De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 20

Chapter 203,598 wordsPublic domain

Dat hij in weerwil van zijn vurigen moed eene groote mate van geduld bezat, toonde hij terstond na het aanvaarden van zijne moeilijke taak. Hij wilde zich volstrekt niet overhaasten, ten einde van den uitslag zeker te zijn.

De omstandigheden waren voor zulk een geslepen staatsman, als Alexander Farnese was, toen buitengemeen gunstig.

De katholieke edelen waar door de bewonderenswaardige staatkunde van den prins van Oranje weer van de vrucht hunner bemoeiingen beroofd. De macht van den ketterschen leider der omwenteling was door den hertog van Anjou evenmin gefnuikt als vroeger door den aartshertog Matthias. Zij gevoelden derhalve eene sterke neiging om met de koning van Spanje vrede te sluiten, wanneer zij dit op gunstige voorwaarden konden doen. Al hadden zij ook half gedwongen hunne toestemming tot den godsdienstvrede geschonken, toch konden zij zich niet verhelen, dat deze veel meer den ketters dan hun ten goede komen zou, zij vreesden,--en wellicht niet geheel ten onrechte--dat de vrucht van de godsdienstvrede eindelijk de heerschappij der hervorming in het geheele land zou zijn.

Zoo dachten in de zuidelijke, Waalsche provinciën ook de menigvuldige priesters en een deel der katholieke bevolking, dat op de ketters zeer gebeten was. Het aantal der malcontenten groeide met den dag aan en op meer dan ééne plaats kwam het tot bloedige botsingen tusschen de godsdienstige partijen. De malcontenten vervolgden de Calvinisten, die in grooten getale uit de ballingschap waren teruggekeerd, terwijl aan den anderen kant ook deze, die de macht in handen hadden, het niet aan daden van geweld jegens de katholieken lieten ontbreken.

Tengevolge van dit alles heerschte in de Nederlanden eene bedroevende regeeringloosheid, die nog vermeerderd werd door de talrijke huurbenden, die op eigen gezag roofden en plunderden, dewijl zij niet regelmatig hunne soldij ontvingen. Ook de door de Staten aangeworven huurtroepen hielden huis als in eens vijands land.

De bevolking der Waalsche provinciën, die in taal, afkomst, zeden en godsdienst zoo hemelsbreed van het Germaansche Noorden verschilden, moesten wel bedenkelijk het hoofd schudden over de vruchten, welke de pas verworven vrijheid droeg. Niet alleen zagen de Walen zich aan de aanslagen der losbandige huurtroepen blootgesteld, maar zij achtten zich, in weerwil van den godsdienstvrede, in hunne godsdienstige overtuiging bedreigd. Of zagen zij niet met hunne oogen, hoe binnen Gent de omwentelingspartij hare zegepraal tot vervolging van de katholieken en tot het plegen van schandelijke daden van geweld misbruikte?

Ryhove en Hembyze, de aanvoerders dier partij, hadden zich binnen Gent eene schier onbeperkte macht verworven; zij voerden het bewind in naam van den prins van Oranje, wiens verklaarde aanhanger Ryhove was. Toch waren zij volstrekt niet gezind om de bevelen op te volgen, welke de prins hun gaf, allerminst hadden zij lust om--gelijk de prins eischte--de gevangene katholieken in vrijheid te stellen.

Onder deze gevangenen bevond zich--gelijk we reeds meedeelden--ook een voormalig lid van Alba's bloedraad, dezelfde Jacob Hessels, die, wanneer hij gedurende de zittingen van den raad ingedommeld was en wakker gemaakt werd, nooit een ander vonnis velde dan: "naar de galg!"

Hessels was Ryhove's persoonlijke vijand; hij had bij zijn grijzen baard gezworen, dat hij niet zou rusten, eer hij dezen bandiet aan de galg gebracht had, en zijn verleden was borg, dat hij zijn woord gestand zou doen, zoodra hij daartoe de macht zou bezitten.

In de eerste dagen van October 1578 ontving Ryhove bevel om uit te rukken tegen eene schaar malcontenten, die zich in de nabijheid van Kortrijk vereenigd had. Doch hij had vast besloten, Gent niet te verlaten, zoolang Hessels en een andere gevangene, die insgelijks zijn persoonlijke vijand was, de voormalige staatsprocureur Visch, in leven waren. Hij vreesde namelijk, dat deze mannen gedurende zijne afwezigheid in vrijheid gesteld en later voor hem gevaarlijk zouden worden.

Den 4en October 1578 haalde hij de beide gevangenen uit hun kerker en liet hen op een door gewapenden begeleiden wagen buiten de poort voeren. Niet ver van de stad hield de wagen op Ryhove's bevel stil, de gevangenen moesten afklimmen en nu kondigde Ryhove hun aan, dat zij terstond aan den naasten boom opgehangen zouden worden. Hij bespotte daarbij op eene schandelijke wijze den ouden Hessels naar aanleiding van diens eed, ja hij ging zoover, dat hij hem op de laaghartigste wijze mishandelde, door hem met de vuist in den baard te grijpen en daar een handvol grijze haren uit te rukken, welke hij, als teeken van wraak, in plaats van een veder, op zijn hoed stak! Onder wreede spotredenen volgden zijne gezellen het voorbeeld van hun onwaardigen aanvoerder; vervolgens werden de beide ongelukkigen aan den naastbijstaanden boom opgehangen.

Hessels en Visch, doch vooral de eerstgenoemde, verdienden ongetwijfeld den dood, en was die straf tengevolge van een wettig rechterlijk vonnis aan hen voltrokken, dan zou hun lot door weinigen beklaagd zijn. Doch thans vielen zij als de slachtoffers van eene schandelijke, persoonlijke wraakoefening. Ryhove, het hoofd der Gentsche omwentelingspartij, de vriend van Oranje, had hen zonder vorm van proces omgebracht en zijne misdaad bleef ongestraft, want de prins bezat geen macht genoeg om hem zijn ongenoegen te doen gevoelen. Was het wonder, dat de malcontenten luide om wraak riepen, dat zij de afgrijselijke misdaad, door dien éénen man gepleegd, als een voorwendsel aangrepen om ook van hunne zijde dergelijke wreedheden jegens de protestanten te verontschuldigen, en dat de woedende Gentenaars op hunne beurt weer wraak namen door de katholieke priesters te mishandelen en de kloosters te plunderen?

Het bloedige zaad bracht bloedige vruchten voort. De wederzijdsche haat der partijen groeide aan, van beide kanten werden telkens nieuwe misdaden bedreven. Den prins van Oranje, wiens vurigste wensch het was, de geheele Nederlandsche natie in het bezit der vrijheid te stellen en haar, door den band der godsdienstige verdraagzaamheid omsnoerd, als één man tegen den gemeenschappelijken vijand ten strijde te voeren, ontbraken de middelen om zijn heerlijk, voor dien tijd al te schoon ideaal te verwezenlijken.

Te vergeefs trachtte de prins de Gentenaars door goede woorden tot rust te brengen, zijne pogingen baatten niets. In het begin van December 1578 brak er zelfs een nieuwe opstand uit, die een algemeenen beeldstorm en andere gewelddadigheden ten gevolge had.

De bevolking van Gent vierde des te onbeschroomder den teugel aan hare hartstocht, dewijl zij zich beveiligd wist door den paltsgraaf Johan Casimir die, door de hoop op de gravenkroon van Vlaanderen geprikkeld, met hen gemeene zaak maakte.

De prins van Oranje zag deze telkens herhaalde tooneelen van ruw geweld met diepe bekommering aan, dewijl zij de kloof, die buitendien tusschen de katholieken en de protestanten, tusschen de Waalsche en de Germaansche provinciën reeds gaapte, dagelijks dieper maakte. Hij besloot in persoon naar Gent te reizen, ten einde daar den vrede te herstellen. Zijne vrienden waarschuwden hem; zij vreesden dat hij door het woedend gemeen vermoord zou worden, maar hij verachtte elk gevaar, waar het er op aan kwam, tot bereiking van het groote doel zijns levens werkzaam te zijn.

Den 24en December 1578 kwam hij te Gent aan. Hij had eene hoogst moeilijke taak te volvoeren. Noch Johan Casimir, noch Hembyze en diens aanhangers mocht hij zich tot vijand maken; hij moest het grootst mogelijk beleid aanwenden om een godsdienstvrede tot stand te brengen. Doch aan zijne wegslepende overredingskracht gelukte dit; den 27en December werd de vrede tusschen de beide godsdienstige partijen binnen Gent afgekondigd.

De vruchten, welke de prins van dezen stap plukte, waren echter niet duurzaam. De Walen en malcontenten dachten er niet aan, zich door het nederleggen van de wapenen weerloos in de macht der ketters over te leveren en evenmin wilden de Gentsche revolutionairen afstand doen van de macht, welke zij bezaten.

De partijtwist duurde voort en de macht der katholieken groeide aan, toen Johan Casimir, wien het aan geld ontbrak om zijne morrende huurtroepen tot rust te brengen, die bovendien door koningin Elisabeth overladen werd met verwijten over de onwaardige rol, welke hij gespeeld had, het werkelooze leven in de Nederlanden moede werd. Hij zag zich hier niet langer een veld voor zijne eerzucht geopend; daarom liet hij zijne huurtroepen aan hun lot over en keerde voorloopig naar Duitschland terug.

Evenzoo handelde ook de hertog van Anjou, die insgelijks de Nederlanden verliet, omdat hij zijne eerzuchtige plannen niet zoo spoedig verwezenlijkt zag als hij gehoopt had. Natuurlijk maakten de door hunne aanvoerders verlatene huurtroepen van hunne vrijheid gebruik om in het ongelukkige land, tot welks bescherming zij aangeworven waren, naar hartelust te rooven en te plunderen. Hunne misdaden werden door de katholieken natuurlijk op rekening gesteld van den prins van Oranje, ofschoon zoowel de protestanten als de katholieken daarvan de slachtoffers waren.

Alexander Farnese zag met blijdschap, hoe de tweespalt der kerkelijke partijen steeds dieper wortelen schoot, hoe de haat van den katholieken adel en de geestelijkheid dagelijks bitterder werd, en hij verstond meesterlijk de kunst om dat vuur aan te blazen. Hij spaarde noch vleierijen noch geld om de aanzienlijke katholieke heeren tot de Spaansche partij over te halen en het door hem gestrooide zaad viel in een vruchtbaren grond.

Heimelijk onderhandelde hij met den baron van Montigny, met den heer de la Motte, den bevelhebber van Grevelingen, met den stadhouder van Artois, Capres, en met den burggraaf van Gent, die hij door omkooping en door de belofte van aanzienlijke eerambten langzamerhand voor zich won. Zijne agenten en vooral de katholieke geestelijken hadden het reeds veel vroeger zoover gebracht, dat de Waalsche provinciën het besluit namen om tegen de hand over hand toenemende macht van het protestantisme een afzonderlijk verbond aan te gaan. Den 6en Januari 1579 werd het verbond der Waalsche gewesten Artois, Henegouwen en Douay tot handhaving van de katholieke godsdienst te Atrecht gesloten. Wel steunde dit verbond nog altijd op de pacificatie van Gent en rukten de drie gewesten zich in schijn nog niet van het verbond der gezamenlijke Nederlanden los, doch inderdaad werden daardoor de Waalsche provinciën van de overige Nederlanden afgescheurd en werd haar overgang tot de Spaansche partij daardoor voorbereid.

De prins van Oranje was een te scherpzinnig staatsman om door het verbond van Atrecht verrast te worden. Reeds sinds lang had hij begrepen, dat de afval der Walen niet verhinderd kon worden, en hij spande derhalve in stilte al zijne krachten in om een tegenbond der Noordelijke provinciën tot stand te brengen. Hij zelf kon tot bereiking van dit doel geene openlijke stappen doen, indien hij niet alle katholieken der Nederlanden tegen zich in het harnas wilde jagen, maar hij droeg de onderhandelingen hierover op aan zijn broeder, graaf Jan van Nassau-Dietz, zijn trouwen helper, dien hij met het stadhouderschap over Gelderland bekleedde.

Na langdurige beraadslagingen en herhaalde bijeenkomsten werd eindelijk het groote werk tot stand gebracht: graaf Jan van Nassau zag zijne moeite rijkelijk door de uitkomst beloond.

Den 23en Januari 1579 onderteekenden de afgevaardigden van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland met Zutfen en de Groninger Ommelanden te Utrecht de beroemde Unie, waartoe in den loop des jaars nog Friesland, Overijssel en de steden Groningen, Gent en Antwerpen toetraden.

De Unie van Utrecht wordt te recht als de hoeksteen van het gebouw der republiek der Vereenigde Nederlanden beschouwd; zij is daarom een der gewichtigste geschiedkundige oorkonden van dien tijd, hoewel zij nog altijd met geen enkel woord van de stichting eener republiek repte, maar integendeel de pacificatie van Gent en alzoo de verplichting tot trouw aan den Spaanschen koning bleef handhaven. De belangrijkste bepalingen, welke de 26 artikelen der Unie bevatten, waren vooreerst de verplichting der voor altijd verbonden provinciën om zich tot wederzijdsche verdediging tegen de koninklijke troepen te vereenigen, vervolgens de volledige vrijheid, aan Holland en Zeeland toegestaan, om hunne godsdienstige aangelegenheden naar eigen goeddunken te regelen en de herstelling van de godsdienstvrijheid in de overige gewesten. Graaf Jan van Nassau onderteekende als stadhouder van Gelderland en Zutfen het eerst de beroemde oorkonde; op hem volgden de overige afgevaardigden. Willem van Oranje, de eigenlijke ontwerper der Unie, onderteekende haar eerst den 3en Mei 1579, nadat zijne hoop aan het verbond grootere uitbreiding te geven, verijdeld was.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Belegering van Maastricht. Dappere verdediging der burgerij. Farnese's geslepene staatkunde, zijn bondgenootschap met de Waalsche provinciën. Egmond's verraad te Brussel. Overrompeling van Maastricht. Het bloedbad. De orde binnen Gent hersteld.

Al had Alexander Farnese een juisten blik op de tijdsomstandigheden geworpen en zijn ongeduld beteugeld, ten einde niet door ontijdige stappen den voor de Spaansche heerschappij zoo gunstigen loop der gebeurtenissen in de Waalsche provinciën te stremmen, toch had hij daarom niet stil gezeten. Integendeel, hij had alle mogelijke maatregelen genomen om den strijd te hervatten. Thans, nu alles tot eene verzoening van de katholieke partij met den koning voorbereid was, kon hij haar slechts bespoedigen, wanneer het hem gelukte, door een schitterend wapenfeit der omwenteling een gevoeligen slag toe te brengen.

Den 2en Maart 1579 ondernam Farnese een schijnaanval op Antwerpen; hij werd afgeslagen, doch juist hierop had hij gerekend. Hij had namelijk dien aanval alleen ondernomen om de opmerkzaamheid zijner vijanden van zijn eigenlijk doel af te leiden en dit gelukte hem volkomen. Tien dagen nadat hij voor Antwerpen verschenen was, vertoonde hij zich eensklaps voor Maastricht, ten einde deze belangrijke vesting, die den middenloop der Maas beheerschte, te belegeren.

Maastricht was eene sterke vesting; zij vormde den sleutel der verbinding van de Nederlanden met Duitschland. Indien de Nederlanders Farnese's plan hadden kunnen gissen, zouden zij in de gewichtige stad een sterke bezetting gelegd hebben, doch dit was niet gebeurd. Daar binnen bevonden zich slechts ongeveer 1000 man soldaten--Franschen, Engelschen en Schotten--en buitendien een burgerwacht van ongeveer 1200 man en 3 tot 4000 landlieden uit den omtrek, die voor de Spanjaarden gevlucht waren. Ook deze bereidden zich moedig tot de verdediging voor, maar zij waren grootendeels slecht gewapend.

Tegen deze zoo zwakke bezetting voerde Parnese een leger van 20.000 man aan, waarmee hij de vesting zoo nauw insloot dat hij alle gemeenschap der belegerden met de buitenwereld afsneed. Hij wierp eene sterk verschanste legerplaats op, ten einde alle pogingen tot ontzet vooraf te verijdelen, en trok buitendien dagelijks nieuwe troepen tot zich, zoodat de belegeraars binnen korten tijd ongeveer 30.000 man sterk waren.

Indien Farnese op grond van zijne overmacht op eene spoedige zegepraal gehoopt had, dan zag hij zich deerlijk bedrogen. Hij ontmoette een even onverwachten als dapperen tegenstand. Soldaten, burgers en landlieden gingen een edelen wedstrijd aan om de vesting tegen de gehate Spanjaarden te verdedigen, zelfs de vrouwen namen deel aan den strijd. Zij vochten even dapper als de mannen. Toen na zware verliezen, tengevolge van de wel dapper afgeslagene, maar telkens herhaalde bestormingen, het garnizoen den moed liet zakken, verklaarden de burgers en boeren met de dappere vrouwen, dat zij zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen en het garnizoen onschadelijk maken zouden, indien dit nog een woord van overgave durfde reppen. Zij deelden iets van hun eigen heldenmoed aan de soldaten mede en deze trachtten van nu af door dubbele dapperheid te doen vergeten, dat zij voor een oogenblik den moed opgegeven hadden.

Terwijl voor Maastricht dagelijks gevochten werd, was Farnese onvermoeid bezig om de Waalsche provinciën door beloften en vleierijen geheel van de noordelijke te scheiden. Gemakkelijk ging dit echter niet, want nog altijd was bij een groot deel der Walen de haat tegen de Spanjaarden niet uitgeroeid; zij hadden zich slechts bij het verbond van Atrecht aangesloten, om de heerschappij der katholieke kerk in het land te handhaven.

De Walen beweerden, dat zij bij het sluiten van dat verbond aan de pacificatie van Gent trouw gebleven waren, ja dat zij juist de daarin uitgedrukte beginselen krachtig handhaafden, terwijl aan den anderen kant de leden der Unie van Utrecht en de Staten-generaal zich insgelijks op de pacificatie van Gent beriepen, welke alzoo beiden partijen tot leuze diende.

Van dit verschil der Nederlanders, dat Alexander Farnese zoo juist van pas kwam, trok deze meesterlijk partij. Hij vaardigde een stuk aan de Staten-Generaal uit, waarin hij van hen de handhaving van de pacificatie van Gent eischte, en verklaarde, dat deze door de Walen stipt geëerbiedigd werd.

Hierdoor vleide hij de Waalsche provinciën, wien hij bereidvaardig alles inwilligde wat zij verlangden. Dewijl hij hetzelfde doel voor oogen had als zij, namelijk de alleenheerschappij der katholieke kerk in de Nederlanden, deed hij des te eerder de schitterendste beloften, tot welker vervulling hij buitendien niet genoodzaakt worden kon. Hij verzekerde,--en zijn woord werd door den koning bekrachtigd--dat de provinciën in het bezit van al hunne vrijheden en voorrechten hersteld en de Spaansche troepen uit het land verwijderd zouden worden, zoodra een Nederlandsch leger tot bescherming van den katholieken eeredienst gevormd was.

Te vergeefs waarschuwde Willem van Oranje de Walen tegen de trouwloosheid en woordbreuk der Spanjaarden. De beloften van Farnese vonden geloof, hiervoor zorgde de ijverige katholieke geestelijkheid en de omgekochte katholieke adel, die geheel de zijde der Spanjaarden gekozen had; hiervoor zorgde Farnese zelf, die al zijne beminlijke hoedanigheden aanwendde om zich bij de Walen populair te maken.

Tegen het einde van April 1579 verscheen een talrijk gezantschap uit de Waalsche provinciën in de legerplaats voor Maastricht, om met Farnese in persoon te onderhandelen. Eene schitterende ontvangst viel den afgevaardigden ten deel. Farnese gedroeg zich jegens hen zóó minzaam en voorkomend, dat hij hen in verrukking bracht.

Kort daarop, in Mei 1579, kwam een voorloopig verdrag tot stand, waarbij de Waalsche provinciën zich opnieuw aan de koninklijke macht onderwierpen, onder voorwaarde, dat al hunne privilegiën geëerbiedigd en de Spaansche troepen verwijderd zouden worden.

Nog eens bezwoer Willem van Oranje de Walen, dat zij niet ontrouw zouden worden aan het gemeenschappelijk vaderland. Doch het was te laat! De beslissende stap was gedaan, de Nederlanden waren in twee deelen gesplitst, die voortaan in bittere vijandschap tegenover elkander staan zouden.

Het absolutisme had eene schitterende overwinning behaald, ja, maar eene overwinning, die ten slotte voordeelig bleek voor de verdere ontwikkeling der vrijheid.

Zou de republiek der Vereenigde Nederlanden ooit zulk een trap van bloei bereikt hebben, als nu tot heil der menschheid het geval was, wanneer men bij elken stap op den weg der vrijheid de dweepzieke katholieke bevolking der Waalsche provinciën angstig naar de oogen had moeten zien? Was het niet een voordeel, dat in 't vervolg de protestanten, de meest ontwikkelde en welvarende burgers van die gewesten, zich in het Noorden vestigen moesten? Vlocht niet juist deze scheiding om de Nederlanders, die aan de zaak der vrijheid trouw waren gebleven, een nog hechter eendrachtsband en prikkelde zij hen niet tot verdubbelde krachtsinspanning?

Al deze zegenrijke gevolgen der scheiding kwamen intusschen eerst later aan het licht; in dien tijd werd die afval der Walen beschouwd als de zwaarste slag, die de Nederlandsche vrijheid treffen kon. De voorstanders van het onbeperkt koninklijk gezag en de dweepzieke katholieken juichten, de protestanten daarentegen waren niet bij machte om hunne verontwaardiging in te toomen. Te Antwerpen, te Utrecht en in andere steden vielen tooneelen van geweld, ja bloedige demonstraties tegen de katholieken voor. Te Brussel daarentegen putte een jong, eerzuchtig edelman uit deze zegepraal der katholieke partij den moed tot eene poging om de hoofdstad des lands weder aan de zijde van den Spaanschen koning te brengen.

Philips, graaf van Egmond, de oudste zoon van den onthoofden Lamoraal, had de gebreken, maar niet de talenten van zijn vader geërfd. De ijdele, eerzuchtige man brandde van begeerte om eene belangrijker rol te spelen, dan waarop zijne middelmatige bekwaamheden hem recht gaven. Naijverig op de macht van den prins van Oranje wilde hij dezen nog des te liever ten val brengen, dewijl hij, een streng katholiek, den protestantschen leider der omwenteling haatte.

Egmond kommandeerde een in den dienst der staten staand regiment, dat in de nabijheid van Brussel gelegerd was. Hij vormde het avontuurlijk plan om de stad te bemachtigen en haar aan den koning van Spanje over te geven, wiens genade hij zich door het bewijzen van zulk een belangrijken dienst hoopte te verwerven.

In den vroegen morgen van den 4en Juni 1579 trok Egmond aan het hoofd van zijn regiment Brussel binnen; hij voerde zijne soldaten naar de groote markt, in het midden der stad, naar dezelfde markt, waar den 5en Juni 1568 het hoofd zijns vaders gevallen was als slachtoffer van de dwingelandij diens konings, wien hij thans de stad verraderlijk wilde overleveren.

Het regiment werd in slagorde geschaard en eene afdeeling naar het slot gezonden, om dit te bezetten.

Doch de aanslag mislukte. Reeds had de bevelhebber van Brussel, ter rechter tijd gewaarschuwd, de soldaten der bezetting onder de wapenen geroepen en het slot bezet. De kleine door Egmond afgezonden bende werd gevangen genomen.

Het gerucht van Egmond's verraad verbreidde zich met bliksemsnelheid door de stad. De burgers vlogen te wapen, trokken naar de markt en wierpen in alle straten, die daarop uitliepen, barrikaden op. Eer Egmond iets bespeurd had van het gevaar, waarin hij verkeerde, was elke uitweg hem reeds versperd. Waarheen hij zich ook wenden mocht, overal ontwaarde hij door gewapende burgers bezette, wel in aller ijl opgeworpene, maar toch sterke bolwerken voor zich. Hij was met zijn regiment op de groote markt gevangen.

Egmond verkeerde in een pijnlijken en vernederenden toestand. Hij durfde de barrikaden niet aanvallen, dewijl hij dan zelf in den rug zou worden aangetast: ook moest hij thans, nu geheel Brussel tegen hem onder de wapenen stond, alle hoop op een gunstigen uitslag opgeven. Hij moest het lijdelijk aanzien, dat de burgers hem van de barrikaden hoonden, "Hij is zeker gekomen", zeiden ze, "om het hoofd zijns vaders te zoeken en den verjaardag van diens onthoofding te vieren. Laat hem maar eenige straatsteenen voor zijne voeten uit den grond halen, dan zal hij het bloed vinden van den edelen, waardigen martelaar, dat tegen den ontaarden zoon ten hemel schreit."