De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 22
Wel zou hij het opperbevel over het leger behouden en zijne moeder, de hertogin, slechts het burgerlijk bewind voeren, doch zulk eene verkorting van zijne macht wilde hij zich niet laten welgevallen. Hij verklaarde, dat hij of de geheele of in 't geheel geene macht wilde bezitten, hij eischte zijn ontslag, indien men hem niet volle vrijheid van handelen liet.
De hertogin zwichtte voor de eischen van haren zoon. Zij zag zelve in, dat eene splitsing der macht slechts dienen zou om haar te ondermijnen. Zij vereenigde daarom hare bede met die van Farnese en verzocht van den koning verlof om naar Italië terug te keeren.
Philips II moest, hoewel dan ook na lang dralen, het verzoek zijner beide bloedverwanten inwilligen. Tegen het eind van het jaar 1581 bevestigde hij Farnese in zijne waardigheid als landvoogd der Nederlanden; alleen wenschte hij dat Margaretha nog in het land blijven zou, zonder echter eenige waardigheid te bekleeden. Margaretha willigde die begeerte in; eerst in den herfst van 1583 keerde zij naar Italië terug. Hare benoeming had den koning niet het minste voordeel aangebracht; integendeel, Farnese was daardoor meer dan eens in de volvoering van zijne plannen gedwarsboomd.
Intusschen was de prins van Oranje onvermoeid bezig geweest om dat wat hij niet op het oorlogstooneel bereiken kon, door gelukkige onderhandelingen te verwerven: juist dewijl het verraad onder de aanzienlijkste edelen in de verschillende provinciën hand over hand toenam, wijl de moedeloosheid en het gebrek aan veerkracht der verschillende standen met elken dag duidelijker aan het licht traden, was het noodig een beslissenden stap te doen, die ook den weifelenden voor altijd den terugtred afsnijden zou. Oranje drong derhalve op de beslissende en vormelijke afzwering van den Spaanschen koning aan, terwijl hij het echt-democratisch beginsel uitsprak, dat de betrekking tusschen vorst en volk op eene stilzwijgende overeenkomst berustte, dat de vorst alleen recht op zijne waardigheid bezat, wanneer hij zijne plichten vervulde, doch dat hij, ingeval hij dit niet deed, zijn recht verloren had; dan was de overeenkomst ontbonden en het volk niet langer tot gehoorzaamheid verplicht.
Het beginsel, waaruit in later eeuwen de Fransche omwenteling voortkomen zou, die de gedaante der wereld heeft veranderd, de leer, dat de vorst om het volk, niet het volk om den vorst bestaat, welke men gewoonlijk van de Fransche omwenteling afleidt, heeft het eerst in de Nederlanden haar toepassing gevonden, en heeft aan de Nederlandsche omwenteling haar ontstaan te danken. Haar komt alzoo de verdienste toe, het eerst de beschaafde wereld bevrijd te hebben van de boeien van het blinde geloof aan het vorstelijk geboorterecht en van de huldiging van het erfelijk koningschap door Gods genade. Zij is daardoor de moeder geworden van de grootsche beweging ten gunste der vrijheid, welke sinds dien tijd vroeger of later bij alle beschaafde volken ontstaan is, zonder echter tot op dezen dag haar doel volkomen bereikt te hebben.
Hoe krachtig Willem van Oranje ook op de plechtige en onherroepelijke afzwering van Philips II bij de Staten aandrong, hoe ijverig hij daartoe al zijn invloed aanwendde, toch dacht hij in de verte niet aan de vestiging van eene republiek. Het volk gevoelde noch in de Nederlanden, noch in de overige staten van Europa daarvoor de minste sympathie, het was door de kracht der gewoonte nog sterk aan den persoonlijken regeeringsvorm gehecht en Oranje was een veel te scherpzinnig staatsman dan dat hij zelfs eene poging had willen wagen om tegen den algemeenen stroom des tijds op te roeien. Hij zou het niet gedaan hebben, ook indien hij zelf van geestdrift voor de republiek geblaakt had; doch dit was evenmin het geval.
Hij wilde den vorsten de macht ontnemen om met despotieke willekeur de volken te overheerschen, doch het koningschap wilde hij handhaven als eene erfelijke waardigheid. Hij wilde de volksvrijheid op onwrikbare grondslagen vestigen, doch niet in eene republiek, maar in een staat, waarin de vorst slechts de erfelijke drager der hoogste, bevoorrechte waardigheid in eene vrije gemeenschap zou zijn.
Dit stelsel moest noodwendig voeren tot het verkiezen van een anderen vorst voor de Nederlanders, wanneer de vormelijke en besliste afzwering van Philips zou hebben plaats gehad.
Doch op wien zou die keuze van een nieuwen vorst vallen?
Op den aartshertog Matthias? Voor hem spraken zijne tegenwoordige waardigheid, zijne afkomst uit het Oostenrijksche huis, zijne verwantschap met den Duitschen keizer en zijne betrekking tot de Duitsche rijksvorsten. Doch tegen hem sprak nog veel luider dan dit alles zijne onbekwaamheid. Hij was niet in staat geweest om zich in de Nederlanden eene partij te vormen; juist zij, wien hij zijne waardigheid dankte, hadden hem het eerst den rug toegekeerd, ja hem geheel aan zijn lot overgelaten. Te midden der staatkundige verwarring van zijn tijd was hij een nul gebleven, een nul zonder macht of invloed. Slechts een weidschklinkenden titel bezat hij. De Nederlanders hadden als leider van hunne zaken een man van geestkracht en aanzien noodig, een vorst, die hun machtige bondgenooten aanbracht in den strijd tegen Philips II; ook hierop konden zij bij Matthias niet rekenen, want de keizer zou zijn bloedverwant, den koning van Spanje, nooit tot zijn vijand willen maken en de protestantsche rijksvorsten van Duitschland hadden reeds sinds lang getoond, dat zij geene geestdrift gevoelden voor de Nederlandsche omwenteling, die het Calvinisme, dat bij hen schier nog meer gehaat was dan het Katholicisme, op den troon geholpen had. Van de katholieke rijksvorsten daarentegen hadden de Nederlandsche ketters natuurlijk volstrekt geen hulp, maar een verbitterden tegenstand te wachten.
De aartshertog Matthias kwam derhalve niet ter sprake, en het zou niet onnatuurlijk zijn geweest, indien Willem van Oranje er aan gedacht had, de hand naar de koningskroon der Nederlanden uit te steken; hij kon althans rekenen op de trouwe liefde van een groot deel des volks, dat hem vol geestdrift Vader Willem noemde, ja de Hollanders en Zeeuwen hadden hem meermalen ronduit den wensch te kennen gegeven, dat hij dien belangrijken stap zou doen. Doch eene dergelijke eerzucht was beneden het karakter van Willem van Oranje. Had hij voor zich zelven aanspraak op de kroon gemaakt, dan zou hij althans een schijn van recht hebben bijgezet aan de verwijten, welke Philips II en zijne binnenlandsche vijanden, de katholieke edelen, tot hem richtten. Zij beweerden toch, dat hij slechts zijne persoonlijke belangen, niet het heil des lands voorstond. Al gevoelde Willem van Oranje bovendien in zich de kracht en den moed om een uitstekend vorst voor de Nederlanders te zijn, toch kon hij hun geene hulp van buiten aanbrengen. In dit opzicht waren zijne hulpmiddelen uitgeput. Hij stond geheel alleen, zijn vermogen was versmolten, hij had niet eens geld genoeg om huurtroepen aan te werven. Onder zulke omstandigheden zou het misschien niet onnatuurlijk zijn geweest, indien de prins den blik naar Engeland gewend, en voorgesteld had om der maagdelijke koningin Elisabeth de kroon der Nederlanden aan te bieden. Engeland toch was thans een protestantsch land, Engelsche troepen hadden in den laatsten tijd naast de Nederlandsche gestreden. Doch tegen Elisabeth getuigde de dubbelzinnige staatkunde, welke zij langen tijd ten aanzien van de Nederlandsche omwenteling gevolgd was, en hare voorzichtige terughouding, die het niet waarschijnlijk maakte, dat zij hare geheele macht tot bescherming van de provinciën op het spel zetten zou. Buitendien was het wellicht ook mogelijk, Elisabeth's hulp langs een anderen weg te verkrijgen.
Men sprak in die dagen veel over een huwelijk van de maagdelijke koningin met den hertog Frans van Anjou; de ontworpen echtverbintenis hield de diplomaten van alle landen bezig; kwam zij tot stand en werd de hertog van Anjou tot heer der Nederlanden herkozen, dan ontvingen deze de hulp van Frankrijk en Engeland.
Frans van Anjou droeg reeds den hoogdravenden titel: Beschermer van de Nederlandsche vrijheid, en men had hem reeds het uitzicht op de kroon dier landen geopend. Wel had hij tot dusver weinig of niets gedaan om zich dien titel waardig te maken, doch men mocht verwachten, dat hij ijveriger zijn zou, wanneer hij een onafhankelijk rijk verwerven kon. Frankrijk's hulp was voor de Nederlanden van een niet hoog genoeg te waardeeren belang; slaagde men er in, die te verkrijgen, dan zag Parma zich tegelijk in het Zuiden en in het Noorden bedreigd, dan waren de afvallige Waalsche provinciën ingesloten door eene vijandelijke macht, ja wellicht zouden zij dan aan het vaderland teruggeschonken worden, dewijl de Walen natuurlijk veel meer genegenheid voor de Franschen dan voor de Spanjaarden koesterden.
Op den hertog van Anjou vestigde Oranje derhalve het oog, hoewel hij het trouwloos karakter van den Franschen prins, zijne grenzenlooze, door geene uitstekende geestesgaven opgewogen eerzucht en zijne grove zedeloosheid zeer goed kende.
St. Aldegonde werd naar Frankrijk gezonden, om met den hertog te onderhandelen, terwijl Oranje zelf bij de Staten de afzetting van Philips II en de verkiezing van Anjou trachtte te bewerken.
De verbonden gewesten toonden zich daartoe bereid, alleen Holland en Zeeland maakten bezwaar; zij wilden niets van den Franschen prins weten en verlangden dat Willem van Oranje zelf, ten minste zoolang de oorlog duurde, de teugels des bewinds in handen nemen zou.
In weerwil van dezen tegenstand voerden de onderhandelingen met Anjou toch tot het voorgestelde doel en wel op voorwaarden, die de door eerzucht verblinde prins alleen aannam, omdat hij besloten had, geene enkele zijner beloften te vervullen. De Staten behielden zich voor, na des hertogs dood een zijner zonen naar welgevallen tot zijn opvolger te kiezen. Anjou verbond zich om alle privilegiën der gewesten ongeschonden te bewaren, en de Staten-Generaal ten minste eenmaal 's jaars bijeen te roepen en hun ook het recht toe te kennen om uit eigen beweging, zonder oproeping van des hertogs zijde, samen te komen. Nooit zouden de Nederlanden bij het Fransche koninkrijk ingelijfd worden, alle dienaars des hertogs en alle beambten zouden uit de Nederlanders gekozen worden, aan niet meer dan ten hoogste twee Franschen mocht hij eene plaats in den staatsraad geven. Holland en Zeeland zouden ten aanzien der godsdienst en van hun regeeringsvorm op den tegenwoordigen voet blijven. Frankrijk's hulp in den oorlog tegen Spanje werd, schoon dan ook in zeer algemeene en dubbelzinnige uitdrukkingen, toegezegd.
De gewichtigste bepaling intusschen, welke de Staten eischten en waaromtrent de hertog eerst na langdurige onderhandelingen toegaf, was deze, dat elke schending van het verdrag de Staten onmiddellijk ontslaan zou van den eed, welken zij den hertog zouden zweren: eene voorwaarde, waarbij het beginsel van het verdrag tusschen vorst en volk feitelijk werd toegepast.
Den 16en September 1580 werd het verdrag gesloten en in Januari 1581 te Bordeaux onder eede bekrachtigd. Toch duurde het nog maanden eer de geünieerde provinciën besluiten konden, eindelijk den beslissenden stap tot hare onafhankelijkheidsverklaring te doen.
Holland en Zeeland eischten voor zich onstuimig het recht om den prins van Oranje als hun vorst te proclameeren en Willem van Oranje moest na lang dralen eindelijk hunnen wensch inwilligen. Den 24en Juli 1581 zwoeren de Staten van Holland en Zeeland den prins den eed van trouw, twee dagen later, den 26en Juli 1581 vaardigden de in den Haag vergaderde Staten-Generaal der Vereenigde Gewesten de beroemde onafhankelijkheidsverklaring uit, welke den naam van afzweringsakte droeg.
Het was eene voor alle tijden hoogst belangrijke oorkonde. De Staten verklaarden, dat de vorst door God over zijne onderdanen gesteld was, om hen te beschermen en te hoeden, doch niet om hun slavendiensten op te leggen. Het volk was niet om den vorst, maar de vorst om het volk, zonder hetwelk er geen vorst wezen kon. Indien hij niet rechtvaardig en overeenkomstig de wetten regeerde, dan was hij een dwingeland, tot wiens afzetting zijne onderdanen en de Staten, als hunne vertegenwoordigers, gerechtigd waren. Deze mochten dan een ander in zijne plaats benoemen, indien hun geen ander middel overbleef om hunne aangeborene vrijheid te beschermen. De Staten waren dus voldoende gerechtvaardigd, wanneer zij, de wetten der natuur volgende, een vorst verlieten, die hen reeds sinds meer dan 20 jaren verlaten had; vastbesloten om de rechtsprivilegiën en vrijheden te verdedigen en zich aan de Spaansche slavernij te onttrekken, verklaarden zij, dat de souvereiniteit van den koning van Spanje vervallen, dat hij afgezet was en dat zij noch zijnen titel, noch zijn gezag langer zouden erkennen.
Drie dagen later, den 29en Juli 1581, vaardigde de vergadering eene oproeping aan alle beambten uit om den koning af te zweren en den eed van trouw aan de Staten af te leggen.
De aartshertog Matthias, wiens stelling in de Nederlanden, na de gevoerde onderhandelingen tusschen den hertog van Anjou en de Staten, geheel onhoudbaar geworden was, zag geene reden om langer in eene betrekking te blijven, die hem geene eer aanbrengen kon en hem hoogst pijnlijk geworden was. Hij trok zich naar Duitschland terug met den bescheiden roem, dat hij wel niets tot stand gebracht, maar zijn naam evenmin door verraad, wreedheid of dwingelandij bezoedeld had. De Staten betoonden hem hunne dankbaarheid hiervoor door hem een jaargeld van 50.000 gulden toe te leggen, welks uitbetaling echter aan stiptheid zeer veel te wenschen overliet.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
De Nederlanden. Wantrouwen tegen den hertog van Anjou. Ontzet van Kamerijk. Anjou dingt naar de hand van koningin Elisabeth van Engeland. Doornik ingenomen. Elisabeth's kuiperijen. Anjou in de Nederlanden met blijdschap ontvangen. Zijne inhuldiging te Antwerpen. Moordaanslag op Willem van Oranje. Maurits van Nassau. Zijne koelbloedigheid. Jean Jaureguy. Het onderzoek. Anastro. De medeplichtigen gestraft. Herhaalde plannen om Oranje te vermoorden. Egmond's medeplichtigheid. Verraderlijke plannen van Anjou. Slechte uitvoering. Anjou's verijdelde aanslag op Antwerpen. De Staten in schijn met den hertog verzoend. Anjou verlaat de Nederlanden. Zijn dood.
Het had den prins van Oranje veel moeite gekost, de Staten te bewegen tot de onderhandelingen met den hertog van Anjou, welker uitslag onze lezers kennen, en zelfs nadat zij afgeloopen waren, bleef toch juist bij de scherpzinnigste Nederlandsche staatslieden en ook in den boezem van het volk zelf een niet ongegrond wantrouwen jegens den Franschen prins bestaan.
De Calvinisten hadden het niet vergeten, dat Frans Hercules van Alençon, de meest geliefde zoon der bloeddorstige Catharina de Medici, zijne handen eens met het bloed der Fransche protestanten bevlekt had, zij konden niet gelooven, dat zijn haat jegens de ketters eensklaps uitgebluscht zou zijn. Evenmin vertrouwden zij zijne verzekering, dat hij de vrijheden der Nederlanders eerbiedigen en nooit eene poging wagen zou om de provinciën geheel met Frankrijk te verbinden.
Het luidst gaf men aan dit wantrouwen in Holland en Zeeland lucht. Het was de voornaamste oorzaak van het besluit dezer gewesten om zich afzonderlijk tot den prins van Oranje in eene onmiddellijke betrekking te stellen. Doch ook in de overige provinciën bleef het bestaan en het werd alleen voor korten tijd gesust door de verzekering van Frankrijk's vrienden, dat de Nederlanders alleen onder bescherming van Anjou hunne vrijheid verwerven konden, dewijl de hertog aan het zoo zwaar geteisterde land de ondersteuning van den koning van Frankrijk en van zijn machtig leger aanbracht.
Doch met deze ondersteuning zag het er tamelijk treurig uit. De koning was naijverig op zijn broeder; hij vreesde dat deze, zoodra hij zich slechts machtig genoeg voelde, hem gaarne van den Franschen troon verdringen zou, en hij gevoelde volstrekt geen lust om den koning van Spanje ter wille van zijn broeder rechtstreeks den oorlog te verklaren.
Toch liet Anjou de Nederlanders niet geheel zonder bijstand. In het midden van den zomer van 1581 verscheen hij aan het hoofd van 5000 edele cavaliers en 12000 man voetvolk voor Kamerijk en ontzette deze belangrijke stad, tot welker belegering Farnese juist aanstalten maakte. Alexander, te zwak om aan het Fransche leger het hoofd te bieden, moest in aller ijl het beleg opbreken en wendde zijne macht tegen Doornik.
Anjou voorzag de stad Kamerijk van levensmiddelen en versterkte haar garnizoen; doch daarmee meende hij ook genoeg gedaan te hebben. Hij dankte zijn leger af, de cavaliers keerden grootendeels naar Frankrijk terug, het voetvolk trad in dienst der Staten. Doch de hertog zelf reisde naar Engeland, om hier in persoon naar de hand van koningin Elisabeth te dingen.
Farnese kon na Anjou's vertrek ongestoord met het beleg van Doornik een aanvang maken. Hij hoopte op eene gemakkelijke zegepraal, dewijl de gouverneur der vesting, de prins d'Espinoy, zich op dat tijdstip niet daarbinnen bevond, en het opperbevel aan zijne gemalin, Maria van Lalaing, eene nicht van den onthoofden graaf van Hoorne, toevertrouwd had. De prinses bestuurde de verdediging met manlijken moed. Dagelijks verscheen zij op de wallen, zij trotseerde elk gevaar, zelfs toen zij eens gewond werd, liet zij zich niet bewegen om zich terug te trekken.
De prins wenschte vurig, Doornik te redden, doch te vergeefs poogde hij de Staten te bewegen om eene grootere krijgsmacht in het veld te brengen en dus moest hij alle hoop op het ontzet der stad laten varen.
Toen de tijding, dat de belegerden niet op ontzet hadden te rekenen, binnen Doornik aankwam, lieten de dappere verdedigers den moed zakken. De katholieke inwoners dreigden met openbaren opstand en zelfs de Calvinisten eischten overgave op eervolle voorwaarden, welke Farnese der prinses bereidvaardig toestond, ten einde zonder bloedvergieten meester van de stad te worden. Bij uitzondering hielden de Spanjaarden ditmaal hun woord. Zij lieten de prinses aan het hoofd der geheele bezetting met krijgseer uittrekken. Den 30en November deed Parma zijn intocht in de stad.
De prins van Oranje had intusschen de Staten dringend aangespoord om aan den onhoudbaren toestand eener tusschenregeering een einde te maken; hij wenschte vurig, dat de hertog van Anjou zich naar de Nederlanden begeven zou om het hem toegedachte bewind te aanvaarden en met alle kracht den strijd tegen de Spanjaarden te aanvaarden. Een gezantschap werd naar Engeland afgevaardigd; het moest den hertog uitnoodigen om zoo spoedig mogelijk de regeering van zijn land te aanvaarden. Toch verliepen er nog weken, ja maanden, eer Anjou dezen wensch inwilligde, hij meende namelijk, dat hij voor alles in persoon naar de hand van Elisabeth dingen moest, en daarmede vorderde hij weinig of niets.
De sluwe koningin wachtte zich wel, een bepaald antwoord te geven; zij nam het aanzoek des hertogs niet aan, maar verwierp het evenmin. Men zegt, dat Elisabeth zich wellicht tot het sluiten van dat huwelijk zou hebben laten bewegen, indien de hertog van Anjou niet al te leelijk was geweest, doch haar afkeer van zijn persoon woog zwaarder dan alle staatkundige overwegingen, die het aangaan van deze verbintenis raadzaam maakten. In weerwil hiervan zorgde Elisabeth, hem niet alle hoop te benemen, zij behandelde hem integendeel zeer vriendelijk en toen hij tegen het einde van het jaar 1581 aanstalten maakte om spoedig naar de Nederlanden te vertrekken, beloofde zij hem hare krachtige ondersteuning om het bewind over de provinciën te verwerven en stond zij zelfs toe, dat vele aanzienlijke Engelschen, onder anderen ook haar lieveling, de graaf van Leicester, hem derwaarts vergezelden.
Den 10en Februari 1581 wierpen 18 groote schepen, die den hertog van Anjou en zijn talrijk gevolg overbrachten, voor Vlissingen het anker uit. De hertog werd door eene deputatie der Staten-Generaal en door den prins van Oranje begroet; doch velen dier afgevaardigden, die hem voor het eerst zagen, gevoelden zich door zijn uiterlijk zóó teruggestooten, dat zij den ongunstigen indruk, welken de hertog op hen maakte, nooit konden overwinnen.
Frans Hercules, hertog van Anjou en Alençon, was toen eerst 28 jaar oud; maar zijn zwak en misvormd lichaam en zijne afgeleefde gelaatstrekken deden hem veel ouder schijnen. Zijn door de pokken geschonden gelaat was buitengewoon leelijk en die leelijkheid werd niet weinig verhoogd door den zonderlingen vorm van den neus, die er uitzag alsof hij in tweeën gespleten was. Zijn karakter was met zijn uiterlijk in overeenstemming; hij was zóó trouwloos, dat de Nederlanders later, toen zij hem beter hadden leeren kennen, schertsend van hem plachten te zeggen: het is niet meer dan natuurlijk, dat een man, die twee neuzen heeft, ook twee aangezichten vertoont.
Op den dag van zijne ontvangst en gedurende de eerstvolgende dagen vertoonde de hertog van Anjou intusschen slechts één gelaat, en wel het vriendelijkste en voorkomendste ter wereld. Den 17en Februari zeilde hij naar Antwerpen, de deputatie welke hem te Vlissingen ontvangen had, vergezelde hem derwaarts, ook een groot aantal edelen, die de nieuwsgierigheid naar Vlissingen gelokt had, volgde hem.
Volgens overoude gewoonte mocht de vorst des lands niet den voet in de oude handelsstad zetten, eer hij plechtig de vrijheden des lands bezworen had. De hertog schikte zich naar dit gebruik: voordat hij de stad binnentrad, verzekerde hij den trouwen Nederlanders, dat hij bereid was om den laatsten droppel bloeds voor de vrijheid van Brabant te vergieten, vervolgens zwoer hij den vereischten eed en ontving nu op zijne beurt den hertogshoed en den hermelijnen mantel, dien de prins van Oranje zelf hem omhing, en den huldigingseed der Brabanders.
Nadat deze plechtigheid afgeloopen was, en de herauten een regen van gouden en zilveren muntstukken op de ontelbare menigte hadden doen neerstroomen, schaarde het volk zich onder het aanheffen van den kreet: "Leve de hertog van Brabant!" tot een feestelijken stoet, om den nieuwen vorst in zijne eerste handelsstad binnen te leiden.
De kooplieden der Hansa, in hun oud-Duitsch kostuum, openden den trein, op hen volgden de Engelsche kooplieden in lang kostbaar fluweelen gewaad, de burgerweer met volle muziek, de eerste waardigheidsbekleders der stad en der provinciën met hun zwart gewaad en hun schitterenden gouden keten. Achter hen reed op een witten telganger de hertog van Anjou met zijn schitterend gevolg, bestaande uit de aanzienlijkste edelen van Engeland, Frankrijk en de Nederlanden. Onder deze vielen de schoone graaf van Leicester en prins Willem van Oranje met zijn zoon, graaf Maurits, toen een schoon jongeling van 15 jaar, in het oog. De oude Brabantsche schuttersgilden van den voet- en den handboog vormden des hertogs lijfwacht, op hem volgden een groot aantal edellieden, de lijfwacht van den prins van Oranje en de troepen. Het zonderlinge slot van den luisterrijken stoet vormden 300 geboeide misdadigers, wien de hertog, overeenkomstig het voor de plechtigheid ontworpen plan, aan den avond van dien dag genade zou schenken.
Langs den geheelen weg, dien de stoet had af te leggen, brandden fakkels, hoewel het op den vollen middag was.
Met zulk een praal hield de nieuwe hertog zijn intocht in Antwerpen en nog weken achtereen duurden de feesten voort, doch eensklaps zouden zij door eene treurige gebeurtenis worden afgebroken.