De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 25
De tijding van 's prinsen dood bracht schier overal in de Nederlanden eene diepe verslagenheid, eene innige droefheid te weeg. En zoo ooit, dan was hier die droefheid volkomen gerechtvaardigd; slechts met angst konden de Nederlanders een blik in de toekomst werpen, sinds hun in den prins de ziel van hun vrijheidskamp ontroofd was. Hij kon door niemand vervangen worden. Te vergeefs zagen de vrienden des vaderlands onder de edelen naar een enkelen om, die in staat zou geweest zijn om de tegenstrijdige belangen der verschillende gewesten te verzoenen, gelijk Willem van Oranje gedaan had. Niemand vonden zij, wien zij een onbepaald vertrouwen konden schenken, dien zij met eene even uitgebreide macht aan het hoofd der regeering hadden kunnen plaatsen.
Op Oranje's zonen vestigde zich natuurlijk in de eerste plaats de algemeene opmerkzaamheid. Zijn oudste zoon, Philips Willem, leefde in Spanje; hij was tengevolge van zijne opvoeding--gelijk we reeds opmerkten--in godsdienst en denkwijze een Spanjaard geworden. Van hem was dus niets te hopen en evenmin van den jongsten zoon, Frederik Hendrik, die nog een kind was.
Zoo bleef dus alleen Maurits, Willem's tweede zoon uit zijn huwelijk met Anna van Saksen, over. Hij was op dat tijdstip 17 jaar oud en studeerde aan de Leidsche Hoogeschool. Maurits was een talentvol jonkman, die reeds als knaap schitterende geestesgaven en een buitengewonen persoonlijken moed aan den dag gelegd had. In meer dan één opzicht geleek hij op zijn grootvader, den beroemden Maurits van Saksen, die eerst de vriend, daarna de tegenstander van keizer Karel V geweest was, en dezen uit Innsbrück verdreven had. Dat hij een goed soldaat, misschien een uitstekend veldheer worden zou, was bij zijne ingenomenheid met de krijgswetenschappen nauwelijks aan twijfel onderhevig. Doch wel was het de vraag, of hij met den moed zijns grootvaders ook de schitterende staatkundige bekwaamheden en de zelfopofferende liefde voor de volksvrijheid zijns vaders geërfd had, daaraan toch hadden de Nederlanders in die dagen dringend behoefte.
Wie kon zeggen, hoe de zeventienjarige jongeling zich zou ontwikkelen, of hij als man zou beantwoorden aan de verwachtingen, welke zijne kindsheid en jongelingsjaren hadden opgewekt? En toch richtten aller oogen zich op hem. Hij droeg den gevierden en geliefden naam zijns vaders, dien de Nederlanders met hooge ingenomenheid ook hun vader, den vader des vaderlands noemden. Geen anderen afstammeling van de hooge adellijke geslachten durfden zij vertrouwen, daar bijna alle aanzienlijke Nederlandsche heeren door oogendienst en verraad de achting des volks verspeeld hadden.
De toestand des lands was juist in die dagen hoogst treurig. De kassen waren ledig en bij den onwil der verschillende standen bestond er geen middel om ze in zoover te vullen, dat ten minste de noodzakelijkste oorlogskosten betaald konden worden. Het krijgsvolk was verwilderd, tot oproer geneigd, ja een schandelijk gespuis, dat liever roofde dan vocht. Bovendien ontbrak het aan bekwame officieren, aan een beproefd veldheer, want de graaf van Hohenlohe, die het opperbevel voerde, had tot heden nog volstrekt geene lauweren geplukt. Hierbij kwam het gebrek aan staatkundige orde in de opgestane gewesten, die er nog altijd niet toe hadden kunnen besluiten, zich eene algemeen erkende, op wettige wijze tot stand gebrachte staatsregeling te scheppen; de adel en de burgerij twistten nog over de verschillende rechten, die aan beiden volgens de staatsregeling zouden toekomen. Overal, waarheen men in de Nederlanden de oogen ook wendde, aanschouwde men ellende en nood, verwarring en onzekerheid, twist tusschen de partijen, die tegenover den machtigen vijand eensgezind hadden moeten zijn. Ook het monster van den godsdiensttwist had machtiger dan ooit het hoofd weer opgestoken; de katholieken legden in de zuidelijke Nederlanden, waar zij de meerderheid uitmaakten, menigmaal grooten lust aan den dag om zich met de Spanjaarden te verstaan, zelfs twee sekten in de protestantsche kerk, de Lutherschen en Calvinisten, waren onderling in twist gewikkeld. Wel waren tot dusver alleen Henegouwen en Artois door het erkennen van de Spaansche heerschappij voor goed van de overige gewesten losgemaakt, doch reeds waren de Spanjaarden onder de uitstekende en voorspoedige aanvoering van den hertog van Parma diep in de overige provinciën doorgedrongen; Gent, Antwerpen en zelfs de hoofdstad Brussel werden bedreigd.
Inderdaad, het zag er bijna wanhopig uit in de Nederlanden, toen Willem van Oranje de oogen sloot, en hooge lof komt toe aan die edele vrijheidshelden, die aan elk gevaar moedig het hoofd boden en--gelijk de Staten van Holland deden--op den dag zelven van den moord verklaarden, dat zij vast besloten hadden de goede zaak met Gods hulp tot het uiterste te verdedigen, zonder goed of bloed te ontzien. Deze verklaring zonden de Staten van Holland aan den opperbevelhebber, den graaf van Hohenlohe, aan den stadhouder van Friesland, graaf Willem Lodewijk van Nassau, en aan de overige Staten en de bevelhebbers aan de grenzen.
De verklaring der Staten van Holland vond bij de Nederlanders eene gunstige ontvangst. Den 18en Augustus kwamen de Staten-Generaal der Unie, waartoe thans ook de meeste in opstand verkeerende gewesten waren toegetreden, te Delft bijeen. Zij droegen de regeering des lands op aan een Raad van State, bestaande uit 18 personen, uit de provinciën Brabant, Vlaanderen, Mechelen, Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland. Aan het hoofd van dit lichaam stelden zij den 17jarigen graaf Maurits van Nassau.
Door dezen maatregel verkreeg de regeering der Nederlanden wel wat meer vastheid dan vroeger, maar toch was zij niet voldoende om de Staten-Generaal tot eendrachtig handelen te bewegen, terwijl Parma juist in dien tijd steeds grootere voordeelen behaalde. Vele steden gaven zich aan hem over, onder anderen Gent, den 17en September 1584.
Met het meeste beleid trok Farnese van zijne voordeelen partij. In tegenstelling met de vroegere stadhouders van Philips II legde hij jegens de steden, die zich aan hem overgaven, eene groote mate van zachtmoedigheid aan den dag. Hij bevestigde al hare oude rechten en vrijheden, hij verbood zijnen soldaten het moorden en plunderen en zelfs de protestanten behandelde hij met veel meer verschooning dan zij verwacht hadden. Hij stond hun toe, nog twee jaar te Gent te blijven om in dien tijd òf tot de katholieke kerk terug te keeren, òf, wanneer zij dat niet wilden, op hun gemak hunne goederen te verkoopen en de stad te verlaten. Hierdoor handelde hij in den geest der katholieken en ontnam hij toch den protestanten in andere aangevallen steden het voorwendsel, dat zij tot den laatsten droppel bloed moesten strijden, omdat zij, volgens de ondervinding vroeger van de Spanjaarden opgedaan, door eene overgave toch hun leven en hunne bezittingen niet zouden redden.
De Staten-Generaal konden in deze omstandigheden de oogen niet sluiten voor de waarheid, dat zij zonder buitenlandsche hulp niet in staat zouden zijn om op den duur aan Philips' zegevierenden veldheer het hoofd te bieden. Zij besloten, zich op nieuw tot Frankrijk, en wel ditmaal rechtstreeks tot koning Hendrik III te wenden en hem de souvereiniteit over de Nederlanden aan te bieden.
Intusschen waren de tijden op eene voor de Nederlanders hoogst treurige wijze veranderd, deze konden niet langer, gelijk vroeger den hertog van Alençon, thans den koning op fieren toon hunne voorwaarden stellen, zij moesten zich getroosten hunne eischen grootelijks te matigen, ja zelfs toestaan, dat de Nederlanden bij het Fransche rijk zouden worden ingelijfd.
De toegevendheid der Staten-generaal verwekte intusschen in Holland groote ontevredenheid. Een aantal steden, zooals Amsterdam, Gouda en Monnikendam, dienden protesten in, doch de Staten-generaal sloegen daarop geen acht. Toen Alexander Farnese steeds nieuwe voordeelen behaalde, gingen zij in hunne toegevendheid jegens den Franschen koning zoo ver mogelijk, ten einde maar Frankrijks hulp tegen Spanje te verwerven. Zij deden afstand van de belangrijkste rechten des lands, die den vorstentrots van Hendrik III zouden kunnen krenken, onder anderen van het recht der Staten-generaal om samen te komen, ook zonder bijeengeroepen te zijn. Hunne inschikkelijkheid en hunne dringende beden bleven evenwel zonder vrucht.
Wel gevoelde Hendrik III grooten lust om de heerschappij over de Nederlanden te aanvaarden, doch aan den anderen kant duchtte hij de vijandschap van Philips II van Spanje, die met de ligue een vormelijk verbond gesloten had, en die daarom, in geval er een oorlog uitbrak, op de ondersteuning van de dweepzieke katholieken onder aanvoering van de Guises rekenen kon. De Nederlanders konden hem bij zulk een oorlog niet van nut zijn, want zij hadden zelven behoefte aan ondersteuning, of boden zij hem niet de souvereiniteit alleen aan, om zijne hulp zich te verwerven? Hoewel koning Hendrik van Navarre en zelfs Catharina de Medici Hendrik III dringend aanrieden, het aanzoek der Nederlandsche gezanten in te willigen, kon deze daartoe toch niet besluiten. Hij ontsloeg de gezanten met zeer onbepaalde verzekeringen van zijne groote liefde voor hun land, met niets zeggende beloften van latere hulp en met de aansporing om verder even trouw jegens Frankrijk gezind te blijven als tot heden. Doch met zulke woorden waren de Nederlanders niet gediend en zij zagen zich thans des te meer genoodzaakt, naar andere hulp om te zien, dewijl intusschen de hertog van Parma op nieuw groote voordeden behaald had.
De zachtmoedigheid, door Farnese jegens de Gentenaars aan den dag gelegd, had goede vruchten gedragen. In de steden, die belegerd werden, vormde zich lichtelijk eene partij, die op overgave aandrong, en natuurlijk bij alle zwakke en lafhartige karakters steun vond. Zelfs de protestanten, die vroeger, in het bewustzijn dat ook bij eene capitulatie hun leven verbeurd was, met den moed der wanhoop gestreden hadden, betoonden zich thans zeer geneigd tot onderhandelingen, terwijl de katholieken meer en meer de Spaansche belangen omhelsden. Zoo viel Brussel, de belangrijke hoofdstad, en toen Farnese zich ook hier even zachtmoedig gedroeg als te Gent, verklaarden ook andere Brabantsche steden zich tot de overgave geneigd. Weldra was geheel Brabant, met uitzondering van Mechelen en Antwerpen, weder aan den koning onderworpen.
Ook in de overige provinciën maakte de hertog van Parma groote vorderingen, dewijl de Staatsche veldheer, de graaf van Hohenlohe, volstrekt niet de noodige bekwaamheid bezat om de ongeoefende Nederlandsche troepen tot een krachtig en geoefend leger te vormen. Verschillende belangrijke steden, onder anderen ook Nijmegen, gaven zich zonder slag of stoot aan Parma over, dewijl de katholieke burgers door oproerige bewegingen den magistraat tot de overgave noodzaakten [12]. Van het grootste belang was het voor Parma, ook Antwerpen weer aan 's konings macht te onderwerpen. Hij zelf zeide, dat de rijke handelsstad de voedster van den krijg was, dat hij de bijl aan den wortel des booms wilde leggen en dat, zoodra Antwerpen gevallen was, ook Holland en Zeeland moesten volgen. Deze beide provinciën, die het hart van den opstand waren, wilde Farnese door de grootst mogelijke inschikkelijkheid, zelfs door het toestaan van de gewetensvrijheid voor zich winnen, doch opdat zijne aanbiedingen door de Hollanders en Zeeuwen ten volle gewaardeerd zouden worden, was het noodzakelijk, eerst Antwerpen te heroveren, en tot deze onderneming spande Farnese dan ook al zijne krachten in.
Willem van Oranje had dit reeds voorzien en daarom den getrouwsten der getrouwen, Marnix van St. Aldegonde, tot burgemeester van Antwerpen aangesteld en der burgerij op het hart gedrukt, een zekeren dijk door te steken, het land onder water te zetten, en daardoor den Spanjaarden het versperren van de Schelde onmogelijk te maken, opdat de stad, in geval zij belegerd werd, ten allen tijde van Holland uit, ontzet zou kunnen worden.
Aldegonde spande al zijne krachten in, om de plannen van den prins ten uitvoer te leggen; doch al zijne pogingen leden schipbreuk op den onwil en het eigenbelang der burgerij. De leden van het slachtersgild zouden door het doorsteken van den dijk de weide voor 12.000 stuks rundvee verloren hebben. Deze verzetten zich derhalve tegen den tot beveiliging der stad noodzakelijken maatregel en beweerden spottend, dat een stroom, gelijk de Schelde, noch door eene brug, noch door een ketting versperd worden kon. Weldra zouden zij het anders leeren inzien; maar wanneer zij dan hun tegenstand lieten varen, zou het te laat zijn, dewijl Parma den dijk bezet had.
Farnese gebruikte den winter van 1584 op 1585 om die merkwaardige brug over de Schelde te voltooien, welke den val van Antwerpen beslissen zou. Op de beide oevers der rivier werden reusachtige paalwerken in den grond geslagen en door 32 platbodemvaartuigen verbonden. Deze schipbrug werd door 97 kanonnen verdedigd.
Ten einde de groote menigte bouwstoffen voor de brug aan te voeren, liet Farnese een afzonderlijk kanaal graven, dat het land van Waes ter lengte van 14.000 voet doorsneed en dat tevens diende om den belegeringstroepen zonder moeite de noodige levensmiddelen te verschaffen. Dit kanaal is later voor die streek een ware zegen geworden. Het heeft de ontginning van het vroeger dorre en onvruchtbare land van Waes mogelijk gemaakt.
Vóór de voltooiing van de brug zou het nog mogelijk zijn geweest, Antwerpen althans van levensmiddelen voor een langdurig beleg te voorzien, doch ook dit geschiedde niet. De rijken wilden hunne schatten niet afstaan, om koren, dat zeer hoog in prijs was, in groote hoeveelheid in te koopen. Ook de Hollandsche vloot zou nog bij machte zijn geweest om de stad te ontzetten, zij had althans eene poging kunnen wagen om het bouwen van de brug te verhinderen, doch de werkzaamheid der vloot was helaas! door een partijtwist verlamd. De admiraal Bloys van Treslong, een der veroveraars van den Briel, een oud en trouw aanhanger van den prins van Oranje, was het slachtoffer geworden van de vijandige gezindheid van eenige leden der admiraliteit: hij was in hechtenis genomen en aangeklaagd en ontving eerst later zijne vrijheid terug.
Nadat de brug voltooid was, zag Aldegonde zijne hoop om Antwerpen tegen den overmachtigen vijand te verdedigen, meer en meer verzwinden. Toch trachtte hij de burgerij tot eene krachtige verdediging op te wekken, en nog eenmaal flikkerde eene straal van hoop op overwinning.
Gianibelli, een bouwmeester uit Mantua, die sinds eenige jaren te Antwerpen woonde en zich met hart en ziel aan de zaak der Nederlandsche vrijheid toegewijd had, ondersteunde Aldegonde krachtig in zijne pogingen om de belangrijke stad te behouden. Hij vond een vreeselijk helsch werktuig uit, eene soort van branders, die in den nacht van den 4en April tegen de schipbrug der Spanjaarden aangewend werden en eene inderdaad ontzettende uitwerking te weeg brachten. Een groot deel der schipbrug werd door de uitbarsting vernield.
"De hemel," zegt Hooft, "scheen te scheuren, de hel hare kaken te openen. De vuurgloed verslond of verpletterde bij den slag de meesten, die zich op het paalwerk of in de schepen der brug bevonden. Eerst stond de lucht in vollen gloed, daarop heerschten een dikke damp en de duisternis van den nacht. De stroom vloog uit zijne bedding en vulde zoowel het fort St. Marie als de aangrenzende velden, over een omtrek van drie mijlen schudde de aarde, binnen een halve mijl bleef niemand op de been; de in de lucht geslingerde steenen vlogen tot op een afstand van eene vierde mijl en drongen ter diepte van negen voet in den grond. Vreeselijker nog dan de half vernielde brug was de aanblik der dooden of verminkten. De Spanjaarden betreurden 500 dooden, de onzen spraken van 800 lijken."
Ook Farnese was tengevolge van de uitbarsting ter aarde geworpen en ter nauwernood aan den dood ontsnapt.
Een panische schrik had zich terstond na de uitbarsting van de Spanjaarden meester gemaakt, zelfs de onverstoorbare koelbloedigheid van den hertog was in de eerste oogenblikken niet bij machte om dien te overwinnen. Indien de Antwerpenaars op dat tijdstip een aanval op de Spaansche legerplaats gedaan hadden, indien de Hollandsche vloot hen daarbij ondersteund had, dan zou de zegepraal der Nederlanders ontwijfelbaar zeker zijn geweest, dan ware Antwerpen gered. Maar niets van dit alles gebeurde. In de stad was de valsche tijding gebracht, dat het niet gelukt was, de brug in de lucht te doen vliegen en toen men twee dagen later eindelijk de waarheid vernam, was het te laat. De schrik der Spanjaarden was bedaard en aan Parma's kalme en onvermoeide bedrijvigheid was het gelukt, de door de helsche machine aangerichte schade te herstellen.
Alle verdere pogingen der belegerden tot verdediging van hunne stad mislukten, ook van buiten kwam geene hulp opdagen en reeds begonnen de levensmiddelen schaarsch te worden. De burgerij sloeg thans aan het morren en eischte, dat de stad zou worden overgegeven, toen zij vernam, dat ook het sinds geruimen tijd belegerde Mechelen gevallen was.
Te vergeefs verzette Aldegonde zich tegen deze eischen, hij werd gedwongen om onderhandelingen met Parma aan te knoopen en dewijl deze bereidwillig de meest gematigde voorwaarden toestond, volgde den 1en Augustus 1585 de overgave der stad. De hertog hield zijn woord, nadat hij zijne zegepraal met een plechtigen intocht binnen Antwerpen bekroond had.
De stad bleef in het bezit van al hare oude vrijheden. Den protestanten werd het vergund, nog vier jaren lang in hunne woonplaats te blijven en, wanneer zij dan niet in den schoot der moederkerk wilden terugkeeren, hunne goederen te verkoopen en te verhuizen. Voorloopig kreeg Antwerpen wel eene Spaansche bezetting onder bevel van Mondragon, doch Farnese beloofde, deze troepen terug te zullen trekken, zoodra Holland en Zeeland onderworpen waren.
De val van Antwerpen oefende op het lot der Nederlanden een beslissenden invloed uit. Hij maakte de zuidelijke provinciën voor altijd van de noordelijke, door de Unie van Utrecht vereenigde gewesten los. Doch terwijl deze door het verlies der belangrijke stad voor het uiterlijke verzwakt werden, namen zij daardoor te gelijkertijd in innerlijke kracht toe. In de zuidelijke gewesten verloren zij twijfelachtige bondgenooten, wier eigenaardige zeden en begrippen zij tot dusver altijd hadden moeten ontzien. Daarentegen schonk de aankomst der rijkste protestantsche inwoners van Gent, Antwerpen en andere steden hun eene rijke aanwinst. Deze rijke protestanten moesten naar Holland verhuizen, dewijl Parma wel, overeenkomstig zijne belofte, de ketters niet belette hunne goederen te verkoopen en de stad te verlaten, maar ook evenmin duldde, dat zij zonder van kerkgeloof te veranderen in de door hen veroverde steden bleven wonen.
Niet alleen voor het geheele land, ook voor éénen man was de val van Antwerpen noodlottig. Aldegonde, die zoo ijverig zijne beste krachten ingespannen had om de stad tegen de Spanjaarden te verdedigen, moest na haren val van alle zijden de scherpste verwijten hooren. Men gaf hem de schuld van het verlies van Antwerpen, ja men behandelde hem bijna als een verrader. Zijn staatkundige invloed was voor goed geknakt, slechts zelden werd van nu af nog zijne stem vernomen. Hij wijdde zich bijna uitsluitend aan letterkundigen arbeid.
Ook Marnix van St. Aldegonde heeft in het lot van zoovele groote mannen gedeeld; de trouwe diensten, door hem aan het vaderland bewezen, zijn met ondank vergolden, doch het nageslacht heeft hem recht doen wedervaren.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De Nederlanden. Onderhandelingen met Engeland. Elisabeth weigert de souvereiniteit. Verbond met Engeland. Voorwaarden. Bezorgdheid der Hollandsche patriotten. Johan van Oldenbarneveld. Leicester, door de Staten-Generaal tot algemeen stadhouder verkozen. Graaf Maurits van Nassau, stadhouder en kapitein-generaal van Holland. Ontstaan der partijen. Blijde ontvangst van Leicester. Leicester te Utrecht. Zijne staatkundige misslagen. Reingoud, Prouninck en Burggraaf. Hunne willekeur. Het verbod van uitvoer. Voordeelen door Parma behaald. Grave en Venlo. Oorlog op Duitsch grondgebied. Leicester's eervolle ontvangst in den Haag. Leicester vertrekt naar Engeland. Zijn geheime kabinetsorder. Verraad van York en Stanley. Gisting in Holland. Partijstrijd. Leicester's terugkomst. Vruchtelooze pogingen om zijne macht uit te breiden. Hij verlaat de Nederlanden en legt de landvoogdij neder.
Reeds staande de onderhandelingen met Frankrijk, waren ook in Engeland Nederlandsche agenten werkzaam geweest om van koningin Elisabeth krachtige hulp tegen Spanje te verwerven, doch de koningin had eene vrij groote onverschilligheid aan den dag gelegd. Bracht Engeland's belang aan den éénen kant mede, de Nederlanders te ondersteunen en daardoor de macht van Spanje te ondermijnen, toch was Elisabeth aan den anderen kant niet geneigd om zich in een ernstigen oorlog met Spanje te wikkelen; bovendien streed het tegen haren koninklijken trots, met opstandelingen tegen een door God gezalfden koning een bondgenootschap aan te gaan, hoe rechtvaardig hun strijd tegen de Spaansche dwingelandij ook mocht zijn.
De ondersteuning, welke Elisabeth tot dusver den Nederlanders had verleend, had ten gevolge daarvan weinig beteekend en eerst toen na den val van Antwerpen het gevaar, dat de opstand geheel onderdrukt zou worden, dreigender werd dan ooit, begreep de koningin, dat zij krachtiger dan tot heden voor de Nederlanders in de bres moest springen. Doch nog altijd kon zij niet besluiten, den wensch te vervullen, dien een plechtig Nederlandsch gezantschap haar overbracht, om de souvereiniteit over de provinciën te aanvaarden. Zij wees de haar aangeboden kroon van de hand en weigerde ook een eeuwig aanvallend en verdedigend verbond te sluiten, maar zij verklaarde zich bereid om den Nederlanders een leger van 5000 man voetvolk en 1000 ruiters onder een uitstekend veldheer ter hulp te zenden, wanneer haar de vestingen Vlissingen en Rammekens in Zeeland en de Briel in Holland als onderpanden voor de terugbetaling van de gemaakte oorlogskosten werden ingeruimd. Buitendien eischte de koningin, dat de door haar te benoemen landvoogd, de bevelhebbers der verpande steden en twee andere Engelschen in den Raad van State zouden worden opgenomen.
De Algemeene Staten namen deze voorwaarden aan en de koningin droeg nu aan haren gunsteling, Robert Dudley, graaf van Leicester, het opperbevel over het Engelsche leger op.
Hoe algemeen in de Nederlanden de behoefte aan het bondgenootschap met Engeland ook gevoeld werd, toch bestond er eene aanzienlijke partij, die met de ingewilligde voorwaarden niet volkomen vrede had en die vreesde, dat de eerzuchtige gunsteling der koningin zijne invloedrijke waardigheid in de Nederlanden--even als eens de hertog van Anjou--misbruiken zou om de vrijheden en rechten der provinciën te verkorten. Aan het hoofd dezer partij stond Johan van Oldenbarneveld.