De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 2
Philips II was in het jaar 1549 op bevel zijns vaders voor de eerste maal in de Nederlanden verschenen, om daar de erfhuldiging, gelijk zij den troonopvolger placht geschonken te worden, te ontvangen, en had bij die gelegenheid den eed, dat hij de rechten en vrijheden des volks handhaven zou, zonder eenig voorbehoud afgelegd. De Nederlanders onthaalden hem met schitterende feesten; zij verheugden zich over die beloften van hun toekomstigen vorst des te meer, dewijl Karel V bij deze gelegenheid met toestemming der staten verklaarde, dat de Nederlanden voortaan een ondeelbaar rijk onder éénen vorst vormen zoude. Doch voor dien vorst zelven konden zij geene genegenheid gevoelen.
Met een ijskoud gelaat, met trotsche minachting zag Philips II op al die uitingen van de volksvreugde neer. Hij kon niet besluiten, vriendelijk en voorkomend te zijn; de koude, teruggetrokkene, vormelijke Spanjaard bleef hij ook bij die gelegenheid, de eerste, die hem aangeboden werd om zich onder zijn toekomstig volk aanhangers te verwerven.
Zijne geheele persoonlijkheid maakte een zeer ongunstigen indruk; ook hij zelf gevoelde zich in de Nederlanden niet tehuis en keerde spoedig naar Spanje terug.
Philips' later gevolgd huwelijk met de streng katholieke koningin Maria van Engeland droeg er evenmin toe bij om hem bemind te maken. Nadat Philips, door den afstand zijns vaders, als zelfstandig vorst opgetreden was, deed hij niets om de liefde des volks te winnen, ja hij kwetste bijna opzettelijk de eigenaardige denkbeelden en gewoonten der burgers. Zijn hofstoet was voor negen tienden uit Spanjaarden samengesteld, slechts vijftien of zestien hovelingen behoorden tot andere natiën. Hij kende den haat, welke de Nederlanders den Spanjaarden toedroegen, en toch stelde hij zijn geheelen raad uit Spanjaarden samen, dewijl deze natie de eenige was, die hij achtte en met wie hij op den duur kon omgaan.
Eene zijner eerste regeeringsdaden was de vernieuwing van het plakaat van het jaar 1550; hij deed dit op raad van den bisschop van Arras, Granvelle, wiens vader kanselier van Karel V geweest was. Granvelle had reeds van den keizer eene groote mate van vertrouwen genoten; ook Philips vertrouwde hem ten volle en zonder aarzelen ging hij tot de vernieuwing van het door zijn vader uitgevaardigde placaat over, dewijl men hem--gelijk Granvelle hem deed opmerken--dan niet kon verwijten, dat hij iets nieuws had ingevoerd. Doch reeds waren de tijden grootelijks veranderd. Hoewel de koning beval, dat het placaat van 1550 in al zijne gestrengheid toegepast zou worden, hoewel hij alle nalatige beambten met onmiddellijk ontslag en zelfs met strenge straffen bedreigde, werd toch de vervolging van de ketters in den eerstvolgenden tijd met groote lauwheid voortgezet. In Holland kwam het volk openlijk tegen het plakaat in verzet; te Antwerpen weigerde men, het af te kondigen, in Brabant en in andere deelen des lands werden protesten daartegen openbaar gemaakt.
Philips moest voorshands zulk eene ongehoorzaamheid dulden, want hij had geld noodig. Hij wilde zijne nieuwe provinciën niet door al te gestrenge maatregelen tegen zich in het harnas jagen, daar hij voor de oorlogen, welke hij bij het aanvaarden van de regeering zoowel tegen den paus als tegen Frankrijk voeren moest, de ondersteuning der Nederlanders zoowel in geld als in manschappen noodig had.
Zijne verdraagzaamheid en inschikkelijkheid droegen de gewenschte vruchten: de Nederlanders stonden hem gewillig de vereischte gelden toe, de edelen des lands trokken naar zijn leger en hun--voornamelijk den dapperen graaf Lamoraal van Egmond--dankte de koning zijne overwinning bij St. Quentin en Grevelingen, waarop weldra de vrede van Cateau-Cambresis volgde.
Groot was de vreugde der Nederlanders over het sluiten van den vrede; deze gebeurtenis werd door hen met schitterende feesten gevierd; het arme volk wist niet, dat Philips voornamelijk dien vrede gesloten had ten einde de handen tot uitroeiing van de ketters geheel vrij te hebben!
Philips had besloten naar Spanje terug te keeren; nooit had hij de Nederlanders bemind; het was hem ondragelijk hier langer te vertoeven, waar zijne macht door eene soort van staatsregeling beperkt was. Van Spanje uit wilde hij de uitvoering van zijne plannen besturen. Zijne tegenwoordigheid in deze gewesten zou daartoe niets gebaat, integendeel, die allicht verhinderd hebben.
Onmiddellijk na den vrede van Cateau-Cambresis hield Philips zich derhalve bezig met de regeling van de toekomstige regeering des lands en met de toebereidselen voor zijn vertrek. Tot landvoogdes en regentes der Nederlanden gedurende zijne afwezigheid benoemde hij zijne halfzuster Margaretha, hertogin van Parma; hij stelde haar drie collegies ter zijde: den staatsraad, die over oorlog en vrede, over de belastingen en andere gewichtige aangelegenheden beraadslagen moest; den geheimen raad, wien de rechtszaken en de wetgeving toevertrouwd waren, en den raad van finantiën, die alles moest behandelen wat met de geldmiddelen in verband stond. Doch al deze drie waren geene beslissende, maar slechts raadgevende lichamen, met wier voorlichting de hertogin, zoo zij wilde, haar voordeel konde doen, doch aan wier gevoelen zij niet gebonden was. Tot voorzitter van den raad van finantiën werd de baron van Barlaimont, tot voorzitter van den geheimen raad, die uit een twaalftal geleerden bestond, Viglius van Zuichem van Aytta benoemd. In den staatsraad, het belangrijkste lichaam, kregen zitting: Viglius, Barlaimont, Granvelle, bisschop van Arras, de prins van Oranje en de graaf van Egmond; een weinig later nog eenige andere heeren, als de heer van Glaion en de admiraal, graaf van Hoorne.
Voor de verschillende provinciën benoemde Philips stadhouders; die onder het opperbevel der landvoogdes zouden staan. Willem van Nassau, prins van Oranje, werd stadhouder van Holland, Zeeland, Westfriesland en Utrecht, de graaf van Egmond van Vlaanderen en Artois. De stadhouders waren te gelijker tijd de bevelhebbers der in die provinciën gelegerde troepen.
In vredestijd placht de krijgsmacht in de Nederlanden slechts weinig talrijk te zijn; het eenige staande leger, dat volgens de wet bestond, werd gevormd door de benden van ordonnantie, een gendarmeriecorps van 3000 man, dat in 14 escadrons verdeeld was. Elk dier escadrons stond onder bevel van een stadhouder of van een edelman van hooge geboorte. Deze benden van ordonnantie vormden een der best georganiseerde en gedisciplineerde ruiterscorpsen van geheel Europa. Zij waren wijd beroemd en stonden ook bij de Nederlanders in hooge achting.
Behalve deze krijgsmacht waren er toen echter in de Nederlanden nog ongeveer 4000 man Spaansche troepen, de overblijfselen der troepen, die bij de onafgebroken oorlogen der laatste jaren noodzakelijk waren geweest. Deze Spanjaarden waren wegens hun gebrek aan krijgstucht bij het volk diep gehaat, zij leefden als in 's vijands land. Door hunne rooverijen werden zij de schrik van boer en burger. Zij hielden in verschillende grensplaatsen garnizoen. Philips hield hen onder de wapenen onder voorwendsel, dat ze noodig waren om de grenzen te beschermen. Dewijl echter thans de vrede met Frankrijk voor goed tot stand gekomen was, had hunne tegenwoordigheid aan de grenzen in 't geheel geene beteekenis meer en het vermoeden der Nederlanders, dat de Spanjaarden den koning moesten dienen tot bestrijding van de vrijheden des lands, was volstrekt niet uit de lucht gegrepen.
Reeds morde men in het geheele land over de tegenwoordigheid der Spaansche huurtroepen en openlijk sprak men den wensch uit, dat de koning ze naar Spanje medenemen zou.
Vóór zijn vertrek riep de koning den 7en Augustus 1559 de Staten-generaal nog eens te Gent samen, om hun zijne laatste bevelen te geven en afscheid van hen te nemen. De bisschop van Arras begroette de vergadering in 's konings naam; hij had voor de volksvertegenwoordigers de gebruikelijke vleierijen ten beste, hij verzekerde hen van de genade der vorsten en verklaarde ten slotte, dat Philips der landvoogdes Margaretha de taak opgedragen had om de wetten tegen de ketters streng te handhaven; maar van de vervulling van den zóó luide en zoo algemeen uitgesproken volkswensch naar de terugroeping van de Spaansche huurbenden zeide de bisschop niets.
Den volgenden dag verschenen de afgevaardigden van den Staten-generaal voor den koning om hem hun antwoord te brengen. De sprekers der verschillende provinciën traden achtereenvolgens op. Toen de eerste hunner in hoogdravende taal van de onwankelbare trouw der Nederlanders sprak, lachte de koning zeer genadig; doch spoedig veranderde de uitdrukking van zijn gelaat, want de redenaar voegde daaraan de dringende bede toe, dat de koning onverwijld den aftocht der vreemde troepen gelasten mocht; hunne tegenwoordigheid--zeide hij--was na het sluiten van den vrede overbodig geworden.
Philips zag den spreker met een onheilspellenden blik aan, hij wierp zich achterover in zijn zetel en hoorde thans zwijgend naar de redenaars der overige gewesten, die hem in de hoofdzaak hetzelfde zeiden. Allen betuigden hunne liefde en trouw, doch allen verklaarden ook, dat zij alleen de gevraagde gelden zouden toestaan, op voorwaarde, dat de vreemde troepen uit de Nederlanden verwijderd zouden worden. Dit was te veel voor den koning! Hij kon zijne woede niet langer verbergen en riep uit, zich tot den graaf van Egmond en de andere rondom den troon staande heeren wendend: "Nu zie ik, hoe weinig ik mij op de zoo hoog geroemde trouw der provinciën verlaten kan."
Hij zou intusschen nog dieper gekrenkt worden. De prins van Oranje overhandigde hem in naam der Staten-generaal, een door hem zelven, den graaf van Egmond en een groot aantal van de aanzienlijkste heeren des lands onderteekend verzoekschrift, waarin insgelijks op de terugroeping van de troepen aangedrongen en in de krachtigste bewoordingen over de rooverijen en andere door die soldaten gepleegde gruwelen geklaagd werd. De tegenwoordigen toestand--heette het in dat smeekschrift--was ondragelijk, de inwoners van een aantal steden en dorpen hadden hunne woningen verlaten, ten einde niet langer blootgesteld te zijn aan den euvelmoed dezer troepen, die zich meer als roovers dan als krijgslieden gedroegen.
De koning werd woedend, toen men hem dit verzoekschrift overgaf; hij sprong van zijn zetel op en verliet eensklaps de zaal. Doch spoedig werd hij kalmer. Na weinige dagen was hij weer in het bezit der zelfbeheersching, waardoor hij zich steeds onderscheidde. Hij verklaarde, dat het nooit zijn voornemen was geweest, in de Nederlanden eene vreemde regeering in te voeren, gelijk de benoeming van hertogin Margaretha, eene Nederlandsche van geboorte, bewijzen kon; dat de Spaansche troepen voor den oogenblik nog noodig waren om het land te beschermen, dat zij overigens 3 à 4000 man telden, die nog achterstallige soldij hadden te vorderen, en dat zij, zoodra deze betaald was--en dit zou zoo spoedig mogelijk, uiterlijk na 3 of 4 maanden geschieden,--uit het land verwijderd zonden worden; dat hunne tegenwoordigheid bovendien geene bezorgdheid kon inboezemen, dewijl immers de prins van Oranje en de graaf van Egmond over hen bevel voerden. Met dit antwoord moesten de Staten-generaal zich tevreden stellen.
Vol verbeten woede over de stoutmoedigheid der volksvertegenwoordigers en vol wrok voornamelijk tegen den prins van Oranje, begaf Philips zich naar Vlissingen, om zich naar Spanje in te schepen; de landvoogdes en een groot aantal der voornaamste Nederlanders deden hem uitgeleide. Onder deze bevond zich ook de prins van Oranje, die gekomen was om van den koning eerbiedig afscheid te nemen.
Toen Philips aan boord kwam van het schip, dat hem voor altijd uit de Nederlanden wegvoeren zou, viel zijn oog op den prins van Oranje. Terstond wendde hij zich in den heftigsten toorn tot hem: in bittere bewoordingen verweet hij hem, dat hij door zijne kuiperijen de oorzaak was geweest dat het bovenvermelde verzoekschrift door de Staten-generaal was ingediend. Willem antwoordde bescheiden, dat hij dit niet gedaan had, maar dat het smeekschrift de vrucht van eene ongedwongene en ordelijke beraadslaging was geweest.
Op dit antwoord greep Philips den prins bij den arm en riep, terwijl hij hem hevig schudde: "Niet de staten,--gij, gij, gij," terwijl hij het woordje "gij" driemaal met de grootste minachting herhaalde.
Na deze zware beleediging achtte de prins het niet geraden, mede aan boord van des konings schip te gaan; hij vergenoegde zich met eene eerbiedige buiging en nam zóó aan den oever afscheid van den koning. Waarschijnlijk was dit zijn behoud. Het is zeer denkbaar, dat hij gedwongen zou zijn geworden om tegen wil en dank de reis naar Spanje mede te maken, indien niet zijn doorzicht hem voor dat lot bewaard had.
Met een woord van haat op de lippen verliet koning Philips de Nederlanden, die hij nooit zou wederzien.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Nederlanden. Margaretha van Parma. Granvelle. Barlaimont Viglius. De bijzondere raad. Willem van Oranje. Lamoraal, graaf van Egmond. Oprichting van de nieuwe bisdommen. Ontevredenheid der Nederlanders. De inquisiteurs. Pieter Titelman. Titelman's wreedheden. Opstand te Valenciennes. Granvelle's bloedige wraak. Vruchtelooze zending van Montigny. De Spaansche troepen teruggeroepen. Haat tegen Granvelle. De dolle Brederode. Granvelle's verwijdering uit de Nederlanden.
De hertogin Margaretha van Parma, die door Philips II tot regentes over de Nederlanden was aangesteld, was eene natuurlijke dochter van keizer Karel V en de oudste zijner kinderen. Margaretha's moeder stamde af uit de aanzienlijke familie van der Genst uit Oudenaarden. Zij was in het beroemde huis der Hoogstraetens opgevoed.
Margaretha werd door den keizer schier als zijn wettig kind beschouwd. Hij liet haar eene zorgvuldige opvoeding geven. Margaretha van Savoie en later des keizers zuster, Maria van Hongarije, toenmaals landvoogdes der Nederlanden, trokken zich het kind aan.
In hare vroegste jeugd werd Margaretha uitgehuwd aan Alexander de Medici en na diens dood aan Ottavio Farnese, die het hertogdom Parma en Piacenza ontving. Ten tijde dat Philips haar tot regentes der Nederlanden benoemde, was zij eene vrouw van 37 jaar.
Zij stond bekend als eene vrouw van groote kunde, moed en geestkracht; maar men wist bovendien, dat zij een innigen afschuw had van de ketters, dat zij eene leerlinge van Loyola was geweest, dat de bloedplakaten haars vaders in haar oog de voortreflijkste van alle wetten waren.
Zij zelve vervulde alle plichten, door de Roomsch katholieke kerk haren belijders voorgeschreven, met de grootste nauwgezetheid en trouw, en zij eischte hetzelfde van al hare dienaars.
Opgevoed in de staatkundige beginselen, die toen aan de hoven van Italië en voornamelijk aan dat der Medici heerschten, was zij doorkneed in staatkundige kunstgrepen en kuiperijen. Zij kende de staatszaken door en door, doch overigens beteekende hare kennis niet veel. Geliefd was zij niet, maar evenmin gehaat. Haar uiterlijk maakte indruk door hare krachtige, manlijke houding, zij bezat eene zekere majesteit, die haar niet kwaad stond. Zelfs de lichte knevel op de bovenlip scheen aan te duiden, dat zij door de natuur meer tot manlijke daden dan tot vrouwelijke weekheid gevormd was.
Hoe geschikt Margaretha ook scheen om het bewind over de Nederlanden te voeren, toch had Philips niet vergeten, dat zij altijd maar eene vrouw was en dat zij een manlijken steun behoefde. Hij had haar derhalve een man ter zijde gesteld, die wel voor het uiterlijke geene andere plaats bekleedde dan de overige leden van den staatsraad, doch die inderdaad het eigenlijk hoofd der regeering moest zijn en het ook werkelijk werd. Het was de bisschop van Arras, Antonie Perenot van Granvelle, die weldra voor zijne uitstekende verdiensten jegens de kerk met den kardinaalshoed beloond werd. Granvelle, de zoon van den vertrouwden staatsdienaar van Karel V, had zich reeds als knaap door zijne buitengewone geestesgaven onderscheiden. Reeds vroeg trad hij in des keizers dienst en nauwelijks had hij den bij de wet bepaalden leeftijd bereikt, of hij ontving het rijke bisdom Arras. Op het concilie van Trente behoorde hij tot de beste redenaars. Hij was een man van grondige geleerdheid, van een scherpzinnig verstand en van veel overleg, maar tevens een hoveling zonder eenige zedelijke beginselen, wiens hoogste eerzucht daarin bestond, tot elken prijs de gunst van zijne vorstin te behouden.
Hij was des te beter geschikt om Philips II te dienen, dewijl hij daarbij niet alleen den wil en de wenschen des konings, maar ook zijn eigene innige overtuiging volgen kon, daar alle door Philips verordende maatregelen van geweld hiermede volkomen strookten.
Granvelle was een nog vuriger voorstander van de onbeperkte koninklijke macht dan de koning zelf. Hij was de verklaarde tegenstander van al de volksvrijheden, welke de Nederlanders nog genoten. Vóór Philip's vertrek had hij zijn uiterste best gedaan om den koning van het bijeenroepen der Staten-generaal terug te houden; hij had verklaard, dat het toezicht van de zijde des volks op de uitgaven der regeering ten allen tijde niets dan moeilijkheden zonder einde baren zou, dat het noodzakelijk was, de gelden zonder toestemming des staten te innen en te besteden. Philips had in dit geval den raad des bisschops wel niet opgevolgd, doch deze was daardoor in zijne schatting nog gerezen; aan zulk een man kon hij zonder aarzelen de eerste plaats in de regeering over de Nederlanden schenken, te meer nog, dewijl de bisschop des konings onverzoenlijken haat tegen de ketters deelde en hunne uitroeiing, waaromtrent Philips bij de vrede van Cateau-Cambresis met Hendrik II van Frankrijk de noodige afspraken gemaakt had, ongetwijfeld met de meeste kracht en zonder de minste gewetensknaging doorzetten zou.
Aan de zijde van Granvelle stonden in den staatsraad de baron van Barlaimont, en de geleerde Viglius; deze drie vormden te zamen de zoogenaamde consulta, een bijzonderen raad, die alle belangrijke zaken met de regentes behandelde, terwijl de overige leden van den staatsraad, de prins van Oranje en de graaf van Egmond, evenals later de graaf van Hoorne, slechts bij sommige gelegenheden geroepen werden om aan de beraadslagingen deel te nemen.
De baron van Barlaimont wordt door de katholieke geschiedschrijvers als een heer van een edelmoedig en eerbiedwaardig karakter geschilderd, terwijl de protestantsche schrijvers integendeel beweren, dat hij zich door hebzucht en bloeddorst onderscheidde. Dat hij een dapper en trouw soldaat geweest is, erkennen allen; insgelijks stemmen zij allen daarin overeen, dat hij met onwankelbare trouw des konings zaak gediend en zich steeds een vurig aanhanger van de katholieke kerkleer betoond heeft.
De baron en zijne vier even dappere zonen waren ten allen tijde bereid om voor de kroon tegen hunne eigene natie te strijden; de koning gold in hun oog meer dan het gansche volk: hem, niet hun vaderland, dienden zij.
Viglius van Aytta van Zuichem was een zeer geleerde Fries, die, vroeg in den krijgsdienst getreden, zich bij de meest verschillende gelegenheden onderscheiden had. Ook hij was een dweepziek katholiek, hij beschouwde de godsdienstige vrijheid als de afschuwelijkste zaak en de vreeselijke ramp ter wereld en de ketterij als die zonde, waarvoor men het minst vergiffenis te wachten had.
Van dit beginsel uitgaande, had hij krachtig medegewerkt tot het uitvaardigen van het beruchte plakaat van het jaar 1550, tot welke opstellers hij behoorde.
Barlaimont en Viglius waren in den staatsraad de blindelings gehoorzamende aanhangers van Granvelle, met wien zij in staatkundige en godsdienstige onverdraagzaamheid wedijverden. Zij ondersteunden al zijne maatregelen en de regentes moest zich wel naar hen voegen, dewijl Granvelle in onafgebroken briefwisseling met Philips II stond en dewijl alles wat hij deed steeds door den koning goedgekeurd werd.
Tegenover deze drie raadsleden, die den bijzonderen raad uitmaakten, stonden de prins van Oranje en de graaf van Egmond in eene gespannen verhouding, die weldra in eene onverzoenlijke vijandschap ontaardde. Beiden vertegenwoordigden in den staatsraad de nationale, Nederlandsche staatkunde.
Willem van Nassau, prins van Oranje, behoorde tot het beroemde Duitsche vorstenhuis, dat reeds sinds lang met de Nederlanden door het bezit van uitgestrekte goederen in nauwe betrekking gestaan had. Meer dan één lid van dat geslacht waren daar stadhouders geweest en hadden zich ook buitendien in koninklijken dienst onderscheiden.
Willem, de oudste zoon van den vorst van Nassau-Dillenburg, vereenigde door erfenis de Nassausche goederen in de Nederlanden en Duitschland met het tusschen Provence en Dauphiné gelegene vorstendom Oranje.
Als kind was hij opgevoed in de Evangelische godsdienst, welke zijne ouders beleden, doch dewijl hij reeds als elfjarige knaap aan het hof des keizers kwam en daar zijne tweede opvoeding ontving, moest hij de katholieke geloofsleer omhelzen. Hij deed dit zonder tegenstreven, dewijl hij noch als knaap, noch als jongeling eenig belang stelde in godgeleerde twistvragen, die hij gaarne aan de godgeleerden overliet.
Willem volgde de inzettingen der katholieke kerk; voor de ketters gevoelde hij niet de minste sympathie, doch hij koesterde ook geen haat tegen hen en de bloedige vervolgingen ter wille van de godsdienst streden evenzeer tegen zijne menschenliefde als tegen zijn gevoel van rechtvaardigheid. Hij had een afschuw van het verbranden van ketters; niet, omdat hij zich de in zijne kindsheid hem ingeprente geloofsbegrippen te binnenbracht, doch dewijl hij, vreemd aan alle dweepzucht en edelmoedig genoeg was om in de ketters slechts dwalende, geene schuldige menschen te zien.
Aan het hof van Karel V had Willem van Oranje zich aan den begaafden bisschop van Arras aangesloten; doch zijne achting voor dezen veel ouderen man (Granvelle was in het jaar 1517, Willem in het jaar 1533 geboren) verminderde, zoodra Oranje het slaafsche hovelingenkarakter van Granvelle doorzag; later zou zij in de diepste verachting en de vriendschap tusschen de beide mannen in doodelijke vijandschap overgaan.
Karel V had voor Willem van Oranje eene warme genegenheid gekoesterd, hem reeds als jongeling tot gewichtige staatsambten geroepen en hem steeds een onbepaald vertrouwen geschonken. Ook Philips II had dit voorbeeld zijns vaders gevolgd.
Willem van Oranje had deel genomen aan de bijeenkomsten, waarin de door Philips zoo vurig gewenschte vrede van Cateau-Cambresis voorbereid werd, maar in de geheime plannen des konings tot uitroeiing van de ketterij was hij niet ingewijd. Over zulke plannen beraadslaagde de sluwe vorst wel met een Granvelle en een Alba, maar niet met den luchthartigen jongen prins, die door zijne familiebetrekkingen met al te veel ketters verbonden was.
Na het sluiten van den vrede was Willem van Oranje naar het hof van Hendrik II gezonden als een der gijzelaars, die tot waarborg voor de naleving van de vredesvoorwaarden moesten strekken. Door zijn aangenamen omgang won hij de gunst des konings, en het vertrouwen, hetwelk Hendrik II hem bewees, voerde den prins tot eene ontdekking, die in 't vervolg voor hem van het grootste gewicht worden zou.
Op zekeren dag bevond hij zich met den koning in het bosch van Vincennes op de jacht, het overige gevolg was achtergebleven, ze waren te zamen alleen.
Hendrik II werd geheel bezig gehouden door het groote plan tot uitroeiing van de ketters op groote schaal in beide rijken, dat hij met Philips II afgesproken had. Hij meende, dat ook de prins van Oranje in het geheim was ingewijd, hoewel deze daarover nooit met hem onderhandeld had, maar alleen de hertog van Alba, die insgelijks als gijzelaar naar Frankrijk gezonden was en te gelijker tijd in last had ontvangen om alle noodige maatregelen tot fnuiking van de ketterij door de beide koningen te beramen.