De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 13

Chapter 133,748 wordsPublic domain

Oranje moest wel naar Peronne terugtrekken en zijnen broeder door vertrouwde boden mededeelen, dat hij niets voor hem doen kon. Vervolgens trok hij naar den Rijn en nadat hij zijne altijd nog muitende troepen afgedankt had, begaf hij zich bijna alleen naar Holland.

Lodewijk van Nassau, die, hoewel hij door de koorts was aangetast, toch de verdediging van Bergen met de grootste dapperheid bestuurd had, zag thans in, dat alle verdere tegenstand vruchteloos zou zijn. Den 20en September sloot hij met Alba eene capitulatie, die gunstiger voorwaarden, bevatte dan hij had durven hopen.

Er lag den hertog zooveel aan gelegen, de belangrijke vesting spoedig weer in zijn bezit te krijgen, dat hij eene bij hem anders zeer ongewone zachtmoedigheid aan den dag legde: hij verleende der bezetting en allen burgers, die aan de verdediging hadden deelgenomen, vrijen aftocht en hij hield--merkwaardig verschijnsel!--althans tegenover Lodewijk van Nassau zijn woord. Hij liet dezen met de bezetting vrij en veilig aftrekken en behandelde ook de burgerij van Bergen zeer genadig. Doch wat hij verzuimd had, haalde Noircarmes, die na des hertogs vertrek met het opperbevel binnen Bergen bekleed werd, met woeker weder in. Hij stelde oogenblikkelijk een bloedraad in, welke tegen alle burgers, die op de eene of andere wijze Lodewijk van Nassau ondersteund hadden, naar het voorbeeld van het beruchte Brusselsche gerechtshof woedde. Gedurende de eerstvolgende maanden werd dagelijks een tal van doodvonnissen uitgevoerd en toen de bloedrechters zelven, verschrikt over den omvang van hun onmenschelijk werk, Noircarmes smeekten om toch eindelijk genade in plaats van recht te oefenen, wees hij hen op strengen toon af en gebood hij hun, onafgebroken met hunne aanklachten en vonnissen voort te gaan. Sidderend gehoorzaamden de rechters, die door Noircarmes uit de burgerij van Bergen zelve gekozen waren. In hunne slaafsche onderwerping lieten zij hunne vrienden en bloedverwanten ter dood brengen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Alba's overwinning. Alba's zoon Frederik. Wreede straf, op de steden Mechelen en Zutfen toegepast. Frederik's veldtocht in Holland. Het bloedbad te Naarden. Belegering, moedige verdediging en eindelijke overgave van Haarlem. Alba's vruchtelooze poging om den vrede tot stand te brengen. Belegering van Alkmaar. Krachtige verdediging en ontzet der stad. Overwinning der Hollanders ter zee. Oranje's werkzaamheid. Zijn overgang tot het Calvinisme. Laatste tijd van Alba's verblijf in de Nederlanden. De hertog van Medina Celi. Don Louis de Zuniga y Requesens. Alba keert naar Spanje terug. Zijn dood.

De val van Bergen besliste den afval van alle Zuid-Nederlandsche steden van de partij des prinsen. De Vlaamsche en Brabantsche steden wedijverden in betuigingen van trouw aan den koning. Alba nam voorloopig die verzekeringen kalm aan. Alleen de stad Mechelen koos hij uit, om aan haar een vreeselijk voorbeeld te stellen. Hij zond zijn zoon Frederik en Noircarmes naar die ongelukkige stad, om haar te tuchtigen.

De beide veldheeren lieten haar drie dagen lang door hunne soldaten plunderen; niet alleen de woonhuizen, maar ook de kerken, kloosters en geestelijke gestichten deelden in dat lot. Alle kostbare voorwerpen, gewijde kelken, relieken, kerkgewaden en altaarsieradiën werden door de woeste Spaansche soldaten zonder uitzondering tot goeden buit verklaard. De soldaten, die Alba naar de Nederlanden gevoerd had, om de katholieke kerk tegen de ketters te verdedigen, traden de gewijde hostie met voeten. Zij woedden erger dan ooit de beeldstormers gedaan hadden; drie dagen lang plunderden en moordden zij, terwijl zij den armen onschuldigen vrouwen een lot bereidden, erger dan de dood: vijftig dier ongelukkigen ondergingen dat lot in--eene kerk.

Alba's zoon Frederik en Noircarmes waren werkelooze getuigen van deze afgrijselijke tooneelen, zij spraken geen woord ter bescherming van de aan den ondergang gewijde stad.

Na de plundering van Mechelen beval Alba zijn zoon Frederik, de Noordelijke en Oostelijke gewesten des lands, die alle nog aan zijne macht het hoofd boden, tot onderwerping te brengen, Frederik rukte Gelderland binnen; hij ontmoette bijna geen tegenstand, alleen de kleine stad Zutfen deed eene zwakke poging om zich tegen het binnen rukken der koninklijke troepen te verzetten. De hertog besloot, haar daarvoor vreeselijk te straffen: hij gebood zijnen zoon, geen mensch binnen hare muren in het leven te laten en de huizen te verbranden.

Frederik voerde het bevel letterlijk uit. Nadat hij met zijne soldaten de stad binnengedrongen was, liet hij mannen, vrouwen en kinderen zonder genade neerhouwen. Dewijl het werk van zwaard en dolk te langzaam ging en er geene beulen genoeg waren om de slachtoffers op te hangen, beval hij, de gevangenen rug aan rug te binden en zoo in den IJssel te verdrinken. Op deze wijze werden 800 burgers gedood. Eene naamlooze ontzetting verbreidde zich, na dit over Zutfen gehouden strafgericht, door geheel Gelderland. De graaf van den Berg, Oranje's zwager, die in diens naam den eed van trouw aan de burgers afgenomen had, toonde thans een ellendige lafaard te zijn. Hij durfde den strijd tegen de Spanjaarden niet voortzetten, maar hij vluchtte zoo snel mogelijk uit het land. Na zijn vertrek vielen alle Geldersche steden van Oranje af, zij smeekten den hertog om genade en gaven zich aan zijne troepen over.

Ook Friesland werd binnen korten tijd weer onderworpen. De stadhouder Robles versloeg een leger van 6000 aanhangers van den prins en onderwierp daarop de provincie, zonder verder eenigen tegenstand te ontmoeten.

Zoo was dan de opstand overal gedempt; alleen Holland was aan de zaak der vrijheid nog trouw gebleven. De taak om ook deze provincie tot de gehoorzaamheid aan den Spaanschen koning terug te brengen, droeg Alba aan zijnen zoon Frederik op. De eerste stad, waartegen Frederik zijne wapenen richtte, was Naarden, eene kleine in de nabijheid der Zuiderzee gelegene stad, die te onbeduidend was om met hoop op goed gevolg den Spanjaarden het hoofd te bieden. Den 28en November verscheen voor Naarden eene bende van 100 Spanjaarden en eischte de stad op. De burgers achtten het schandelijk, de poorten voor zulk een handvol lieden te openen. Zij zonden in aller ijl boden naar de naburige steden en tot de veldheeren der staatschen, om hunne hulp in te roepen. In plaats van ondersteuning ontvingen zij ten antwoord, dat het voor hen het beste zou zijn, eene eervolle capitulatie te sluiten. Terstond zonden zij den burgemeester en een raadslid naar de legerplaats van den veldheer Frederik, doch deze weigerde zelfs de gezanten aan te hooren. Hij rukte met zijn leger rechtstreeks tegen Naarden op.

Een beteren uitslag scheen de zending van eenige burgers te zullen hebben, die zich naar de Spaansche legerplaats begaven, toen deze voor de stad opgeslagen was. Zij werden door Juliaan Romero ontvangen, deze beloofde hun in den naam van Frederik, dat het leven en de bezittingen der belegerden gespaard zouden worden, wanneer de sleutels der stad vrijwillig werden overgegeven. Hij gaf hierop zijn eerewoord als krijgsman en hiermede stelden de afgezanten zich tevreden. Zonder eene schriftelijke verzekering gaven zij de stadssleutels aan Romero over en deze trok met 5 à 6000 Spaansche musketiers Naarden binnen. Hij zag zich door de burgers eene schitterende ontvangst bereid. Men gaf ter eere der Spanjaarden een feestelijken maaltijd, waaraan deze met groot genoegen deelnamen. Na den afloop hiervan beval Romero, dat al de burgers in eene kerk (de Gasthuiskerk) moesten bijeenkomen.

Binnen korten tijd waren 500 burgers in de kerk samengekomen, om de bevelen van den Spaanschen generaal te vernemen. In plaats hiervan ontvingen zij van een priester, die de kerk binnentrad, bevel om zich ter dood te bereiden. De uitvoering volgde deze bedreiging op den voet: de kerkdeuren werden geopend, de Spaansche soldaten verschenen daarvoor en vuurden hunne wapens in den dicht opeengepakten menschendrom af; hierop hieuwen zij hen, die door de kogels gespaard waren, met het zwaard neder. Onmiddellijk daarop werd de kerk in brand gestoken: dooden en stervenden werden met het gewijde gebouw door de vlammen verteerd.

Na dezen moord drongen de Spanjaarden de huizen binnen, vermoordden schier de geheele bevolking en gaven de stad aan de vlammen prijs. Slechts enkele vluchtelingen gelukte het, die plaats des onheils te ontvlieden. Een deel hunner werd in den omtrek nog opgevangen en gedood. Frederik verbood, op straffe des doods, den bewoners van de naburige dorpen den vluchtelingen eene schuilplaats of voedsel te verschaffen.

Na de verwoesting van Naarden begaf Frederik zich naar Amsterdam, de eenige stad in Holland, die der zaak des konings getrouw gebleven was. Hier ontmoette hij zijn vader, die hem om zijn gedrag hoogelijk prees. Ook Philips II schreef, toen hij het gebeurde binnen Naarden vernam, een brief aan den hertog, om hem geluk te wenschen met zulk een zoon, zijn voortreflijken vader ten volle waardig.

De hertog besloot van Amsterdam uit geheel Holland te onderwerpen; doch hiertoe moest hij in de allereerste plaats de stad Haarlem bemachtigen.

Haarlem was eene der grootste en schoonste steden der Nederlanden, maar slechts zwak versterkt, en het scheen daarom niet moeilijk, haar te overweldigen. Dewijl de stad op het smalste punt lag der landengte, waardoor het schiereiland Noord-Holland met het overige land verbonden is, kon zij den Spanjaarden, zoodra deze zich van haar meester hadden gemaakt, tot een steunpunt voor hunne aanvallen naar beide zijden dienen, Frederik ondernam op zijns vaders bevel met ongeveer 30.000 man der beste Spaansche troepen de belegering, die in zijn oog eene lichte taak was; hij meende, dat hij binnen acht dagen als overwinnaar Haarlem binnen zou trekken.

Deerlijk had hij zich bedrogen; hij ontmoette hier eene dappere verdediging, waartoe hij zelf door zijn woordbreuk en wreedheid jegens de burgers van Naarden aanleiding gegeven had.

Toen de tijding van den moord van Naarden door Holland verbreid werd, bracht zij geene vrees, maar verbittering te weeg. De Hollanders zwoeren, dat zij zich tot den laatsten man zouden verdedigen, om hunne vermoorde vrienden te wreken. Wat zou eene oogenblikkelijke overgave hun ook gebaat hebben? Ook de burgers van Naarden hadden op belofte van lijfsbehoud van alle verdediging afgezien, en toch waren zij door den even trouwloozen als bloeddorstigen vijand vermoord. Eenige lafhartige overheidspersonen, die met Alba onderhandelingen over de overgave der stad aangeknoopt hadden, werden ter dood gebracht en de geheele burgerij besloot, in vereeniging met de bezetting, zich tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Ook de vrouwen werden met eene gloeiende geestdrift bezield: Kenau Hasselaer, eene weduwe, die tot eene der aanzienlijkste familiën behoorde, stelde zich aan het hoofd eener schaar van 300 vrouwen en meisjes, met wie zij aan alle gevechten gedurende de belegering deelnam.

De prins van Oranje, die, hoewel hij zonder leger en zonder geld in Holland aangekomen was, hier met de grootste geestdrift was ontvangen, versterkte de dappere burgerij in haar besluit. Onmiddellijk voor het beleg was Aldegonde op zijnen last binnen Haarlem verschenen om de burgers tot volharding aan te sporen.

De belegering nam een aanvang; van weerszijden werd met schitterende dapperheid gestreden, doch ook van weerszijden werd de oorlog met dezelfde wreedheid gevoerd. De burgers van Haarlem bevlekten zich met het bloed van hunne gevangenen, doch zij hadden waarlijk ook meer dan menschen moeten zijn, om niet vervuld te zijn met dorst naar wraak jegens een vijand, van wien zij zelven geene verschooning hadden te wachten.

Zeven maanden, van December 1572 tot Juli 1573, duurde de belegering reeds en in weerwil van zijne overmacht had Frederik niets tegen de slecht versterkte stad kunnen uitrichten. Elke storm der Spanjaarden was met mannenmoed afgeslagen.

Intusschen had de prins van Oranje geen oogenblik stil gezeten, maar meer dan ééne poging aangewend om de dappere burgers door het toezenden van levensmiddelen en hulptroepen te ondersteunen, doch dit was hem niet gelukt. Een groot leger kon hij niet onder de wapenen brengen, daartoe ontbraken hem alle middelen, en de kleine legerbenden, die hij met moeite op de been bracht, werden door de veel sterkere Spanjaarden teruggeslagen. Een dergelijk lot onderging ook eene Hollandsche vloot, die den 28en Mei door den graaf van Bossu verslagen werd.

De nederlaag dezer vloot was noodlottig voor de stad Haarlem. De burgers moesten de hoop op ontzet nu wel opgeven; reeds werden de levensmiddelen schaarsch, reeds braken ten gevolge van honger en gebrek ziekten uit, die het getal der verdedigers dagelijks deden inkrimpen. Toch verliepen er nog weken, eer de dappere burgers er aan dachten, over de overgave der stad met den vijand in onderhandeling te treden. Zij toonden den hertog van Alba, dat het geene botermenschen, gelijk hij eens spottend gezegd had, maar mannen van ijzer en staal waren, met wie hij te kampen had.

Toen eindelijk alle levensmiddelen verteerd waren, besloten de Haarlemmers, zich met vrouwen en kinderen op den vijand te werpen, om te beproeven zich door hem heen te slaan.

De Spaansche bevelhebber was sinds lang eene belegering moede, waarbij voor hem geene lauweren vielen te plukken. Reeds in Januari had hij zijn vader doen weten, dat de inneming van Haarlem het bloed niet beloonde, hetwelk daartoe vergoten werd. Doch Alba had hem door den bode het volgende scherpe verwijt doen toekomen: "Zeg mijn zoon, dat ik, wanneer hij de belegering niet voortzet, hem niet langer als mijn zoon erken. Wanneer hij bij het beleg sneuvelt, zal ik hem vervangen en wanneer wij beiden omkomen, dan zal de hertogin, mijne echtgenoot, uit Spanje komen, om ons werk te voltooien."

Op dat bevel had Frederik al zijne krachten ingespannen om de stad stormenderhand in te nemen, doch al zijne pogingen hiertoe waren mislukt. Thans hoorde hij van het plan der belegerden; hij kende die door wanhoop tot het uiterste gedrevene burgers en achtte het beter, met hen in onderhandeling te treden en hun lijfsbehoud voor de burgerij en de bezetting te doen aanbieden.

Op deze belofte volgde den 12en Juli de overgave van Haarlem. Dat Frederik zijn woord niet hield, dat hij zoowel onder de bezetting als onder de burgerij een bloedbad aanrichtte, dat zijne soldaten de stad uitplunderden, spreekt na het vroeger voorgevallene eigenlijk van zelf. Het mocht zelfs als eene blijkbare genade beschouwd worden, dat niet meer dan 2 tot 300 menschen gedood werden en dat de stad niet in brand gestoken werd. In Zutfen en Naarden hadden de Spanjaarden nog erger huis gehouden.

De dappere verdediging van Haarlem wakkerde den moed der Hollanders aan. Eene zwakke stad had zeven volle maanden aan alle aanvallen der Spanjaarden het hoofd geboden, zij was eindelijk slechts voor den honger bezweken. Daardoor was het bewijs geleverd, dat het volk, indien het slechts moed en volharding bezat, eindelijk de overwinning behalen moest. Bovendien hoopte men op buitenlandsche hulp; men wist immers, dat de prins van Oranje daarover voortdurend met de koningin van Engeland, met de Duitsche vorsten en zelfs, in weerwil van den Bartholomeüsnacht, door tusschenkomst van zijn broeder Lodewijk, met Frankrijk onderhandelde.

Ook Alba's zelfvertrouwen was door den tegenstand, dien hij van Haarlem ontmoet had, zeer geschokt. Nog eens waagde hij eene poging om de Hollanders door middel eener proclamatie, die hij den 26en Juli te Utrecht afkondigde, tot gehoorzaamheid terug te brengen. Hij nam in dit merkwaardig geschrift zoowel beloften als bedreigingen te baat; den berouwvollen wilde hij hoop op vergiffenis, den lafhartigen vrees voor straf inboezemen. Philips II, zeide hij onder anderen, wenschte niets vuriger dan zijne verdoolde kinderen aan zijn vaderhart te drukken; dit had hij menigmaal getoond. Nog eens beloofde Zijne Majesteit in zijne overvloeiende koninklijke genade, te vergeven en te vergeten, hoe groot hunne afdwalingen ook geweest mochten zijn, indien zij ter rechter tijd in de armen van hun liefhebbenden vorst terugkeerden. Zijne Majesteit vermaande hen, niet te wachten, totdat alle vergiffenis onmogelijk zou zijn. "Indien gij--zoo vervolgde Alba in de proclamatie--deze aanbiedingen snoodelijk afwijst, wanneer gij daarvoor doof van ooren blijft, gelijk tot dusver het geval is geweest, dan zeggen wij u aan, dat er geene wreede mishandeling is, die gij niet verwachten moet. Gij kunt er zeker van zijn, dat men met zulk eene gestrengheid tegen u te werk zal gaan, met verwoesting, hongersnood en het zwaard, in dier voege, dat nergens eenig overblijfsel meer te vinden zal zijn van hetgeen thans bestaat; maar Zijne Majesteit wil het land naakt uitkleeden en geheel en al ontvolken en het wederom door vreemdelingen laten bewonen, daar Zijne Majesteit anders niet zou kunnen gelooven, dat de wil van God en van Zijne Majesteit ten uitvoer was gelegd."

De proclamatie miste alle uitwerking; noch des konings bedreigingen, noch zijne verzekeringen van liefde en vergevensgezindheid oefenden eenigen invloed uit. De Hollanders volhardden in hun tegenstand en Alba ging voort met zijne pogingen om hen door kracht van wapenen te onderwerpen, hoewel hij juist in dien tijd ten aanzien van zijne Spaansche troepen eene treurige ervaring opdeed.

De oorlog verslond aanzienlijke sommen, de geldafpersingen in de Nederlanden leverden niet langer de gewenschte uitkomst op en uit Spanje werden den hertog geene gelden toegezonden. Hij had dus gebrek aan geld om de troepen te betalen, en thans bleek het, dat deze wankelden in hunne trouw, zoodra zij niet meer regelmatig hunne soldij ontvingen.

Het garnizoen van Haarlem veroorloofde zich schandelijke ongeregeldheden, ja het kwam onder de Spaansche soldaten zelfs tot eene samenzwering. De ontevredenen benoemden eenigen uit hun midden, die zich, als kooplieden verkleed, naar Delft tot den prins begaven, en hem aanboden, de stad Haarlem voor 40.000 gulden in zijne handen te leveren.

Oranje zou gaarne dat voorstel hebben aangenomen, maar zelfs deze onbeduidende som kon hij niet bijeenbrengen en dus liep deze onderneming te niet.

Slechts met moeite gelukte het Alba, de muitende troepen door beloften en geschenken tot gehoorzaamheid te bewegen.

De kleine stad Alkmaar in Noord-Holland had een garnizoen van den prins van Oranje ingenomen en de opeisching om zich aan de Spanjaarden over te geven met eene weigering beantwoord. De hertog was daarover buiten zich zelven van woede, hij beklaagde zich over de grenzenlooze ondankbaarheid, waarmee het Hollandsche volk zijne zachtmoedigheid beantwoordde, en verklaarde, dat hij het daarvoor vreeselijk straffen zou. Na de inneming van Alkmaar zou niet een der verdedigers in het leven blijven; had hij de fout begaan, Haarlem van eene geheele plundering en brandstichting te verschoonen en slechts een klein getal menschen ter dood te brengen, aan Alkmaar zou hij een indrukwekkend voorbeeld stellen. "Zoo ik Alkmaar inneem,"--schreef hij aan Philips II--"dan staat mijn besluit vast om geen enkel schepsel in het leven te laten, voor elke keel zal het mes getrokken zijn. Daar het gebleken is, dat het voorbeeld van Haarlem niets gebaat heeft, zal misschien een voorbeeld van wreedheid de andere steden wijs maken."

Alba gaf zijnen zoon Frederik bevel om Alkmaar te belegeren; den 21en Augustus verscheen Frederik met een leger van 16.000 veteranen voor de stad en sloot haar zóó nauw in, dat na verloop van enkele dagen, gelijk Alba zelf zeide "ter nauwernood een musch de stad in of uit vliegen kon." Tegen dat leger stonden in Alkmaar slechts een garnizoen van 800 man en 1300 weerbare burgers over. Doch met deze handvol strijders stond de geheele burgerij vast in het besluit om liever te sterven dan zich over te geven.

De moed van Alkmaar's inwoners werd verhoogd door de overtuiging, dat er een middel bestond om de inneming van de stad schier onmogelijk te maken; wanneer de dijken doorgestoken en de sluizen geopend werden, die Holland tegen de zee beveiligden, dan zou de oceaan zelf voor de belegerden strijden. Doch om hiertoe over te gaan had men de toestemming van al de ingelanden noodig, dewijl zulk eene overstrooming noodwendig den geheelen oogst vernietigen zou.

De burgerij van Alkmaar besloot, een bode aan den prins van Oranje en aan diens onderbevelhebber in Holland, Dirk Sonoy, te zenden en deze te smeeken, wanneer de inneming van de stad onvermijdelijk scheen, de dijken te laten doorsteken, ten einde de Spanjaarden in de golven te doen omkomen.

Het viel der burgerij niet gemakkelijk, haar besluit uit te voeren; rondom de stad waren de Spanjaarden gelegerd, geen musch kon, naar Alba's woord, ongestraft door hunne gelederen vliegen, maar een stoutmoedig timmerman, Pieter van der Meij, nam op zich het waagstuk te beproeven. Hij ontving brieven voor Sonoy en den prins van Oranje, die hij in een uitgeholden stok verborg, en inderdaad gelukte het hem, door het Spaansche leger heen te sluipen.

Frederik had intusschen niet stil gezeten; hij had de stad meer dan eens beschoten, doch daardoor slechts geringe schade aangericht. Ook verschillende stormaanvallen waren vruchteloos gebleven, en nu besloot hij den 18en September, na eene levendige kanonnade van 12 uren, tegen drie uur des namiddags, door een algemeenen storm van zijn gansche leger de stad in te nemen; te gelijker tijd werden de poorten van verschillende zijden aangevallen.

De Spanjaarden ontmoetten echter zulk eene krachtige verdediging, dat al hunne pogingen ijdel bleven. De geheele burgerij was op de wallen en streed aan de zijde der bezetting met leeuwenmoed. De stormkolonnes werden met kanon-, musket- en pistoolschoten ontvangen, de vrouwen begoten de bestormers met kokend water, kokende olie en gesmolten lood, of wierpen hun brandende pekkransen om den hals. De weinigen, wien het gelukte, den voet op den wal te zetten, werden terstond door de dappere verdedigers teruggeworpen.

Driemaal werden de Spanjaarden teruggedreven, driemaal hernieuwden zij den aanval met verdubbelde woede, vier uur achtereen streden zij met de uiterste krachtsinspanning, doch zij wonnen geen duimbreed gronds. Toen eindelijk de nacht inviel, weerklonk het sein om den aanval te staken.

Met 1000 gesneuvelden hadden de Spanjaarden de vruchtelooze bestorming geboet, terwijl slechts 13 burgers en 24 soldaten van het garnizoen in den strijd gebleven waren.

Den volgenden dag liet Frederik na eene hevige kanonnade op nieuw het sein tot den aanval geven, maar te vergeefs: noch door bedreigingen, noch door smeekingen lieten de Spaansche soldaten zich bewegen om op de geschoten bres storm te loopen. De duivel zelf--verklaarden zij--streed aan de zijde der burgers van Alkmaar, anders hadden eenige halfverhongerde visschers den aanval van het geheele Spaansche leger niet kunnen wederstaan.

Zelfs toen eenige wederspannige soldaten door hunne officieren doorstoken werden, oefende dit voorbeeld toch niet den minsten invloed op de overigen uit.

Pieter van der Meij had intusschen niet stil gezeten; hij had de hem toevertrouwde brieven zoowel aan Sonoy als aan den prins van Oranje overgebracht en van den laatste een schrijven aan Sonoy ontvangen, hetwelk het bepaalde gebod inhield om Alkmaar in geen geval in des vijands handen te laten vallen, maar in den oogenblik van het dringendste gevaar het land onder water te zetten, om het Spaansche leger te doen verdrinken. Een tweede brief, aan de verdedigers van Alkmaar gericht, deelde dezen zijn besluit mede en gelastte hun, zoodra de nood tot het uiterste geklommen was, het teeken tot het doorgraven van de dijken te geven, door op vier verschillende plaatsen vuren te ontsteken.