De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 21
Deze en dergelijke woorden moest Egmond aanhooren, zonder dat hij zich durfde wreken. Werkeloos moest hij alle smaad- en spotredenen opvangen, die hem naar het hoofd geworpen werden. Een geheelen dag en een geheelen nacht bracht hij in dezen vernederenden toestand door. Zijn hongerende troepen morden, zij wilden zich tegen hem verzetten, toen in den morgen van den 7en Juni het verrassend bericht kwam, dat het hem vergund was ongestraft Brussel te verlaten. Ongetwijfeld had de gedachte aan het groot aantal bloedverwanten en vrienden van den jongen graaf de Brusselaars tot die zachtmoedigheid bewogen. Gehoond door de burgers, bespot en onteerd verliet Philips van Egmond Brussel op den verjaardag van zijn vaders dood.
De belegering van Maastricht was intusschen door Alexander Farnese met de grootste krachtsinspanning voortgezet. Zij kostte den Spanjaarden vreeselijke offers, want bij elken storm werden zij door de dappere verdedigers met bebloede koppen teruggeslagen. Duizenden soldaten en vele officieren van hoogen rang [7] sneuvelden onder de muren der stad, die hardnekkig hare poorten voor den vijand gesloten hield, zij smaakten alleen de voldoening te weten, dat er voor de belegerden geene hoop op ontzet bestond.
Parma had zijne legerplaats voor Maastricht zóó sterk bevestigd, dat hij haar tegen eene groote overmacht had kunnen verdedigen, doch de prinsgezinden bezaten geene noemenswaardige krijgsmacht. De kleine krijgsbenden, welke Willlem van Oranje in het veld kon brengen, waren volstrekt niet bij machte om met goed gevolg een aanval op het verschanste kamp der Spanjaarden te doen.
Te vergeefs spoorde de prins van Oranje de Staten tot krachtig handelen, tot het beschikbaar stellen van aanzienlijke geldsommen, tot het lichten of aanwerven van meerdere troepen aan, ten einde de belangrijke stad Maastricht voor de Nederlanden te behouden. Al zijne bemoeiingen waren vruchteloos; zij werden deels door zijne vijanden, deels door de misplaatste spaarzaamheid en de besluiteloosheid der Staten verijdeld.
Dewijl de dappere verdedigers van Maastricht geen ontzet zagen opdagen, ja alle hoop daarop moesten laten varen, moesten zij ten slotte wel voor de overmacht zwichten. Hunne krachten werden door de onophoudelijke gevechten uitgeput, de schildwachten konden zich ter nauwernood meer op de been houden.
Den 29en Juni 1579 waren--gelijk dit wel meer plaats had--de schildwachten op de wallen in slaap gevallen. Een Spanjaard bemerkte dit en deelde het aan Farnese mede, die terstond bevel gaf om van dezen gunstigen oogenblik tot eene bestorming partij te trekken. Dit geschiedde en eer de slaapdronkene burgers recht wakker waren, zagen zij zich aangevallen door de Spanjaarden, wien zij niet langer het hoofd konden bieden.
De stad werd ingenomen en met die onmenschelijke wreedheid behandeld, welke de Spanjaarden gewoonlijk jegens de overwonnen steden aan den dag legden. Drie dagen lang duurde het moorden en toen Alexander Farnese zijn zegepralenden intocht in de veroverde stad hield, werd hij in een prachtigen statiezetel door zijne veteranen over de verminkte lijken der ontelbare vermoorden naar de kerk gedragen.
Men verhaalt, dat bijna de gansche bevolking der bloeiende stad door de over hunne groote verliezen woedende Spanjaarden uitgeroeid is; ook de weinigen, die het bloedbad overleefden, mochten niet in hunne vaderstad blijven, zij zetten zich elders neer en Maastricht werd eene woeste, alleen door de overwinnaars bewoonde plaats.
De val van Maastricht was een zware slag voor de Nederlanders, doch bijna nog grooter schade bracht de heerschappij van het gemeen, waarvan Gent getuige was, aan de zaak der vrijheid toe.
Slechts voor een korten tijd had de tusschenkomst van Oranje de rust daar hersteld; om haar voor goed te herstellen had hij Rijhove, Hembyze en een krachtig volksleider, Peter Datheen, een voormaligen monnik, onschadelijk moeten maken; doch hiertoe was hij niet in staat.
Reeds door zijne telkens herhaalde aanmaningen tot rust en orde had Oranje zich Hembyze en Datheen, die zijn invloed duchtten, tot vijanden gemaakt, zij beschuldigden hem namelijk, dat hij een vermomde papist en koningsgezinde was en dat hij met zijn godsdienstvrede slechts de katholieken had willen begunstigen.
Rijhove stelde zich wel tegen zijn vroegeren vriend Hembyze over, maar zijne poging om dezen ten val te brengen, mislukte en was daardoor schadelijk voor het aanzien van den prins, dat buitendien niet kon winnen door de ondersteuning van een met bloed bevlekten misdadiger, wiens misdaden tot dusver ongestraft waren gebleven.
Hembyze's moed klom tengevolge van dit alles. Vast besloten zich van de dictatuur binnen Gent meester te maken, stiet hij met de hulp van 2000 soldaten van zijn aanhang de stedelijke overheid van het kussen en stelde hij een nieuwen raad aan, dien hij zelf uit zijne blinde aanhangers en werktuigen benoemde. Door deze gesteund, heerschte hij te Gent zóó willekeurig, dat hij zich de geheele burgerij tot vijand maakte.
Slechts één man was in staat om de orde in de aan woeste regeeringloosheid prijsgegeven stad te herstellen: Willem van Oranje. Tot hem wendde zich een deel der burgerij en smeekte hem, naar Gent te komen. Hij willigde dit verzoek in, hoewel zijne vrienden hem verzochten, dat hij zich niet zou blootstellen aan het gevaar van door Hembyze en het Gentsche gepeupel vermoord te worden.
De verschijning van den prins te Gent deed eene schier tooverachtige uitwerking. Hembyze waagde geene enkele poging om tegenstand te bieden; hij verborg zich, ten einde te gelegener tijd te ontvluchten; maar hij werd ontdekt en gevangengenomen. Sidderend van doodsangst--want hij dacht stellig, dat men hem ophangen zou--verscheen hij voor den prins. Doch deze nam niet zulk eene onedele wraak op zijne vijanden. Hij gaf aan Hembyze en Datheen verlof om de stad te verlaten. Zij begaven zich naar hun ouden begunstiger Johan Casimir van de Palts, bij wien zij eene gastvrije ontvangst vonden.
Willem van Oranje vergenoegde zich met het herstellen van de orde binnen Gent. In de plaats van Hembyze's makkers stelde hij een nieuwen raad, dien hij op regelmatige, wettige wijze benoemen liet. Vervolgens keerde hij naar Antwerpen terug.
Zoo was binnen Gent de orde hersteld. Doch aan de zaak der vrijheid was eene diepe wonde toegebracht door het misbruik, dat een aantal harer onhandige en onwaardige vrienden van haar gemaakt hadden, door de uitspattingen, welke zij in haren naam hadden gepleegd.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Vredesonderhandelingen te Keulen. Tegenstrijdige eischen der beide partijen. Poging om Willem van Oranje te winnen. Zijne onomkoopbaarheid. Einde der onderhandelingen. Algemeen verraad. De graaf van Rennenberg. De oorlog van weerszijden slapjes voortgezet. Willem van Oranje vogelvrij verklaard. Benoeming van hertogin Margaretha tot landvoogdes. Margaretha en haar zoon. De hertogin trekt zich terug. Onderhandelingen van Willem van Oranje met den hertog van Anjou. De onafhankelijkheidsverklaring van 26 Juli 1581. Vertrek van den aartshertog Matthias.
De verovering van Maastricht was de eenige belangrijke gebeurtenis, die gedurende het jaar 1579 op het oorlogstooneel voorviel. Beide partijen ontbrak het aan geld; beiden trachtten bovendien meer langs den weg van onderhandelingen dan door middel van het zwaard hun doel te bereiken, en hiertoe bood een vredescongres, dat op bevel van keizer Rudolf bijeengeroepen was, ten einde koning Philips met de oproerige gewesten te verzoenen, hun de beste gelegenheid aan.
De keizer stelde als hoofd van het huis Oostenrijk het hoogste belang in het ten einde brengen van den oorlog. De meer dan dubbelzinnige verhouding, waarin de aartshertog Matthias zich in de Nederlanden bevond, dreigde oorzaak te worden van een breuk tusschen den Spaanschen en den Duitschen tak van het Oostenrijksche huis: dit gevaar moest de keizer trachten af te wenden. Daarom had hij reeds meermalen zijne bemiddeling aangeboden, ja had hij, hoewel tot dusver zonder goeden uitslag, daartoe eenige stappen gedaan. Eene nieuwe poging tot bereiking van zijn doel waagde hij thans, door een vredescongres te Keulen bijeen te roepen.
Het was eene schitterende vergadering, die daar bijeenkwam. Ook de paus had een legaat gezonden in den aartsbisschop van Rossano, die later, toen hij zelf paus werd, den naam Urbanus VII aannam. Aan het hoofd van een talrijk keizerlijk gezantschap stond graaf Otto van Schwarzenberg; koning Philips had den hertog van Terranova met vijf raden gezonden; de Staten-Generaal waren door den hertog van Aerschot en andere aanzienlijke Nederlanders vertegenwoordigd, ook de keurvorsten van Keulen en Trier en de bisschop van Würzburg namen deel aan het congres.
Bij de opening der vergadering scheen het uitzicht op het herstel van den vrede niet ongunstig; alle partijen waren den oorlog moede en geneigd om zich met elkander te verstaan.
Koning Philips II had reeds onnoemlijke groote offers gebracht, doch zonder daarvan eenige vrucht te plukken. De onderwerping van de opstandelingen lag nog steeds in een onafzienbaar verschiet. Hij wenschte oprecht naar den vrede en hij was volgaarne bereid om zich daarvoor eenig offer te getroosten, indien zij zich slechts schikten naar datgeen wat in zijn oog zóó billijk en rechtvaardig was, dat hij volstrekt maar niet begreep, waarom zijne vaderlijke aanbiedingen door de opstandelingen steeds met verontwaardiging van de hand werden gewezen. Hij verlangde immers zoo weinig! Niets eischte hij dan de volledige herstelling van de koninklijke rechten, de uitsluitende heerschappij van de katholieke kerk en de uitroeiing van de ketterij in de Nederlanden. Kon een koning minder vorderen? Philips was bereid om ten aanzien van alle bijzaken toe te geven, alleen in deze hoofdzaak niet.
Ook de Staten-Generaal waren den oorlog moede. Geen wonder waarlijk, want alle standen des volks smachtten naar het einde der door den langdurigen oorlog veroorzaakte verwarring; maar--eere den mannen, wien Alba dwaselijk den spotnaam botermenschen gegeven had!--de Nederlanders dachten er niet aan, den vrede te koopen door het schandelijk opofferen van hunne vrijheid, bovenal van hunne godsdienstvrijheid, waarvoor zij zóó lang de wapenen hadden gevoerd.
Wel trof men in de Staten der provinciën, in de gemeentebesturen en onder het volk zelf een tal van wankelmoedigen aan, die aan de eindelijke zegepraal der goede zaak wanhoopten en daarom het liefst op elke voorwaarde vrede gesloten zouden hebben, wel hadden ook de krachtigsten onder hen soms met een gevoel van moedeloosheid te kampen, wanneer zij zagen, hoe het bloeiende land verwoest, ja eene prooi van op buit beluste soldaten werd, hoe de als onuitputtelijk beschouwde schatten der Nederlanders dagelijks slonken, hoe handel en nijverheid kwijnden, en toch door den onzaligen krijg eigenlijk niets bereikt werd, doch indien zelfs bij deze krachtiger naturen somtijds de begeerte opkwam om vrede te sluiten tot elken prijs, indien zij in het toestaan van gelden zich nu en dan karig betoonden en daardoor het voortzetten van den oorlog bemoeilijkten, dan mogen wij hun daarvan toch waarlijk geen verwijt maken. Integendeel, wij hebben alle reden om die mannen te bewonderen, die telkens nieuwen moed schepten om hun ideaal te verwezenlijken, die telkens nieuwe offers voor hunne vrijheid en hunne godsdienst brachten. Doch bovenal komt de schatting onzer welgemeende hulde den grooten man toe, die de ziel der vrijheidsbeweging in de Nederlanden was, aan prins Willem van Oranje.
Zijne onwrikbare standvastigheid, zijne moedige volharding, zijne bereidvaardigheid om de zwaarste offers te brengen te midden van de moeilijkste, soms schier van wanhopige omstandigheden richtten de wankelenden weder op. Hij was het, die de Staten met geestdrift voor het voortzetten van den krijg bezielde, die de moedeloozen sterkte en hun hoop op de eindelijke zegepraal inboezemde, die hen bewoog om vast te houden aan hunne rechtmatige eischen. Willem van Oranje is in waarheid de grondlegger van de Nederlandsche vrijheid; aan hem voornamelijk heeft het nageslacht het te danken, dat de Nederlanders aan hunne beginselen trouw bleven en dat de vrijheid ten slotte eene overwinning behaalde, wier vruchten allen volken ten goede zouden komen!
Op aansporing van Willem van Oranje handhaafden de Staten-Generaal op het vredescongres te Keulen hunne oude eischen: de door des konings eed gewaarborgde vrijheden der provinciën en den godsdienstvrede.
Zoowel de Nederlanders als de koning stonden onwrikbaar op hun stuk; beider eischen konden niet met elkander in overeenstemming gebracht worden. Slechts één middel bestond er wellicht om den vrede tot stand te brengen: men moest trachten den prins van Oranje te winnen. Wanneer hij de Nederlanden verliet en naar Duitschland terugkeerde, dan verloren de Staten-Generaal hun hoofd en hart, dan was het fnuiken van hun tegenstand slechts eene kwestie van tijd.
De graaf van Schwarzenberg, de keizerlijke gevolmachtigde, deed den prins van Oranje de schitterendste aanbiedingen. Hij beloofde hem niet alleen invrijheidstelling van zijn gevangenen zoon, teruggave van al zijne verbeurd verklaarde goederen, betaling van al zijne schulden en van alle voorgeschoten gelden, maar bovendien--wanneer hij dit verkiezen mocht--de ruimste vergoeding in Duitsch grondgebied, benevens een millioen in klinkende munt.
Kon een mensch aan zulke verzoekingen weerstand bieden? Hoe gemakkelijk het viel, in die dagen groote heeren om te koopen, had de laatste tijd in schitterende voorbeelden bewezen. Wanneer een Montigny, een de la Motte, een Caprez, wanneer zelfs een burggraaf van Gent zich door Spaansch geld lieten verleiden, wanneer een Egmond den dood zijns vaders vergeten kon en zelfs een hertog van Aerschot zich overhalen liet om met den hertog van Terranova geheime onderhandelingen over het verraden van zijn vaderland aan te knoopen, gelijk thans het geval was,--dan konden de meer schitterende aanbiedingen, den prins van Oranje gedaan, hun doel niet missen.
IJdele poging! "De geschiedenis," zegt een schrijver zeer juist en schoon, "heeft althans eens te boekstaven, dat er een mensch geweest is, om wien om te koopen de koningen niet rijk genoeg waren." De prins van Oranje sloeg al die aanbiedingen met verachting af; toen men hem echter verweet, dat zijn persoon alleen het struikelblok was voor het sluiten van een eervollen vrede, verklaarde hij den Staten-Generaal, dat hij bereid was om al zijne ambten en waardigheden vrijwillig neer te leggen en dat hij volvaardig den man gehoorzamen zou, dien zij in zijne plaats zouden benoemen.
Dewijl de beide partijen lijnrecht tegen elkander over stonden en van geene toegevendheid wilden weten, moest het congres te Keulen, hoewel de onderhandelingen maanden lang gerekt werden, wel vruchteloos afloopen. Veel tijd en veel woorden werden bij de beraadslagingen, veel geld en veel wijn bij de schitterende feesten nutteloos verspild, en het congres ging uit elkaar. Het had alleen eenig voordeel opgeleverd voor enkele Nederlandsche edelen, zooals de hertog van Aerschot, die in 't geheim vrede sloot met koning Philips.
Het verraad speelde in dien tijd over 't algemeen eene groote en bedroevende rol. Alexander Farnese bracht den Nederlanders grooter schade toe door het omkoopen van staatsche bevelhebbers, zelfs van dezulken, die tot dusver de ijverigste aanhangers van den prins van Oranje waren geweest, dan door zijne wapenfeiten, dewijl de oorlog slechts zeer slap gevoerd werd. Het was immers veel gemakkelijker en ook veel goedkooper, de bevelhebbers van sterke plaatsen met eene groote som om te koopen dan een leger voor zulke vestingen te voeren, ten einde die te belegeren en te veroveren.
Indien wij deze treurige geschiedenis in al hare bijzonderheden wilden verhalen, zouden wij vele namen van oude, beroemde, thans nog levende geslachten moeten noemen. Doch waartoe de herinnering van zooveel schande vernieuwd? Slechts van één man willen wij spreken, wiens afval den prins van Oranje bijzonder griefde.
De graaf George van Rennenberg was de jongere broeder van den overleden graaf van Hoogstraten. De prins van Oranje had op den nog jeugdigen man de vriendschap overgebracht, welke hij eens voor diens broeder gekoesterd had; hij hield Rennenberg voor den trouwsten der trouwen.
De graaf bekleedde een belangrijken post. Hij was stadhouder van Friesland, Drenthe en hield Groningen, de voornaamste sterkte in deze provinciën, bezet.
Reeds in November 1579 verbreidde zich het gerucht, dat Rennenberg, een ijverig katholiek, zich aan de Spanjaarden verkocht had; de prins geloofde het niet, doch het was maar al te gegrond, en weldra ontving hij voor de juistheid daarvan onomstootelijke bewijzen. Rennenberg had inderdaad op de dringende beden zijner zuster voor eene ellendige handvol goud zijne eer ten offer gebracht en beloofd, Groningen aan de Spanjaarden over te zullen leveren.
Het gevaar was groot. Oranje vatte derhalve het voornemen op om zich in persoon naar Groningen te begeven, ten einde het verraad voor te komen. Doch eer hij dit plan kon verwezenlijken, had de graaf zijn schandelijke opzet reeds volvoerd.
Den 3en Maart 1580 had Rennenberg de aanzienlijkste familiën van Groningen op een schitterend feest uitgenoodigd. Onder de gasten bevond zich ook de burgemeester Hildebrand, een oud vriend van den graaf. Hij achtte het zijn plicht, dezen mee te deelen, dat er ongunstige geruchten te zijnen aanzien verbreid werden.
"Mijn beste oude vriend, dien ik meer liefheb dan een vader, kunt ook gij mij verdenken? Ik bid u, vertrouw mij en vrees niets!" Met deze woorden drukte Rennenberg de hand des burgemeesters zóó trouwhartig, dat deze het als verraad jegens de vriendschap beschouwde nog langer eenigen twijfel te koesteren.
Nog denzelfden nacht liet de graaf de invloedrijkste aanhangers van den prins door zijne handlangers in hechtenis nemen. Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, liet hij de voornaamste pleinen en straten door een hoop omgekocht gespuis bezetten, aan wiens hoofd hij zelf zich plaatste. Door het rumoer gewekt, snelden de leden der stedelijke overheid, en onder hen ook de burgemeester Hildebrand, naar het stadhuis. Hildebrand wendde zich tot Rennenberg, die geharnast op het plein stond, doch eer hij nog een woord spreken kon, was hij door een pistoolschot van een aanhanger des graven levenloos aan diens voeten uitgestrekt. Een paar dagen later vaardigde Rennenberg eene proclamatie uit, waarin hij verklaarde, dat de stad Groningen tot gehoorzaamheid aan den koning teruggekeerd was. [8]
Het verraad van vele aanzienlijke bevelhebbers der staatsche troepen, de lauwheid der Staten, die niet dan aarzelend de noodzakelijkste geldmiddelen toestonden en het daardoor den prins van Oranje onmogelijk maakten, krachtige aanvallen op den sterken vijand te doen, het gebrek aan goede aanvoerders aan de zijde der Nederlanders, hetwelk zich dagelijks meer deed gevoelen, dewijl de staatschen in de gevechten met de geoefende Spanjaarden meestal het onderspit delfden, dit alles deed ook bij de vurigste voorstanders der vrijheid de hoop op zegepraal verflauwen. Wanneer zelfs Oranje's broeder, graaf Jan van Nassau, de zaak opgaf en in het midden van het jaar 1580 de Nederlanden verliet, moesten anderen wel geheel wanhopen en natuurlijk groeide het aantal der verraders daardoor des te sneller aan.
De Spanjaarden behaalden dagelijks nieuwe voordeelen en Alexander Farnese zou wellicht in staat zijn geweest om de oproerige gewesten spoedig te onderwerpen, indien Philips II hem slechts krachtig ondersteund had en zoo hij niet genoodzaakt was geweest om zijne Spaansche krijgsmacht te verzwakken, ten einde zich van de Waalsche gewesten te verzekeren.
Bovendien beging Philips tot geluk der Nederlanders, nog vele andere staatkundige misslagen, die, in plaats van der omwenteling te schaden--gelijk de koning wenschte--er integendeel toe bijdroegen om haar te bevorderen.
Was het hem niet gelukt, den prins van Oranje door omkooping te winnen, thans waagde hij, op Granvelle's raad, de dwaze poging om hem door bedreiging schrik aan te jagen. De prins had bij het Spaansche hof den naam, dat het hem aan persoonlijken moed ontbrak; op zijne vermeende lafheid bouwde de koning zijne verdere plannen.
Den 15en Maart 1580 vaardigde Philips II tegen den prins van Oranje den ban uit. In dit beruchte stuk, dat intusschen eerst in Juni werd openbaar gemaakt, werden alle vermeende euveldaden des prinsen opgesomd. "Daarom"--zoo luidde het verder--"verklaren wij hem voor een verrader en een booswicht, voor onzen vijand en dien des lands.------Wij vergunnen een ieder, hem aan lijf of goederen te beschadigen. En zoo iemand, hetzij een onzer onderdanen of een vreemdeling, vroom en edelmoedig genoeg gevonden mocht worden om ons van deze pest te verlossen en hem ons dood of levend uit te leveren, of wel hem het leven te benemen, dan zullen wij hem onmiddellijk na het verrichten van die daad vijf en twintig duizend gouden kroonen doen uitbetalen; en zoo hij eenig misdrijf mocht gepleegd hebben, hoe groot ook, beloven wij hem dat te vergeven; en zoo hij niet reeds van adel is, zullen wij hem om zijne vroomheid tot den adelstand verheffen."
Door deze schitterende beloften hoopte Philips, volgens Granvelle's raad, geldgierige en eerzuchtige sluipmoordenaars op den prins van Oranje aan te hitsen en dezen zulk een doodsangst in te boezemen, dat hij vrijwillig de Nederlanden zou verlaten, waar zijn leven dagelijks bedreigd werd.
Het aangewende middel werkte juist het tegenovergestelde uit van hetgeen men verwacht had. Willem van Oranje was geen lafaard, hij had in de laatste jaren zoo dikwijls een bijna zekeren dood met de grootste kalmte onder de oogen gezien; hij was zoo volkomen bereid om zijn leven, zoo noodig, ten offer te brengen aan de groote zaak, waaraan hij zich gewijd had, dat vrees voor lage sluipmoordenaars hem niet kon verschrikken. Het banvonnis des konings gaf hem een verweerschrift in de pen, dat hij aan de Europeesche hoven rondzond en bovendien openbaar maken liet. Op welsprekende wijze verdedigde hij daarin zijn karakter en zijne handelingen tegen de op hem gelegde blaam, ja hij deed die beschuldiging van eedbreuk en huichelarij op het hoofd van den koning zelven terugvallen.
Zijne aanhangers schaarden zich des te nauwer rondom hem om hem te beschermen, dewijl zij wisten, dat hij onophoudelijk in gevaar zweefde.
Niet minder dwaas was een andere staatkundige stap, welken Philips II insgelijks in dienzelfden tijd deed. Hij herinnerde zich, hoezeer de Nederlanders eens het vertrek der landvoogdes Margaretha van Parma betreurd hadden. Hij kende den staat van zaken in de Nederlanden zóó weinig, dat hij geen flauw begrip had van de bron, waaruit de droefheid over Margaretha's ontslag in die dagen voortgevloeid was, dat zij namelijk niet uit waardeering van hare verdiensten, maar alleen uit vrees voor haren opvolger Alba was voortgekomen.
De koning meende, dat hij niets te doen had dan de hertogin in hare vroegere waardigheid te herstellen, om het vuur van den opstand van zelf te zien verdooven, en dat het grootste deel des volks zich met blijdschap aan de zijde der hertogin scharen zou. Hij beval haar daarom, naar de Nederlanden terug te keeren.
In Augustus 1580 kwam Margaretha van Parma te Namen aan. Doch hare komst verwekte in de Nederlanden niet de minste geestdrift, zij maakte alleen den toorn van Alexander Farnese in de hoogste mate gaande.
Farnese had tot dusver met zulk een gunstigen uitslag zijn ambt bekleed, hij was zóó vast overtuigd, dat hij, wanneer hij maar de handen vrij had en door den koning behoorlijk met voldoende geldmiddelen ondersteund werd, er in slagen zou, den opstand der Nederlanders te fnuiken, dat hij zich thans diep gekrenkt gevoelde.