De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 12

Chapter 123,814 wordsPublic domain

De ontevredenheid der Nederlanders over de nieuwe belastingen, die zich steeds luider lucht gaf, bezielde Oranje met nieuwen moed. Onvermoeid was hij werkzaam om nieuwe bondgenooten aan te werven, zijne zendelingen verschenen aan alle protestantsche hoven, om hulp te vragen. Doch bijna overal werden zij afgewezen. Ook eenige koene ondernemingen van Oranje's aanhangers, ten einde in de Nederlanden eene versterkte plaats te bemachtigen, waaruit de opstand zich dan verder zou kunnen verbreiden, mislukten alle.

De meest beroemde van deze ondernemingen is die van Herman de Ruyter op het slot Loevestein in Holland.

Dit tusschen Maas en Waal gelegen slot was een punt van een groot strategisch gewicht, dewijl het de beide steden Woudrichem en Gorinchem beheerschte. Op zekeren avond, tegen het einde van de maand December 1570, verschenen vier bedelmonniken voor de poort van het slot en vroegen nachtverblijf; zij werden voor den kommandant gebracht. Deze bemerkte tot zijn ongeluk spoedig, wie zijne gasten waren. Eén der gewaande monniken, Herman de Ruijter, een ossenkooper uit 's Hertogenbosch en een vurig aanhanger van den prins, trok onder zijne pij een pistool te voorschijn en schoot den slotvoogd neer. Partij trekkend van den panischen schrik, door deze daad veroorzaakt, maakten de Ruijter en zijne gezellen zich nu van de dienaren en van het kleine garnizoen meester. Zij openden de poorten voor eene bende van ongeveer 30 man, die zich op het slot nestelden en het in staat van verdediging brachten.

De geuzen hadden er op gerekend, dat zij binnen korten tijd door een grooter aantal hunner makkers ondersteund zouden worden; doch door eene overstrooming werden hunne vrienden verhinderd, ter rechter tijd Loevestein te bereiken. Met 30 man kon de Ruijter het slot niet verdedigen tegen de overmacht der Spanjaarden, die terstond waren opgedaagd, om de belangrijke plaats te heroveren. Dit wisten de geuzen zeer goed, maar toch verdedigden zij zich met eene schitterende dapperheid, totdat schier de laatste man gedood was. De Ruijter behoorde onder de gesneuvelden [4].

Na zoovele mislukte pogingen scheen eindelijk het geluk den prins van Oranje weder toe te lachen. De admiraal Coligny, de ijverige Hugenoot, verkreeg aan het hof van den Franschen koning, Karel IX, zulk een grooten invloed, dat hij hoopte, zijn vorst tot den oorlog tegen Spanje en tot eene krachtige ondersteuning van de Nederlanders te zullen bewegen. Lodewijk van Nassau onderhandelde met den admiraal en met den koning en schreef zijnen broeder zulke bemoedigende brieven, dat deze er thans weer ernstig aan denken kon, een nieuwen oorlog tegen Alba te ondernemen, toen een onverwachte slag hem trof, waarvan hij weinig vermoedde, dat die op zijn geluk zou uitloopen.

De Watergeuzen stonden thans onder bevel van den admiraal Willem Lumey, graaf van der Marck, een bloedverwant van Egmond. Lumey, een woest en bloeddorstig man, had gezworen dat hij niet zou rusten, eer hij den dood van zijn vriend Egmond gewroken had. Hij was de ijverigste aanvoerder der Watergeuzen, doch tegelijk degeen, die de grootste wreedheden liet plegen. Indien hij een Spanjaard of een katholiek priester in handen kreeg, liet hij hem zonder genade ophangen.

Lumey had in Maart 1572 de kleine vloot der Watergeuzen aan de Engelsche kust in veiligheid gebracht, maar hij zou hier niet lang toeven. De vele wreedheden, op Lumey's bevel begaan, boezemden ook den Engelschen zulk een afkeer in, dat Elisabeth, die sinds kort weer op een beteren voet met Philips II stond, niet weigeren kon, aan Alba's dringende vertoogen het oor te leenen. In de laatste dagen van Maart beval zij, dat Lumey en al zijne aanhangers terstond Engeland verlaten moesten. Zij verbood haren onderdanen, de Watergeuzen van eenige levensmiddelen, hoe ook genaamd, te voorzien.

Dewijl de admiraal vreezen moest, door Engelsche schepen aangevallen te zullen worden, tegen welke hij niet bestand zou zijn geweest, was hij wel genoodzaakt om de Engelsche kust te verlaten. Zijn toestand was uiterst hachelijk, dewijl hij geene levensmiddelen aan boord had; niets bleef hem dus over dan naar Holland te zeilen, ten einde hier de eene of andere stad te overvallen en zich zoo levensmiddelen voor zijne halfverhongerde lieden te verschaffen.

Zijn eerste plan was, bij Texel de Zuiderzee binnen te zeilen en eene der steden van het Noorder-Kwartier, Enkhuizen of Hoorn, te bemachtigen. Doch tegenwind dreef de geuzenvloot naar de Maas, aan wier mond het sterke stadje Brielle ligt. Toevalliger wijze was de stad schier geheel van bezetting ontbloot, dewijl Alba de Spaansche troepen, die er gewoonlijk lagen, naar Utrecht gezonden had.

Den 1en April kwamen de geuzen voor den Briel aan: wel hadden de burgers alleen de stad kunnen verdedigen, want zij had sterke wallen en het aantal der geuzen was niet groot--hoogstens 300 man--, doch het ontbrak der burgerij daartoe niet slechts aan moed, maar ook aan lust.

De rijkste inwoners vluchtten met have en goed, de overigen durfden geen tegenstand bieden en zoo gelukte het een handvol koene mannen, zich zonder moeite van de versterkte stad meester te maken. Lumey proklameerde daar terstond den prins van Oranje als wettigen stadhouder van koning Philips II. Den inwoners verzekerde hij, dat hij niet gekomen was om hen uit te plunderen, maar om hen van den gehaten 10en en 20en penning te bevrijden. Zijne manschappen gedroegen zich ook jegens alle protestanten zeer welwillend; daarentegen bezoedelden zij hun wapenfeit door het plunderen van de katholieke kerken, het vernielen van beelden en altaren, het rooven van de kerksieradiën en bovenal door het vermoorden van 13 monniken en katholieke priesters, die in hunne handen waren gevallen.

Het bericht van de inneming van den Briel door de Watergeuzen verbreidde zich met groote snelheid. Alba ontving het, gelijk we reeds zagen, toen hij op het punt stond, eenige Brusselsche kooplieden te laten ophangen. Nu liet hij dit plan varen, dewijl hij meende terstond krachtige maatregelen te moeten nemen. Voorloopig wilde hij de bevolking der hoofdstad niet meer verbitteren dan buitendien reeds het geval was, te meer daar het bleek, dat ook te Brussel een groot deel der burgerij op de hand der geuzen was.

Op den eersten April Verloor Alba zijn Bril,

namelijk om den 10en penning te zoeken, zóó zongen de straatjongens, den hertog beschimpende. Alba gaf aan den Graaf van Bossu, dien hij tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd had, terstond bevel om den Briel te hernemen. In aller ijl werden 10 compagniën uit Utrecht ontboden: met deze rukte Bossu tegen den Briel op.

De kleine schaar der Watergeuzen zou tegen den aanval der Spanjaarden niet bestand zijn geweest, indien het niet eenen moedigen aanhanger van den prins, den scheepstimmerman Rochus Meeuwiszoon, gelukt was, de Nieuwlandsche sluis open te hakken en daardoor aan het zeewater den toegang tot het land te verschaffen. Reeds maakten de Spanjaarden zich tot een aanval op de stad gereed, toen zij eensklaps het water zagen wassen; dit schouwspel, gepaard aan den aanblik der vlammen, die van hunne gedeeltelijk door de Watergeuzen in brand gestokene schepen opstegen, sloeg hen als met een panischen schrik. Hals over kop keerden zij terug, een groot aantal der hunnen, die deels door het staal, deels in de golven omgekomen waren, achterlatende.

Nadat de aanval gelukkig afgeslagen was, verzamelde de graaf van der Marck de intusschen in grooten getale teruggekeerde inwoners der stad, wien hij den eed van trouw aan den prins van Oranje, als stadhouder van Zijne Majesteit Philips II, afnam.

Zoo was de stad Brielle de eerste in de Nederlanden, welke de vaan van Willem van Oranje, de later zoo beroemde en geliefde prinsenvlag, openlijk opstak; hier werd de hoeksteen voor het gebouw der Nederlandsche vrijheid gelegd. De verdienste van deze daad komt voornamelijk toe aan een edelman, Willem van Blois, heer van Treslong. Lumey had de stad, nadat hij zijne schepen van levensmiddelen voorzien en met den behaalden buit gevuld had, weer willen verlaten, maar Treslong zette het door, dat men haar verdedigen zou, totdat men bevelen van den prins hieromtrent ontvangen had.

De graaf van Bossu rukte, nadat hij voor den Briel afgeslagen was, naar Rotterdam op. Hij moest zich vóór alles van deze stad verzekeren, want hij vreesde, dat de welgelukte aanslag der Watergeuzen op den Briel de overige Hollandsche steden van den koning zou doen afvallen. Hij vond de poorten van Rotterdam gesloten, de overheid weigerde eene bezetting in te nemen; eerst toen Bossu verzekerde, dat daarvan geen sprake zou zijn, dat het hem slechts om vrijen doortocht voor zijne troepen te doen was, gaf het stedelijk bestuur toe.

De poorten werden geopend, doch nauwelijks was dit geschied, of de Spaansche soldaten stormden op alle burgers los, die zij ontmoetten. In weinige oogenblikken waren 40 mannen en vrouwen vermoord. Rotterdam werd behandeld als eene veroverde stad.

Het bericht van deze verraderlijke slachting bracht in de Hollandsche steden eene onuitsprekelijke verbittering te weeg. Vele belangrijke steden, aangemoedigd door het voorbeeld van Brielle, verklaarden zich thans voor den prins van Oranje. Het eerst deed dit de stad Vlissingen, op het eiland Walcheren. Deze verjoeg de kleine Spaansche bezetting en toen spoedig daarop een sterk legercorps voor hare poorten verscheen, hield zij deze gesloten.

De Vlissingsche burgerij wist zeer goed, dat zij slechts te kiezen had tusschen de zegepraal en eene uitplundering en slachting zonder wederga. Zij zond daarom terstond boden naar den Briel tot den graaf van der Marck met het verzoek om versterking. Dit geschiedde; in den Briel hadden reeds zoovele aanhangers van den Prins van Oranje zich vereenigd, dat de graaf 200 man naar Vlissingen zenden kon.

De inwoners van Vlissingen namen voor den moord, door Bossu te Rotterdam gepleegd, eene schandelijke wraak. De beroemde ingenieur Pacheco, die zonder te vermoeden wat er in de stad was voorgevallen, zich op Alba's bevel derwaarts begeven had, om de citadel, die in aanbouw was, te voltooien, werd zonder vorm van proces opgehangen. Bij afwezigheid van den beul werd dit vonnis voltrokken door een ter dood veroordeeld misdadiger, die hiertoe alleen te bewegen was door de belofte van lijfsbehoud en op voorwaarde, dat hij een ieder mocht dooden, die hem ooit deze daad verwijten zou. Eenige Spaansche officieren ondergingen hetzelfde lot.

Op zulk eene wreede wijze vingen de burgers den oorlog aan, en met dezelfde wreedheid werd hij voortgezet, toen thans geheel Holland eensklaps voor Oranje in opstand kwam. De Spanjaarden en alle aanhangers van Alba werden als wilde dieren beschouwd, die men zonder genade moest uitroeien. Op de onverdraagzame katholieke priesters werd eene afschuwelijke menschenjacht geopend. Hoe ernstig wij zulke daden van wraakzucht en bloeddorst ook afkeuren, toch kunnen wij niet ontkennen, dat zij zich dit lot door hunne wreedheid op den hals hadden gehaald; de protestanten betaalden hun thans het vroeger doorgestane leed met woeker terug. Enkhuizen koos de zijde van den prins, hierop volgden de overige Noord-Hollandsche steden, daarna ook Oudewater, Gouda, Leiden, Dordrecht, Gorinchem en Haarlem. Overal werden de geestelijken gevangen genomen en onder de gruwelijkste mishandelingen ter dood gebracht. Schier door het geheele land werden allerlei wreedheden bedreven, doch ook enkele gevallen kwamen voor, waarin de menschelijkheid de zegepraal behaalde op de partijzucht. Zoo vluchtte te Gouda de burgemeester, een ijverig aanhanger van Alba, in het huis eener weduwe, wier man op zijn bevel ter dood gebracht was. Op zijne angstige vraag, of de schuilplaats, waarin zij hem verbergen wou, wel veilig was, antwoordde de weduwe: "Zeker, zij was menigmaal het toevluchtsoord van mijn man bij uwe vervolgingen." En werkelijk werd des schouten schuilplaats niet ontdekt: de weduwe van zijn slachtoffer verried hem niet.

In alle steden, die op het voorbeeld van den Briel van Alba afvielen, werden de oude besturen afgezet en terstond vervangen door nieuwe, die den koning van Spanje en zijn stadhouder, den prins van Oranje, trouw zwoeren, en bovendien onder eede beloven moesten, dat zij den hertog van Alba den 20en en 10en penning weigeren en zich uit alle macht tegen de inquisitie verzetten zouden.

Het was een hoogst merkwaardig verschijnsel, dat het Nederlandsche volk in dien tijd nog geene andere vrijheid eischte dan die, waarop het volgens zijne oude wetten aanspraak had, dat het niets anders vroeg dan de vervulling van datgeen, wat Philips II bij zijne huldiging onder eede had beloofd. Het wilde den koning niet van den troon stooten, maar verlangde vrijheid van geweten en eerbiediging de oude privilegiën des lands.

Terwijl dit alles gebeurde, bevond de prins van Oranje zich in Duitschland. Hij was bezig met het aanwerven van troepen en met het verzamelen van gelden. Ook op het bericht van de inneming van den Briel kon hij nog niet naar Nederland snellen, gelijk hij wel gaarne zou hebben gedaan, maar hij zond derwaarts zijne bevelen, die door het volk bereidwillig werden opgevolgd.

Zijn broeder Lodewijk van Nassau bevond zich in die dagen in Frankrijk, hij onderhandelde met de Hugenooten en met koning Karel IX. Van dezen ontving hij de bepaalde belofte van hulp en met Karel's geheime toestemming sloot de graaf van Genlis zich met een aantal Hugenooten bij hem aan, zoodat hij weldra aan het hoofd van een legertje stond.

Zijne eerste daad was de overrompeling van de belangrijke stad Bergen in Henegouwen, uit welke hij Brussel bedreigen kon. Met een handvol volks gelukte het hem, de stad in te nemen; hij werd kort daarop door eenige duizenden Fransche partijgangers ondersteund, zoodat hij zich in die stad kon nestelen.

De inneming van Bergen was voor alle vijanden van Alba het teeken tot den opstand. In de meest verschillende deelen van Nederland braken oproeren uit, toen de hertog, ten einde Bergen te heroveren, troepen samentrok en daardoor andere streken van krijgsvolk ontblooten moest.

In Gelderland greep graaf Herman van den Berg, de zwager van den prins, naar de wapenen; het graafschap Zutfen, de Veluwe, een deel van Overijssel en de stad Amersfoort kwamen in opstand en ook in Friesland schudde de adel het Spaansche juk af.

Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde, dat het tot dusver zoo gedweeë volk van alle zijden tegen zijne dwingelandij opgestaan was; hij zwoer het bloedige wraak, doch voorshands legde hij eene kalme matiging aan den dag.

In aller ijl trok hij zooveel troepen bijeen als mogelijk was en zond die onder zijn zoon Frederik naar Bergen. Deze stad wilde hij, tot beveiliging van de hoofdstad Brussel, in de eerste plaats weer onder zijne macht brengen.

Hierop vaardigde hij den 24en Juni een bevel uit aan de Staten van Holland om den 15en Juli te 's Gravenhage bijeen te komen. In deze oproepingsoorkonde verklaarde hij zich bereid om de nieuwe belastingen af te schaffen, wanneer de Staten-Generaal beloofden jaarlijks eene som van drie en een half millioen gulden op te zullen brengen.

Nog vóór korten tijd zou zulk een voorstel door de Hollanders met blijdschap begroet zijn, doch thans kwam het te laat. In plaats van te 's Gravenhage, kwamen de Staten van Holland den 15en Juli te Dordrecht bijeen, niet om Alba te gehoorzamen, maar om zich voor den prins van Oranje te verklaren.

Het was de eerste bijeenkomst van de vertegenwoordigers der Nederlandsche republiek. Deze verklaarden, dat zij trouwe onderdanen der kroon waren, maar spraken tevens met nadruk hun voornemen uit om geen ander stadhouderschap dan dat van den prins van Oranje te erkennen.

De prins had intusschen in Duitschland een nieuw leger verzameld. Tengevolge van zijne onvermoeide krachtsinspanning en met behulp van de gelden, hem door de Watergeuzen toegezonden, was het hem gelukt, 15.000 man voetvolk en 2000 ruiters bijeen te brengen.

Buitendien hadden nog 3000 Nederlanders zich om zijne vaan geschaard.

Hoewel nu de prins zulk eene krijgsmacht bijeen gebracht had, ontbrak hem toch nog altijd het geld om haar te bezoldigen en de Duitsche huurbenden weigerden, een stap te doen, indien hun niet minstens 3 of 4 maanden soldij gewaarborgd werd. Oranje wendde zich daarom met dringende beden tot de staten van Holland; hij bezwoer hen bij hunne eer en bij het welzijn des vaderlands, de gevraagde geldelijke offers voor hen, hunne vrouwen en kinderen te brengen.

Oranje's brieven, die in de provincie verspreid werden, maakten een diepen indruk. Toen de gedeputeerden van den adel en van 10 steden, den 15en Juli te Dordrecht bijeen kwamen, waren zij reeds geneigd om den wensch des prinsen te vervullen, doch toen nu Aldegonde in hun midden verscheen, toen hij de vertegenwoordigers des volks in eene welsprekende redevoering begroette en hen aanspoorde om eindelijk krachtig voor de bevrijding des lands van Alba's dwingelandij in de bres te springen, werden allen met de vurigste geestdrift bezield. De Staten stonden oogenblikkelijk eene som van 175.000 gulden voor Oranje's leger toe en beloofden voor de eerstvolgende maanden nog aanzienlijker sommen. Doch nog gewichtiger was een ander besluit, door hen genomen. Zij verklaarden eenstemmig, dat zij den prins van Oranje als des konings wettigen stadhouder in Holland, Zeeland, Friesland en in de provincie Utrecht beschouwden, en dat zij al hun invloed zouden aanwenden, opdat hij ook door de overige Nederlandsche gewesten als hun protector bij afwezigheid des konings zou worden erkend. Voorts bepaalden zij, dat voortaan de protestantsche eeredienst even goed als de katholieke met volkomen vrijheid in het land uitgeoefend zou worden. Tot bescherming van beide partijen werden de noodige bepalingen vastgesteld.

Deze besluiten legden den eersten grondslag voor het gebouw van den later zoo bloeienden staat der Vereenigde Nederlanden. Aan Willem van Oranje werd daarbij eene dictatoriale macht opgedragen. Hoewel hij daarmede alleen als stadhouder des Spaanschen konings bekleed was, zou zijn gezag toch aan geene enkele beperking, hoe ook genaamd, onderworpen zijn geweest, indien hij zelf dit niet gewild had.

Oranje verklaarde namelijk, dat hij niets doen, niets bevelen zou zonder toestemming der Staten, en dat hij hun het recht opdroeg om alle belastinggaarders te benoemen. Hij beval allen officieren te zweren, dat zij hem als stadhouder en den Staten van Holland gehoorzamen zouden, ten einde het land van de tyrannie van Alba en de Spanjaarden te verlossen, doch dat zij tevens den Spaanschen koning als graaf van Holland getrouw zouden zijn.

Terwijl dit alles voorviel, werd de oorlog in Henegouwen intusschen reeds met groote hevigheid gevoerd. Lodewijk van Nassau had den graaf van Genlis naar Frankrijk teruggezonden, om de hem door koning Karel IX beloofde versterkingen te halen. In Genlis' afwezigheid was Alba's zoon, don Frederik, voor Bergen verschenen en had hij op krachtige wijze een begin gemaakt met het beleg. Dagelijks vielen er scherpe gevechten voor, waarin Lodewijk van Nassau eene groote dapperheid aan den dag legde. Met zijne geringe strijdkrachten was hij echter niet in staat om den vijand terug te werpen.

De graaf van Genlis had intusschen in aller ijl een uit Fransche Hugenooten samengesteld leger bijeengebracht, dat door sommigen (doch deze opgave is stellig overdreven) op 10.000 man geschat wordt, en rukte hiermede naar Henegouwen op. Onderweg ontmoette hem een bode van Lodewijk, die hem dringend verzocht, niet overijld te handelen, maar te wachten totdat Willem van Oranje, die reeds aan het hoofd van een talrijk leger stond, zich met hem vereenigde. Doch zulk een maatregel van wijze voorzichtigheid was niet naar den zin van den graaf van Genlis, die zich den roem, dat hij alleen den vijand tot het opbreken van het beleg van Bergen genoodzaakt had, niet wilde laten ontglippen. Hij rukte met spoed voorwaarts; in het midden van Juli kwam hij in de nabijheid van Bergen aan, hier werd hij den 19en dier maand door de Spanjaarden onder Noircarmes met eene groote overmacht aangevallen en geheel verslagen; hij geraakte met vele Fransche officieren in Spaansche gevangenschap, zijn gansche leger werd verstrooid, slechts aan een deel der vluchtelingen gelukte het, Bergen te bereiken, en zich onder de bevelen van Lodewijk van Nassau te stellen.

Had Genlis slechts een weinig geduld geoefend, dan zou de uitkomst van dien strijd geheel anders zijn geweest. Inderdaad was de prins van Oranje reeds met een leger van 14.000 man voetvolk, 7000 ruiters en 3000 Nederlandsche vrijwilligers den Rijn overgetrokken, doch hij kon slechts langzaam voortrukken.

Den 23en Juli veroverde hij Roermond, nadat hij die stad hevig beschoten had. Tot zijne diepe smart gedroegen zijne soldaten zich na de inneming niet minder barbaarsch dan de Spanjaarden. Zij roofden en plunderden, zij hingen de katholieke priesters en monniken op. Wel vaardigde de prins eene proklamatie uit, waarin hij een ieder, die het waagde nog verder zulke daden te bedrijven, met den dood bedreigde, en aan katholieken en protestanten gelijke verdraagzaamheid toezegde, maar zijne bevelen werden slecht nagekomen; hij was geen meester over zijne troepen en durfde hen niet al te streng behandelen, uit vrees voor een algemeenen opstand in hunne gelederen. Ja, hij bezat niet eens de macht om hen, gelijk hij gewenscht had, tot een snel en krachtig voortrukken in de Nederlanden te bewegen, ten einde Bergen te ontzetten. Eene maand moest hij in Roermond blijven liggen en de Duitsche huurbenden trokken niet eerder voorwaarts, dan toen hun door de Staten van Holland de betaling van hunne soldij gewaarborgd was.

Wel openden ook nu nog bij zijn tocht door Brabant de meeste steden, onder anderen ook Mechelen, voor hem hare poorten, doch zij deden dit half onwillig, en de hoofdstad Brussel weigerde onbewimpeld, zijne zaak te omhelzen. Nog altijd zou echter, in weerwil van dit alles, de overwinning aan de zijde des prinsen zijn geweest, indien koning Karel IX van Frankrijk zijne bij de geheime onderhandelingen gegevene belofte van hulp gestand gedaan had; doch dit was niet het geval.

Juist in die dagen ontving de prins de vreeselijke tijding van de Parijsche bloedbruiloft en van den moord op Coligny en de Hugenooten gepleegd.

De Fransche gezant verklaarde zich thans openlijk tegen Willem van Oranje; op last zijns konings ging hij zelfs zoo ver, dat hij van Alba het ter dood brengen van de bij Bergen gevangen genomene Fransche officieren eischte, hoewel deze toch de geheime bevelen van Karel IX hadden opgevolgd, toen zij de wapenen voor de Nederlanders opvatten.

Willem van Oranje begreep zeer goed, dat hij in die omstandigheden alle hoop op de overwinning moest opgeven; alleen om zijn broeder te hulp te komen, trachtte hij Bergen te ontzetten, maar dit gelukte hem niet.

De Spaansche belegeringstroepen, waarbij Alba zelf zich bevond, hadden zich zóó sterk verschanst, dat het onmogelijk was hen aan te vallen, en tot een slag in het open veld liet de voorzichtige en slimme hertog zich niet verleiden. Oranje kon zelfs geene versterkingen in de belegerde vesting brengen; hij was veroordeeld tot eene werkeloosheid, waarover zijne op buit beluste huurlingen luide morden.

Eindelijk bleef hem niets over dan terug te trekken en hij mocht zich nog gelukkig achten, dat hij niet in de handen der Spanjaarden viel. Bij een nachtelijken overval was Juliaan Romero reeds tot des prinsen legertent doorgedrongen; indien Oranje niet door het luid geblaf van een hondje, dat onder zijn bed sliep, gewekt was, zou hij in zijn slaap gevangengenomen zijn. Nog in den uitersten oogenblik gelukte het hem, een gezadeld paard te bereiken, hij slingerde zich er op en ontvluchtte. Zijne dienaars en twee zijner geheimschrijvers werden gedood.