De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 23

Chapter 233,757 wordsPublic domain

Op Zondag den 18en Maart, den geboortedag van Anjou, had de prins van Oranje met een klein gezelschap het middagmaal gehouden; hij wilde zich met zijne gasten uit de eetzaal naar zijne bijzondere vertrekken begeven, toen hem in de voorzaal een bleek jonkman tegenkwam, die hem een verzoekschrift overhandigde. Juist toen Oranje het papier wilde aannemen, trok de vreemdeling een pistool te voorschijn en schoot het in de onmiddellijke nabijheid op 's prinsen hoofd af. Willem van Oranje, die een vreeselijke pijn gevoelde en door den kruitdamp verblind was, meende, dat hij eene doodelijke wonde had ontvangen. "Vermoordt hem niet; ik vergeef hem mijn dood!" riep hij. Maar zijn woord kwam te laat. Reeds hadden zijn gevolg en de lijfwachten zich op den moordenaar geworpen en hem doorboord.

De prins werd naar zijn slaapvertrek gebracht. Bij het onderzoek van de wond bleek het, dat deze hoogst gevaarlijk, maar nog niet doodelijk was. Wel was de slagader aan den hals gekwetst, maar door de hitte van het in zulk eene dichte nabijheid ontbrande kruit was de wond toegeschroeid en alzoo eene verbloeding voorgekomen. Het kakebeen was gedeeltelijk verbrijzeld, twee kiezen waren door den kogel meegenomen.

Het gerucht van den moordaanslag verbreidde zich schier oogenblikkelijk door geheel Antwerpen en bracht onder het volk eene onbeschrijfelijke verontwaardiging te weeg. "De prins is dood en zijn moordenaar is de held van den Bartholomeus-nacht, de moordenaar van Coligny, de hertog van Anjou, die zich op deze wijze van een lastigen mededinger ontslagen heeft!" riepen de burgers van Antwerpen elkaar toe. Zij brandden van begeerte om eene bloedige wraak op de Franschen te nemen en zouden het wellicht ook gedaan hebben zonder een nauwkeurig onderzoek af te wachten, indien hun niet terstond daarop was medegedeeld, dat de prins wel gewond, maar niet dood was, dat de moordaanslag niet van de Franschen, maar van de Spanjaarden was uitgegaan en dat het de eerste poging was om het banvonnis, door Philips II over Willem van Oranje geveld, ten uitvoer te leggen.

De bevolking van Antwerpen dankte deze gelukkig zoo snel verbreide mededeeling aan de kalme bezonnenheid van den jeugdigen graaf Maurits van Nassau, die als getuige van den op zijn vader gepleegden moordaanslag het besluit gevat had om den aanlegger der euveldaad te ontdekken.

De 15jarige knaap liet zich door de smart en den schrik niet van zijn stuk brengen. Zoodra hij zijn gewonden vader onder de hoede van trouwe vrienden en dienaars zag, vestigde hij zijne opmerkzaamheid op het lijk des moordenaars. Hij verliet het geen oogenblik, opdat niet door de misdadige hand van een medeplichtige den doode een papier, dat deze misschien bij zich droeg, ontnomen zou worden.

Het door 32 steken doorboorde lijk werd in een zijvertrek gebracht en nauwkeurig onderzocht. Werkelijk vond men papieren en andere voorwerpen, die de meestgewenschte inlichtingen omtrent de aanleggers van den moord gaven.

Bij den moordenaar vond men behalve een dolk, waarvan hij zich waarschijnlijk had willen bedienen, ingeval het pistool geweigerd had, o. a. een Agnus Dei, eene kaars van geele was, twee gedroogde padden, een gebedenboek, een Jezuïeten-catechismus, twee Spaansche wissels, een van 2000 en een van 877 kronen, en--het belangrijkste van alles--een zakboekje, uit welks aanteekeningen bleek, dat de schrijver doordrongen was van de vaste overtuiging, dat hij zich jegens de katholieke kerk en dus jegens de gansche menschheid hoogst verdienstelijk maken zou, indien het hem gelukte, den dwingeland uit den weg te ruimen. Alle papieren waren in het Spaansch geschreven.

Aldegonde, die bij het onderzoek tegenwoordig geweest was, haastte zich, den uitslag van zijne nasporingen aan den hertog van Anjou en de stedelijke overheid mee te deelen. Anjou riep terstond den Staatsraad bijeen en deze vaardigde eene proclamatie uit, waarin elk, die iets aangaande de misdaad of den misdadiger wist en niet terstond daarvan mededeeling deed aan de overheid, zonder genade met den dood bedreigd werd.

Het lijk van den moordenaar werd openlijk ten toon gesteld en weldra herkend als dat van een zekeren Jean Jaureguy, een jonkman, die in dienst gestaan had van een te Antwerpen gevestigd Spaansch koopman, met name Anastro.

De overheid gaf terstond bevel om Anastro in hechtenis te nemen, doch deze had reeds eenige dagen te voren Antwerpen verlaten onder voorwendsel, dat hij eene noodzakelijke handelsreis ondernemen moest. Zijn kassier Venero en een dominicaner monnik, Antonie Timmermans, die met Anastro zeer bevriend waren, werden gevangengenomen.

Het onderzoek werd met spoed voortgezet. Er werden brieven van den voortvluchtigen Anastro aan Venero onderschept, die de geheele samenzwering aan het licht brachten, en Venero, die thans begreep, dat eene ontkenning hem niet meer baten, maar hem alleen op de pijnbank brengen zou, kwam tot eene volledige bekentenis.

Anastro, wiens vermogen zeer achteruit was gegaan, had koning Philips II beloofd, den prins van Oranje uit den weg te ruimen. Tusschen hen was inderdaad een van weerszijden onderteekend en door den koning eigenhandig bezegeld verdrag tot stand gekomen, volgens hetwelk Anastro voor den moord 80.000 ducaten en brieven van adeldom ontvangen zou.

Te lafhartig om zijn eigen leven bij die euveldaad op het spel te zetten, had Anastro met behulp van Venero den dweepzieken Jean Jaureguy voor zijn plan weten te winnen.

Het proces tegen Venero en Timmermans duurde niet lang. Beiden bekenden, dat zij vooraf van de daad geweten en haar goedgekeurd hadden; zij werden ter dood veroordeeld en reeds den 28en Maart terechtgesteld. Op voorspraak van den prins van Oranje werd hun de genade bewezen, dat men hen eerst worgde, eer hun lichaam de vreeselijke, door de wet voorgeschreven verminkingen onderging.

Alexander Farnese had de tijding van den moordaanslag uit den mond van Anastro zelven vernomen, maar hij was daarbij in één belangrijk opzicht verkeerd ingelicht. Anastro toch, die de hem toegezegde belooning opeischte, had hem meegedeeld, dat de aanslag gelukt en de prins door een pistoolschot gedood was. In de blijdschap van zijn hart vaardigde Farnese eene proclamatie uit, waarin hij aan de voornaamste steden der Nederlanden mededeelde, dat zij van haren onderdrukker verlost waren; hij spoorde de burgers aan om thans eindelijk in de armen van hun wettigen vorst terug te keeren.

Deze proclamatie werkte natuurlijk niets uit, daar de onwaarheid van het daarin vermelde feit weldra algemeen bekend werd. Wel was de prins zwaar gewond, wel zweefde hij dagen lang als tusschen leven en dood, maar de onvermoeide zorgen zijner getrouwen en de bekwaamheid van een kundigen arts werden met de beste uitkomst bekroond.

Groot was de blijdschap over het mislukken van den moord; bovenal in Holland, waar de prins het voorwerp was van de innigste liefde, was zij onbeschrijfelijk. Thans lieten de Hollanders en Zeeuwen zich niet langer afwijzen: zij verlangden, dat de prins eindelijk de grafelijke waardigheid van Holland en Zeeland, niet slechts--gelijk in Juli 1581 geschied was--voor den duur van den krijg, maar voor altijd aannemen zou. De prins kon thans aan hun aandrang niet langer weerstand bieden. De voorwaarden, waarop hij die waardigheid aanvaardde en waarbij de meest mogelijke waarborgen voor de vrijheid der burgers werden verleend, werden inderdaad opgemaakt en bekrachtigd. Alleen de plechtige inhuldiging ontbrak nog, om aan de zaak haar beslag te geven, toen een andere aanslag--gelijk we later zien zullen--het geheele plan in duigen wierp.

De door Jaureguy gepleegde aanslag bleef niet de eenige. Terstond nadat de hertog van Anjou ook door Gelderland, Friesland en Vlaanderen gehuldigd was, werd de ontdekking gedaan, dat een Italiaan, Basa genaamd, en een Spanjaard, met name Salseda, samengezworen hadden om den prins van Oranje en den hertog van Anjou te vergiftigen. Beide samenzweerders werden gevangen genomen en bekenden hunne misdaad. Basa bracht zich zelven in de gevangenis om het leven. Salseda werd naar Parijs gevoerd en daar op eene vreeselijke wijze ter dood gebracht.

Een treurig licht werd op de ontaarding van den Nederlandschen adel geworpen door de ontdekking, dat ook Lamoraal van Egmond, een jongere zoon van den onthoofden graaf, in het moordplan betrokken was. Als vurig katholiek had hij zich met de schandelijke onderneming ingelaten, ten einde het land van den ketterschen prins van Oranje te bevrijden. Zijne schuld was onbetwistbaar, doch in weerwil hiervan werd zij bemanteld; men stelde den jeugdigen misdadiger na eene korte gevangenschap in vrijheid, onder voorwaarde, dat hij de Nederlanden verlaten zou: zijne verwantschap met het Fransche hof redde hem het leven.

Op het einde van het jaar 1582 [9] zag de hertog zich in de vereenigde Nederlanden overal als heerscher erkend; doch deze erkenning was volstrekt niet voldoende om zijne grenzenlooze eerzucht te bevredigen. Naar luid van de door hem geslotene verdragen was zijne macht zoo beperkt, dat de geringste daad van willekeur hem onmogelijk gemaakt was. Buitendien zag hij naast zich den prins van Oranje, wien hij wel zijne geheele waardigheid dankte, doch op wiens machtigen invloed hij toch zeer naijverig was. Hij kon zich niet ontveinzen, dat hij, hoewel hij den trotschen titel hertog van Brabant, graaf van Vlaanderen en heer van Friesland voerde, toch eigenlijk slechts de tweede rol in het land speelde en dat de prins van Oranje de eigenlijke regent was.

Frans van Anjou was te trotsch om, even als de aartshertog Matthias, over wien hij zich meermalen met de grootste minachting uitliet, zich met de schaduw der macht te vergenoegen. "Het betaamt eenen zoon van Frankrijk niet," placht hij te zeggen, "een nul in 't cijfer, een Matthias te zijn;" om de eeden, waarmee hij de vrijheden der Nederlanders bezworen had, bekommerde hij zich weinig: reeds bij het afleggen van die geloften had hij het plan gevormd om die te verbreken. Na korten tijd verdroot hem de beperkte heerschappij, die zijne eerzucht niet bevredigde, en besloot hij, òf de Nederlanden te verlaten òf eene regeering te vestigen, gelijk hij die alleen eenen vorst waardig achtte.

Anjou werd in zijne plannen versterkt door de eerzuchtige jonge Fransche edellieden, die hem als officieren der Fransche hulptroepen naar de Nederlanden gevolgd waren. Zijne Mignons--zoo werden zijne gunstelingen, evenals die van zijn koninklijken broeder, spottenderwijze genoemd--spoorden hem aan om dezen vermetelen Nederlanders eindelijk eens te toonen, dat zij de onderdanen en niet de meesters van hunnen vorst waren, en de hertog volgde hun raad op. In het begin van het jaar 1583 ontwierp hij, in overleg met hen, het plan om zich door één onverwachten en krachtig toegebrachten slag van de heerschappij over de belangrijkste provinciën te verzekeren.

In eenige aanzienlijke steden des lands moesten op denzelfden dag onlusten, oneenigheid tusschen de burgers en het garnizoen, verwekt werden, ten einde den Franschen een voorwendsel te geven om zich in die geschillen te mengen en zich van de vaste plaatsen meester te maken. Op deze wijze moesten Duinkerken, Gent, Brugge, Aalst en andere steden, maar in de eerste plaats Antwerpen ingenomen worden. Hier wilde de hertog de onderneming in persoon besturen.

Het plan was goed uitgedacht, doch werd niet zoo stipt uitgevoerd als noodig zou zijn geweest om het te doen gelukken. Den 15en Januari maakten de Fransche bevelhebbers zich van de steden Duinkerken, Ostende, Aalst en eenige andere kleine plaatsen meester; doch te Brugge en elders weigerde de burgerij den Franschen de poorten te ontsluiten. Juist de belangrijkste steden werden niet genomen.

Ook de aanslag op Antwerpen mislukte. Hier was de burgerij bijtijds gewaarschuwd. Een vermomd man--waarschijnlijk, naar zijne spraak te oordeelen, een Franschman, maar een persoonlijk vijand van Anjou--was des nachts op de hoofdwacht gekomen en had daar meegedeeld, dat de hertog een verraderlijken aanslag op de stad in den zin had.

Het gerucht van het gebeurde verbreidde zich den 16en Januari spoedig door de stad en vond des te gereeder ingang, daar de burgerij den hertog buitendien reeds wantrouwde. Ook de prins van Oranje werd er van onderricht. Wel verklaarde de prins, dat hij den hertog niet tot zulke verraderlijke plannen in staat achtte, maar hij ried toch voorzichtigheid aan; hij gaf bevel om de straten met ijzeren kettingen te versperren, voor alle huizen lantaarns te hangen en de bruggen vóór de poorten vroeger dan gewoonlijk op te halen, ten einde eene Fransche krijgsbende, die niet ver van Antwerpen gelegerd was, eene overrompeling der stad, indien zij daarop plan had, onmogelijk te maken. Ter zelfder tijd zond hij een der burgemeesters tot den hertog, om dezen kennis te geven van de ongunstige geruchten, die over hem in omloop waren.

Anjou betoonde zich zeer verontwaardigd over zulk een boosaardigen laster. Hij verklaarde plechtig, dat de gedachte aan zulk een schandelijk verraad nooit bij hem was opgekomen en dat hij met blijdschap zijn laatsten droppel bloeds voor de verdediging van Antwerpen vergieten zou.

Aan zulke woorden moest men wel geloof slaan en toen de hertog ze den volgenden morgen voor eene deputatie der overheid, met den prins van Oranje aan het hoofd, herhaalde en zelfs op zijn eerewoord beloofde, ten einde allen twijfel weg te nemen, de stad Antwerpen niet te verlaten, toen verdween inderdaad de bezorgdheid der burgers: zij lieten alle maatregelen van voorzorg varen en begaven zich des namiddags te één uur--de algemeene etenstijd te Antwerpen--aan tafel. De straten der groote stad waren--gelijk gewoonlijk omstreeks dezen tijd--geheel ontvolkt.

Hierop had Anjou gerekend. Te één uur verliet hij, aan het hoofd van zijn talrijk gevolg, de stad; de wacht opende voor hem gewillig de poort. Nauwelijks was dit geschied, of de hertog wendde zich tot zijn gevolg met den uitroep: "De stad is in uwe macht, neemt haar in bezit!" Hierop rende hij met losse teugels naar het nabij gelegen kamp der Fransche soldaten, die op het sein tot den aanval wachtten, terwijl zijn gevolg de poortwacht neerhieuw en zich zoowel van de poort als van de ophaalbrug meester maakte. Hierop stormden zij, gevolgd door hunne uit de legerplaats aangesnelde vrienden, de stad binnen, onder het uiten van de zegekreet: "De stad is gewonnen! Leve de mis! Leve de hertog van Anjou! Slaat dood! slaat dood! slaat dood!"

600 ruiters en 3000 fransche musketiers verspreidden zich eensklaps met woest getier door de straten van Antwerpen, zij braken in de winkels der juweliers en in de huizen der rijkste inwoners in, om te rooven en te plunderen; maar die hebzucht zou den Franschen weldra duur te staan komen.

De bij hun middagmaal verraste burgers grepen naar de wapenen. Zij stormden de huizen uit en verzamelden zich in aller ijl. De trompetten schalden; de kettingen werden door de straten gespannen. Alle klassen der bevolking, edelen en burgers, aanzienlijksten en geringe werklieden, katholieken en protestanten, vereenigden zich tegen de vermetele roovers en zwoeren elkaar, de stad tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Zelfs vrouwen en kinderen namen deel aan den strijd. Zij klommen op de daken en wierpen van daar steenen en zwaar huisraad op de door de straten stormende Franschen.

Deze, die zich van de overwinning reeds zeker waanden, zagen zich eensklaps door de gewapende bevolking der groote stad omsingeld, zij begrepen, dat zij met hun klein aantal niet tegen die geduchte overmacht waren opgewassen. Verschrikt door den ongedachten, ongunstigen afloop hunner onderneming, poogden zij terug te trekken, maar voor de meesten was het reeds te laat. Slechts weinigen gelukte het, zich door hunne vijanden heen te slaan, verreweg de meesten werden in de straten van Antwerpen neergehouwen of gevangen genomen.

De hertog van Anjou was buiten de stad vol schaamte en woede getuige van den noodlottigen afloop van zijn verraderlijken aanslag. Hij moest met zijne weinige getrouwen de vlucht nemen, om niet zelf als offer der verbittering van het verontwaardigde volk te vallen. Van de kleine legerbende, aan wier hoofd hij nog stond, verloor hij echter een groot deel op den terugtocht. Want de burgers van Mechelen staken, om hem op zijn marsch tegen te houden, een dijk door en brachten eene overstrooming te weeg, waarin niet minder dan 1000 Franschen den dood vonden.

Door zijn schandelijk verraad had Anjou alle achting en liefde der Nederlanders verloren. Toen hij bovendien, nadat hij zich in veiligheid gesteld had, een belachelijken trots aan den dag legde, van beleedigingen sprak, waarover hij wraak had moeten nemen, den Staten beloften deed, indien zij de oproerlingen tot onderwerping brachten, en daarentegen dreigde, dat het land er duur voor boeten zou, indien het hem weerstand durfde bieden, toen hij bij de daarop volgende onderhandelingen met de Staten den aanval op Antwerpen eerst deed voorkomen als volkomen gerechtvaardigd door beleedigingen, die men hem zou hebben aangedaan, en daarna weer als een gewoon soldatenoproer,--toen openbaarde zich onder alle standen zulk eene algemeene verachting voor den ellendigen vorst, dat de prins van Oranje bijna wanhoopte aan de mogelijkheid om den vrede te herstellen. En toch was dit in zijn oog dringend noodzakelijk.

Oranje was niet minder verontwaardigd over des hertogs trouweloosheid dan elk ander man van eer; maar als staatsman mocht hij aan zijn gevoel niet te veel toegeven.

Gevaarlijker dan ooit was juist op dat tijdstip in zijne schatting eene breuk met Frankrijk; noodiger dan ooit een vast verbond met dien naburigen staat. De moed en het zelfvertrouwen der burgers waren door den eindeloozen oorlog zoozeer verzwakt, dat Oranje op eene redding van de Nederlanders door eigen kracht niet langer durfde hopen. De staatkunde noopte hem dus om op nieuw met den hertog te onderhandelen, hoewel hij vernam, dat deze schaamteloos genoeg was om te gelijker tijd onderhandelingen met Alexander Farnese aan te knoopen, ja dat hij dezen aangeboden had, hem de Nederlanden over te laten, wanneer de Spaansche koning Frankrijk door den afstand van grensgewesten schadeloos stelde. Ook de Staten, hoe sterk eene verzoening met den hertog hun ook tegen de borst stuitte, wist Oranje te overtuigen dat zij hun natuurlijken afkeer van den verrader ter zijde moesten zetten en hij bracht hen, dewijl ook Elisabeth van Engeland dringend tot verzoening aanmaande, na veel moeite zoo ver, dat de bijna weer afgebroken onderhandelingen met den hertog op nieuw aangeknoopt werden en dat in de laatste dagen van Maart werkelijk eene schijnbare verzoening tot stand kwam. De Staten ontsloegen de binnen Antwerpen gevangen genomen Franschen, zij gaven den hertog de papieren en voorwerpen van waarde terug, welke hij bij zijne overhaaste vlucht achtergelaten had, en huldigden hem op nieuw. Hij beloofde van zijnen kant, de gesloten verdragen stipt te zullen naleven.

In weerwil van dit alles kon de hertog zich echter in de Nederlanden nooit weer eenigen invloed verwerven. Het gansche volk verachtte en haatte hem. Ook de hoop om door een nieuw verraad zijne eerzuchtig plannen te verwezenlijken, moest Anjou opgeven, want de Nederlanders waren thans gewaarschuwd en op hunne hoede. Hij had in het land, welks vorst hij heette, geen nul, geen Matthias willen zijn, maar door de poging om zijne macht uit te breiden was zijne verhouding veel treuriger geworden dan die van Matthias ooit geweest was.

Wat zou hij nog in de Nederlanden uitrichten? Hij smachtte naar het weelderige Parijs en in Juni 1583 verliet hij Duinkerken, om naar Frankrijk te vertrekken, nadat hij zoowel met den prins van Oranje als met de Staten zeer vriendelijke brieven gewisseld had.

Hij hoopte eenmaal terug te komen en met de hulp van een Fransch leger in de Nederlanden zoowel op de Spanjaarden als op de patriotten een rijk te veroveren, dat een zoon van Frankrijk waardig zou zijn. Maar het werd hem niet eens vergund de toebereidselen tot volvoering van dat plan te maken. Reeds den 10en Juni 1584 stierf hij te Chateau Thierry aan de gevolgen zijner uitspattingen.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Langzame voortzetting van den oorlog. Alexander Farnese's heldenmoed. Inneming van Oudenaarden. Onafgebroken uitbreiding der Spaansche macht. Ongunstige stemming jegens den prins van Oranje. Hooggeplaatste verraders. De graaf van den Berg. De prins van Chimay. Champagny en Hembyze. De samenzwering te Gent. Verlies van Brugge. Het noodlottige jaar 1584. Mislukte moordaanslag op den prins van Oranje. Balthasar Geraerts. Zijne onderhandelingen met Parma. Geraerts in dienst van Oranje. Willem van Oranje vermoord. Lot van den moordenaar. De erfgenamen van den moordenaar door Philips II beloond. Blik op de werkzaamheid van den prins van Oranje.

Willem van Oranje en de Nederlanders hadden bij het verkiezen van Anjou op eene krachtige ondersteuning van Frankrijk's zijde in den oorlog tegen Parma gerekend. Doch ook deze hoop was verijdeld. De hulp door Frankrijk verleend, beteekende zoo weinig, dat het den Nederlanders nergens gelukte, eenig voordeel op de Spanjaarden te behalen.

Het was voor hen een geluk, dat ook Parma niet in staat was om den strijd zoo krachtig door te zetten als hij wel gewenscht had. Het ontbrak hem aan geld, aan manschappen, aan levensmiddelen, kortom aan alles, wat hij tot het voeren van den oorlog noodig had, want Philips II liet ook hem, evenals zijne vroegere stadhouders, aan zijn lot over. Slechts zijn onwankelbaren moed, zijn beleid en zijne rotsvaste standvastigheid bezat Farnese en aan deze zijne persoonlijke hoedanigheden had hij het te danken, dat hij niet overwonnen werd, maar integendeel bestendige, schoon dan ook langzame vorderingen maakte, dat hij allengs een aantal belangrijke steden weer aan de Spaansche heerschappij onderwierp.

De veerkracht, door Parma in het voeren van den oorlog aan den dag gelegd, was inderdaad bewonderenswaardig; in persoon was hij overal tegenwoordig, waar het gevaar het grootste was; door zijn eigen met alle doodsgevaar spottenden heldenmoed ontvonkte hij zijne soldaten in geestdrift, door zijne onverbiddelijke gestrengheid dwong hij hen tot orde en tucht.

Toen er, tijdens het beleg van Oudenaarden in 1582, een oproer in zijne legerplaats uitbrak, wierp hij zich midden tusschen de muiters, één hunner stiet hij met eigen hand neer, de overigen liet hij door een regiment ruiterij omsingelen en twintig der schuldigsten ophangen; zóó dwong hij de muiters tot gehoorzaamheid.

Bij dezelfde belegering was hij op zekeren dag bezig met het oprichten van eene batterij tegen een zwak punt der vesting. Dewijl hij dit gewichtig werk geen oogenblik zonder opzicht wilde laten, liet hij zijn middagmaal op de batterij brengen. Juist gebruikte hij het in gezelschap van een aantal officieren, toen een uit de stad afgeschoten kogel over de tafel vloog en een jong officier, die naast hem zat, het hoofd wegnam. Een tweede, even juist gerichte kogel kostte een ander officier, die ook aan tafel zat, het leven.

Alle gasten des veldheers sprongen verschrikt op. Alleen Farnese bleef met eene onverstoorbare kalmte aan tafel zitten; hij beval, de door het bloed verontreinigde spijzen door anderen te vervangen en de lijken weg te dragen en verzocht daarop zijnen gasten, weer plaats te nemen. Zij moesten zijn wensch wel vervullen, hoewel zij aan dien gevaarvollen disch volstrekt niet op hun gemak waren.

De dapperheid en geestkracht van Farnese droegen rijke vruchten: Oudenaarden werd genomen en andere steden ondergingen hetzelfde lot. De Spaansche macht breidde zich wel langzaam maar onafgebroken in de Nederlanden uit.