De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 16
Requesens bevond zich, terwijl de Spaansche troepen Leiden belegerden, in een alles behalve benijdenswaardigen toestand. De aanwerving van Duitsche huurbenden tegen Lodewijk van Nassau had zijne kas tot den laatsten penning uitgeput, uit Spanje werd hem geen geld overgemaakt en evenmin kon hij de noodige gelden uit de overige provinciën trekken, daar deze kariger waren dan ooit. Al waagden deze het ook niet, op het voorbeeld van Holland en Zeeland openlijk de vaan van den opstand te ontplooien, toch drongen zij op de verwijdering van de Spaansche troepen aan en dewijl Requesens niet bij machte was om dezen eisch in te willigen, weigerden zij van hunnen kant eenig geld op te brengen.
Zoolang Holland en Zeeland niet onderworpen waren, was alle uitzicht op een geregeld bestuur ijdel. Doch Requesens wanhoopte bijna aan de mogelijkheid om de oproerige Hollanders door kracht van wapenen tot gehoorzaamheid te dwingen. Noircarmes, die den 4en Maart 1574 te Utrecht, waarschijnlijk ten gevolge van vergif, gestorven was, had hem gezegd, dat de prins van Oranje gemakkelijk tot vrede en verzoening zou over te halen zijn, indien men hem voor zijn persoon volle vergiffenis toestond. De landvoogd besloot, dit te beproeven, want gelukte het hem, den prins voor zich te winnen, dan had hij den opstand der Hollanders en Zeeuwen van zijne ziel beroofd.
St. Aldegonde, Oranje's trouwste vriend, bevond zich nog altijd in gevangenschap; Mondragon had noch, overeenkomstig zijne belofte, diens invrijheidstelling bewerkt, noch zich vrijwillig weder in krijgsgevangenschap begeven. Niemand was beter geschikt tot het voeren van onderhandelingen met Willem van Oranje dan St. Aldegonde. Requesens ontsloeg hem daarom uit zijne gevangenschap op zijn woord, dat hij terugkeeren zou, en zond hem als bemiddelaar tot den prins en de Staten van Holland.
Willem van Oranje ontving zijn vriend met groote hartelijkheid; hij verklaarde, dat hij gaarne het land verlaten zou, om den vrede te herstellen, doch hij wilde daaromtrent niets beslissen, maar zich geheel naar den wensch der Staten schikken. Voor zich zelven verzekerde hij verder, verlangde hij niets, allerminst des konings vergiffenis, die hij niet van noode had, daar hij steeds zijn plicht jegens zijn vorst en het land had vervuld.
Niet gunstiger was het antwoord der Staten. Zij overhandigden Aldegonde een brief aan den koning, waarin zij hunne oude eischen: verwijdering van de Spaansche krijgsmacht uit het land, afschaffing van de inquisitie en herstelling van volkomene godsdienstvrijheid in fiere, manlijke taal handhaafden.
Aldegonde, die niets had kunnen uitwerken, keerde, getrouwer aan zijn woord dan Mondragon, in zijne gevangenschap terug, waaruit hij door Requesens eerst den 15en October 1574 ontslagen werd.
Na deze mislukte poging van Aldegonde was de verzoening moeilijker dan ooit. Na het ontzet van Leiden was Oranje's invloed, zoo mogelijk, nog grooter geworden. De Staten hadden hem eene schier onbeperkte macht onder den titel van gouverneur of regent opgedragen en, hoewel eerst na eenige aarzeling, maandelijks eene som van 40.000 gulden tot voortzetting van den oorlog ter zijner beschikking gesteld, eene som, die wel niet aanzienlijk was, maar toch den regent eene zekere vrijheid van handelen gunde. Na dit alles was de verzoening van den gevaarlijken man in Requesens' oog nog wenschelijker dan vroeger. Hij liet tot bereiking van dit doel niets onbeproefd, doch al zijne pogingen waren vruchteloos, zelfs de geleerde professor der Leuvensche Hoogeschool, Elbertus Leoninus, een man, die in 's prinsen achting hoog stond aangeschreven en die in persoon de onderhandelingen leidde, kon niets uitrichten.
Even vruchteloos bleef een vredes-congres, dat op aandringen van keizer Maximiliaan, die gaarne door zijne tusschenkomst de oproerige Nederlanders met Philips II verzoend zou hebben, den 3en Maart 1575 te Breda geopend werd. Leoninus spande al zijne krachten in om eene verzoening tot stand te brengen, doch hoe ware dit mogelijk geweest?
Wel wenschte Philips II, die in groote geldverlegenheid verkeerde, naar den vrede, maar hij had vast besloten daarvoor ook niet het geringste offer te brengen. Hij had Requesens in dien geest de noodige instructies gegeven. De Hollanders volhardden van hunnen kant even onverzettelijk in de handhaving van hunne rechten en in hun wensch naar godsdienstige vrijheid; eene verzoening tusschen de beide partijen was dus onmogelijk.
De afgevaardigden der Staten van Holland eischten te Breda de verwijdering van de Spaansche troepen en de bijeenroeping van de Staten-Generaal der Nederlanden, wien alles wat de godsdienst betrof moest worden overgelaten. De koning daarentegen liet verklaren, dat de opstandelingen eerst tot gehoorzaamheid terugkeeren, al hunne steden, hunne versterkte sloten en hunne schepen met het volle geschut overgeven en overal de katholieke godsdienst herstellen moesten, dan zou de koning de Spaansche troepen slechts zoo lang in het land houden als noodig was en ook den raad van de Staten-Generaal inwinnen, maar zich zelven de beslissing voorbehouden.
Bij zulk een strijd der belangen konden alle bemoeiingen van Leoninus geene overeenstemming tot stand brengen; de strijd duurde onafgebroken voort.
Tot dusver had Willem van Oranje nog altijd als plaatsvervanger des konings in Holland geregeerd. Ook toen in Juni 1575 de Unie tusschen Zeeland en Holland gesloten en den prins van Oranje het bewind over deze beide verbonden gewesten opgedragen werd, had men nog altijd dezen schijn in acht genomen. Doch nadat het vredescongres te Breda zoo geheel vruchteloos afgeloopen was, gevoelden de vereenigde gewesten de dringendste behoefte om zich geheel aan de Spaansche heerschappij te onttrekken en zich bij eene der andere groote mogendheden van Europa aan te sluiten. In October 1575 spraken ridderschap en steden in eene vergadering te Delft eenparig de afzetting van den koning en de noodzakelijkheid uit om een anderen souverein te verkiezen. Aan de vestiging van eene republiek dachten zij nog niet, alleen aan de verkiezing van een anderen vorst en zij droegen den prins van Oranje, onder goedkeuring der Staten, de noodige onderhandelingen op.
De keuze van zulk een nieuwen vorst was geene gemakkelijke zaak. Het natuurlijkst zou zijn geweest, zich aan het Duitsche rijk aan te sluiten; doch dit bestond eigenlijk slechts in naam en was inderdaad geene groote mogendheid. Ten nadeele van Frankrijk getuigden de daar heerschende onlusten, tegen Engeland de vrees, welke koningin Elisabeth in den laatsten tijd aan den dag had gelegd om door ondersteuning van de Nederlanders met Philips II in openbare vijandschap te geraken.
In alle opzichten leverde de aansluiting aan eene der vreemde mogendheden groote moeilijkheden op, die nog vermeerderd werden door de omstandigheid, dat in de laatste jaren het aanzien der opgestane gewesten tengevolge van meer dan ééne oorzaak ondermijnd was, terwijl de prins van Oranje zich door een onstaatkundigen stap vele vijanden gemaakt had.
Reeds vroeger hadden de geuzen tegen de katholieke inwoners der provinciën vele wreedheden gepleegd; den prins was het, in weerwil van de uiterste krachtsinspanning, niet gelukt dit te verhoeden. Menigmaal had hij de misdadigers streng gestraft en zelfs den woesten Lumey uit zijn dienst ontslagen, maar toch kon hij den katholieken niet die verdraagzaamheid verzekeren, waarop zij ook in zijn oog recht hadden.
Een der ijverigste aanhangers van den prins was Dirk Sonoy, die om zijne schitterende verdiensten tot gouverneur van Noord-Holland benoemd was. Deze bracht door zijne onmenschelijke wreedheid aan de zaak der vrijheid, voor welke hij streed, eene diepe wonde toe.
Hij meende eene samenzwering op het spoor te zijn gekomen; terstond stelde hij, Alba's voorbeeld volgend, eene soort van bloedraad in, die in last ontving, de saamgezworenen op te sporen en te straffen. Acht vagebonden werden gegrepen; door middel der pijnbank dwong men hen tot de bekentenis, dat zij door eenige rijke katholieken omgekocht waren om eenige steden en dorpen ten dienste der Spanjaarden in brand te steken; vervolgens werden zij levend verbrand, hoewel men hun, tot belooning voor hunne bekentenissen, lijfsbehoud voorgespiegeld had. Op weg naar den brandstapel herriepen zij al hunne bekentenissen, maar toch werden allen, die zij beschuldigd hadden, in hechtenis genomen en aan den nieuwen bloedraad overgeleverd.
Thans toonde Sonoy, dat het mogelijk was, zelfs den gehaten Alba en de inquisitie in wreedheid te overtreffen. De gevangenen, die geene enkele misdaad begaan hadden, die slechts door de afgeperste en later herroepene bekentenissen van landloopers in staat van beschuldiging waren gesteld, wien men niets anders dan hunne trouw aan het katholiek geloof verwijten kon, werden, om hen tot bekentenis te brengen, aan folteringen onderworpen, zoo wreed, dat geen demon zelfs ze gruwelijker uitdenken kon.
Een hunner, dien men lang te vergeefs gefolterd had, zonder hem eene bekentenis te kunnen afpersen, wierp men op een bed en zette hem op het naakte lijf een grooten omgekeerden ketel, waarin zich eenige groote ratten bevonden. Vervolgens legde men gloeiende kolen op den ketel en dwong daardoor de woedende ratten om het lichaam van den ongelukkige te verscheuren.
Standvastig verdroeg de gefolterde deze en andere martelingen, welke de pen weigert te beschrijven, en eerst toen hem volledige vergiffenis beloofd werd, noemde hij zijne gewaande medeplichtigen, d. i. klaagde hij onschuldigen aan. Het bloedgericht hield jegens hem evenmin woord als jegens de landloopers; het veroordeelde hem tot een afgrijselijken dood; het hart moest hem uit het lichaam gereten worden, daarna zou zijn lichaam worden onthoofd en gevierendeeld.
Op den weg naar het schavot herriep de veroordeelde de hem afgeperste bekentenis, doch zijne stem werd verdoofd door die van den priester, die hem vergezelde, en die zijne gebeden zóó luide opzeide, dat men de woorden der herroeping niet duidelijk verstaan kon. Woedend over deze handelwijze daagde de ter dood veroordeelde den onwaardigen dienaar van Christus binnen drie dagen voor Gods rechterstoel; daarop onderging hij de vreeselijke straf.
Welk eene macht het bijgeloof in die dagen uitoefende, leert ons het voorbeeld des priesters. De bedreiging van den stervende joeg hem zulk een doodelijken schrik aan, dat hij ernstig ziek werd en werkelijk den derden dag stierf. Zijn dood gaf natuurlijk nieuw voedsel aan het wondergeloof des volks.
Een aantal inhechtenisnemingen volgde op dit doodvonnis; gelukkig had Willem van Oranje intusschen bericht gekregen van Sonoy's wreede handelwijze; hij verbood, de gevangenen te folteren en ter dood te brengen; doch den wensch van vele zijner vrienden, die over die bloedige tooneelen diep verontwaardigd waren en daarom op de afzetting van den wreeden gouverneur aandrongen, kon hij niet vervullen. Dirk Sonoy had hem te schitterende diensten bewezen en hij had zijne verdere hulp te dringend noodig, dan dat de prins hem had kunnen ontslaan. Hij spoorde hem slechts tot grootere zachtmoedigheid aan en maakte zich daardoor in de oogen der wereld medeplichtig aan de wreedheden, welke Sonoy nog verder beging. Bovendien verschafte hij daardoor den vijanden der Hollandsche vrijheid een welkom voorwendsel om de geuzen voor een hoop wild, wreed en misdadig gespuis uit te maken.
Ook door zijn persoonlijk gedrag had Willem van Oranje zich meer dan een machtigen vijand gemaakt en vroegere vrienden van zich vervreemd; vooral door een huwelijk, dat hij in Juni 1575 sloot.
Zijn echt met Anna van Saksen was verre van gelukkig geweest, naar het schijnt, buiten zijne schuld. Het karakter dier vorstin wordt ons althans door hare tijdgenooten eenstemmig afgeschilderd op eene wijze, die terstond elke gedachte aan de mogelijkheid van een gelukkig huwelijksleven moet verbannen.
Anna van Saksen had reeds van den eersten tijd haars huwelijks af eene woeste hartstochtelijkheid aan den dag gelegd, die aanhoudend toenam en eindelijk schier in waanzin ontaardde. Zij vierde in zulke mate bot aan hare lust tot het gebruik van bedwelmende dranken, dat zij eindelijk noch staan, noch gaan kon; haar geheele leven was één openlijk schandaal. Dat de prins zich van zijne waanzinnige gemalin scheiden liet, zou hem zeker nooit tot verwijt zijn gemaakt, daar de keurvorst van Saksen zelf de gescheidene als eene dolle achter de traliën zetten liet, doch wel werd des prinsen keus, toen hij op nieuw in het huwelijk wilde treden, scherp berispt.
Charlotte van Bourbon, de dochter van den hertog van Montpensier, was door haren vader voor het klooster, bestemd. Zij had den sluier aangenomen en het ambt van abdis in het klooster, waartoe zij behoorde, reeds aanvaard; doch het kloosterleven beviel haar niet, zij ontvluchtte het gesticht, ging tot de protestantsche godsdienst over en vond als zoodanig eene toevluchtsoord aan het hof van de Paltz.
De prins van Oranje koos Charlotte van Bourbon tot zijne gemalin; dat hij tegen den raad zijner vrienden de voormalige non huwde, haalde hem de vijandschap van vele vorsten op den hals. De keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen waren woedend, zelfs 's prinsen broeder, Jan van Nassau, die trouw aan hem gehecht was, sprak een afkeurend oordeel over dit huwelijk uit en het Fransche hof verkoelde sinds dien tijd meer en meer in zijne gezindheid jegens den onwelkomen bloedverwant.
Bij de onderhandelingen, welke Willem van Oranje ten behoeve van de aansluiting der Nederlanden aan eene vreemde mogendheid te voeren had, ondervond hij op eene smartelijke wijze, dat vele vroegere vrienden hem ontrouw waren geworden. Een gezantschap naar Engeland, waaraan ook St. Aldegonde deelnam, bleef geheel zonder vrucht. Koningin Elisabeth hield de gezanten met allerlei plichtplegingen en met halve beloften bezig, doch liet zich tot geene bindende belofte overhalen. Even weinig vrucht droegen voorshands de onderhandelingen met Frankrijk, hoewel de hertog van Alençon veel lust had om in de Nederlanden een zelfstandig rijk te stichten; ook van de protestantsche vorsten van Duitschland, die woedend waren over des prinsen huwelijk, was niets te hopen, en zoo moesten de opgestane gewesten zich in den strijd met Philips II uitsluitend op hunne eigen krachten verlaten.
En toch hadden zij in dien tijd die buitenlandsche hulp zoo dringend noodig!
Op de kortstondige blijdschap van het ontzet van Leiden volgde weldra een treurige tijd, waarin de Hollanders zeer ongelukkig streden. De heer van Hierges, een der vier dappere zonen van Barlaimont, ondernam in het jaar 1575 een strooptocht in Holland. Nadat hij de Geldersche stad Buren, die zich bij Holland had aangesloten, ingenomen had, veroverde hij Oudewater, waar hij het bloedbad van Naarden herhaalde.
Nog gevaarlijker dan de tocht van den heer van Hierges was voor de opstandelingen eene stoutmoedige onderneming, die door de Spanjaarden in den nacht van den 24en September 1575 werd uitgevoerd.
Het eiland Schouwen, het noordelijkste der Zeeuwsche eilanden, vormde de verbinding van het eiland Walcheren met Holland. Dit eiland weer in hunne macht te krijgen, was voor de Spanjaarden eene zaak van het hoogste gewicht; gelukte hun dit, dan konden zij de verbinding tusschen Holland en Zeeland verbreken.
Tholen en Zuid-Beveland waren nog in de macht der Spanjaarden; van hier uit kon een aanslag op Schouwen ondernomen worden, wanneer het mogelijk was, den ondiepen rivierarm, die de eilanden van elkaar scheidde, over te steken. Doch hiertoe ontbrak het aan de noodige schepen en de geuzenvloot was oorzaak, dat deze niet aangevoerd konden worden.
Een Zeeuwsch verrader deed den Spanjaarden een middel aan de hand om hun plan tot overrompeling van Schouwen uit te voeren; hij wees hun eene lange smalle bank, die gedurende de eb zóó hoog onder den waterspiegel lag, dat zij der geuzenvloot het naderen belette. Deze bank bood den Spaanschen soldaten bovendien een middel aan om, al was het dan ook niet zonder levensgevaar, het eiland Schouwen te bereiken.
Requesens volgde met blijdschap de aanwijzing des verraders. Vrijwilligers werden opgeroepen en 1700 man boden zich aan om het waagstuk te ondernemen. Zij ontvingen een zak met buskruit en levensmiddelen voor drie dagen, dien zij om den hals bevestigden, en daalden daarop in den nacht van den 24en September onder aanvoering van den dapperen Osorio d'Ulloa in de zee af, om den overtocht te beproeven.
Het was een vreeselijke tocht! Dikwijls steeg het water den Spaanschen soldaten tot boven de schouders; in het glibberige zand konden zij den voet niet met de noodige vastheid nederzetten en toch bedreigde elke mistred hen met een zekeren dood, want de zandbank was zeer smal en daalde aan beide zijden steil in de zee af.
Slechts langzaam konden de Spanjaarden voorwaarts gaan en onophoudelijk zagen zij zich bestookt door de waakzame geuzen, die wel met hunne schepen niet dicht genoeg konden naderen, om den overtocht te beletten, doch die onafgebroken op den voortrukkenden vijand vuurden en ook met hunne harpoenen menigen Spanjaard doodden.
Groot was het aantal slachtoffers, dat de golven in dien nacht verzwolgen, want elke gewonde was reddeloos verloren. Maar de fortuin helpt de dapperen, de vermetele tocht gelukte: 1200 man bereikten den overkant en slechts de achterhoede moest terugkeeren; anders zou de vloed hen bereikt en verzwolgen hebben.
Nog stond den Spanjaarden een hevige strijd voor de deur. Karel van Boisot, de broeder van den beroemden admiraal, wachtte hen af met eene schaar Fransche, Engelsche en Schotsche huurtroepen.
Was het toeval of een vooraf beraamd verraad? De huurtroepen vermoordden hun dapperen generaal en vluchtten daarop lafhartig voor de uit de zee opklimmende vijanden.
Het bezit van het eiland Schouwen was de vrucht dezer stoute onderneming en thans konden de Spanjaarden, nadat zij zich versterkt hadden, tot de belegering van Zierikzee, de goed bevestigde hoofdstad van het eiland, overgaan. Doch hier wachtte hen niet zulk eene gemakkelijke zegepraal, want Zierikzee werd door de inwoners met de grootste dapperheid verdedigd.
Door de verovering van Schouwen en de belegering van Zierikzee hadden de Spanjaarden eene sterke stelling aan de kust ingenomen; Holland was van Zeeland gescheiden en daar ook Haarlem nog altijd in de macht der Spanjaarden was, waren de strijdkrachten der Nederlanders in drie deelen gesplitst.
De prins van Oranje wanhoopte in dezen treurigen toestand bijna aan de mogelijkheid der overwinning. Zonder hulp van buiten scheen het ondenkbaar, dat de zoo verzwakte opstandelingen nog langer aan de Spaansche overmacht het hoofd zouden kunnen bieden, en op buitenlandsche hulp viel niet te rekenen. Men verhaalt, dat de prins in dien wanhopigen toestand het besluit had opgevat om de geheele bevolking des lands op de vloot in te schepen en zich naar de nieuwe wereld te begeven, ten einde daar een protestantschen staat te vestigen, doch vooraf alle sluizen open te zetten, alle dijken door te steken en het rijke land aan den oceaan prijs te geven.
Indien dit plan werkelijk ooit is opgevat, werd het toch niet uitgevoerd, want eene nieuwe straal van hoop blonk eensklaps den Hollanders weer in de oogen. Requesens stierf, na eene ziekte van weinige dagen, den 5en Maart 1576, zonder dat het hem mogelijk was geweest een opvolger te benoemen.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De Nederlanden. Treurige toestand der provinciën. Bevestiging van de Unie tusschen Holland en Zeeland. Mislukte poging tot ontzet van Zierikzee. Dood van Lodewijk van Boisot. Val van Zierikzee. Opstand der Spanjaarden. Zwak bewind van den Staatsraad. De Spaansche muiters te Aalst. Opstand van het geheele Spaansche leger. De Roda. De Staatsraad in hechtenis genomen. Vergadering der Staten te Gent. Moeilijkheden bij de onderhandelingen. Maastricht en Antwerpen door de Spaansche muiters geplunderd. Gevolgen van het bloedbad te Antwerpen. De pacificatie van Gent.
Indien wij ons den toestand der in opstand verkeerende provinciën voor den geest roepen, dan bieden zij ons een hoogst treurig schouwspel aan.
Het land verkeerde in den uitersten nood. De lange, hardnekkige strijd had zelfs den meest welvarende bijna arm gemaakt, de velden lagen braak, bijna overal had men gebrek aan zaaikoren, aan vee en aan geld om het aan te koopen. Het doorsteken van de dijken had aan het bouwland onnoemlijke schade toegebracht. Nog had men de dijken niet weder geheel kunnen dicht maken bij gebrek aan geld en aan werkkrachten, bij elken storm werd dus het land bedreigd met eene zeer ongewenschte overstrooming, die het geheel aan den ondergang prijsgeven kon.
Voeg hierbij de treurige gebeurtenissen op het oorlogstooneel: Noord- en Zuid-Holland van elkaar gescheiden door de vesting Haarlem, die nog in het bezit der Spanjaarden was; Amsterdam, de hoofdstad van het kleine land, insgelijks in handen van den vijand; Zierikzee belegerd en zelfs de tot dusver onbetwiste heerschappij ter zee door de laatste gebeurtenissen in de waagschaal gesteld. Inderdaad, de toestand der Hollanders was bijna wanhopig en wij gevoelen eene innige bewondering voor die koene verdedigers van de Nederlandsche vrijheid, die in weerwil van al deze tegenspoeden den moed niet verloren, ja die juist in dezen treurigen tijd het waagden, de Unie tusschen Holland en Zeeland door eene nieuwe bondsacte den 25en April 1576 te Delft te bevestigen en den prins van Oranje eene schier onbeperkte macht op te dragen.
Oranje's eerste zorg moest nu zijn, Zierikzee te ontzetten. Deze plaats was belangrijk als hoofdstad van het eiland Schouwen en als sleutel van half Zeeland. Lodewijk van Boisot, de dappere admiraal, die zich door het ontzet van Leiden zulk een hoogen roem verworven had, ontving bevel om de Spaansche belegeraars aan te tasten. Hij aanvaardde die onderneming tegen het einde van Mei, maar het geluk was hem niet gunstig. De geuzen werden teruggeslagen en Lodewijk van Boisot verloor het leven bij dezen mislukten aanslag.
De belegerden moesten alle hoop op ontzet opgeven: den 21en Juni sloten zij met den Spaanschen bevelhebber Mondragon, die het beleg bestuurde, eene eervolle capitulatie, welker voorwaarden ditmaal bij uitzondering door de Spanjaarden nagekomen werden.
De val dezer belangrijke vesting scheen het ongeluk der prinsgezinden ten top te voeren, maar ziet, wat niemand verwacht had, geschiedde: juist van deze gebeurtenis dagteekende eene gunstiger wending der zaken voor de Nederlanders.
De Spaansche soldaten hadden juist op dit oorlogstooneel zulke schitterende bewijzen van hunne dapperheid geleverd, dat zij zich thans meer dan ooit gerechtigd achtten om eindelijk op betaling van hunne achterstallige soldij aan te dringen. Toen deze eisch door de officieren niet vervuld werd, dewijl hij uit gebrek aan geld niet vervuld kon worden, kwamen zij in opstand. Te vergeefs poogde de anders zoo hoog door hen vereerde Mondragon hen tot gehoorzaamheid terug te brengen, zij verklaarden, dat zij geene woorden maar geld verlangden en toen dit hun niet uitbetaald werd, kozen zij volgens hunne gewoonte een eletto en trokken, dewijl zij in het arme door den oorlog uitgeputte land hun gelddorst niet konden bevredigen door het uitplunderen van de inwoners, naar het rijke Brabant, met het plan om zich van de eene of andere groote stad meester te maken.
Welke gewichtige gevolgen deze soldatenopstand voor de ontwikkeling der Nederlandsche vrijheid gehad heeft, zullen wij straks zien.
Requesens was zoo onverwacht gestorven, dat hij geen tijd had gehad om een opvolger te benoemen; volgens het gewoonterecht nam derhalve de Staatsraad de teugels van het bewind in handen, voorshands oogenschijnlijk met gunstig gevolg, dewijl hij nergens eenigen tegenstand ontmoette en ook de Spaansche soldaten zijne bevelen gehoorzaamden.