De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 19

Chapter 193,677 wordsPublic domain

Met wijze gematigdheid besloot de prins zich naar den loop der omstandigheden te schikken. Hij reisde zelf naar Antwerpen, om daar den aartshertog te begroeten, en voegde zich alzoo in dezen geheel naar de wenschen van Aerschot en van den katholieken adel. De vrucht van deze verstandige handelwijze was, dat de Staten zich nog nauwer dan vroeger aan hem aansloten, dat zij hem als den eigenlijken vertegenwoordiger van hunne rechten en vrijheden beschouwden en dat hij den 22en October onder de luide toejuiching der bevolking tot Ruwaard van Brabant geproclameerd werd en daardoor in een der gewichtigste gewesten van de Nederlanden eene bijna onbeperkte macht ontving, want de bevoegdheid van een ruwaard was altijd onbepaald en niet door vaste wetten omschreven.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Ryhove en Hembyze. De Gentsche omwenteling. Moeielijke verhouding van den prins van Oranje. Besluit der Staten tot afzetting van don Juan. De tweede Unie van Brussel. Verbond met Elisabeth van Engeland. Matthias, de griffier van den prins van Oranje. Don Juan te Namen. Zijne wraakplannen. Spaansche hulptroepen onder Alexander Farnese. Begin van den oorlog. Nederlaag der Nederlanders bij Gemblours. Amsterdam gaat tot de zijde van Oranje over. Godsdiensttwisten. Godsdienstvrede. De malcontenten. Engelsche hulp. Johan Casimir. Gedwongene werkeloosheid van don Juan. Nieuwe kuiperijen van den katholieken adel. De hertog van Anjou in het land geroepen. Meesterlijke staatkunde van den prins van Oranje. De hertog van Anjou, de Beschermer van de Nederlandsche vrijheid. Dood van don Juan van Oostenrijk.

Door een meesterlijken staatkundigen zet had Oranje den invloed, welken Aerschot en zijne bondgenooten hem zoo gaarne zouden ontroofd hebben, weten te behouden; hij was ruwaard van Brabant geworden. De hertog was echter door den staatsraad tot stadhouder van Vlaanderen benoemd en had daardoor op nieuw eene macht verkregen, die hem gevaarlijk maakte. Het was des prinsen belang, die macht te ondermijnen en deze nam, tot bereiking van dit doel, de toevlucht tot een middel, dat zelfs zijne vereerders ter nauwernood kunnen rechtvaardigen.

Aerschot was in Vlaanderen niet bemind; de vrienden der vrijheid vertrouwden hem niet, zij koesterden omtrent hem de zeker niet geheel ongegronde verdenking, dat hij wellicht te gelegener tijd, wanneer hij er voordeel in zag, tot den vijand zou overloopen. Hij werd dan ook binnen Gent volstrekt niet vriendelijk ontvangen en de vijandige gezindheid jegens hem groeide nog aan, toen hij een hard en trotsch bescheid gaf aan de burgers, die van hem eischten, dat hij der stad hare oude privilegiën terug schenken zou.

Te Gent had zich reeds sinds lang eene omwentelingspartij gevormd, aan wier hoofd de beide jonge edellieden Ryhove en Hembyze, twee warme vrienden van den prins van Oranje, stonden. Vooral onder de lagere volksklasse bezaten zij een sterken aanhang. Toen Aerschot stadhouder van Vlaanderen werd en te gelijk brieven van Jacob Hessels, het voormalig lid van den bloedraad, onderschept werden, waarin deze de hoop uitsprak, dat Aerschot geheel in het belang van koning Philips en van don Juan handelen zou, meende Ryhove, dat het meer dan tijd was om zulke plannen met geweld te keer te gaan en den nieuwen stadhouder ten val te brengen.

In vereeniging met zijn vriend bereidde Ryhove alles tot den opstand voor, doch hij wilde geen beslissenden stap doen zonder toestemming van Oranje, hij begaf zich derhalve tot den prins en deelde hem zijne plannen mede.

Eén woord van Oranje zou voldoende zijn geweest om den opstand te verhinderen; maar de prins sprak dit woord niet uit, wel wachtte hij zich, den vermetelen jonkman in zijne revolutionaire plannen te versterken, maar hij verbood hem die evenmin. Met dubbelzinnige redeneeringen ontsloeg hij Ryhove, ja hij ging nog verder: door zijn vertrouweling Aldegonde liet hij hem zeggen, dat hij zijne onderneming wel niet openlijk kon ondersteunen, maar dat hij hem, zoo zij gelukte, evenmin tegenwerken zou.

Meer verlangde Ryhove niet; in allerijl keerde hij naar Gent terug en nauwelijks was hij hier aangekomen, of hij riep het volk te wapen. Alles was zoo goed overlegd, dat de hertog van Aerschot en de andere leiders der Spaanschgezinde partij, onder anderen ook Jacob Hessels, gevangengenomen werden, eer zij in staat waren om zich ter verdediging toe te rusten.

Een voorloopig bestuur, met Ryhove aan het hoofd, werd te Gent ingesteld; den 9en November 1577 trachtte het de omwenteling te rechtvaardigen door de verklaring dat deze noodzakelijk was geweest, omdat de hertog van Aerschot en zijne bondgenooten, in geheime verstandhouding met don Juan, van plan waren geweest, de Spaansche troepen terug te roepen, den prins van Oranje ten val te brengen, de pacificatie van Gent te vernietigen en de hervormde godsdienst te onderdrukken.

Was de omwenteling te Gent ongetwijfeld een zware slag voor den hertog van Aerschot, zij bracht aan den anderen kant ook den prins van Oranje nadeel toe, daar zij de geheele katholieke partij met wantrouwen jegens hem vervulde. Het gelukte hem niet, dat wantrouwen weg te nemen door de invrijheidstelling van Aerschot te bewerken, want de overige hoofden der katholieke partij te Gent, en onder hen ook Hessels, bleven in hechtenis en bovendien stonden de aanleggers van den opstand, Ryhove en Hembyze, als warme aanhangers van den prins bekend. De op zich zelve reeds zoo bedenkelijke scheuring tusschen de protestanten en de katholieken onder de voorvechters der vrijheid werd door het te Gent voorgevallene nog vergroot.

Voorshands viel dit evenwel niet sterk in het oog, ja de macht van den prins van Oranje en de eensgezindheid onder de patriotten scheen in den eerstvolgenden tijd grooter dan ooit. Op zijn raad verklaarden de Staten-generaal den 7en December 1577, dat don Juan opgehouden had, stadhouder en gouverneur-generaal des konings te zijn, wijl hij zich schuldig had gemaakt aan verbreking van den bezworen vrede en zich als vijand van het land gedragen had. Alle Nederlanders, die hem in 't vervolg gehoorzaamden, zouden als verraders en muiters beschouwd worden.

Met dit besluit was de oorlog tusschen don Juan en de vereenigde provinciën verklaard, en juist dit had de prins van Oranje bedoeld, daar hij een openlijken krijg voordeeliger achtte dan een twijfelachtigen vrede.

Ook twee andere vurige wenschen van den prins: het sluiten van een overeenkomst tusschen katholieken en protestanten op het stuk van godsdienst en van een verbond met Engeland, gingen thans in vervulling over.

De prins had met de Calvinistische geloofsbelijdenis niet den bitteren haat overgenomen, dien de Calvinisten toenmaals jegens alle andersdenkenden koesterden. In godsdienstige verdraagzaamheid was hij zijn tijd verre vooruit en onophoudelijk had hij--tot dusver echter vruchteloos--er naar gestreefd eene algemeene verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in de Nederlanden te doen heerschen. Eindelijk geloofde hij zijn doelwit getroffen te hebben. Den 10en December 1577 werd de tweede Brusselsche Unie onderteekend, waarin de katholieken en protestanten elkander wederkeerig achting, verdraagzaamheid en bescherming beloofden. Ook de aanzienlijkste katholieken onderteekenden de tweede Brusselsche Unie, die echter helaas! slechts van korten duur zou zijn.

Den 7en Januari 1578 werd een voor de Nederlanders weinig minder belangrijk stuk, een verdrag met koningin Elisabeth van Engeland, waarvoor Oranje reeds sinds lang vruchteloos geijverd had, te Londen onderteekend. Thans had Elisabeth eindelijk besloten, openlijk partij te kiezen voor de Nederlanders, zij stond dezen ondersteuning in geld en manschappen toe, doch verbond daaraan de voorwaarde, dat de prins van Oranje tot plaatsvervanger van den aartshertog Matthias benoemd zou worden.

Wel zond Elisabeth nog na het sluiten van het verdrag gezanten tot koning Philips II van Spanje en tot don Juan, om deze van hare vredelievende bedoelingen en van hare gunstige gezindheid jegens den koning te verzekeren, maar de woorden van het verdrag waren te duidelijk dan dat deze diplomatieke kunstgreep der koningin eenige uitwerking had kunnen hebben.

Nauwelijks 14 dagen na het sluiten van dit verdrag, den 20en Januari 1578, legde de aartshertog Matthias den eed af op de nieuwe staatsregeling, gelijk die door den prins van Oranje en de Staten-generaal na langdurige beraadslagingen was vastgesteld, hoewel hem daarbij ter nauwernood eene schaduw van macht gelaten was.

Het zwaartepunt der geheele wetgevende en zelfs der uitvoerende macht berustte volgens de nieuwe constitutie bij de Staten-generaal en bij den door deze te benoemen Staatsraad; zelfs de hoogere beambten en officieren mocht de gouverneur-generaal niet zelfstandig benoemen. Matthias was niets dan een pop, waarmede de leden van den Staatsraad spelen konden; de ziel van het uitvoerend bewind was en zou blijven de prins van Oranje, die zijne betrekking als ruwaard van Brabant behield en bovendien tot plaatsvervanger van den gouverneur-generaal benoemd werd. Des laatsten machteloosheid was zoo groot, dat het volk hem spottend den griffier van den prins van Oranje noemde.

De jonge, ijdele aartshertog aanvaardde in weerwil hiervan die niets beteekenende waardigheid en hij smaakte ten minste de voldoening, dat de Nederlanders hem met uiterlijke eerbewijzen overlaadden. Zijn intocht in Brussel werd gevierd met een praal, die zelfs den bij den intocht van don Juan ten toon gespreiden luister overtrof.

Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan van Oostenrijk te Namen. Hij zag zich na zijn mislukten aanslag op Antwerpen eensklaps van allen invloed op de regeering beroofd; slechts twee provinciën, Namen en Luxemburg, gehoorzaamden hem nog.

Heftig vertoornd over de vermetelheid der Nederlanders, die hem zóó driest het hoofd boden, was don Juan tevens in zijn hart recht blijde, dat thans eindelijk de oorlog verklaard en hij niet langer genoodzaakt was om zachtmoedigheid en vriendelijkheid te huichelen. De oorlog was zijn element; kwam het maar eenmaal tot een gevecht, dan hoopte hij de burgers en boeren met hunne havelooze benden licht uit elkaar te zullen drijven. Thans verklaarde hij openlijk, dat hij eene geduchte wraak op de oproerige burgers van Brussel en van de overige rebelleerende steden nemen zou.

Don Juan liet het niet bij woorden. Van alle zijden trok hij krijgsbenden samen en de oude Spaansche soldaten, wien de rijke buit nog heugde, vroeger door hen in de Nederlanden gemaakt, snelden vol blijdschap toe, om zich onder zijne banieren te scharen en voor hunne verdrijving uit het land bloedige wraak te nemen. Alexander Farnese van Parma, de zoon der voormalige landvoogdes Margaretha, voerde die versterkingen zijnen bloedverwant toe. Ook graaf Peter Ernst van Mansfeldt sloot zich met eene bende geoefende huurlingen, welke hij in Frankrijk aangeworven had, bij don Juan's krijgsmacht aan.

Dagelijks groeide don Juan's leger aan. In het begin van het jaar 1578 had hij reeds ongeveer 20.000 man uitgelezene troepen onder zijne bevelen en deze geoefende manschappen werden door de uitstekendste veldheeren van hun tijd, door don Juan, den overwinnaar van Lepanto, door Alexander Farnese, Mansfeldt, Mondragon, Mendoza en anderen aangevoerd. Ook de prins van Oranje en de Staten-generaal hadden een leger op de been gebracht, dat ten minste even sterk was als dat van don Juan, doch waarbij zoowel de in den oorlog zoo noodzakelijke krijgskundige eenheid als de leiding van bekwame veldheeren ontbrak.

De prins van Oranje had zich genoopt gezien om de hoogere bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen te schenken. Hij hoopte deze door zulk een blijk van vertrouwen geheel te verzoenen; toch deed hij daaraan verkeerd, want deze edelen waren niet met hunne gansche ziel bij den strijd en velen hunner wenschten misschien zelfs wel in hun hart den vijand de overwinning op den gehaten prins van Oranje toe. Het opperbevel over het leger was opgedragen aan den heer van Goignies, een oud soldaat van Karel V en een dapper man, doch die nog geen enkel bewijs van veldheerstalent had gegeven.

Het leger der prinsgezinden rukte tegen Namen op. Goignies wilde don Juan, wiens strijdkrachten hem geheel onbekend waren, aanvallen, doch trok terug, toen hij vernam, dat de vijand ten minste even sterk was als hij. Alexander Farnese trok van de gunstige gelegenheid, hem aangeboden, terstond partij. Onverhoeds overviel hij het leger van Goignies en bracht het den 31en Januari bij Gemblours zulk eene beslissende nederlaag toe, dat het bijna geheel vernietigd werd. Meer dan 6000 man bleven op het slagveld; 600 man werden als krijgsgevangenen naar Namen gevoerd: don Juan, de edele ridder, liet hen deels van de brug in de Maas werpen en zoo als honden verzuipen, deels ophangen. Het gevolg van deze zegepraal was, dat een aantal kleine steden door de Spanjaarden werd ingenomen, de meeste gaven zich zonder slag of stoot over. In de plaatsen, wier inwoners zich verdedigden, werd op de gewone wijze geplunderd, gemoord en gebrand.

De indruk, welke de nederlaag bij Gemblours op de Nederlanders maakte, was geheel anders als don Juan verwacht had. Zij verwekte geen schrik, maar verbittering. Het volk was woedend over de onbekwaamheid der katholieke edelen en schreeuwde verraad. De prins van Oranje had moeite om het Brusselsche gemeen van daden van geweld terug te houden. Door het geheele land heen spanden de vrienden der vrijheid hunne krachten in, om een nieuw leger op de been te brengen. Bovendien werd de moed der Nederlanders verhoogd door eene gelukkige gebeurtenis, die wel tegen een verloren slag kon opwegen.

Tot dusver was de stad Amsterdam jegens de zaak der vrijheid vijandig gezind geweest. De invloed der monniken, die daar in grooten getale werden aangetroffen, en van het streng katholieke, vervolgingszuchtige stadsbestuur had de aansluiting van de rijke en machtige stad aan de van de Spaansche heerschappij bevrijde gewesten het tot dusver verhinderd, doch thans schaarde ook zij zich aan de zijde van den prins, onder voorwaarde, dat de katholieke godsdienst binnen Amsterdam de heerschende blijven en de hervormde slechts geduld worden zou. Een verdrag in dezen geest werd aangegaan, doch--gelijk wij hier terstond bijvoegen willen--slechts gedurende enkele maanden door de hervormden nageleefd. Deze, die na den terugkeer der ballingen en voortvluchtige Calvinisten het machtigste deel der bevolking uitmaakten, verdreven den 28en Mei 1578 de katholieke overheden en verschaften door eene onbloedige omwenteling der hervorming de zegepraal in de belangrijkste stad van Holland.

Ook in de overige provinciën werden in dezen tijd de Calvinistische denkbeelden meer en meer verbreid, en het kwam tengevolge hiervan vaak tot hevige, soms zelfs tot bloedige twisten, tusschen katholieken en protestanten. Hoezeer Willem van Oranje ook zijn best deed om door een algemeenen godsdienstvrede de leden der beide kerkgenootschappen tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen, toch gelukte dit hem, helaas! niet. De tweespalt der godsdienstige partijen en daarmee de weerzin der katholieke edelen, der malcontenten, gelijk zij zich noemden, tegen de regeering van Oranje werd met den dag sterker.

Philips II van Spanje had intusschen nog eene poging gewaagd om de oproerige Nederlanders door een koninklijk schrijven, hetwelk hij door den heer de Selles, den broeder van den overledenen Noircarmes, hun toezond, tot gehoorzaamheid aan zijn gezag terug te brengen. De koning schreef zeer vriendelijk en voorkomend. Hij verklaarde daarin, niets vuriger te wenschen dan vrede met zijne geliefde kinderen te sluiten, en wat hij verlangde, was zoo weinig! Het was niets dan herstelling van de onbeperkte koninklijke macht en van de katholieke godsdienst, evenals ten dage van Karel V, of--met andere woorden--niets meer of minder dan de vernietiging van alle vrijheden der Nederlanders en de wederoprichting van de brandstapels tot uitroeiing van de ketters, wier getal sinds dien tijd op ongeloofelijke wijze aangegroeid was.

Dat de prins van Oranje en de Staten-generaal zulke vredesvoorwaarden met verachting van de hand wezen, spreekt van zelf; veel liever wilden zij den oorlog tot het uiterste voortzetten en daarom rustten zij zich ten strijde toe. Een nieuw leger werd onder de wapenen gebracht, doch weder was de prins van Oranje genoodzaakt om de noodlottige fout te begaan, van de belangrijkste bevelhebbersposten aan de aanzienlijke katholieke edelen toe te vertrouwen.

Het leger groeide binnen korten tijd sterk aan, ook uit Engeland kwam hulp opdagen. Elisabeth zond den Paltzgraaf Johan Casimir, die voor Engelsch geld eene aanzienlijke krijgsbende aangeworven had, naar de Nederlanden.

Don Juan zat evenmin stil, dewijl hij zich niet sterk genoeg achtte om van de overwinning bij Gemblours door het vermeesteren van groote steden partij te trekken. Gaarne zou hij een beslissenden slag geslagen hebben, doch dit was hem niet mogelijk, dewijl het hem ontbrak aan de noodige gelden, welke hem, in weerwil van zijne dringende beden, niet in voldoende mate door Philips II toegezonden werden. Hij moest zich daarom bepalen tot onbeduidende ondernemingen en de zomer van 1578 verliep, zonder dat een belangrijk treffen tusschen de Spanjaarden en de Nederlanders plaats gegrepen had.

Terwijl Oranje al zijne krachten inspande om het land in staat van verdediging te brengen, had de hooge katholieke adel op nieuw een kunstgreep beproefd, ten einde de macht van den gehaten prins te fnuiken. Het plan om Oranje door den aartshertog Matthias te verdringen, was mislukt; de prins regeerde eigenlijk voor den gouverneur-generaal, die niets dan een schijn van macht bezat, en deze moest daarom door een ander katholiek vorst vervangen worden.

Hertog Frans van Alençon, die thans den titel van hertog van Anjou droeg, de zoon van Catharina de Medici en broeder van den Franschen koning, was door den katholieken adel uitverkoren om de rol, vroeger den aartshertog Matthias opgedragen, over te nemen en Oranje's invloed te vernietigen.

De eerzuchtige hertog had den Nederlanders zijne hulp toegezegd. Hij had zich naar Mons begeven en zond van daar gezanten, om met den prins van Oranje en de Staten-generaal te onderhandelen.

Oranje werd door dezen stap der katholieke heeren inderdaad in groote verlegenheid gebracht. Wees hij Anjou's hulp van de hand, dan stond het te vreezen, dat deze tot don Juan overloopen en dat bovendien de katholieke adel ontrouw worden zou. Stond hij daarentegen den hertog den door dezen gewenschten invloed op het lot der Nederlanden toe, dan verstoorde hij daardoor het Engelsche bondgenootschap, hetwelk koningin Elisabeth alleen gesloten had, om de Fransche heerschappij over de Nederlanden onmogelijk te maken.

Met een meesterlijk staatkundig beleid wist Oranje deze moeilijkheden te boven te komen: op zijne aansporing sloten de Staten-generaal in Augustus 1578 met den hertog een hoogst merkwaardig verdrag. Deze ontving den trotschen, weidschklinkenden titel van "Beschermer der Nederlanders tegen de Spaansche dwingelandij"; hij verbond zich om den provinciën gewapenden bijstand tegen don Juan te verleenen, zich van alle vijandelijkheden tegen koningin Elisabeth van Engeland te onthouden en zich in alle opzichten aan het burgerlijk bestuur des lands te onderwerpen; daarvoor beloofden de Staten-generaal, hem de voorkeur te zullen geven, wanneer zij ooit een anderen vorst de kroon der Nederlanden mochten aanbieden. Buitendien werd bepaald, dat men nog ééne poging wagen zou om door middel van onderhandelingen op don Juan invloed uit te oefenen.

Het laatste geschiedde; doch natuurlijk te vergeefs. De strijd tusschen de Staten-generaal en de Spaansche regeering kon alleen door middel der wapenen beslecht worden. Doch voor Don Juan was het niet weggelegd, tot de oplossing van het geschil iets bij te dragen. Hij stierf den 1en October 1578 in de legerplaats bij Namen, nadat hij zijn neef Alexander Farnese, hertog van Parma, tot zijn opvolger benoemd had.

Vreemde geruchten knoopten zich aan den dood van den overwinnaar van Lepanto vast. Men verhaalde, dat hij vergiftigd was; waarschijnlijk echter is hij aan eene toen heerschende pest gestorven.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Alexander Farnese. Zijn verleden. Zijn karakter. Regeeringloosheid in de Nederlanden. Godsdiensthaat. De Walen. De omwenteling te Gent. Jacob Hessels door Ryhove vermoord. Beeldstorm te Gent. Willem van Oranje te Gent. Voortdurende partijtwisten. Johan Casimir en de hertog van Anjou verlaten de Nederlanden. Ongeregeldheden, door de huurtroepen gepleegd. Omkoopbaarheid des adels. Bond der Waalsche provinciën. De Unie van Utrecht.

Alexander Farnese, de zusterszoon van don Juan en de neef van den ongelukkigen don Carlos, was van denzelfden leeftijd als deze zijne beide bloedverwanten, met wie hij opgevoed was. Hij ging, toen hij don Juan opvolgde, in zijn dertigste jaar.

Evenals deze, was hij dapper tot vermetelheid toe; met een voor niets terugdeinzenden moed placht hij zich in het dichtst van het slaggewoel te werpen, ten einde door zijn voorbeeld zijne soldaten met zulk eene geestdrift te bezielen, dat zij hem volgden, waarheen hij hen ook voeren mocht.

Hij was een voortreflijk soldaat en een nog voortreflijker veldheer, want hij vereenigde met eene onwederstaanbare dapperheid kalm overleg, hetwelk hem steeds op het juiste tijdstip de beste middelen ter zegepraal deed aangrijpen.

Als staatsman overtrof Farnese den avontuurlijken don Juan verre. Ingewijd in de diplomatische kunstgrepen der Italiaansche staatkunde, wist hij zich naar de gegevene omstandigheden te schikken, zonder toch ooit zijn doel uit het oog te verliezen. Hij bezat eene groote mate van standvastigheid en volharding, terwijl don Juan slechts halsstarrig was geweest en bij het mislukken zijner pogingen in de Nederlanden alle lust en allen moed verloren had. Ten aanzien der middelen tot bereiking van zijne doeleinden verkeerde Farnese nooit in verlegenheid, elk middel was hem welkom, indien het hem slechts tot zijn doel nader voerde. Wanneer zijn opbruisende moed hem tot een warm vriend van een zegevierenden oorlog maakte, hield zijn koel verstand hem van elk overijld begin van een strijd terug: hij waagde zich daaraan nooit, voordat hij op een gelukkigen uitslag kon hopen. Eene overwinning door middel van geslepene, bedriegelijke onderhandelingen, ja zelfs door omkooperij en verraad behaald, was hem even welkom als zulk eene, welke hij met het zwaard in de vuist bevochten had.

Toen Alexander Farnese het ambt van don Juan aanvaardde, doorzag hij volkomen de moeilijkheden, waarmede hij te worstelen zou hebben, om de Nederlanders weer aan het gezag des konings en der katholieke kerk te onderwerpen; doch zijn besluit stond vast om tot de bereiking van dat doel al zijne krachten in te spannen. Hij haatte de ketters, die hij, evenals de Muzelmannen, welke hij bij Lepanto had helpen verslaan, als heidensche honden beschouwde. Niet dat hij zich ooit met diepzinnige navorschingen op het gebied der godsdienstleer ingelaten had,--dit werk liet hij gaarne aan de godgeleerden over, hij vergenoegde zich daarmede, dat hij, als goed katholiek, regelmatig de mis bijwoonde, ter bestemder tijde biechtte en de overige uiterlijke kerkplichten waarnam, maar hij koesterde een instinctmatigen afkeer van lieden, die het waagden, tegen het gezag des konings en der heilige kerk op te staan. Zulke muiters en heidenen te verbranden, te verdrinken of op te hangen was in zijn oog iets natuurlijks, ja verdienstelijks; doch hij was niet zóó dweepziek, dat hij niet bereidvaardig, wanneer dit voordelig scheen, den tijd der wrake op de oproerlingen en ketters kalm verbreidde.