De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 15

Chapter 153,769 wordsPublic domain

Lodewijk van Nassau had intusschen onafgebroken met Frankrijk onderhandeld en wel geen groote voordeelen verkregen, maar zeer schitterende beloften van de hertogen van Anjou en Alençon ontvangen. De werkelijke vruchten zijner bemoeiingen bestonden in eene som van f 175.000 en in een klein hulpleger van 2000 man, altijd genoeg voor den onvermoeiden voorvechter der vrijheid om weer een begin te maken met de aanwerving van een leger. Weldra bracht hij 6000 man voetvolk en 1000 ruiters bijeen; hij werd daarbij ondersteund door zijne beide broeders Johan en Hendrik en door den keurprins Christoffel van de Paltz. In Februari 1574 trok hij met zijne krijgsmacht over den Rijn en legerde zich te Gulpen, tusschen Maastricht en Aken.

Requesens mocht geen oogenblik talmen om de plannen van graaf Lodewijk te verijdelen. Gelukte het dezen, zich naar Holland door te slaan en zich met zijn broeder, den prins van Oranje, te vereenigen, dan zou de opstand eene onwederstaanbare kracht verkrijgen. In aller ijl liet de stadhouder, in weerwil van zijn geldgebrek, in Duitschland 8000 man aanwerven, buitendien brak hij het beleg van Leiden op, om ook die belegeringstroepen voor den strijd tegen Lodewijk beschikbaar te hebben.

Den 14en April 1574 had op de Mookerheide, op de grenzen van Gelderland en het Cleefsche, de beslissende slag plaats, die de hoop, welke de Hollanders op de hulp van Lodewijk van Nassau gebouwd hadden, met éénen slag vernietigde. De Spanjaarden behaalden zulk eene volledige zegepraal, dat van Lodewijk's leger ter nauwernood een spoor overbleef. Meer dan 4000 man sneuvelden deels in den strijd, deels op de vlucht. De overigen verstrooiden zich in alle richtingen. Lodewijk van Nassau, zelf, zijn broeder Hendrik en de keurprins Christoffel van de Paltz kwamen in het slaggewoel om; nooit heeft men weder iets van hen gehoord. Men weet niet, hoe zij gestorven zijn, zelfs hunne verminkte lijken heeft men niet gevonden.

De gevolgen van den slag op de Mookerheide zouden zeker voor de Hollanders nog noodlottiger zijn geweest, dan nu het geval was, indien niet een soldatenoproer de Spanjaarden verhinderd had van hunne overwinning terstond krachtig partij te trekken.

Reeds daags na den slag vorderden de Spaansche soldaten onstuimig hunne achterstallige soldij en toen die hun niet uitbetaald werd, barstte onder hen een openbare opstand uit.

Muiterij en opstand tengevolge van wanbetaling der soldij waren zoowel bij de Spaansche als bij de Duitsche huurtroepen in dien tijd gewone zaken. De Duitschers kwamen meestal in opstand vóór, de Spanjaarden, na den slag, wanneer zij trotsch waren op eene behaalde overwinning; zij verjoegen in zulk een geval hunne officieren, verkozen een hunner tot Dictator, Eletto of Electo genaamd, en zochten zich zoo spoedig mogelijk van de naastbijgelegene stad meester te maken. Hier leidden zij dan op kosten der burgers een weelderig leven, totdat òf hunne muiterij door kracht van wapenen onderdrukt werd, òf zij, nadat hun de achterstallige soldij en volledige amnestie beloofd was, zich vrijwillig onderwierpen.

De rijke stad Antwerpen was het, welke ditmaal door de muitende huurtroepen tot legerplaats uitgekozen werd; zij bereikten Antwerpen den 20en April en kwartierden zich bij de burgers in.

Requesens snelde naar Antwerpen; geheel alleen verscheen hij voor de muiters, die hij dringend smeekte, tot hun plicht terug te keeren, doch hij ontving het onbeschaamde antwoord: "Wij verlangen klinkende munt, geene woorden." Zijne beloften werden met spot beantwoord. Beschimpt door de soldaten moest hij zich terugtrekken.

Hij had geen geld; ook tot het stedelijk bestuur wendde hij zich te vergeefs met de bede, hem 400.000 gouden kronen te leenen; de rijke burgers haalden de schouders op en beweerden, dat zij buiten staat waren om den stadhouder van dienst te zijn. Doch weldra werden zij genezen van hunne vrees om van hun lieve geld te scheiden. Requesens hield hun voor, dat het onderhoud der soldaten, die ten koste der burgerij slempten en smulden, binnen korten tijd meer kosten zou dan hetgeen hij van hen verlangde, zij boden daarom den eletto soldij voor 10 maanden aan.

De eletto was daarmede tevreden, maar de soldaten niet; deze wilden zich niet onderwerpen voordat de achterstallige soldij tot de laatste cent betaald en eene volledige amnestie hun toegezegd was. Zij zetten den eletto af en verkozen een ander, die hunne eischen krachtiger doorzette, en ook werkelijk zijn doel bereikte, daar de burgers eindelijk besloten, den stadhouder de gevraagde som te leenen. Het gelukkig einde van den soldatenopstand werd met een groot feestmaal gevierd; nog was dit niet afgeloopen, toen op eens het geroffel der trommen zich hooren liet, om de feestgenooten onder de wapenen te roepen. Zij ontvingen in last terstond naar den Scheldedijk te trekken; zij gehoorzaamden en snelden van het feestmaal met de grootste bereidwilligheid ten strijde.

Lodewijk van Boisot, de geuzenadmiraal, had de Antwerpsche vloot aangetast en na een korten, hevigen strijd 14 van hare schepen met de bemanning deels verbrand, deels doen zinken. Na deze snelle zegepraal trok hij terug, zonder dat een hevig musketvuur, hetwelk van de dijken op zijne vaartuigen geopend werd en dat hij met kanonschoten beantwoordde, hem noemenswaardige schade toebracht.

De eerste belegering van Leiden had geduurd van den 31en October 1573 tot den 21en Maart 1574, op welken dag de belegeringstroepen naar de grenzen waren geroepen, om die tegen Lodewijk van Nassau te beschermen. Groot was de blijdschap der Leidsche burgers, toen zij de Spanjaarden zagen aftrekken. Zij waanden zich, in hunne vaste hoop op Lodewijk's zegepraal, voor altijd van die lastige gasten bevrijd. In hunne zorgeloosheid deden zij niets, om zich op een nieuw beleg te wapenen. In strijd met Oranje's raad werd het garnizoen niet versterkt en evenmin een voldoende voorraad van levensmiddelen binnen de veste gebracht.

Hunne vreugde was niet van langen duur. Reeds den 26en Mei verscheen de Spaansche veldheer Valdez weer met een leger voor de poorten van Leiden; na enkele dagen had hij de stad reeds zoo nauw ingesloten, dat de burgers slechts door middel van postduiven briefwisseling konden houden.

Leiden was goed versterkt; eene bestorming zou aanzienlijke offers gekost hebben en bood buitendien weinig uitzicht op een goeden uitslag aan. Valdez besloot derhalve, de stad door den honger tot de overgave te nopen, want hij wist dat de daar aanwezige voorraad van levensmiddelen niet lang de talrijke bevolking zou kunnen voeden. Haast had hij niet, nergens dreigde hem eenig gevaar, sinds Lodewijk van Nassau verslagen en gedood was. Hij bevestigde daarom zijne buitendien reeds sterke legerplaats nog meer en droeg zorg dat noch toevoer van levensmiddelen noch versterking van krijgsvolk in de stad kon gebracht worden. Bovendien matte hij door herhaalde schijnaanvallen de zwakke bezetting onophoudelijk af.

Den 6en Juni vaardigde Requesens de lang voorbereide algemeene amnestie uit, waardoor hij de Nederlanders tot verzoening hoopte te stemmen. In dit stuk wekte de koning zijne verdoolde, maar boetvaardige onderdanen op, om zich in zijne wijdgeopende vaderarmen te werpen; hij beloofde aan allen, met uitzondering van enkele, met name aangewezen personen, volle vergiffenis, slechts ééne kleine voorwaarde stelde hij, namelijk, dat zij in den schoot der heilige moederkerk zouden terugkeeren. Tegelijk met het amnestiebesluit verscheen eene bul van paus Gregorius XIII, gedagteekend van den 30en April; zij beloofde allen berouwvollen Nederlandschen ketters volle vergiffenis, ook al hadden zij zeven maal zeven maal gezondigd.

Noch de koning, noch de paus hadden veel voorspoed met de aangebodene vergiffenis. Niemand liet zich door zulke bedriegelijke woorden meer vangen. "Liever sterven dan naar de mis gaan!" riepen de Hollanders, en deze kreet werd schier eenstemmig aangeheven, want in dien tijd was het aantal hervormden in Holland sterk aangegroeid.

Het amnestiebesluit werd door Valdez naar Leiden gezonden, doch ook hier miste het alle uitwerking. De burgers verklaarden, dat zij besloten hadden in hun geloof te sterven en de stad tot den laatsten druppel bloeds te verdedigen.

Aan het hoofd der verdediging stonden drie mannen, die zich door hunne onwrikbare standvastigheid en hun heldenmoed onsterfelijke verdiensten omtrent de vrijheid der Nederlanden verworven hebben: van der Does, van der Werf en van Hout.

Jan van der Does, heer van Noordwijk, voerde het opperbevel over de bezetting; hij stamde uit een aanzienlijk geslacht af. Hij heeft zich door zijne dappere verdediging van Leiden even beroemd gemaakt als door zijn vreedzamen arbeid als dichter en geschiedschrijver.

Pieter Adriaanszoon van der Werf was de burgemeester der stad. Als een vurig aanhanger van Willem van Oranje had hij reeds vroeger meermalen zijn leven gewaagd, om door het overbrengen van nauwkeurige berichten omtrent den toestand des lands en door het inzamelen van gelden des prinsen pogingen te ondersteunen. Zijne standvastigheid bezielde de Leidsche burgerij met vurige geestdrift, zijne opwekkingen tot een onverzettelijken tegenstand tegen de Spanjaarden droegen de beste vruchten. Hij werd trouw ter zijde gestaan door zijn vriend, den stadsschrijver van Hout.

De verdedigers van Leiden sloegen alle aanvallen der Spanjaarden moedig af. Voor eene bestorming waren ze niet beducht, maar weldra verrees een ander spooksel dreigend voor hunne blikken: de hongersnood! De stad was slecht van levensmiddelen voorzien; reeds tegen het einde van Juni was het noodig, den burgers al hunne levensmiddelen af te eischen en ze in den vorm van ratioenen onder de inwoners te verdeelen: elk volwassene ontving een half pond vleesch en een half pond brood per dag.

Ten einde de verdedigers in eene goede luim te houden en hen voor ontzenuwenden lediggang vrij te waren, liet van der Does bijna dagelijks uitvallen doen. Bloedige schermutselingen vielen er onder de muren der stad voor. Menig Spanjaard, maar ook menig Hollander liet daarbij het leven; doch al deze gevechten hadden geen ander gevolg dan dat zij den moed der belegeraars sterkten: aan het talrijke Spaansche leger brachten zij geene noemenswaardige schade toe.

De eenige hoop der burgers van Leiden was gebouwd op ontzet door den prins van Oranje. Deze bezat wel eene goed uitgeruste vloot met eene dappere en geoefende bemanning, maar, helaas! geen leger. Hoe zou hij zijne vloot onder de muren eener in het hart des lands gelegene stad voeren?

Slechts één middel bestond er, een hoogstgevaarlijk, ja wanhopig middel! Wanneer de sluizen van Rotterdam, Schiedam en Delfshaven werden geopend en de groote dijk langs den Maasmond doorgestoken werd, dan zou men wellicht het geheele land in ééne groote zee kunnen herscheppen en de golven van den oceaan te hulp roepen, om de vloot in het hart des lands naar Leiden te voeren. Wellicht kon dit plan gelukken; doch alleen, wanneer een hevige en gunstige wind de onderneming bevorderde, want de vruchtbare Rijnvlakte, waarin Leiden gelegen is, ligt boven het waterpas van de landen langs de Maas en alleen een buitengewoon hooge vloed kon derhalve eene ontzet aanbrengende vloot tot onder de wallen der bedreigde stad voeren.

Was de uitslag eener algemeene overstrooming ten aanzien van Leiden's lot onzeker, de onnoemlijke schade daarentegen, welke zij het buitendien door den oorlog reeds zoo zwaar geteisterde land berokkenen zou, was maar al te gewis. De geheele oogst werd in die streken aan vernieling prijs gegeven, een deel der akkers voor langen tijd onvruchtbaar gemaakt, ja de vruchten van jarenlangen arbeid werden door de inbraak van den oceaan in het vruchtbare land vernietigd.

Toch stond het besluit van den prins tot dezen vreeselijken stap onwrikbaar vast; doch hij mocht daartoe niet overgaan zonder de toestemming der Staten. Hun legde hij zijn plan voor en met geestdrift werd het door de vertegenwoordigers des volks begroet. "Liever een overstroomd dan een verloren land!" riepen zij, en zonder aarzelen gaven zij hunne vruchtbare landouwen aan vernieling prijs.

Eere dien mannen, wien geen offer te zwaar was, waar het de dierbare vrijheid gold!

Willem van Oranje begon terstond met de uitvoering van het besluit; toch duurde het nog vele weken, eer de dijken doorgestoken en alle maatregelen om de vloot naar Leiden te voeren, genomen waren. Tot overmaat van ramp werd de prins bovendien zóó ernstig ziek, dat men aan zijne herstelling wanhoopte; hij kon over het werk niet meer in persoon het oog laten gaan en dit ging ten gevolge daarvan ook niet vooruit met dien spoed, welken de nood der stad Leiden eischte.

Reeds waarde de honger door Leiden's straten rond. In weerwil hiervan wezen de dappere burgers den 30en Juli de opeisching van den Spaanschen bevelhebber Valdez met minachting af, hoewel hun op nieuw volledige amnestie werd aangeboden.

Steeds treuriger werd hun toestand, steeds hooger klom hun nood. Den 12en Augustus ontvingen zij een brief van den prins van Oranje, die hun dringend smeekte, nog een korten tijd vol te houden. Den 21en Augustus berichtte hij hun, dat de dijken waren doorgestoken en dat de Watergeuzen weldra tot hun ontzet zouden opdagen. Van zijne ziekte zeide de prins niets, om hun moed niet ter neer te slaan.

Een oorverdoovend vreugdegejuich was het antwoord der burgerij, toen de brief op de markt voorgelezen werd; de uitgehongerde burgers gaven zich geheel aan hunne blijdschap over, de burgemeester van der Werf liet door de stedelijke muziek de vroolijkste deuntjes spelen, wier klank de belegeraars met de grootste verbazing vervulde, want nog wisten deze niets van het doorsteken der dijken. Spoedig echter bemerkten zij, dat het water wies, doch zij stelden zich daarover weer gerust, dewijl eenige Spaanschgezinde inwoners hun verzekerden, dat zij geen gevaar te duchten hadden, maar het een belachelijk pogen was, de hooggelegene Rijnvlakte onder water te willen zetten.

En zoo scheen het inderdaad! Hoewel de buitenste gedeelten van het land tot aan de Landscheiding--een sterken dijk, op 5 mijlen afstand van de stad--onder water stonden, hoewel de dappere admiraal Boisot met zijne Zeeuwsche Watergeuzen Leiden tot op eenige mijlen af stands naderen kon, werkte dat alles toch niets uit. De Spanjaarden lachten om de dwaze onderneming en meenden, dat de geuzen er niet aan denken konden, Leiden te ontzetten, eer de Maas stroomopwaarts vloeien ging. Zij achtten hunne veiligheid zoo weinig bedreigd, dat zij noch de landscheiding, noch de overige dijken, die tusschen haar en Leiden lagen, met eene ter verdediging geschikte krijgsbende bezetten.

De Zeeuwsche geuzen, waarover Boisot het bevel voerde, waren allen oude geharde zeelieden, die met een doodelijken haat tegen de Spanjaarden bezield, gezworen hadden geen kwartier te verleenen of aan te nemen en zich door geene hinderpalen, hoe ook genaamd, van het ontzetten van Leiden te laten afschrikken. Zij streden met denzelfden moed te land als te water. Toen Boisot hun in den nacht van den 10en op den 11en September beval, den dijk te nemen en zich daarop te verschansen, geschiedde dit ook. De zwakke Spaansche bezetting werd overrompeld en neergehouwen. Toen de Spanjaarden den volgenden dag te laat berouw gevoelden over hunne zorgeloosheid en met eene sterker krijgsmacht den dijk poogden te hernemen, werden zij na een bloedigen strijd, waarin zij een aantal dooden op het veld achterlieten, afgeslagen. Gevangenen werden er dien dag niet gemaakt, zelfs de gewonde vijanden werden door de geuzen koelbloedig vermoord. Een Zeeuw rukte een nog ademenden Spanjaard het hart uit het lijf; hij beet er in, en wierp het daarna eenen hond voor met den verachtelijken uitroep: "Het is te bitter!" De Landscheiding werd op meer dan ééne plaats doorgestoken, zoodat de vloot door de gemaakte openingen heenzeilen kon. Toch had men nog weinig gewonnen, want de Groene weg, een tweede groote dijk, stak met zijn kruin nog meer dan een voet boven het water uit. Gelukkig hadden de Spanjaarden hem niet bezet. Hij werd genomen en doorgestoken en de vloot zeilde ook door deze opening heen.

Telkens deden zich nieuwe zwarigheden voor. Om verder voorwaarts te dringen, had de vloot eene brug moeten passeeren, die zóó sterk door de Spanjaarden bezet was, dat het onmogelijk scheen, haar te nemen. Zelfs de dappere Boisot verloor bijna den moed, hij wist immers, dat de stad aan den uitersten nood was prijs gegeven, dat zij zich niet langer dan enkele dagen verdedigen kon, en toch was hij niet in staat om haar hulp te verleenen, hoe dicht hij zich ook in hare nabijheid bevond.

Binnen Leiden was intusschen de nood tot het uiterste gestegen. Alle levensmiddelen waren verteerd, het vleesch van honden, katten, ratten en muizen werd als eene lekkernij beschouwd. Gras, boombladeren en huiden van dieren werden als voedsel genuttigd. Reeds waren 6000 menschen zoo van honger als ten gevolge van eene door den hongersnood veroorzaakte pest gestorven; in weerwil hiervan weigerden de dappere burgers andermaal, zich aan de Spanjaarden over te geven. Op korten afstand aanschouwden zij de bevriende vloot, die hun de vurig verbeide levensmiddelen moest aanbrengen, en de hoop gaf hun nieuwen moed.

Doch dat uitzicht op verlossing werd door een ongunstigen wind op nieuw tot eene onbepaalde toekomst verschoven. Nu verloren ook de stoutmoedigsten den moed. Zij hadden schier het bovenmenschelijke gedaan, doch thans scheen de natuur met den vijand in verbond getreden. Een muitende hoop verdrong zich rondom den burgemeester van der Werf en eischte van hem, onder het uiten van allerlei bedreigingen, door overgave van de stad aan al die ellende een eind te maken.

Van der Werf stond alleen onder de verbitterde menigte, doch hij bood haar moedig het hoofd. Zijne krachtige stem klonk door het woeste getier heen, toen hij de volgende, eeuwig gedenkwaardige woorden sprak:

"Mijne vrienden! wat wilt gij van mij? Mort gij er over, dat wij onzen eed niet breken, dat wij de stad niet prijsgeven aan de Spanjaarden en daarmee aan een lot nog vreeselijker dan onze tegenwoordige toestand? Ik zeg u: ik heb gezworen de stad te zullen houden; moge God mij helpen om mijn eed gestand te doen! Ik kan slechts eenmaal sterven, hetzij door uwe handen, hetzij door die des vijands. Mijn eigen lot is mij onverschillig, maar niet het lot der mij toevertrouwde stad. Ik weet het, wij zullen van honger sterven, indien wij niet spoedig hulp krijgen, maar beter de hongerdood dan de dood der schande. Uwe bedreigingen bewegen mij niet! Mijn leven is in uwe hand. Hier is mijn zwaard, stoot het in mijn hart en deelt mijne nalatenschap. Neemt mijn lichaam, om uwen honger te stillen, maar denkt er niet aan, de stad over te geven zoo lang ik nog in leven ben!"

De woorden van den moedigen burgemeester bezielden de burgers met nieuwe geestdrift. Zij zwoeren op nieuw den eed van trouw en beklommen op nieuw de wallen. "Gelooft niet"--zoo riepen zij den Spanjaarden toe--"dat gij ons door honger dwingen kunt. Liever willen wij onzen linkerarm opeten en met den rechter onze vrouwen, onze vrijheid en onze godsdienst tegen vreemde dwingelandij verdedigen. Kunnen wij eindelijk ook dit niet meer, dan steken wij met eigen hand onze huizen in brand, om met onze dierbaren en onze have en goed in de vlammen te vergaan!"

Niets scheen de aan het verderf gewijde stad te kunnen redden; en toch--zij werd gered! In den nacht van den 1en op den 2en October stak een hevige storm op, die de golven van den oceaan met vreeselijk geweld diep landwaarts injoeg. De vloot bevond zich eensklaps in diep water; thans kon zij zich bewegen en Boisot liet geen oogenblik verloren gaan om de Spaansche schansen aan te tasten.

Een hevige schrik maakte zich van de Spanjaarden meester; toen zij den geduchten vijand, de woeste Watergeuzen, zagen naderen, verlieten zij schier zonder slag of stoot de zwakkere schansen en sloegen op de vlucht; velen hunner werd op de vlucht door de Watergeuzen neergehouwen of in de golven verdronken.

Slechts de sterkste schans, die te Lammen, bood nog tegenstand. Zij scheen onneembaar en zou het wellicht ook geweest zijn, indien de Spanjaarden den moed hadden gehad om haar te verdedigen. Bovendien hadden de Spanjaarden de stad gemakkelijk kunnen nemen, daar in dienzelfden nacht een gedeelte van den stadsmuur, tusschen de Witte- en Koepoort, met donderend geraas instortte. Doch Valdez was geen meester meer over zijne door een panischen schrik bevangene soldaten. In den nacht van den 2en op den 3en October verlieten de Spanjaarden ook deze laatste schans. "Niet voor de menschen, maar voor de zee wijk ik," schreef Valdez op eene tafel, eer hij aftrok. Doch dit fiere woord, waarmede hij zich te troostten trachtte, was een jammerlijke uitvlucht; want hij vluchtte niet voor de golven van den oceaan, maar voor de woedende Watergeuzen, die door de ontboeide wateren in het hart des lands en tot voor zijne legerplaats gevoerd werden.

Den 3en October 1574 werd Leiden ontzet. Nadat men reeds in den vroegen morgen door een knaap, die het gewaagd had geheel alleen de stad te verlaten, van den aftocht der Spanjaarden onderricht was geworden, kwam de vloot der Watergeuzen tegen den middag langs de Vliet het geteisterde Leiden binnen en bracht der uitgehongerde bevolking een overvloed van levensmiddelen aan. Toen de Zeeuwen de uitgehongerde gelaatstrekken van de mannen aanschouwden, die den vijand zulk een hardnekkigen tegenstand hadden geboden, weenden die in den strijd vergrijsde mannen als kinderen. Zij deelden brood, haring en kaas onder hen uit, die door de geredden met de meeste graagte verslonden werden. Sommigen zelfs, die al te gulzig de lang ontwende spijs naar binnen sloegen, aten zich den dood.

Nadat de eerste honger gestild was, begaf de burgerij zich met hare redders naar de St. Pieterskerk, om God voor de even ongedachte als heugelijke uitkomst te danken. Doch de lofpsalmen, die door de gewelven van het kerkgebouw weergalmden, verstomden spoedig. Allen waren zoo diep geroerd, dat tranen en snikken het lofgezang vervingen.

Inniger is zeker nooit in eene kerk gedankt en gebeden geworden dan op dezen dag; al konden ook de bevende lippen de woorden van lof en erkentenis niet uiten, des te vuriger stegen die op uit het diep bewogen gemoed!

De Nederlanders betaalden aan de dappere verdedigers van Leiden den tol eener welgemeende bewondering en dankbaarheid; zij begrepen zeer goed, dat met den val of het behoud van die aanzienlijke stad de zaak der vrijheid stond of viel. De prins van Oranje en de Staten besloten, een sprekend en blijvend gedenkteeken aan die algemeene dankbaarheid te stichten, door der stad eene hoogeschool te schenken. Opmerkelijk is het, dat in de stichtingsoorkonde nog altijd werd vastgehouden aan de oude fictie alsof het koning Philips was, die nog over Holland regeerde en die thans de stad voor den tegenstand tegen zijne eigene troepen beloonde. Den 8en Februari 1575 werd de hoogeschool, die zich later zulk eene Europeesche vermaardheid verwerven zou, plechtig ingewijd.

ELFDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Onderhandelingen tusschen Oranje en Requesens. Elbertus Leoninus. Het vredescongres te Breda. Unie tusschen Holland en Zeeland. Vergadering te Delft. Afzetting van den koning. Dirk Sonoy en zijne wreedheden jegens de katholieken. Oranje's huwelijk met Charlotte van Bourbon. Vruchtelooze onderhandelingen met vreemde mogendheden. Ongeluksdagen der Hollanders. Veldtocht van den heer van Hierges. Stoutmoedige aanslag der Spanjaarden op Schouwen. Belegering van Zierikzee. Wanhopige toestand der prinsgezinden. Requesens' dood.