De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 11

Chapter 113,695 wordsPublic domain

De graaf van Genlis en de overige Fransche officieren zagen insgelijks zeer goed de onmogelijkheid in om iets met goed gevolg uit te richten. Zij rieden den prins, met hen de Nederlanden te verlaten en den Franschen Hugenooten ter hulp te snellen. Doch de Duitsche huurtroepen wilden hiervan niets weten; zij verklaarden, dat zij aangeworven waren om tegen den hertog van Alba in de Nederlanden, niet om tegen koning Karel IX in Frankrijk te strijden. Oranje zag zich onder zulke omstandigheden genoodzaakt om zijn bevrijdingsplan op te geven en naar Duitschland terug te keeren.

Den 17en November trok zijn leger de Nederlandsche grenzen weer over.

Met zijne op groote schaal aangelegde onderneming had hij niets gewonnen; hij moest zijne troepen ontslaan, nadat hij zich diep in schulden gestoken had, en zonder dat het hem mogelijk was geweest, hun zelfs de achterstallige soldij te betalen. Dewijl hij voorshands de hoop moest opgeven om zijn zwaard aan de zaak der Nederlanders te kunnen wijden, sloot hij zich met zijne beide broeders, Lodewijk en Hendrik (een achttienjarig jongeling), bij het leger der protestanten in Frankrijk aan.

De hertog van Alba keerde, nadat hij den prins van Oranje uit de Nederlanden verdreven had, in zegepraal naar Brussel terug. Hier dwong hij het volk om feest te vieren te zijner eere; de burgers der hoofdstad moesten bloemen op den weg strooien en lofzangen aanheffen, om den roem des overwinnaars te verheerlijken. Op het plein, dat de hoofden van Egmond en Hoorne had zien vallen, werd een prachtig steekspel gehouden.

Paus Pius V zond den hertog een gewijden degen en hoed, om hem als verdediger van de Roomsche kerk te eeren. Doch Alba droeg in zijne ijdele zelfverheffing zorg, dat hem nog eene grootere eere wedervoer: hij liet door Jacob Jongeling, een bekwaam kunstenaar, een reusachtig metalen standbeeld gieten, waartoe hij het bij Jemmingen veroverde geschut bezigde. Het standbeeld stelde den hertog voor, gelijk hij met den voet eene tweehoofdige, vierarmige gestalte vertreedt; zij droeg het pralend opschrift: "Voor Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, stadhouder der Nederlanden onder Philips II, den verdelger van het oproer, den tuchtiger der muiterij, den hersteller der godsdienst, den trouwsten dienaar zijns konings is dit gedenkteeken opgericht."

Over de beteekenis van de tweehoofdige gedaante liepen de gevoelens der Nederlanders uiteen. Eenigen beweerden, dat Egmond en Hoorne, anderen, dat Willem en Lodewijk van Nassau, weder anderen dat adel en volk daardoor afgebeeld werden.

Het standbeeld werd in de door Alba gebouwde citadel van Antwerpen opgericht.

Niet alleen de Nederlanders gevoelden zich door Alba's ijdele zelfverheffing gekrenkt, ook koning Philips II was het onaangenaam, dat zijn dienaar op deze wijze zichzelven verheerlijkte; zijn vorstentrots was beleedigd en des hertogs vijanden te Madrid droegen wel zorg, dit den koning altijd weer te herinneren, wanneer hij op het punt stond, om den wil van Alba's goede diensten die daad van hoogmoed voorbij te zien.

Ook de klachten, door keizer Maximiliaan over Alba's wreed bewind in de Nederlanden ingebracht, oefenden wel eenigen invloed op den koning uit. Al weigerde Philips beslist, de kettersche muiters zachter te behandelen, toch begon hij bij zijn achterdochtig karakter te vermoeden, dat Alba wel wat eigendunkelijk en trotsch in de Nederlanden te werk ging; zijne genegenheid voor den hertog verkoelde, zonder dat hij daarom jegens de Nederlanders zachter en vriendelijker gestemd werd.

Met keizer Maximiliaan trad Philips II kort daarop in eene nauwe verbintenis: hij huwde diens dochter Anna. Toen de vorstin op hare reis naar Spanje door de Nederlanden trok, betoonde zij zich uiterst genadig jegens de gravin van Hoorne, de moeder van den onthoofden graaf! Zij beloofde haar, zorg te zullen dragen, dat althans haar tweede zoon, de baron van Montigny, die nog in Spanje gevangen zat, niet het lot zijns broeders zou deelen; doch zij was niet in staat om deze belofte te houden, want Philips II liet Montigny in den kerker ombrengen [3]. De nauwe verbintenis van Philips II met den keizer had voor de Nederlanders dit treurig gevolg, dat Maximiliaan in zijn ijver als voorspraak voor de onderdrukten zeer verslapte en dat ook de protestantsche vorsten van Duitschland veel minder dan vroeger geneigd waren om hunne ongelukkige geloofsgenooten krachtig te ondersteunen.

Intusschen ging de hertog van Alba voort, de Nederlanders op zijne geliefkoosde wijze te regeeren. De eene terechtstelling volgde op de andere, de goederen der vermoorden kwamen aan de kroon.

Doch hoe ijverig de bloedraad Alba op zijne wenken ook diende, toch gelukte het hem niet, door die verbeurdverklaringen zulke aanzienlijke sommen te verkrijgen als de hertog eischte. Deze zon derhalve op middelen om den provinciën de gewenschte sommen af te persen. Hij besloot, nieuwe belastingen in te voeren, hoewel dit besluit in onverzoenlijken strijd was met de oude privilegiën der Nederlanders, welke Philips II bij zijne troonsbestijging zonder eenig voorbehoud bezworen had. Die privilegiën toch bepaalden duidelijk en nadrukkelijk, dat de vorst of zijn stadhouder, wanneer hij geld wilde hebben, in persoon voor de staten der provinciën verschijnen en voor hen zijne "bede" uitspreken moest. Den Staten kwam dan het recht toe om het verzoek te weigeren of in te willigen: zoo had men ten allen tijde gedaan.

Slechts zelden hadden de vorsten zich behoeven te beklagen, dat hun van de zijde der Staten de gelden, welke zij noodig hadden, geweigerd waren. Toch wilde Alba dien weg volstrekt niet inslaan. Hij achtte het eenen vorst onwaardig, zich met eene bede tot zijne onderdanen te wenden. Welk recht bezaten de Nederlanders, die allen door de heilige inquisitie des doods schuldig waren verklaard, om zelfstandig te beslissen of zij de door den vorst geëischte gelden betalen wilden of niet? Zulk een recht was in des hertogs oog eene ondragelijke aanmatiging; hij besloot het te verkrachten en op eigen gezag, zonder zelfs de toestemming van Philips II af te wachten, drie nieuwe belastingen in te voeren.

Hij deed dit den 20en Maart 1569 in eene vergadering, welke hij te Brussel uit de verschillende provinciën bijeengeroepen had.

De drie nieuwe belastingen van Alba waren: 1e eene belasting van 1% op alle roerende en onroerende goederen, voor ééns te betalen; 2e eene belasting van 5% van alle onroerende en 3e eene van 10% op alle roerende goederen, die telkens bij den verkoop dier goederen opgebracht moesten worden: eene belasting, die voor altijd den Nederlanders opgelegd werd. De beide laatste belastingen werden de 20e en de 10e penning genoemd.

De indruk, welke des hertogs eigendunkelijke handelwijze op de bevolking der Nederlanden maakte, is onmogelijk te beschrijven. Aan zijne maatregelen van geweld had men zich tot dusver lijdzaam onderworpen. Hoe talrijk het aantal doodvonnissen ook was geweest, toch waren daardoor slechts enkelen getroffen, maar de nieuwe belastingen drukten op allen zonder onderscheid, op de goede Katholieken zoowel als op de ketters, op de trouwe aanhangers des konings zoowel als op zijne tegenstanders. Zelfs zulke Nederlanders, die den hertog met onwankelbare trouw gediend hadden, waren verontwaardigd over dezen willekeurigen maatregel. De grijze Viglius smeekte den hertog met ernstige, dringende woorden, dat hij zulk een plan, hetwelk toch niet uitgevoerd kon worden, zou laten varen. Maar Alba bleef, gelijk altoos, onverzettelijk. Hij kon werkelijk niet begrijpen waarom zulk eene belasting niet geheven zou kunnen worden; eene dergelijke toch werd in Spanje door het geheele volk betaald en niet anders geschiedde het in zijn eigen hertogdom Alba, dat hem op die wijze jaarlijks 50.000 dukaten opbracht. Zijn gebrek aan kennis van het volksleven maakte hem blind voor het onderscheid tusschen eene groote handeldrijvende natie en de inwoners van een klein, afgelegen hertogdom zonder handel of nijverheid. Hij begreep niet, dat door eene dergelijke belasting de handel der Nederlanders geheel vernietigd zou worden.

Indien het tiende deel van de waarde eener koopwaar bij elken verkoop betaald moest worden, dan lag het voor de hand, dat wellicht reeds in weinige weken door herhaalde omzetting hare geheele waarde in den vorm van belasting betaald zou moeten worden. Zulk eene belasting kon een handeldrijvend volk niet betalen, zonder geheel te gronde te worden gericht. Dit zeide men dan ook onverholen in de talrijke petities, die van alle kanten bij de regeering werden ingediend.

De staten der verschillende provinciën protesteerden; ten einde den hertog niet al te zeer te verbitteren, willigden zij in, één percent van aller vermogen in eens te betalen, maar zij namen geen genoegen met den 20en en 10en penning.

Alba liet zich door dit protest niet van zijn stuk brengen; hij besloot zijn wil door te drijven, tegen den raad zijner trouwste aanhangers in; en zoo gevreesd had hij zich gemaakt, dat het hem gelukte de staten der provinciën allengs tot toegevendheid te bewegen. De eene provincie na de andere gaf gedwongen hare toestemming; doch alle knoopten daaraan de voorwaarde vast, dat de belasting dan alleen geheven mocht worden, wanneer geene enkele provincie hare goedkeuring daaraan onthield. Alleen de stad en de provincie Utrecht volhardden in haren tegenstand; tot straf hiervoor werden zij aan hoogverraad schuldig verklaard en van al hare rechten en vrijheden beroofd.

In het midden van het jaar 1569 kon Alba reeds aan Philips schrijven, dat thans eindelijk alle provinciën het hoofd in den schoot gelegd hadden: hij wenschte den koning geluk met de drie en een half millioen gulden, welke deze voortaan jaarlijks, nadat alle onkosten der regeering betaald waren, uit de Nederlanden trekken zou. Doch hij had te vroeg victorie gekraaid! Al de staten trokken weldra hunne afgedwongene toestemming weder in, dewijl, zoolang de provincie Utrecht niet vrijwillig de belasting goedkeurde, ook de andere daartoe niet gedwongen konden worden. Zij weigerden de heffing van den 20en en 10en penning op hun grondgebied.

Alba had dringend geld noodig. Om het te verkrijgen, gaf hij voor het oogenblik toe. Hij sloot met de staten eene overeenkomst, volgens welke de provinciën jaarlijks drie en een half millioen gulden zouden betalen tot Augustus 1571; eerst daarna zou de heffing van den 20en en 10en penning volgen.

Door dit verdrag werden de gemoederen weder een weinig bedaard.

De hertog zelf had er thans belang bij, de Nederlanders een weinig met zijne regeering te verzoenen; hij vernam uit Madrid, dat zijne vijanden ijverig tegen hem in de weer waren, dat zij elke klacht, die tegen hem bij den koning ingebracht werd, krachtig ondersteunden. Ja men fluisterde aan het Spaansche hof reeds, dat Philips van plan was den hertog uit de Nederlanden terug te roepen.

Alba begreep dus, dat hij wat zachter dan vroeger regeeren moest, en toen Viglius hem voorstelde, eene algemeene amnestie af te kondigen, verklaarde hij zich daartoe bereid, mits de grootste staatmisdadigers en ketters daarvan uitgesloten bleven.

Viglius ontwierp een aantal plannen, die den koning toegezonden werden; deze liet het aan den hertog over, het meest geschikte uit te kiezen.

Den 14en Juli 1570 werd te Antwerpen de lang verbeide Amnestie plechtig afgekondigd. Het volk had op dit "generaal pardon," zooals het genoemd werd, groote verwachtingen gebouwd, doch het werd op de pijnlijkste wijze teleurgesteld, want in de oorkonde der amnestie werden zoovele uitzonderingen gemaakt, dat de uitzondering tot regel verheven werd en dat de bloedraad, evenals te voren, de macht bleef bezitten om elken Nederlander ter dood te brengen. Uitgesloten van de weldaad der amnestie waren alle kettersche predikers, allen, die dezen ooit bescherming hadden verleend, alle beelden- en kerkstormers, alle bekende ketters, alle onderteekenaars van het compromis, allen, die kettersche leerstellingen verbreid of hare verbreiding begunstigd hadden. Hun, die aan zulke misdaden schuldig stonden, werd het wel vergund, zich binnen zes maanden aan te melden, met de belofte van een zacht vonnis, doch het volk beschouwde die belofte slechts als een bedriegelijk lokaas, opdat een groot aantal schuldigen zich aanmelden en ter dood gebracht worden zou. Het generaal pardon verhoogde slechts de ontevredenheid van het ongelukkige volk, dat zich op nieuw met eene zoete hoop gevleid had en op nieuw teleurgesteld werd.

Bijna was het, alsof de Nederlanders in die dagen den lijdensbeker tot den bodem moesten ledigen, alsof de natuur zelve met Alba in bondgenootschap trad, om den ondergang des lands te voltooien.

Eene vreeselijke overstrooming richtte in het jaar 1570 aan alle Nederlandsche kusten onnoemlijke schade aan; men zegt, dat alleen in Friesland 20.000 menschen in de golven zijn omgekomen. De woeste baren droegen de schepen diep het land in, waar men ze, nadat het water gevallen was, op velden en weiden zag liggen. Geheele steden en dorpen werden verwoest, vele akkers verzandden, onnoemlijke schatten gingen verloren.

De nood was grenzenloos; men had geene schuiten genoeg om de menschen te redden, die op kerktorens, daken en hooge boomen gevlucht waren. Velen, die den dood in de golven ontsnapt waren, kwamen op hunne schuilplaats van honger en koude om.

In dien tijd van hooggeklommen ellende maakte een Spaansch stadhouder, Robles de Billy, zich zeer verdienstelijk jegens de aan zijne zorg toevertrouwde gewesten door zijne onvermoeide werkzaamheid.

In persoon voer hij van dorp tot dorp, om menschenlevens te redden, hij gebruikte de Spaansche troepen, om hem bij deze menschlievende pogingen bij te staan. Nadat de vloed geweken was, droeg hij zorg, dat in de geheele provincie Groningen sterke dijken gelegd werden; toen de adel weigerde tot dit werk bij te dragen, en zich op zijne privilegiën beriep, antwoordde hij met bitteren, maar welverdienden spot, dat de edelen hunne privilegiën en adelbrieven dan maar in de gaten der vernielde dijken moesten leggen, om de zee terug te houden. Robles, die vroeger om zijne gestrengheid bij de Friezen zeer gehaat was, verwierf zich door deze zijne werkzaamheid hunne liefde in zulk eene mate, dat zij voor hem een standbeeld oprichtten.

Was het geschil tusschen den hertog en de staten over den 20en en 10en penning door de tusschen hen geslotene overeenkomst eenigen tijd verdaagd, in het begin van het jaar 1571 kwam het op nieuw aan de orde, dewijl de hertog het noodig oordeelde, eenige voorbereidende maatregelen voor de heffing van die belastingen te nemen.

Op nieuw openbaarde zich in den staatsraad een krachtig verzet tegen Alba's plannen; het stond te wachten, dat zij in den boezem van die vergadering andermaal verworpen zouden worden. Viglius, de oude raadsheer, was zoo lang des hertogs gehoorzame dienaar geweest als hij dezen alvermogend waande; doch thans had hij bepaalde berichten uit Spanje ontvangen, volgens welke Alba sterk in des konings gunst gedaald was, ja Philips II niet bijzonder veel belang stelde in de heffing van die belastingen. Onder deze omstandigheden meende Viglius zonder gevaar de rol van gehoorzaam dienaar met die van kampioen voor de rechten des volks te kunnen verwisselen; hij liet zich zóó krachtig in afkeurenden zin over de nieuwe belastingen uit, dat de woedende hertog hem met eene strenge straf bedreigde. Doch Viglius liet zich geen vrees aanjagen; daartoe gevoelde hij zich veel te sterk ten gevolge van de gunst, waarin hij zelf bij den koning stond. Ook bij de overige raadsleden vond hij steun: zelfs Barlaimont koos zijne zijde.

In weerwil van dezen tegenstand bleef Alba in zijn plan volharden. Den laatsten Juli vaardigde hij een edict uit, waarin de heffing van den 20en en 10en penning voor het vervolg verordend werd. Het gevolg hiervan was een algemeen oproer in het geheele land. De staten van elke provincie, de raadsleden van elke stad sloegen de handen ineen en dienden gezamenlijk protesten tegen het edict in. Het volk poogde daarbij zich zelf te redden. Alle bedrijven stonden eensklaps stil, alle kooplieden sloten hunne winkels; zij wilden liever niets verkoopen dan de belasting betalen.

De Spaansche spionnen, die in last hadden, overal rond te sluipen, om te hooren wat het volk zeide en dit den hertog over te brengen, wisten nauwelijks meer, wien zij moesten aanklagen, want er was geen Nederlander, die zich niet in zeer oneerbiedige bewoordingen over de dwingelandij van den landvoogd uitgelaten had. De vrees voor verlies van alle bezittingen was sterker dan de angst, dien Alba tot dusver ingeboezemd had.

Wanneer de hertog vroeger op straat verscheen, boog alles voor hem, nu groette men hem niet eens; tot dusver had eene zwijgende, lijdzame volksmassa elk zijner bevelen opgevolgd, doch thans openbaarde zich van week tot week, van maand tot maand een krachtiger tegenstand.

Zelfs in de hoofdstad Brussel kwam het volk openlijk tegen hem in verzet; de brouwers weigerden te brouwen, de biertappers bier te leveren, de bakkers te bakken, de slachters te slachten; de handwerkslieden sloten hunne werkplaatsen, in de straten slenterden de arbeiders werkeloos rond, zelfs de soldaten, die niet langer, gelijk vroeger, brood, vleesch of bier konden koopen, waren woedend over de belastingen.

Brussel vertoonde het beeld eener door de pest geteisterde stad; men ontmoette in de straten niets dan diep bezorgde aangezichten; alle openbaar leven was uitgestorven.

Alba was buiten zich zelven van woede, wijl het volk het waagde, hem in zijn aangezicht te wederstaan, door verdubbelde gestrengheid wilde hij het tot onderwerping brengen. Hij liet den beul roepen en gaf hem bevel, den volgenden dag achttien der grootste kooplieden, die hunne winkels gesloten hadden, aan de deuren hunner huizen op te hangen. Met het aanbreken van den dag moest het bevel uitgevoerd zijn, opdat de bevolking bij haar ontwaken door den aanblik dier lijken verschrikt en door de vrees tot gehoorzaamheid gedwongen zou worden.

Met ongeduld verbeidde de hertog het aanbreken van den dag, toen hij eensklaps een bericht ontving, dat hem noopte om het bloedbevel in te trekken. De stad Brielle was door de aanhangers van Willem van Oranje, de Watergeuzen, ingenomen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Oranje in Duitschland. De Watergeuzen. Hunne strooptochten. De dappere ossenkoopman. Onderhandeling van Oranje met Frankrijk. Lumey, graaf van der Marck. De Watergeuzen uit Engeland verdreven. Verovering van den Briel. Bossu's nederlaag voor den Briel. Bloedbad te Rotterdam. Volksopstand in Holland voor Oranje. Wreedheden. Verbond van Lodewijk van Nassau met de Hugenooten. Bergen overrompeld. Opstand in de Nederlanden. Vergadering van de Staten-generaal te Dordrecht. Hunne besluiten. De oorlog in Henegouwen. Nederlaag der Hugenooten onder Genlis. Oranje's ongelukkige veldtocht. Capitulatie van Bergen. Noircarmes te Bergen.

Willem van Oranje had het in Frankrijk niet lang kunnen uithouden, maar was naar Duitschland teruggekeerd. Hoewel hij na het mislukken zijner onderneming van alle middelen ontbloot, ja zoozeer met schulden beladen was, dat hij door zijne schuldeischers menigmaal in de engte gedreven werd, gaf hij toch de hoop niet op. Hij was overtuigd, dat Alba's heerschappij eindelijk de Nederlanders tot wanhoop brengen zou, dat het slechts eene kwestie van tijd was, wanneer een algemeene opstand zou uitbreken, waarvan hij besloten had partij te trekken. Voortdurend stond hij in geheime verstandhouding met invloedrijke aanhangers, die hij in grooten getale onder de Nederlanders telde, van hen ontving hij juiste berichten omtrent de in het land heerschende stemming. Deze berichten luidden in de jaren 1569 en 1570 vrij treurig; zij spraken van de ontmoediging des volks, van de onmogelijkheid om het tot krachtig handelen te bewegen, van de onoverwinlijke vrees, welke Alba's schrikbewind inboezemde, doch ook van de algemeene verbittering, welke des hertogs nieuwe belastingen veroorzaakt hadden.

Aan een gewapenden inval in de Nederlanden kon Oranje in dien tijd reeds volgens deze berichten niet denken, zelfs al was hij daartoe in staat geweest. Dit was echter niet het geval, hij bezat noch het geld, noch het crediet, die noodig waren om troepen aan te werven.

In dezen treurigen toestand had hij de toevlucht genomen tot een wanhopig middel, om den hertog van Alba afbreuk te doen en tegelijk zijne krijgskas te vullen. In zijne waardigheid als souverein vorst had hij gebruik gemaakt van zijn recht om kaperbrieven uit te geven.

Vele Nederlandsche vluchtelingen, edelen zoowel als burgers, grepen vol blijdschap deze gelegenheid aan om den strijd tegen de gehate Spanjaarden, dien zij te land hadden moeten opgeven, ter zee voort te zetten. Zij rustten kleine en groote schepen uit, die, met des prinsen kaperbrieven voorzien, de zee onveilig maakten en zelfs landingen aan de Nederlandsche zeekusten ondernamen.

De Watergeuzen--zoo noemden zich de zeeschuimers--waren dappere, wanhopige mannen, die niets te verliezen, maar veel te winnen hadden. Bezield door een onverzoenlijken haat tegen de Spanjaarden, traden zij weldra als hunne grimmige vijanden op. Wanneer zij een Spaansch schip namen, maakten zij zich jegens de bemanning aan de afschuwelijkste wreedheden schuldig. Ook bevonden zich onder de Watergeuzen eenige honderden zeeroovers, die zich om de natie, waartoe een schip behoorde, niet bekommerden, en nog minder er aan dachten, een deel van hun buit af te staan, gelijk zij bij het ontvangen van de kaperbrieven den prins beloofd hadden.

Zoo talrijk en zoo algemeen waren de klachten, welke tegen de Watergeuzen bij den prins werden ingebracht, dat deze zich genoopt zag om den heer van Dolhain, die de betrekking van admiraal bekleedde, af te zetten en aan diens opvolger Guislain de Fiennes, heer van Lumbres, bepaalde bevelen te geven.

De hertog van Alba en zijne aanhangers werden daarin als de eenige wettige vijanden der geuzen aangeduid; elke aanval op een schip van het Duitsche rijk, Zweden, Denemarken, Engeland of van andere staten, vooral van die, welke jegens het protestantisme gunstig gestemd waren, werd op strenge straf verboden. De strengste tucht moest op de vloot gehandhaafd worden en het krijgsrecht, dat door alle naties heilig geacht werd, moest ook door de Watergeuzen worden geëerbiedigd. Ieder scheepskapitein was verplicht om aan boord van zijn vaartuig een prediker te hebben en godsdienstoefening te houden. Alleen Nederlanders mochten tot het scheepsbevel worden toegelaten. De gezamenlijke buit moest naar vaste regelen onder de bemanning verdeeld worden, een deel van den buit behoorde afgeleverd te worden aan de krijgskas, welke de prins tot het aanwerven van een nieuw leger wilde vormen.

Des prinsen bevelen misten hunne uitwerking niet; de Watergeuzen ontvingen eene betere organisatie. Zij leverden voortaan een deel van den buit aan den prins af, hoewel dit zeker niet altijd met groote nauwgezetheid geschiedde. Nog altijd gedroegen vele geuzen zich geheel als zeeroovers, maar hoe dit zij, zeker is het, dat zij zich bij den hertog van Alba dagelijks meer geducht maakten.

In Engeland vonden de Watergeuzen meestal eene goede ontvangst, dewijl koningin Elisabeth juist toen hevig op Alba vertoornd was. Zij wist toch, dat deze, op last van Philips II, al de oproeren en samenzweringen ten gunste van de gevangene koningin van Schotland, Maria Stuart, heimelijk ondersteunde. Elisabeth achtte zich dus ook niet verplicht om de Watergeuzen te weren.