dood. Elk soldaat, die het waagde, slechts eene kleinigheid te rooven, werd zonder omwegen neergestooten of opgehangen. Slechts door zulke doortastende maatregelen was het mogelijk, de roofzucht der soldaten te beteugelen, daar deze alleen door vrees te regeeren waren.

Tot dusver waren bij de verdediging en belegering van vestingen de schanswerken tot stand gebracht door burgers of boeren, die men tot dezen gehaten arbeid preste, de soldaten wilden zulk slavenwerk niet verrichten, hun trots verbood hun dit; ook vonden zij het veel aangenamer een lui en gemakkelijk leventje te leiden, wanneer zij niet moesten vechten.

Reeds meer dan eens had deze gewoonte de wrangste vruchten gedragen. De leegloopende soldaten sloegen elk oogenblik tot groote uitspattingen, tot mishandeling en berooving van burgers en boeren en tot muiterij over, terwijl de gepreste schanswerkers den hun opgedrongen arbeid niet dan slecht en langzaam verrichtten.

Maurits brak zonder aarzelen met die oude gewoonte; hij dwong zijne soldaten tot arbeiden; in den beginne morden zij wel, doch daar hij den schanswerkers boven hunne gewone soldij een niet onaanzienlijke toelage schonk, schikten zij zich in hun lot; zij deden dit des te eerder, omdat het rooven en stelen hun door de strenge krijgstucht toch onmogelijk gemaakt werd.

Ook in de indeeling en de wapening van het leger voerde Maurits belangrijke wijzigingen in, waarover zijne oude officieren aanvankelijk het hoofd schudden; doch weldra zagen zij in, dat de jonge man, met zijne aan de Grieken en Romeinen ontleende theoriën toch gelijk had en dat hij bovendien de kunst verstond om ook de beginselen der nieuwe wetenschap, der wiskunde praktisch op het oorlogvoeren toe te passen. Zij kregen achting voor dien praktischen vriend van oude en nieuwe theoriën en gehoorzaamden hem gewillig.

Zonder al te uitvoerig te worden, kunnen wij de oorlogen, door Maurits in de jaren 1590, 1591 en 1592 gevoerd, niet in alle bijzonderheden beschrijven. Wij merken alleen op, dat de jonge veldheer met eene bewonderenswaardige juistheid zijne plannen ontwierp en uitvoerde, dat hij een aantal belangrijke vestingen, als Breda, Zutfen, Deventer, Nijmegen, enz. den Spanjaarden ontrukte en ook in een open veldslag den Spaanschen veldheer Verdugo eene nederlaag toebracht.

Parma was niet in staat om Maurits die overwinningen te betwisten. Genoodzaakt om nu eens in Frankrijk, dan weer in de Nederlanden oorlog te voeren, zonder toch over de noodige manschappen en geldmiddelen te kunnen beschikken, in zijne bewegingen belemmerd door de kuiperijen zijner vijanden aan het Spaansche hof, door ziekte uitgeput en schier tot wanhoop gebracht door de gedachte, dat de overwinning van zijne vanen was geweken, zag hij den roem tanen, dien hij zich door zijne vroegere wapenfeiten verworven had.

Hij was vóór den tijd een grijsaard, ja de schaduw geworden van hetgeen hij vroeger was. Zijne sombere gemoedsstemming verergerde de ziekte, waaraan hij ten gevolge van slecht genezen wonden leed, en den 3en December 1592 stierf hij, toen hij juist op het punt stond om op 's konings bevel een nieuwen tocht naar Frankrijk te ondernemen. Hij liet den roem na, dat hij de bekwaamste van al de Spaansche landvoogden in de Nederlanden was geweest en zelfs zijne vijanden stemmen toe, dat hij niet alleen als veldheer, maar ook als staatsman rechtmatige hulde verdient, maar aan den anderen kant kunnen ook zijne vereerders niet ontkennen, dat deze goede hoedanigheden ontsierd en ten deele weer uitgewischt worden door zijne echt Italiaansche trouwloosheid en door de lichtzinnigheid, waarmede hij de geldzaken placht te behandelen. Hij stond toe dat zijne gunstelingen, zijne bijzit Franselina en zijne kamerdienaars zich ten koste van het land verrijkten.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Peter Ernst van Mansfeld, Parma's opvolger. Wreede wijze van oorlogvoeren. Merkwaardige belegering van Geertruidenberg. De Nederlanders mengen zich in de Fransche geschillen. De landvoogd aartshertog Ernst van Oostenrijk. Zijne onbekwaamheid. Groningen veroverd en tot de Unie teruggebracht. Aerschot's einde. Dood van aartshertog Ernst. De graaf van Fuentes. Aartshertog Albertus van Oostenrijk. Zijn karakter. Philips Willem van Oranje keert naar de Nederlanden terug. Voordeelen, door Albertus op Frankrijk behaald. Amiens veroverd door de Spanjaarden en heroverd door Hendrik IV. Vrede van Vervins. De Nederlanden afgestaan aan Isabella Clara Eugenia en aartshertog Albertus. Vruchtelooze vredesonderhandelingen met de oproerige Nederlanden. Ziekte en dood van Philips II.

De oude graaf Peter Ernst van Mansfeld was Parma's opvolger. Hij was nog minder dan zijn bekwame voorganger in staat om op de thans met elken dag sterker wordende opstandelingen eenig voordeel te behalen. Door wreede gestrengheid meende hij, overeenkomstig den raad van den Spaanschen graaf de Fuentes, die op hem een onbeperkten invloed uitoefende, den muiters schrik te kunnen inboezemen. Hij vaardigde in den aanvang van het jaar 1593 het bevel uit, dat in 't vervolg geene gevangenen meer uitgewisseld of losgekocht mochten worden, maar dat zij allen moesten worden gedood. Doch hij werkte daardoor niets anders uit, dan dat de Nederlanders van hunnen kant maatregelen van weerwraak namen. Afgrijselijke moordtooneelen, van beide zijden aangericht, waren het eenige gevolg van dit onzinnig bevel, dat weldra ingetrokken moest worden.

Maurits trok van Mansfeld's zwakheid partij, om nadat hij Friesland voldoende gedekt had, zich tegen Geertruidenberg te wenden en deze belangrijke vesting te belegeren. Bij deze gelegenheid gaf hij schitterende proeven van zijn veldheerstalent.

Met een legertje van niet meer dan 5000 man ondernam hij het beleg. Dewijl hij alle oogenblikken kon verwachten, dat Mansfeld met groote overmacht tot ontzet der stad zou aanrukken, wierp hij rondom de vesting eene versterkte legerplaats op, die hij van wallen en grachten voorzag. Hij bereikte volkomen zijn doel, want toen Mansfeld nu werkelijk met 12000 man voetvolk en 3000 ruiters uit Frankrijk, waar hij tegen Hendrik IV gestreden had, toesnelde, vond hij Maurits voor Geertruidenberg zoo sterk verschanst, dat hij niets ten bate der belegerden kon uitrichten.

De oude graaf was hierover woedend en hij gaf aan zijne ergernis lucht, toen Maurits hem, naar aanleiding van eene weinig beteekenende onderhandeling, een trompetter toezond. "Wat beduidt het,"--zeide hij--"dat uw heer achter schansen wegkruipt? Het zou hem als een jong en moedig veldheer beter passen, in het open veld te verschijnen en een slag te wagen."

"Het is waar," antwoordde de trompetter gevat, "mijn heer is nog een jong veldheer, maar juist omdat hij gaarne zulk een oud veldheer zou willen worden als Uwe Excellentie, stelt hij zich niet zonder noodzakelijkheid bloot."

De omstanders lachten, maar de graaf van Mansfeld beet zich op de lippen en wist op het treffend antwoord geen gepast wederwoord te vinden. Maar evenmin wist hij gepaste maatregelen te nemen tot het ontzet van Geertruidenberg; hij moest de belegerde veste aan haar lot overlaten, daar de levensmiddelen hem begonnen te ontbreken, terwijl in de vijandelijke legerplaats overvloed heerschte.

Den 24en Juni 1593 gaf Geertruidenberg zich over. Maurits benoemde zijn jeugdigen, negenjarigen broeder Frederik Hendrik tot bevelhebber der stad, doch stelde hem natuurlijk een bekwaam officier ter zijde.

Andere belangrijke voordeelen werden in dezen veldtocht noch aan de eene, noch aan de andere zijde behaald. Beide partijen versnipperden hare krachten door zich te mengen in den Franschen burgeroorlog; de Nederlanders ondersteunden Hendrik IV, de Spanjaarden kozen de zijde van zijne tegenstanders.

Intusschen had Philips II in de hoop, dat het een vorst uit het huis Habsburg gelukken zou, de Nederlanders op nieuw te onderwerpen, den aartshertog Ernst van Oostenrijk, den tweeden zoon van keizer Maximiliaan II en broeder van keizer Rudolf II, tot landvoogd over de Nederlanden benoemd. In het begin van het jaar 1594 hield Ernst zijn plechtigen intocht binnen Brussel. Zijne komst wekte in de zuidelijke Nederlanden blijde en grootsche verwachtingen, maar weldra bleek het, dat hij volstrekt niet de man was om die te verwezenlijken. Hij was evenmin een veldheer als een staatsman. Vadsig en zwak van karakter was hij bovendien zedeloos en wreed: binnen korten tijd maakte hij zich bij alle partijen gehaat en veracht, het meest bij de Spaansche soldaten zelven.

Nauwelijks had hij het bestuur aanvaard, of hij knoopte onderhandelingen tot herstel van den vrede aan; hij eischte, dat de Staten in onderwerping zouden komen en poogde hen tevens door algemeene, niets beteekenende beloften te winnen. Zijne voorslagen werden natuurlijk afgewezen.