De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 18
Dit stuk werd in het geheele land verspreid en met duizenden handteekeningen bedekt; edelen, priesters en burgers onderteekenden het bereidwillig.
Don Juan van Oostenrijk verkeerde tegenover deze eendrachtige gezindheid der geheele bevolking in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. Alleen door toegevendheid kon hij het zoover brengen, dat de Nederlanders hem als gouverneur-generaal erkenden, dewijl hem de macht ontbrak om hen hiertoe met geweld te noodzaken. Hij knoopte nieuwe onderhandelingen met een gezantschap der Staten-Generaal aan.
Weer had er eene stormachtige bijeenkomst plaats, waarin Don Juan in hevigen toorn opstoof en de afgezanten voor verraders schold, dewijl zij onwrikbaar en met zeer weinig eerbied voor het koninklijk gezag de eischen des volks handhaafden. Reeds maakte het gezantschap zich tot vertrekken gereed, toen don Juan--waarschijnlijk door den hertog van Aerschot en den bisschop van Luik zachter gestemd--gedurende den nacht van meening veranderde. Hij verklaarde, dat hij de pacificatie van Gent wilde goedkeuren, wanneer door mannen van gezag in kerk en staat bewezen werd, dat zij geene nadeelige bepalingen voor de katholieke kerk en den koning bevatte.
Het viel den afgevaardigden der Staten niet moeilijk, dit aan te toonen en nadat dit geschied was, onderteekende don Juan in Februari 1577 het "eeuwig edict", hetwelk in de hoofdzaak met de bepalingen der Brusselsche Unie overeenstemde. Hij erkende daarin de pacificatie van Gent, beloofde, dat de vreemde troepen verwijderd zouden worden (de Spanjaarden binnen 40 dagen, de Duitsche huurbenden, nadat hunne soldij uitbetaald zou zijn), dat alle gevangenen in vrijheid gesteld en dat alle rechten en vrijheden des lands zouden worden geëerbiedigd.
Aan den anderen kant legde het "eeuwig edict" den Staten-Generaal de verplichting op om de katholieke godsdienst te beschermen, en don Juan als gouverneur-generaal te erkennen, zoodra de Spaansche troepen het land zouden verlaten hebben.
De prins van Oranje was over die onverwachte toegevendheid van don Juan alles behalve verheugd; indien hij daarop verdacht was geweest, dan zou hij den Staten wellicht nog meer omvattende eischen aangeraden hebben. Hij hield zich overtuigd, dat don Juan slechts een schandelijk spel met het goed vertrouwen en de lichtgeloovigheid der Nederlanders speelde en dat hij zijne beloften schenden zou, zoodra hij zich daartoe machtig genoeg voelde. Ook de bekrachtiging van het eeuwig edict door Philips II kon zijne op eene nauwkeurige kennis van het trouwloos karakter des konings gegronde denkbeelden niet wijzigen. Hij weigerde derhalve, het eeuwig edict aan te nemen en het in Holland en Zeeland af te kondigen.
Op dit tijdstip had het intusschen allen schijn, dat het wantrouwen van Willem van Oranje overdreven was en dat don Juan werkelijk van plan was, niet alleen het edict in geheel zijn omvang na te leven, maar ook zijne heerschappij in de Nederlanden niet op geweld, maar op de liefde en het vertrouwen des volks te gronden. Hij gedroeg zich jegens de Nederlanden hoogst genadig en beminlijk. Te Leuven waarheen hij zich na de openbaarmaking van het edict begaf, bewoog hij zich in het midden der bevolking, zonder bescherming van eene gewapende macht. Hij nam van goeder harte deel aan de volksfeesten, schoot met de burgers naar den vogel en werd zelf schutterkoning. Alle Nederlanders, die tot hem kwamen, werden met opene armen ontvangen en velen kwamen tot hem: de adel verdrong zich om hem heen. Deze wenschte een staatsambt, gene een titel, ieder eene andere onderscheiding te verwerven. Don Juan was jegens allen mild met beloften en betuigingen van zijne gunst. Hij zou gaarne allen door voorkomendheid en omkooping voor zich gewonnen hebben en het liefst van allen den prins van Oranje. "Want deze"--zoo schreef hij aan Philips--"is de loods, die het schip stuurt; hij alleen kan het redden of doen vergaan;---van hem hangt zoowel de herstelling des vredes als het behoud der katholieke godsdienst en van de gehoorzaamheid jegens uwe majesteit in deze provinciën af."
Den prins van Oranje, wiens beteekenis don Juan in zijn brief aan den koning zoo juist toonde te waardeeren, voor den nieuwen landvoogd te winnen, was voor dezen eene zaak van het hoogste gewicht, ja tot bereiking van dat doel was hem geen offer te groot. Maar Oranje verscheen niet te Leuven, om den keizerszoon het hof te maken, hij knoopte zelfs niet de minste betrekking met dezen aan. Op raad van den hertog van Aerschot zond don Juan derhalve den beroemden doctor Elbertus Leoninus tot den prins, om diens vriendschap door middel van beloften te koopen en hem te verzekeren dat het edict stipt nageleefd worden zou.
Vergeefsche moeite! Willem van Oranje liet zich noch door beloften omkoopen, noch zich door betuigingen van vriendschap in slaap sussen. Hij herinnerde Leoninus het lot van Egmond en Hoorne, zoovele geschondene eeden en beloften van eene Margaretha van Parma, van een Alba en van een Philips II. Oranje hield zich derhalve voorzichtig schuil, hij wierp een profetischen blik in de toekomst en zijne overtuiging wankelde niet, zelfs toen don Juan zijne belofte hield, door in de laatste dagen van April 1577 de Spaansche soldaten, onder de luide toejuiching des volks, uit het land te doen vertrekken, en den hertog van Aerschot, die thans voor een ijverig patriot doorging, tot bevelhebber der citadel van Antwerpen benoemde.
Nadat don Juan op deze wijze getoond had, dat het hem ernst was met de vervulling van zijne beloften, werd hij als gouverneur-generaal gehuldigd. Den 1en Mei 1577 trok hij onder de toejuiching des volks Brussel binnen. De stad was tot zijne ontvangst feestelijk versierd, tallooze eerepoorten waren er opgericht, de overheden en de burgers wedijverden in eerbiedbetuigingen voor des konings plaatsvervanger, die eindelijk in tegenstelling met een Alba en een Requesens gekomen was om in vrede over de Nederlanden te regeeren.
Schoone handen wuifden uit alle vensters den vorst een hartelijk welkom toe en strooiden bloemen op zijn weg, eene schaar bekoorlijke jonge meisjes, de dochters van oude en hoog aanzienlijke geslachten, reikten den overwinnaar van Lepanto een lauwerkrans toe.
Don Juan ontving al deze bewijzen van hoogachting en liefde met innemende vriendelijkheid. Hij scheen daardoor diep getroffen.
De algemeene vreugde was groot, maar--kort van duur!
De vriendelijkheid, welke don Juan ten toon spreidde, was niets dan een masker; hij gevoelde zich volstrekt niet gelukkig en vereerd door deze feestelijke ontvangst, welke hij had moeten koopen voor eene toegevendheid, waarover hij zich schaamde, in zijn hart haatte hij de Nederlanders, jegens wie hij zich zoo vriendelijk en beminlijk voordeed.
In de zekere overtuiging, dat hij, overwinnaar van Lepanto, de bedwinger van de Mooren, alleen door zijn verschijnen de oproerige provinciën tot onderwerping zou brengen, was hij vol hoop naar de Nederlanden gesneld, om daar--niets dan teleurstellingen te vinden. Te vergeefs had hij al de macht zijner verleidelijke beminlijkheid aangewend, slechts eenige edelen waren voor hem gewonnen, maar geheel de overige bevolking was onwrikbaar op haar stuk blijven staan en had hem eerst nadat door de verwijdering van de Spaansche troepen en de uitvaardiging van het eeuwig edict hare eischen vervuld waren, als vertegenwoordiger des konings gehuldigd.
Uit de Nederlanden had don Juan gehoopt, eene landing in Engeland te ondernemen, om Maria Stuart uit hare gevangenschap te verlossen en haar te plaatsen op den troon, dien hij met haar deelen wilde. Daartoe hadden de Spaansche troepen hem moeten dienen, die hij dan inschepen en naar Engeland overvoeren wilde. Doch ook dit plan was verijdeld door den aandrang der Staten, die onverzettelijk de verwijdering van die krijgsmacht over land geëischt en doorgedreven hadden.
Don Juan schaamde zich diep over de treurige rol, welke hij, overeenkomstig des konings instructies, in de Nederlanden had moeten spelen, hij brandde van begeerte om in het bloed der gehate Nederlanders den smaad uit te wisschen, welken zijne toegevendheid in zijn eigen oog op hem deed kleven, ja eindelijk langs den weg van openbaar geweld te verkrijgen, wat hij--dat begreep hij zeer goed--van het stijfhoofdige volk nooit door zachtheid verwerven zou: de hernieuwde onderwerping van het geheele volk aan den despotischen wil des konings. Hij smachtte naar den oogenblik, waarin het hem vergund zou zijn, de hem afgedwongene beloften te verbreken.
De briefwisseling, door don Juan en zijn vertrouwden raadsman Escovedo met Philips II en diens geheimschrijver Antonie Perez gevoerd, is voor een deel bewaard gebleven. Zij werpt een helder en verrassend licht op het karakter en de gezindheid van den door velen bewonderden don Juan van Oostenrijk. Hij noemt daarin de Nederlanden een afschuwelijk land van dronkaards, verraders en muiters, hij verlangt, terwijl hij zich jegens hen zoo vriendelijk gedraagt, aanhoudend geld uit Spanje, om hen te tuchtigen.
Escovedo, die zonder don Juan's toestemming geen letter op het papier zette, schrijft aan Perez, dat men de Spaansche troepen niet te ver verwijderen moest, dat het 't beste zou zijn hen in Frankrijk te gebruiken tot verdediging van het katholieke geloof, opdat ze bij de hand zouden zijn, wanneer het er op aan kwam, de dronken Nederlanders te straffen.
Don Juan vroeg geld, altijd geld, veel geld, om eene bende spionnen te betalen, die noodiger dan ooit voor den dienst Zijner Majesteit waren.
Perez schrijft aan Escovedo; hij uit den wensch, dat de laatste toch zijn best zou doen om des konings gevaarlijksten vijand, den prins van Oranje, te laten vermoorden, dewijl men zich op eene andere wijze van hem niet ontslaan kon, en Escovedo antwoordt, dat hij al het mogelijke zal doen om den prins uit den weg te ruimen, dat hij zelf hierin het hoogste belang stelde, maar dat men zich niet overhaasten moest, omdat het niet gemakkelijk was, een mensch te vinden, die zich aan de met zulk een aanslag verbondene gevaren wilde blootstellen.
Ons bestek verbiedt ons, langer bij deze hoogst belangrijke briefwisseling stil te staan; het aangehaalde is dan ook voldoende om te bewijzen, aan welk eene schandelijke trouwloosheid don Juan zich schuldig maakte, jegens de Nederlanders, wien hij werkelijk voor een korten tijd de oogen verblindde.
Eén man liet zich echter niet om den tuin leiden, Willem van Oranje: hij doorzag het spel van don Juan en was op zijne hoede.
Nog eens beproefde don Juan, den prins door onderhandelingen voor zich te winnen; hij vaardigde daartoe een gezantschap naar Middelburg af. Elbertus Leoninus, die de erfgenaam van Viglius' ambten geworden was, de hertog van Aerschot en andere aanzienlijke mannen waren leden van dit gezantschap, dat in last had, den prins van Oranje tot inschikkelijkheid, tot erkenning van den goeverneur-generaal en tot onderwerping aan het eeuwig edict te bewegen. Doch de prins was doof voor alle smeekingen en schoonschijnende redeneeringen. Hij deed de onderhandelaars opmerken, dat don Juan nog volstrekt geene onbetwijfelbare bewijzen van zijne vredelievende gezindheid gegeven had, dewijl wel de Spaansche, maar nog niet de Duitsche huurtroepen uit de Nederlanden verwijderd waren, dat het Philips' beginsel was: jegens ketters behoeft men zijn woord niet te houden; dat de huidige verdraagzaamheid op godsdienstig gebied niets was dan een bedriegelijke schijn, die verdwijnen zou, zoodra de koning de gelegenheid tot geloofsvervolging gunstig zag; dat Holland en Zeeland protestantsch waren en het zouden blijven en dat deze beide gewesten zich dus niet aan het gevaar van nieuwen geloofsdwang mochten blootstellen.
De onderhandelingen sprongen af; onverrichter zake keerde het gezantschap naar Brussel terug en reeds kort daarna bleek het, hoe wel gegrond Oranje's argwaan ten aanzien van don Juan's godsdienstige verdraagzaamheid was geweest: de katholieke bisschoppen van de 15 provinciën vaardigden een edict uit, waarin zij met toestemming van don Juan, de uitvoering van de Trentsche besluiten gelastten, en zelfs de vervolging van de ketters ving op nieuw aan. Te Mechelen werd den 15en Juni een arme kleermaker onthoofd, dewijl hij eene vergadering, waarin eene kettersche predikatie gehouden was, had bijgewoond, zonder den prediker aan te brengen! Don Juan luisterde de plechtigheid door zijne tegenwoordigheid op.
Thans wierp de gouverneur-generaal allengs het masker af. Het verdroot hem, langer toegevend en zachtmoedig jegens de muiters te zijn; daarom onderhandelde hij heimelijk met de bevelhebbers der Duitsche huurtroepen, die nog altijd de belangrijkste vaste plaatsen bezet hielden, hoewel hare kommandanten door de Staten waren aangesteld.
Zoolang don Juan zich te Brussel bevond, kon hij niet aan maatregelen van geweld denken. Hier was hij geheel machteloos, want slechts enkelen der aanzienlijke heeren, die steeds met de Spanjaarden geheuld hadden en voor korten tijd tot de volkspartij waren overgegaan, gelijk Barlaimont en zijne zonen, stonden hem ter zijde. Men noemde hen "de Johannisten", doch hun aantal was niet groot, daar het grootste deel des adels, ook de katholieken onder hen, de Spaansche heerschappij verafschuwde, zonder echter de volksheerschappij te wenschen.
Don Juan begreep, dat hij zich in de eerste plaats aan de macht der Staten onttrekken en zich voor zijne verdere ondernemingen een vast steunpunt verzekeren moest. Hij besloot twee versterkte plaatsen, de citadellen van Namen en van Antwerpen, te bemachtigen. Barlaimont stond hem bij de uitvoering van zijne plannen trouw ter zijde.
Onder voorwendsel, dat hij de koningin Margaretha van Navarre, die op eene reis naar de badplaats Spa door Namen komen moest, wilde begroeten, begaf hij zich, o. a. door den hertog van Aerschot, Barlaimont en zijne zonen en een talrijk gevolg vergezeld, naar Namen. Werkelijk ontving hij de schoone Margaretha met eene koninklijke gastvrijheid, doch nauwelijks was zij vertrokken, of hij maakte zich eensklaps met Barlaimont's hulp van de citadel van Namen meester en nam haren bevelhebber, den heer van Froymont, gevangen. Het garnizoen, dat hij niet vertrouwen kon, verving hij door geheel aan hem verknochte lieden.
Namen was een hoogst belangrijk strategisch punt tusschen de Sambre en de Maas, zeer geschikt om van hier uit verbintenissen aan te knoopen met den hertog van Guise, met wien don Juan in geheime onderhandelingen stond. Dewijl het den gouverneur-generaal ook gelukte, zich van de sterke vesting Charlemont, bij Givet, meester te maken, bezat hij thans reeds twee gewichtige plaatsen: de derde zou de citadel van Antwerpen zijn. Hij rekende vast op hare overrompeling, dewijl hij haren kommandant, den hertog van Aerschot, naar Namen had medegenomen.
Toch mislukte het welaangelegde plan, in weerwil van al de voorzorgen, door don Juan genomen. De Duitsche huurtroepen, die zich den 1en Augustus 1577 van de citadel van Antwerpen moesten meester maken, gaven den aanval op, ja zij vluchtten, door een panischen schrik bevangen, de stad uit met den kreet: "de Geuzen, de Geuzen!" toen juist op het rechte tijdstip een escader van den prins van Oranje met gunstigen wind de Schelde kwam opzeilen.
Door zijn aanslag op Namen had don Juan te vroeg het masker afgeworpen. Wel poogde hij nog de Staten te blinddoeken en van zijne vredelievende gezindheid te verzekeren door de betuiging, dat hij het eeuwig edict stipt naleven zou en dat hij zich slechts van het kasteel van Namen meester had gemaakt, om zijn leven te beveiligen, daar hij de onomstootelijke bewijzen van eene samenzwering tegen zijn persoon ontvangen had, doch niemand geloofde dit: de nimmer sluimerende, alle teekenen der tijden met scherpen blik bespiedende Oranje zorgde, dat niemand zich om den tuin leiden liet.
Het was den prins gelukt, brieven van don Juan en Escovedo te onderscheppen, waardoor de trouwloosheid van den gouverneur-generaal en zijne verstandhouding met de aanvoerders der Duitsche huurtroepen duidelijk bewezen werd. Oranje zond deze brieven aan de Staten en maakte ze buitendien openbaar.
Thans ging er een kreet van verontwaardiging tegen den landvoogd uit den boezem van het geheele volk op. De Duitsche huurtroepen werden verdreven uit een aantal vaste plaatsen, die zij nog bezet hielden, zooals Bergen op Zoom, 's Hertogenbosch en Breda, en de bolwerken der Spaansche dwingelandij, de citadellen der belangrijkste steden, werden vernield.
Te Antwerpen werkten meer dan 10.000 menschen van allerlei stand, edelen en burgers, aanzienlijke dames en bedelaars dag en nacht, om de gehate, met zooveel kunst opgetrokken muren omver te halen. Bij deze gelegenheid vond men ook het metalen standbeeld van Alba, dat Requesens ter zijde had gesteld. Het volk verbrijzelde het met ongelooflijke krachtsinspanning in kleine stukken. De burgers van Gent en anderen volgden door de verwoesting van de citadellen het voorbeeld der Antwerpenaars.
Terwijl dit alles voorviel, zat don Juan, woedend over het mislukken zijner welaangelegde plannen, binnen Namen. De hertog van Aerschot, die na de inneming van Namen zeer vriendelijk jegens hem was geweest, was hem spoedig weer ontrouw geworden, toen de kans keerde en de aanslag op Antwerpen mislukte. Alleen Barlaimont en zijne zonen bleven den gouverneur-generaal trouw ter zijde staan.
Met de Staten voerde don Juan nog altijd onderhandelingen; deze konden echter niet tot eene uitkomst leiden, dewijl zijne trouweloosheid door de onderschepte brieven al te duidelijk bewezen was. Hij achtte het thans dan ook niet meer de moeite waard, zich zoo zachtmoedig en toegevend te betoonen als vroeger. Reeds den 7en Augustus 1577 stelde hij, het masker geheel afwerpende, de voorwaarden op, waaronder hij den vrede wilde toestaan: zij luidden geheel anders als zijne vroegere verzekeringen! Alle strijdkrachten der provinciën moesten onder zijn onmiddellijk bevel geplaatst worden; de burgerij van Brussel moest worden ontwapend, de citadel van Antwerpen hersteld. De ketters in Vlaanderen en Brabant moesten worden gestraft en de prins van Oranje moest gedwongen worden om den protestantschen eeredienst te verbieden en de pacificatie van Gent na te leven. Weigerde hij, dan moesten de Staten de wapenen tegen hem opvatten.
Zulke eischen had vroeger een Alba wel kunnen stellen, toen hij aan het hoofd van een zegevierend leger de Nederlanders dwingen kon om zich aan zijn ijzeren wil te onderwerpen, maar dat don Juan, die de Spaansche troepen ontslagen had, wiens aanslag op Antwerpen juist mislukt was, dergelijke dingen eischte, dit was schier belachelijk. De Staten gaven hem dan ook een trotsch, beleedigend antwoord. Zij eischten van hunnen kant, dat hij alle troepen onverwijld ontslaan, alle vreemde beambten wegzenden, van elke verbintenis met den hertog van Guise afzien en zich voortaan in de regeering geheel aan de toestemming van den Staatsraad onderwerpen zou.
De Staten hielden zich overtuigd, dat don Juan dit verlangen niet inwilligen zou, zij trachtten daarom eene nauwere verbintenis dan tot dusver met Willem van Oranje te sluiten; deze werd derhalve door een gezantschap, waartoe o. a. Leoninus en Champigny--de broeder van Granvelle, een vurig katholiek, maar een heftig vijand der Spanjaarden--behoorden, uitgenoodigd om naar Brussel te komen. Aan het aannemen van die uitnoodiging waren voor den prins ernstige bezwaren verbonden. De staten van Holland en Zeeland gaven niet dan aarzelend hunne toestemming tot deze reis, zijne vrienden waarschuwden hem voor verraad; zijne gemalin weende en vreesde het ergste. Doch hij had besloten, alle gevaar te trotseeren, ja zijn leven tot heil des lands ten offer te brengen, indien het wezen moest.
Hij wist, dat hij onder de aanzienlijke heeren der 15 provinciën slechts weinige vrienden en vele verbitterde vijanden telde, die hem nauwelijks minder haatten dan de Spanjaarden, maar hij vertrouwde op de liefde des volks.
Hij vertrok; den 17en September kwam hij te Antwerpen en den 23en te Brussel aan. Zijne reis was een ware zegetocht. Overal werd hij begroet met den kreet: "Leve Vader Willem!"
Het was hoog tijd, dat Oranje te Brussel kwam. Reeds hadden eenige besluitelooze lieden op nieuw onderhandelingen met don Juan aangeknoopt. De katholieke edelen vreesden den aangroeienden invloed van den prins, zij zouden gaarne met don Juan vrede hebben gesloten, en toen dit niet gelukte, dewijl Oranje de meerderheid der Staten tot volharding bij hunne vroegere eischen wist te bewegen, zochten zij naar een middel om het hoofd der protestanten onschadelijk te maken.
Aan het hoofd van deze katholieke edelen stond de hertog van Aerschot. Hij was een ijdel, eerzuchtig man, die steeds eene weifelende staatkunde had gevolgd. Was don Juan's aanslag op Antwerpen gelukt, had hij de Duitsche huurbenden om zich kunnen vereenigen en eene ontzag inboezemende stelling innemen, dan zou Aerschot waarschijnlijk zijn trouwe aanhanger gebleven zijn. Doch thans had hij de zijde van den gouverneur-generaal verlaten. Voor het uiterlijke deed hij zich als een getrouw vriend van Oranje voor, doch in stilte poogde hij diens invloed te ondermijnen. De prins van Oranje mocht in geen geval met de hoogste macht in de Nederlanden bekleed worden, daarover waren Aerschot en zijne geestverwanten het eens. Ten einde hun doel te bereiken, hadden zij in stilte een staatsgreep voorbereid.
Zij hadden den 20jarigen aartshertog Matthias, den broeder van den regeerenden Duitschen keizer Rudolf II, uitgenoodigd om als algemeen stadhouder van koning Philips naar de Nederlanden te komen en voor zijn bloedverwant het bewind te voeren.
De maatregel was sluw bedacht. Matthias was een wettige afstammeling van het Oostenrijksche huis, maar geen Spanjaard. De aanhangers van het wettige koningschap en van de katholieke godsdienst konden zich rondom hem scharen en de haat des volks tegen de Spanjaarden kon hem, den Duitscher, niet treffen. Bovendien mocht Aerschot hopen, dat hij zich op den jeugdigen, onervaren aartshertog weldra een overwegenden invloed verwerven zou, terwijl hij dien van den ketterschen prins van Oranje zonder moeite zou kunnen fnuiken. Te gelijk werd door de benoeming van aartshertog Matthias het gevaar afgewend, dat aan de koningin van Engeland of den hertog van Alençon--gelijk eene Engelsch- en eene Franschgezinde partij in het land wenschten--het beschermheerschap over de Nederlanden zou worden opgedragen.
De jeugdige hertog liet zich zonder moeite overhalen om de hem toegedachte rol op zich te nemen. Den 3en October 1577 verliet hij heimelijk Weenen,--of dit met toestemming des keizers, dan wel tegen diens wil geschiedde, is niet met zekerheid te bepalen--ten einde zich naar de Nederlanden te begeven.
Oranje's houding was door dit optreden van den aartshertog Matthias alles behalve gemakkelijk gemaakt. Wellicht zou het hem gelukken, den aartshertog met geweld uit de Nederlanden verwijderd te houden, doch in dat geval beleedigde hij niet alleen den keizer en de Duitsche vorsten, maar ook de geheele katholieke en legitimistische partij in het land en gaf hij zijnen vijanden de meest gereede aanleiding om hem van eene grenzenlooze eerzucht en van het streven naar verhooging van zijne eigene macht te beschuldigen.