De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 14

Chapter 143,558 wordsPublic domain

Pieter van der Meij keerde naar Alkmaar terug; het gelukte hem, zij het dan ook met groote moeite, door de Spaansche gelederen heen te sluipen, maar hij verloor den stok, waarin des prinsen brief zich bevond. Voor de belegerden beteekende dit verlies weinig of niets, daar de bode den inhoud kende en dezen den bevelhebbers kon mededelen; alleen vreesde men, dat de stok wellicht door de Spanjaarden zou worden gevonden. Dit geschiedde ook inderdaad: de stok en daarmee de brief van den prins werd in handen van don Frederik gesteld. Doch de uitwerking was eene geheel andere dan men verwacht had.

Frederik schrikte hevig bij het vernemen van den inhoud; indien het gerucht der dreigende overstrooming zich onder zijne buitendien reeds ontmoedigde en weerspannige troepen verbreidde, dan kon hij zeker zijn, dat zijne soldaten in aller ijl het kamp verlaten en zich verstrooien zouden. Hij sprak zijne denkbeelden hieromtrent in een krijgsraad uit en deze deelde zijn gevoelen; de officieren meenden, dat er genoeg gedaan was voor de eer der Spaansche wapenen, en dat niemand verlangen kon dat 16.000 dappere soldaten weerloos opgeofferd zouden worden in een strijd niet tegen menschen, maar tegen den oceaan.

De krijgsraad besloot, het beleg op te breken en den 8en October 1573 verliet Frederik met zijn leger den omtrek van Alkmaar, zonder het geringste voordeel behaald te hebben.

De stad Alkmaar was de eerste stad in de Nederlanden, die een regelmatig beleg van de Spanjaarden afgeslagen had: zij verwierf zich daardoor onvergankelijken roem. "Van Alkmaar begint de victorie" zoo luidt het spreekwoord, waarin nog heden ten dage die gebeurtenis in de Nederlanden vereeuwigd wordt.

Onuitsprekelijk groot was de blijdschap der bevolking over deze redding. Een van Alkmaar's dappere verdedigers deelt ons in zijne beschrijving van die gebeurtenissen ook twee volksliederen mee, welke in die dagen gezongen werden.

Een daarvan luidt:

»De stadt van Alckmaer behielt de croon, Zij gaven de Spangiaerts cranssen; Pijpen en trommelen ginghen daer schoon, Men speelde daer vreemde danssen, De Spangiaerts stonden daer vergaert, Zij dansten een nieuwe Spaensche galjaert, Maer zij vergaten te comen in de schanssen."

Drie dagen na het opbreken van het beleg van Alkmaar smaakten de Nederlanders de vreugde eener nieuwe schitterende overwinning. Eene Spaansche vloot, 30 welbewapende schepen sterk, was onder bevel van den admiraal graaf Bossu de Zuiderzee binnengezeild, waar eene geuzenvloot van 25 kleinere vaartuigen, onder den admiraal Cornelis Dirkszoon, kruiste.

Na meer dan ééne schermutseling tastte de geuzenvloot den 11en October de Spanjaarden aan en hoewel de overmacht, zoowel ten aanzien van het getal als van de bewapening der schepen, aan de zijde der Spanjaarden was, behaalden de Nederlanders eene luisterrijke overwinning. Vijf Spaansche schepen werden genomen, de overigen sloegen op de vlucht. Alleen Bossu achtte het beneden zich, zijn heil lafhartig in de vlucht te zoeken. Op het grootste en best bewapende vaartuig, dat den noodlottigen naam "de Inquisitie" droeg, bood hij aan vier Hollandsche schepen het hoofd. Na een lang en moorddadig gevecht moest de graaf wel tot het aanknoopen van onderhandelingen besluiten. Hij verklaarde zich bereid om zich over te geven, mits men hem eene eervolle, aan zijn rang passende gevangenschap en uitwisseling van de krijgsgevangenen toestond.

De Hollanders beloofden dit en zij hielden hun woord, hoewel Bossu vroeger het zijne te Rotterdam schandelijk verbroken had. In weerwil van den haat, dien zij hem toedroegen, spaarden zij toch zijn leven.

Zij zagen zich voor die trouw aan hun gegeven woord heerlijk beloond: de graaf van Bossu diende hun lang als gijzelaar voor het behoud van een ander, zeer kostbaar leven. In een gevecht tegen de Spanjaarden was de meest vertrouwde vriend van den prins, een der uitstekendste mannen, waarop de Nederlanders roem konden dragen, Marnix van St. Aldegonde, gevangen genomen. Zonder die overwinning op de Zuiderzee zou zijn dood onvermijdelijk zijn geweest, doch thans liet Oranje Alba weten, dat Bossu juist zoo behandeld zou worden als Marnix van St. Aldegonde. Hierdoor waren den hertog de handen gebonden: hij kon Marnix niet ter dood laten brengen, ja hij moest, hoezeer dit hem ook tegen de borst stuitte, een befaamden ketter als een krijgsgevangene behandelen.

Terwijl Haarlem en Alkmaar belegerd werden, had de prins van Oranje zijne dagen niet in vadsige rust doorgebracht; al kwamen de vruchten van zijn rusteloozen arbeid ook niet in schitterende daden aan het licht, toch kunnen wij zijn invloed overal opmerken. Aan hem alleen was het te danken, dat de Hollanders niet in hun tegenstand verflauwden, door zijne kalme vastberadenheid boezemde hij hun onwrikbaren moed en vertrouwen op eene toekomstige zegepraal in. Zijn broeder Lodewijk diende hem tot onderhandelaar bij het Fransche hof; met de protestantsche vorsten van Duitschland stond hij zelf in betrekking.

Hij had thans openlijk de katholieke kerk verlaten; in October 1573 was hij te Dordrecht tot het Calvinisme overgegaan.

De vurige bewonderaars van den prins zijn van oordeel, dat deze geloofsverandering louter de vrucht der innige overtuiging van hun held is geweest. Doch wanneer wij ons herinneren, dat Oranje, hoewel nooit een dweepziek katholiek, vroeger toch ook nooit veel ingenomenheid met het Calvinisme aan den dag gelegd had, dat zijn ideaal, volkomen vrijheid van godsdienst en geweten, in de oogen der strenge Calvinisten al zeer weinig aantrekkelijks bezat en dat hij zich door hunne hardheid menigmaal voelde afgestooten, dan ligt de onderstelling voor de hand, dat de staatkunde ook haar deel aan dien stap des prinsen gehad heeft. Wij houden het er voor, dat de prins, zoo hij geheel vrij was geweest, veel liever Lutheraan dan Calvinist zou zijn geworden, maar dat hij begreep, in dit opzicht niet tegen den stroom te kunnen oproeien. Het is niet noodig, een mensch tot een heilige te maken, om zijne groote verdiensten te erkennen.

In denzelfden tijd werd eene nieuwe wending in het lot der Nederlanders voorbereid door het besluit van Philips II om den hertog van Alba een opvolger te geven. Alba zelf was reeds lang zijn ambt moede. Hij was ontevreden over zich zelven en lag met de geheele wereld overhoop. Na zoovele overwinningen bevond hij zich buiten staat om een enkele provincie te onderwerpen; hij wist wel, welk een vloek er op zijn naam rustte, hoezeer hij het voorwerp van den afschuw van alle Nederlanders was, zelfs van hen, die de medeplichtigen zijner schandelijke misdaden geweest waren; ook Viglius verborg zijn afkeer van hem niet. Onder zijne troepen heerschte op verre na niet meer de vroegere geest van orde en gehoorzaamheid en hij was niet bij machte om door geregelde uitbetaling van hunne soldij de tucht onder hen te herstellen. Zijne geldelijke verlegenheid was zóó groot, dat hij noch de schulden, die hij voor zijn persoon bij Amsterdamsche kooplieden gemaakt had, noch die, welke hij voor rekening van den staat had aangegaan, betalen kon.

Bovendien gevoelde hij maar al te goed, dat hij de gunst des konings had verloren. Zijne vijanden aan het hof trokken partij van zijne verlegenheid en hielden Philips II voor, dat Alba's bewind de Nederlanden geheel van hem vervreemd had en dat die belangrijke gewesten daardoor wellicht geheel voor hem konden verloren gaan.

De altijd achterdochtige koning was maar al te zeer geneigd om aan zulke inblazingen geloof te slaan. Dankbaarheid kende hij niet; de diensten, welke Alba hem bewezen had, vergat hij maar al te spoedig.

Reeds voor lang had de hertog Philips verzocht, hem van den zwaren last der landvoogdij te ontheffen. Toenmaals had de koning schoorvoetend dat verzoek ingewilligd en den hertog van Medina Celi naar de Nederlanden gezonden.

Deze was op een zeer ongelukkig tijdstip in het land gekomen, juist toen de Watergeuzen door de inneming van den Briel eene schitterende zegepraal hadden behaald. Zijne vloot werd door de kleine Hollandsche vaartuigen aangevallen en deels genomen, deels verstrooid. Ook eene groote koopvaardijvloot viel bij die gelegenheid in handen der Watergeuzen en bracht hun een rijken buit aan; den hertog was het slechts ternauwernood gelukt, zich door de vlucht te redden. Hij was naar Brussel gereisd en had zich aan Alba voorgesteld; doch dewijl juist in die dagen het geheele land in opstand geraakte, gevoelde hij zich niet in staat om in zulk een tijdsgewricht den beroemden veldheer te vervangen en keerde weldra naar Spanje terug.

In zijne plaats benoemde Philips II don Luis de Zuñiga y Requesens, groot-commandeur van Castilië en vroeger stadhouder van Milaan, tot Alba's opvolger.

Requesens kwam den 17en November 1573 te Brussel aan; den 18en December verliet Alba voor altijd de Nederlanden; hij keerde naar Spanje terug, waar hem eene alles behalve schitterende ontvangst ten deel viel. Philips II deed hem onverholen zijn misnoegen blijken; eerst toen hij weder des hertogs krijgskundige bekwaamheden in een veldtocht tegen Portugal noodig had, werd deze op nieuw gedurende een korten tijd door het licht der koninklijke gunst bestraald.

Na afloop van den veldtocht werd Alba door een heftige koorts aangetast, die hem zóó verzwakte, dat alle werkzaamheid hem verder onmogelijk was. Hij stierf den 12en December 1582.

Werpen wij een blik op des hertogs bewind over de Nederlanden, dan doet zich een afgrijselijk beeld van verwoesting aan ons oog voor, van hetwelk in de geschiedenis de wederga niet wordt aangetroffen. Tengevolge der vonnissen van den door Alba aangestelden bloedraad waren, gedurende de weinige jaren van zijn verblijf in de Nederlanden, niet minder dan 18.000 menschen door beulshanden omgebracht. Zoowel het aantal dergenen, die in den oorlog, na de inneming van versterkte steden of na het in brandsteken van weerlooze dorpen, vaak onder de afgrijselijkste martelingen gedood waren, als dat der mannen, vrouwen en kinderen, die als slachtoffers van den bloeddorst der Spaansche soldaten gevallen waren, valt niet onder cijfers te brengen. Maar uit het bloed dier tallooze slachtoffers is--dat willen wij niet vergeten--de bloem der vrijheid ontsproten. Een beul als Alba was er noodig om uit het hart van het Nederlandsche volk de liefde en trouw voor een onwaardig, met eeden en beloften spelend koning uit te roeien en het eindelijk zoover te brengen, dat het de slavenkluisters, waaronder het zuchtte, moedig verbrak. Twee volksliederen, welke in dien tijd ontstonden en de gevoelens der Nederlanders jegens Alba en de Spanjaarden getrouw afspiegelen, mogen het slot van dit hoogst belangrijk deel der Nederlandsche geschiedenis vormen:

»Slaet op den tromele, van dirre dom deyne; Slaet op den tromele, van dirre dom does: Slaet op den tromele, van dirre dom deyne; Vive le geus! is nu de loes.

De Spaensche Inquisitie, voor Godt malitie, De Spaensche Inquisitie, als draecxbloet fel; De Spaensche Inquisitie ghevoelt punitie, De Spaensche Inquisitie ontvaelt haer spel.

Vive le geus! wilt christlyk leven, Vive le geus! houdt fraeye moet: Vive le geus! Godt behoed voor sneven, Vive le geus! edel christen bloedt.

't Swaert is getrokken, certeyn Godts wraec naect, 't Swaert is getrokken, daer Joannes u schrijft, 't Swaert is getrokken, dat Apocalypsis maect naect, 't Swaert is getrokken, ghy werd nu ontlyft.

't Onschuldig bloet, dat ghy heft vergoten, 't Onschuldig bloet roept over u wraeck; 't Onschuldig bloet te storten heeft u niet verdroten, 't Onschuldig bloet dat dronckt ghy met den draeck.

U vleisschen arm, daer ghy op betroude, U vleisschen arm beswyckt u nu; U vleisschen arm, die u huis boude, U vleisschen arm wijckt schoon van u." [5]

GENTSCH VADERONZE.

Helsche duvel, die tot Brussel syt, Uwen naem ende faem sij vermaledijt, U rijck vergae zonder respijt, Want heeft geduyrt te langen tijd. Uwen willen sal niet gewerden, Noch in hemel noch op erden. Ghij beneempt ons huyden ons dagelicx broot, Wijff ende kynderen hebben 't groote noot: Ghij en vergeeft niemant syn schuld, Want ghy met haet ende nijt sijt vervult: Ghy en laet niemant ongetempteert, Alle dese landen ghij perturbeert. O hemelschen Vader, die in den hemel sijt, Maeckt uns dezen duvel quijt, Met synen bloedigen, valschen raet, Daer hy meede handet alle quaet, En syn Spaens crychsvolk altegaer, 't Welck leeft of sy des duvels waer. Amen. [6]

TIENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Don Louis de Zuñiga y Requesens. Zijn verleden. Toestand der Nederlanden na Alba's bewind. Vruchtelooze pogingen om den vrede te herstellen. Eerste beleg van Leiden. Macht der Watergeuzen. Herleving der Boschgeuzen. Belegering van Middelburg. Mondragon's dappere verdediging. Nederlaag ter zee van Juliaan Romero. Overgave van Middelburg aan den prins. Wervingen van Lodewijk van Nassau. Slag op de Mookerheide. Dood van Lodewijk van Nassau. Muiterij der Spaansche huurtroepen. Tweede beleg van Leiden. De amnestie. Van der Does, van der Werff en van Hout, de dappere verdedigers van Leiden. Ziekte van Oranje. Hongersnood binnen Leiden. Doorsteking van de dijken. Groote overstrooming. De vloot in het binnenste des lands. Leiden's ontzet. Dank des vaderlands. Stichting van Leiden's Hoogeschool.

Don Louis de Zuñiga y Requesens, de opvolger van Alba, werd door een groot deel der Nederlanders met hooggespannen verwachtingen begroet. Hij ging door voor een uitstekend veldheer en een bekwaam staatsman, men verhaalde van hem, dat hij even doorzettend was, zoo het noodig bleek, als gematigd en zachtmoedig, wanneer de omstandigheden het toelieten. De Nederlanders waren des te meer geneigd om de goede eigenschappen van een man, van wien Alba niet in de beste verstandhouding gescheiden was, breed uit te meten, naarmate hun afschuw van den hertog grooter was.

Inderdaad bewezen zij den nieuwen stadhouder met die gunstige verwachtingen ten zijnen aanzien al te veel eer. Requesens had in den slag bij Lepanto bewezen een voortreflijk soldaat te zijn, doch hij was slechts een zeer middelmatig veldheer en een nog minder dan middelmatig staatsman, die volstrekt niet geschikt was voor de zware taak om den vrede in de Nederlanden te herstellen.

Reeds als stadhouder van Milaan had hij blijken gegeven van weinig bekwaamheid en zich alles behalve bemind gemaakt, zijne zachtmoedigheid en gematigdheid waren aan rechtmatigen twijfel onderworpen. Al was hij niet zoo bloeddorstig en wreed als Alba, toch had hij zich in den strijd tegen de Mooren van Granada een dweepzuchtig en vervolgziek katholiek betoond en meer dan eens gehandeld volgens het trouwloos beginsel: "Eenen ongeloovige behoeft men zijn woord niet te houden."

Slechts in zoover rustten de blijde verwachtingen der Nederlanders op een goeden grond als Requesens onmogelijk het stelsel van kettervervolging, dat Alba met zulk eene voor niets terugdeinzende wreedheid in toepassing gebracht had, verder voortzetten kon; het was voor de Spaansche belangen zoo schadelijk gebleken, dat zelfs Philips II in de instructie, welke hij den nieuwen landvoogd gaf, dezen machtigde om eene algemeene amnestie af te kondigen voor alle Nederlanders, die tot de gehoorzaamheid en tot hunnen plicht wilden terugkeeren.

Indien het Philips II ernst was geweest met den wensch om met zijne oproerige onderdanen vrede te sluiten, dan zou dit hem niet moeilijk gevallen zijn. Hij behoefde daartoe slechts den bij zijne kroning afgelegden eed trouw na te komen, de door hem bezworen wetten nauwgezet te handhaven en de vrijheden der provinciën op nieuw te bekrachtigen, dan zou de oorlog van zelf ophouden, want alle Nederlanders, zelfs de Hollanders en Zeeuwen, die zoo krachtig de wapens tegen den koning voerden, smachtten naar den vrede.

In den staatsraad, waarin thans de hertog van Aerschot en Viglius den meesten invloed hadden, werd den nieuwen stadhouder de ernstige raad gegeven om jegens de opstandelingen in een verzoenenden geest te werk te gaan, eene onbepaalde amnestie af te kondigen, waarin in de eerste plaats ook de prins van Oranje begrepen was, en de oude vrijheden des lands te herstellen. In denzelfden geest spraken ook Barlaimont en Noircarmes, zelfs de woeste Juliaan Romero was den strijd moede en wenschte naar vrede.

Het valt nauwelijks te betwijfelen, dat ook de nog onder de wapenen staande Hollanders en Zeeuwen de hand der verzoening met blijdschap zouden hebben aangenomen, indien hun slechts vrijheid van godsdienstoefening was toegestaan. Zelfs Aldegonde schreef uit zijne gevangenis brieven aan zijne vrienden, waarin hij als zijn gevoelen uitsprak, dat eene verzoening met den koning mogelijk en wenschelijk was. Alleen Oranje toonde, dat hij den koning en zijne plannen beter doorzag dan zijn vriend Aldegonde; hij verklaarde, dat een vrede dan alleen mogelijk was, wanneer de Spaansche troepen uit de Nederlanden teruggetrokken werden, wanneer de provinciën hunne bezworene vrijheden terug ontvingen en wanneer hun volle vrijheid van godsdienst werd verleend.

Het inwilligen van zulke eischen was Requesens volgens de hem gegeven koninklijke instructie onmogelijk, zelfs al was hij er toe geneigd geweest; hij moest den oorlog voortzetten, hoe ongunstig de omstandigheden daarvoor ook waren.

Hij trof, nadat de hertog van Alba het land verlaten had, zoowel het bestuur als de geldmiddelen in een toestand van wanhopige wanorde aan. De ongehoorde oorlogskosten hadden alle klinkende munt verslonden en bovendien de kroon met schuld bezwaard. Een leger, hetwelk thans 62000 man telde, dat slechts uit 8000 Spanjaarden en voor het overige uit Walsche en Duitsche huurtroepen bestond, vereischte voor zijne bezoldiging en zijn onderhoud dagelijks aanzienlijke sommen, die niet uit de Nederlanden getrokken konden worden.

Reeds sinds geruimen tijd was de soldij niet regelmatig uitbetaald en ten gevolge hiervan kon men zich op de troepen volstrekt niet meer verlaten. In Holland en Zeeland heerschte nog een toestand van openlijk oproer, dat zelfs de beproefde veldheer Alba niet had kunnen onderdrukken. De prinsgezinden belegerden Middelburg, de eenige stad welke de koning op het eiland Walcheren nog de zijne noemen kon. Het ontzet van Alkmaar had hen met nieuwen moed bezield; dit toonden de burgers van Leiden, die de opeisching van hunne stad door de Spanjaarden met eene verachtelijke weigering beantwoordden, hoewel een sterk Spaansch leger onder de muren der stad verscheen, om met het beleg een aanvang te maken.

Wel hadden de Spanjaarden in den strijd te land meestal de overwinning behaald, wel was hunne stelling tegenover de prinsgezinden zeer voordeelig, dewijl zij, door het bezetten van Haarlem, Holland als het ware splitsten in twee deelen, tusschen welke eene vereeniging van troepen te land niet of althans zeer moeilijk tot stand gebracht kon worden, doch aan den anderen kant hadden de Watergeuzen aan kracht gewonnen, hunne vloot bevond zich in een voortreflijken toestand, zij overtrof zelfs de Spaansche, zoo al niet wat de grootte en de uitrusting der schepen aanging, dan toch ten aanzien van den moed en de gehardheid der bemanning.

Ook was het een voordeel voor de prinsgezinden, dat in de meest verschillende streken der provinciën, die nog aan de Spaansche heerschappij onderworpen waren, de Wilde of Boschgeuzen het hoofd weder opstaken, en den Spanjaarden de handen vol werks gaven. Al konden zij in het open veld ook geene voordeelen behalen, toch moesten, om hen in toom te honden, troepen tegen hen afgezonden worden en hierdoor was de Spaansche regeering niet bij machte om al hare kracht tegen het eigenlijke brandpunt van den opstand, Holland en Zeeland, aan te wenden.

De zaken stonden dus tamelijk treurig voor Requesens, toen hij het bewind aanvaardde en weldra zouden zij een nog noodlottiger keer nemen.

Middelburg werd door de aanhangers van Oranje nauw ingesloten. De Spaansche bezetting onder den dapperen bevelhebber Mondragon verdedigde zich wel wakker, doch begon reeds gebrek aan levensmiddelen te gevoelen en het was dus te voorzien, dat ook de laatste vaste plaats op het eiland Walcheren voor den koning verloren zou gaan en de bezetting door den honger tot de capitulatie genoodzaakt worden zou, wanneer niet ten spoedigste ontzet werd aangebracht.

Requesens bracht met dit doel eene vloot van 75 zeilen onder bevel van Juliaan Romero en den heer van Glimes te Bergen-op-Zoom en eene tweede van 36 zeilen onder don Sancho d' Avila te Antwerpen bijeen. Beide vloten moesten vereenigd aan Middelburg de vurig verbeide hulp aanbrengen.

De onderneming mislukte. Eer nog de beide vloten zich vereenigen konden, tastte de geuzenadmiraal Lodewijk van Boisot, met 64 schepen den 29en Januari 1574 Juliaan Romero aan. Na een bloedigen strijd, waarin geen kwartier verleend werd, sloeg de koninklijke vloot, die 15 schepen en 1200 man verloren had, op de vlucht. Middelburg moest aan zijn lot worden overgelaten.

De prins van Oranje liet Mondragon van de verijdeling zijner hoop op ontzet onderrichten en eischte van hem onvoorwaardelijke overgave, doch Mondragon antwoordde, dat hij de stad liever op 20 plaatsen te gelijk in brand wilde steken en de bezetting met de geheele burgerij in de vlammen doen omkomen, dan tot zulk eene vernederende overgave te besluiten.

Mondragon stond om zijne dapperheid en zijn hoog gevoel van eer zoo hoog aangeschreven, dat de prins van Oranje niet twijfelde, of de fiere Spanjaard zou zijn woord gestand doen. Ten einde onnoodig bloedvergieten te vermijden, stond hij hem eene eervolle capitulatie toe. Der geheele bezetting werd met wapenen en geschut vrije aftocht naar Vlaanderen toegestaan, en bovendien werd haar vergund de katholieke priesters mede te nemen; daarentegen beloofde Mondragon de in vrijheidstelling van Aldegonde te zullen bewerken; slaagde hij hierin niet binnen twee maanden, dan zou hij zich vrijwillig als krijgsgevangene in 's prinsen handen stellen.

Op deze voorwaarden werd Middelburg den 21en Februari 1574 overgegeven en thans bevond de gansche zeekust zich in de macht van Oranje, die hierdoor in staat was om de vloot der geuzen nog meer uit te breiden en beter uit te rusten.

Niet zóó gelukkig ging het binnen in het land. Hier waren de in aller ijl te zamen geraapte, nog niet aan tucht gewende en ongeoefende Hollandsche krijgers niet in staat om den in den oorlog vergrijsden Spaanschen veteranen het hoofd te bieden. Den Hollanders alleen was het niet mogelijk, de Spanjaarden tot het opbreken van het beleg van Leiden te noodzaken, doch de prins hoopte op buitenlandsche hulp.