De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 24

Chapter 243,724 wordsPublic domain

Van groot voordeel was voor Farnese de tweespalt, die er tusschen den hertog van Anjou en de Nederlanders uitgebroken was. Nadat Farnese Eindhoven, Diest en andere plaatsen in Brabant ingenomen en den Franschen maarschalk Biron te Steenbergen verslagen had, kon hij zijne wapenen tegen West-Vlaanderen keeren en ook hier behaalde hij belangrijke voordeelen, dewijl ten gevolge van Anjou's trouwloosheid deze deelen des lands weerloos aan zijn aanval blootgesteld waren.

Duinkerken, Nieuwpoort, Veurne, Dixmuiden en Yperen (de laatste stad eerst na eene langdurige belegering in April 1584), Axel, Hulst en Rupelmonde in Oost-Vlaanderen en zelfs Aalst en andere steden werden door de Spanjaarden de eene na de andere ingenomen en Gent bedreigd.

Niet alleen aan zijne dapperheid en zijn veldheerstalent, maar ook aan het verraad van hooggeplaatste Nederlanders en de ontevredenheid van vele patriotten over den prins van Oranje dankte Farnese zijne overwinningen.

De fijne staatkundige berekening, welke den prins van Oranje bewogen had om niet geheel met den hertog van Anjou te breken, ook nadat diens verraad voor aller oogen ontsluierd was, had onder de Nederlanders veel kwaad bloed gezet. Men verweet den prins met een schijn van recht, dat hij van plan was, het land aan de Franschen over te leveren en vele vrienden der vrijheid, vooral in de Zuidelijke gewesten, verkozen, indien zij toch eenmaal een vreemden vorst moesten gehoorzamen, den koning van Spanje boven dien van Frankrijk. Koning Philips II had althans het erfrecht voor zich en was bovendien geen grooter dwingeland en wreedaard dan de met bloed bevlekte Fransche koning.

Zulke denkbeelden werden in vele Nederlandsche steden openlijk uitgesproken; zelfs te Antwerpen had dit plaats en dit was oorzaak, dat de prins eene stad verliet, waar hij straffeloos beleedigd was.

Van deze ongunstige stemming des volks trokken wederom hooggeboren verraders partij. De gouverneur van Gelderland, de graaf van den Berg, Oranje's eigen zwager, trad met Alexander Farnese in onderhandeling; ten einde de genade van koning Philips te koopen, verbond hij zich om de aanzienlijkste steden van Gelderland, met Zutfen aan het hoofd, den Spanjaarden over te geven. Bij de inneming van Zutfen (22 September 1583) kwam zijn verraad aan den dag. Hij werd in November in hechtenis genomen, naar den Haag gebracht en eenigen tijd te Delfshaven gevangen gehouden. Zijne verwantschap met den prins van Oranje bezorgde hem evenwel spoedig de vrijheid terug en hij maakte daarvan terstond gebruik om openlijk met zijn zoon in des konings dienst over te gaan.

Een ander verrader van hoogadellijken bloede was Karel van Croy, prins van Chimay, de zoon van den hertog van Aerschot. Chimay had zich door den ijver, welken hij voor het protestantisme aan den dag legde, en tengevolge waarvan hij met zijn vader in oneenigheid leefde, het vertrouwen der patriotten verworven; hij was tot gouverneur van Vlaanderen benoemd. Doch nauwelijks had hij dit gewichtig ambt aanvaard, of hij knoopte eene geheime briefwisseling met Farnese aan, om dezen zijne hulp aan te bieden. Hij werd in zijne verraderlijke plannen ondersteund door twee mannen, die vroeger een tijd lang voor vurige vrienden der vrijheid waren doorgegaan, door Champagny, Granvelle's broeder en door Hembyze, den voormaligen dictator van Gent, den vroegeren republikein, die alleen aan de genade van den prins van Oranje zijn verbeurd leven te danken had.

Hembyze was naar Gent teruggekeerd met een hart vol haat tegen den prins. Binnen korten tijd had hij zich weer een uitgebreiden invloed op de Gentsche burgerij verworven, hij gebruikte dien om, in verstandhouding met Champagny en Chimay, de overgave van Gent aan de Spanjaarden en de overlevering van geheel Vlaanderen aan koning Philips en de inquisitie voor te bereiden.

Hembyze vond bij een deel der burgerij een geopend oor, doch ook de vrienden der vrijheid zaten niet stil. Zij spanden hunne uiterste krachten in, om het overwicht binnen de stad te behouden, zij bespiedden Hembyze zoo scherp mogelijk en toen deze eene expeditie tegen Dendermonde op het touw zette, om deze plaats den Spanjaarden over te leveren, waarschuwden zij den bevelhebber Ryhove, den voormaligen vriend, maar nu den verbitterden tegenstander van Hembyze nog bijtijds. Rijhove liet zijn vroegeren makker gevangen nemen en deze werd te Gent als verrader ter dood gebracht. De Gentenaars waren niet zoo genadig als eens de prins van Oranje was geweest.

De katholieke partij had in Hembyze haar hoofd verloren, zij moest zich voorloopig aan de maatregelen harer tegenstanders onderwerpen. De onderhandelingen met Farnese werden afgebroken en de burgerij verklaarde, dat zij trouw bleef aan de Unie. Haar voorbeeld werd door de meeste overige Vlaamsche steden gevolgd; alleen Brugge werd door den prins van Chimay den 20en Maart aan Parma overgegeven.

Was het schandelijk verraad van den prins van Chimay reeds een groote ramp voor de Nederlanders, een nog veel zwaarder slag zou hen in het noodlottige jaar 1584 treffen.

Koning Philips II had, sinds hij den prins van Oranje vogelvrij had verklaard, onophoudelijk pogingen aangewend om dat vonnis uit te voeren. Hoe meer hij bemerkte, dat Willem van Oranje al zijne bedreigingen trotseerde, dat noch de belofte van koninklijke gunst en rijke belooning, noch de vrees voor den dolk eens sluipmoordenaars den edelen kampioen voor de Nederlandsche vrijheid tot ontrouw aan zijne roeping kon verleiden, des te vuriger wenschte Philips den gevreesden man uit den weg te ruimen. Ook Alexander Farnese koesterde dezelfde begeerte; zijn besluit stond vast om den man, dien hij niet overwinnen kon, door sluipmoord uit den weg te ruimen.

Verschillende pogingen waren tot bereiking van dat doel--gelijk we reeds verhaalden--aangewend en mislukt; zij werden gevolgd door andere, die evenmin slaagden, maar ontdekt werden, nog eer zij tot een begin van uitvoering waren gekomen. In Maart 1583 werd te Antwerpen een zekere Pietro Ordagno ter dood gebracht, nadat hij bekend had, dat hij in Spanje gehuurd was om den prins te vermoorden. Een dergelijk lot onderging om dezelfde reden in April 1584 Hans Hanszoon, een koopman uit Vlissingen.

Doch al deze mislukte pogingen schrikten Farnese niet af: telkens liet hij zich op nieuw met wanhopige, avontuurlijke waaghalzen in, die hem beloofden den prins te zullen vermoorden; doch eindelijk verloor hij zijn geduld, dewijl de meesten van hen, die geld van hem vroegen om zich voor den aanslag voor te bereiden, niets anders waren dan ellendige bedriegers, die er volstrekt niet aan dachten hun kostbaar leven door een hoogst gevaarlijken sluipmoord in de waagschaal te stellen.

Het was in April van het jaar 1584, dat zich bij Farnese andermaal een man aanmeldde, die zich bereid verklaarde tot de hoogst gevaarlijke onderneming. Hij was een zekere Balthasar Geraerts, een jonge man uit Bourgondië, wiens ouders te Villefrans woonden.

Geraerts was een dweepziek katholiek, wien het plan om Oranje te vermoorden zoowel door woedenden geloofshaat als door begeerte naar de hooge, door den Spaanschen koning uitgeloofde belooning ingegeven was. Hij werd daarin versterkt door een Jezuïet, die hem te Trier bezocht en die hem verzekerde, dat hij, ingeval hij bij den moord het leven inschieten mocht, terstond den hemel binnengaan en eene plaats innemen zou onder de glorierijke martelaars, die voor de heilige kerk gestorven waren.

Zulke woorden vermeerderden Geraerts' zelfvertrouwen, zij deden een onbepaald plan rijpen tot een vast besluit, dat volstrekt niet aan 't wankelen gebracht werd, toen een ander Jezuïet, wien hij het evenzeer toevertrouwde, het hem ontried, niet omdat deze vrome man het vermoorden van den prins als eene misdaad beschouwde, maar wijl hij vreesde, dat daaruit nadeelige gevolgen voor de kerk konden voortvloeien.

Geraerts vertrok van Trier naar Doornik; hier raadpleegde hij een anderen geestelijke, den beroemden Franciscaner monnik pater Géry, en op nieuw werd hij door de vrome woorden van dezen man in zijn plan versterkt. Thans wendde hij zich tot Alexander Farnese, wien hij in persoon een brief overgaf, waarin hij zijn plan had blootgelegd.

Parma, die reeds zoo dikwijls bedrogen was, gevoelde des te minder lust om zich met den jongen Bourgondiër in te laten, dewijl deze op hem volstrekt geen gunstigen indruk maakte. Geraerts was een klein, mager, zwak man van een onbeduidend uiterlijk. Hij was op dat tijdstip 27 jaar oud, doch hij scheen veel jonger. Niets was er in zijn gelaat, hetwelk verried, dat hij voor een onverzettelijk besluit vatbaar was en dat hij de buitengewone en treurige geestkracht bezat, noodig om een zoo gevaarlijk plan als dat, waarvan hij zwanger ging, ten uitvoer te leggen. Farnese meende, dat hij op nieuw met een bedrieger te doen had; hij gaf Geraerts op eene tamelijk onvriendelijke wijze zijn afscheid en alleen op aansporing van eenige bijzondere vrienden, wien hij de zaak meedeelde, vooral van Claudius van Barlaimont, heer van Haultepenne, besloot hij, de zaak niet geheel ter zijde te zetten, maar een zijner raadslieden tot den vreemdeling te zenden, om te vernemen welke uitzichten deze op het gelukken van zijn plan koesterde.

Geraerts verklaarde, dat hij van plan was, het masker van een ijverig protestant voor te hangen, zoo in het vijandelijke kamp binnen te sluipen en daar in des prinsen dienst te treden. Op deze wijze zou hij wel gelegenheid vinden om den prins te vermoorden. Hij vroeg een voorschot van ongeveer f 75, om een tijd lang in zijn onderhoud te kunnen voorzien.

Het plan scheen goed overlegd. Alexander Farnese hechtte er zijne goedkeuring aan, maar een voorschot wilde hij niet geven. Hij wilde niet weer bedrogen worden. Zijn geheimraad, de heer van Assonleville, die de onderhandelingen met Geraerts voortzette, beloofde dezen wel eene rijke belooning, zoo de onderneming gelukte, maar van een voorschot wilde hij niets weten.

"Goed," antwoordde Geraerts, "dan zal ik op mijne eigene kosten reizen en eer er zes weken verloopen zijn, zult gij van mij hooren!"

"Ga mijn zoon," hernam Assonleville met vaderlijk welgevallen. "Ga en voleindig uw werk! Wanneer gij het volbrengt, zal de koning aan u niet alleen houden wat hij u beloofd heeft, maar gij zult u bovendien de onsterfelijkheid verwerven."

Geraert's besluit stond vast en hij bracht het met eene veerkracht en eene sluwheid ten uitvoer, eener betere taak waardig. Hij begaf zich naar Delft en stelde zich hier onder den naam François Guyon voor aan een vriend van den prins van Oranje, in wiens dienst hij wilde treden. Hij verhaalde, dat hij de zoon was van een protestant, die te Besançon den marteldood voor zijn geloof gestorven was, en veinsde eene vurige liefde voor de hervorming. Nooit ging hij uit zonder bijbel of gezangboek. Geene enkele gereformeerde godsdienstoefening sloeg hij over.

Zijne huichelarij droeg de door hem gewenschte vruchten. Hij werd in den dienst van den prins van Oranje opgenomen, maar zeer tegen zijn wensch tot eene zending naar Frankrijk gebruikt. Hier bleef hij tot den dood van den hertog van Anjou, en tot zijne groote blijdschap ontving hij in last, het bericht van diens overlijden aan den prins van Oranje over te brengen. Zoo snel mogelijk legde hij zijne reis af en den 8en Juli 1584 kwam hij in den vroegen morgen te Delft aan, waar de prins zich sinds eenigen tijd ophield.

Oranje lag nog te bed, toen hij het belangrijke bericht ontving. Hij beval, dat de overbrenger van die stukken, van wien hij nog nadere mededeelingen hoopte te ontvangen, bij hem gebracht zou worden. Te bed liggend ontving hij Geraerts.

Was Geraerts niets dan een dweper geweest, die alleen uit liefde tot de kerk den ketterschen prins vermoorden wilde, dan zou hij reeds toen van de gelegenheid, die zich zoo ongezocht aan hem voordeed, tot uitvoering van zijn plan gebruik gemaakt hebben. Gunstiger toch kon zij nooit wezen! Hij was alleen met den prins; deze lag weerloos te bed en was verdiept in den inhoud der ontvangen stukken, die hij nog eens overlas. Ter nauwernood van het papier opziende, richtte hij eenige vragen tot den bode; hij bemerkte het niet eens, dat Geraerts, sidderend van ontroering, nauwelijks in staat was om hem samenhangende antwoorden te geven.

Doch Geraerts was niet alleen een dweper; hij had wel besloten zijn leven te wagen, ten einde den prins te vermoorden, maar hij wilde het niet opofferen, zonder althans eenig uitzicht op redding te kunnen koesteren. De prijs, welken de koning op 's prinsen hoofd gesteld had, lokte hem niet minder aan als de wensch om den ketter te dooden; hij wilde gaarne de vruchten zijner misdaad genieten. Eerzucht en hebzucht waren in hem nauw met dweepzieken haat tegen den ketterschen prins verbonden.

Hij had er niet op gerekend, dat hij terstond na zijne aankomst bij den prins zou worden geroepen en daarom ook niets voor zijne vlucht, na het plegen van den aanslag, in gereedheid gebracht. Een oogenblik kwam wel, toen hij den prins zoo weerloos voor zich te bed zag liggen, de vurige wensch bij hem op, om zich op zijn slachtoffer te werpen--daardoor begaf hem bijna de spraak en kon hij slechts met moeite op de eenvoudige tot hem gerichte vragen antwoorden--, doch even spoedig als die gedachte bij hem opgekomen was, even spoedig week zij weder voor koel en bedaard overleg. Hij trok zich, toen de prins hem zijn afscheid gaf, met eene buiging terug.

Willem van Oranje beval in den loop van denzelfden morgen, hem eene zekere som gelds ter hand te stellen, om in zijne behoefte aan schoeisel te voorzien. Geraerts gebruikte het, om zich een paar groote pistolen aan te schaffen en alle mogelijke maatregelen voor zijne vlucht te nemen.

Dinsdags, den 10en Juli 1584, wilde de prins, die zijne gemalin [10] aan den arm leidde, zich naar den maaltijd begeven; in het voorvertrek van de eetzaal ontmoette hij Geraerts, die hem om een paspoort verzocht. Het uiterlijk van den jongen man moest ongetwijfeld in het oog vallen, want de prinses vroeg angstig, wie die bleeke, gejaagde mensch was, en maakte de opmerking, dat zij nog nooit zulk een ongunstig gelaat gezien had als het zijne. Doch Oranje lachte om hare vrees; hij stelde zijne vrouw gerust, geleidde haar naar tafel en was onder den maaltijd, waaraan o. a. ook de burgemeester van Leeuwarden deelnam, opgeruimder dan ooit.

Na afloop van den maaltijd wilde de prins zich naar zijne bijzondere vertrekken begeven, hij was juist eenige treden van de naar beneden voerende trap afgedaald, toen Geraerts uit een donkeren schuilhoek ter zijde van die trap naar voren sprong. Op nauwelijks twee voet afstands richtte de moordenaar met koelbloedige juistheid zijn pistool op 's prinsen hart. Hij schoot en drie kogels troffen den prins; een dier kogels drong door het lichaam heen, vloog tegen den muur en stuitte daartegen terug.

Oranje gevoelde zich terstond doodelijk getroffen. "Mijn God! ontferm U over mijne ziel! Mijn God! ontferm U over dit arme volk!" riep hij uit. Het waren zijne laatste woorden. Hij zonk neer en zou ter aarde gevallen zijn, indien niet iemand uit zijn gevolg hem in zijne armen opgevangen had.

Men bracht den gewonde naar de eetzaal terug en legde hem hier op een rustbed neder. Doch eer men geneeskundige hulp had kunnen inroepen, blies hij in de armen zijner gade en zijner zuster den adem uit.

Terstond na het plegen van de euveldaad was de moordenaar op de vlucht gegaan. Met de grootste bedaardheid had hij daartoe alles in gereedheid gebracht. Nauwkeurig met al de toegangen tot 's prinsen woning bekend, gelukte het hem inderdaad te ontvluchten. Reeds had hij den wal, ja den rand der gracht bereikt, aan welker overzijde een gezadeld paard voor hem gereed stond, toen hij eensklaps struikelde. Dit kleine ongeval verijdelde zijne reddingsplannen. Toen hij weder wilde opspringen, werd hij door de dienaren des prinsen, die hem volgden, gegrepen en gevankelijk naar het slot teruggesleept.

Oogenblikkelijk nam men hem in verhoor. Hij wist, dat zijn leven verbeurd was, dat ontkennen hem niets baten zou, en wendde daartoe dan ook geene enkele poging aan. Met de grootste kalmte en koelbloedigheid onderwierp hij zich aan zijn lot. Hij beroemde zich op zijne daad, ja hij vergeleek zich met David, die Goliath gedood had. Toen men hem zeide, dat de prins niet dood, maar slechts zwaar gewond was, schudde hij spottend het hoofd, hij wist maar al te goed, dat zijn pistool met drie vergiftigde kogels geladen was geweest en dat hij het met onfeilbare juistheid op 's prinsen borst afgevuurd had. Op het verlangen zijner rechters schreef hij met eigene hand eene bekentenis, waarin hij niet alleen de uitvoering van den aanslag zelve, maar ook de maatregelen, voor en na den moord door hem genomen, en de beweegredenen zijner daad nauwkeurig mededeelde. Doch van de omstandigheid, dat Alexander Farnese van zijn plan geweten had, zeide hij niets. Hij verklaarde, dat hij de eenige schuldige was, en dat hij volstrekt geene medeplichtigen had.

Volgens de wetten van dien tijd moest de pijnbank worden aangewend, ten einde hem verdere bekentenissen te ontwringen. De eenige man, wiens wil dit misschien zou hebben verhinderd, Oranje, was niet meer in leven. De voorschriften der wet werden dus opgevolgd en wel op de wreedste wijze, want rechters en beulen schepten er een onmenschelijk genoegen in, den ellendigen moordenaar van den geliefden prins van Oranje te martelen.

Ook te midden dier martelingen legde Geraerts eene zoo buitengewone standvastigheid aan den dag, dat zijne beulen hem door den duivel bezeten waanden, eindelijk liet hij zich toch eene bekentenis afpersen; hij verhaalde zijne onderhandelingen met den Jezuïet te Trier, met pater Géry en met den heer van Assonleville, welke wij onzen lezers reeds meegedeeld hebben. Deze bekentenis zou zeker niet de geringste waarde bezitten, dewijl zij den moordenaar door de afschuwelijkste martelingen afgeperst was, indien niet hare waarheid door andere feiten bevestigd werd.

Het rechtsgeding werd met den in die dagen gewonen spoed ten einde gebracht. Reeds den 14en Juli werd de moordenaar ter dood gebracht. De uitvoering van zijn vonnis was geheel in overeenstemming met den barbaarschen geest dier tijden. Den veroordeelde werd in de eerste plaats de rechterhand tusschen een gloeiend wafelijzer afgeschroeid. Vervolgens scheurde men hem op zes verschillende plaatsen van het lichaam het vleesch van de beenderen; daarna sneed men den buik open, haalde de ingewanden er uit en hieuw het nog levende lichaam in vier stukken. Het nog trillende hart werd uit de borst gerukt en den stervende in het aangezicht gesmeten, wien men eindelijk het hoofd af hieuw.

Door deze afschuwelijke strafoefening poogden de rechters den dood te wreken van een man, die gedurende zijn gansche leven al zijne krachten ingespannen had om de ruwe zeden van zijnen tijd en van zijn volk te verzachten en de strengheid der wetten te temperen.

De wreedheid, waarmede de moordenaar door de Nederlanders gestraft werd, is nauwelijks minder afschuwelijk dan de blijdschap, welke Philips II over den dood van zijn slachtoffer aan den dag legde, en de mildheid, waarmede hij de erfgenamen des moordenaars voor diens euveldaad beloonde. Farnese deelde den koning mede, dat de ouders van den armen ter dood gebrachte nog in leven waren en dat het dus betamelijk was hun de belooning uit te betalen, welke de "edele daad" van hun zoon "zoo ten volle verdiende." En Philips betoonde zich dankbaar. Van de goederen van den vermoorde in Franche Comté schonk hij een gedeelte aan de ouders des moordenaars, wien hij eene plaats onder den adel des lands aanwees. Later bood de koning den oudsten zoon van Willem van Oranje de teruggave van deze bezittingen aan, onder voorwaarde, dat een deel der inkomsten aan de erfgenamen van den moordenaar zou worden uitgekeerd, doch hoewel Philips Willem, die in Spaansche gevangenschap opgegroeid was, in denkwijze en karakter een volbloed Spanjaard was geworden, wees hij dit aanbod van de hand.

Willem van Oranje was, toen het lood van den sluipmoordenaar hem trof, 51 jaar oud. Hij liet uit zijne vier huwelijken twaalf kinderen na en daaronder drie zoons, Philips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. Den 3en Augustus 1584 werd het lijk van den vermoorde te Delft plechtig ter aarde besteld. De geheele natie bedreef rouw over het verlies van den man, dien zij haren vader noemde. En waarlijk, zij had reden om te treuren! Met Willem van Oranje daalde de hoop, dat al de vereenigde Nederlanden als één onverdeeld rijk hunne vrijheid op de Spaansche overheerschers zouden veroveren, in het graf.

Alleen door 's prinsen verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, door zijne wijze staatkunde, zijn beleid en zijne geestkracht, was het tot dusver mogelijk geweest, de vaak uiteenloopende, ja tegenstrijdige belangen der verschillende provinciën met elkaar te verzoenen en de door afstamming, taal en godsdienst van elkander verschillende bewoners onder ééne banier te vereenigen. Wel had reeds in den laatsten tijd zijns levens zijne voorliefde voor Frankrijk hem in de zuidelijke gewesten vele vijanden verwekt, maar zijn naam en het vertrouwen op hem waren, in weerwil daarvan, te machtig dan dat het zijnen tegenstanders gelukt zou zijn, het verbond der zuidelijke Staten met de Unie geheel uit elkaar te doen spatten. Alleen Artois en Henegouwen hadden zich voor goed van de Unie losgemaakt. Zij erkenden de Spaansche heerschappij, de 15 overige provinciën volhardden in haren tegenstand.

Willem van Oranje heeft zich als grondlegger van de Nederlandsche vrijheid onsterfelijke verdiensten jegens het geheele menschdom verworven. Aan hem hebben wij het te danken, dat het beginsel van een verdrag tusschen vorst en volk, hetwelk de grond van alle latere omwentelingen en van de rechten des volks ook in de 19e eeuw is geworden, het eerst openlijk uitgesproken en in toepassing gebracht worden kon. Hoe heilzaam de stichting van de Nederlandsche republiek op de geestelijke ontwikkeling van alle Europeesche natiën gewerkt heeft, zullen wij in het vervolg onzer geschiedenis hebben aan te wijzen, wij besluiten daarom deze afdeeling der geschiedenis met een laatste woord van hulde en dank voor den grooten man, die, al was hij ook geen heilige, gelijk zijne blinde vereerders ons gaarne zouden doen gelooven, toch een der edelste vorstenzonen geweest is, die ooit geleefd hebben [11].

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. De zonen van den prins van Oranje. Graaf Maurits van Nassau. Treurige toestand des lands. Moedige verklaring der Staten. Vergadering van de Staten-Generaal. Aanstelling van den Staatsraad en van graaf Maurits van Nassau. Gent door de Spanjaarden hernomen. Verstandige zachtmoedigheid van Parma. Vruchtelooze onderhandelingen der Staten-Generaal met koning Hendrik III van Frankrijk. Groote voordeelen, door Parma behaald. Brussel ingenomen. De akademie te Franeker gesticht. Belegering van Antwerpen. Aldegonde's verdediging. Farnese's schipbrug en kanaal. Gianibelli's branders. Val van Mechelen en Antwerpen. Gevolgen van Antwerpen's val. De zuidelijke gewesten van de Unie losgemaakt. Verhuizing van de rijke protestanten naar Holland. Ondankbaarheid der Nederlanders jegens Aldegonde.