De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek
Part 10
Viglius had namelijk gepoogd te bewijzen, dat de bescherming, welke de statuten van het Gulden Vlies den ridders dier orde verleende, zich niet uitstrekte tot zulke misdaden als waarvan Egmond en Hoorne beschuldigd werden. Op grond hiervan was den bloedraad de taak opgedragen om een vonnis te vellen en hij had, getrouw aan zijn karakter, dien last vervuld. Egmond en Hoorne werden ter dood veroordeeld, zonder dat het hun vergund was een verdediger te kiezen. De getuigen, op wie zij zich beriepen, ten einde hunne onschuld te bewijzen, werden niet gehoord; de geheele behandeling der zaak geschiedde in het diepste geheim. Dewijl Philips en Alba de veroordeeling geboden hadden, werd zij door den slaafschen bloedraad natuurlijk uitgesproken.
De voltrekking van het vonnis, een tijd lang vertraagd door een verzoek om genade, door de beide graven tot Philips gericht, werd bespoedigd door de overwinning van Lodewijk van Nassau bij Heiligerlee. Den 4en Juni 1568 verklaarde Alba plechtig voor God en de menschen, dat hij het doodvonnis tegen de beide hooggeplaatste landverraders moest voltrekken. Het document droeg de onderteekening van Philips II; Alba had daarvoor een der vele in blanco door den koning onderteekende stukken gebruikt, waarvan hij door dezen voorzien was.
In den namiddag van den 4en Juni ontbood Alba den bisschop van Yperen bij zich en gaf hem in last, terstond Egmond in de gevangenis te bezoeken, hem mee te deelen dat zijn lot beslist was en hem ter dood te bereiden.
Vol schrik viel de prelaat den hertog te voet, hij smeekte hem om genade voor den ongelukkige, of, wanneer hij zelf die genade niet verleenen mocht, om schorsing van het vonnis. Doch al zijn smeeken was vruchteloos; Alba antwoordde hem op gestrengen toon: "Gij zijt niet geroepen om mij raad te geven, maar om den veroordeelde als biechtvader bij te staan." Met dit bescheid werd de bisschop weggezonden. Hij begaf zich naar de gevangenis, om zich van zijne treurige taak te kwijten.
Nauwelijks had hij den hertog verlaten, of de gravin van Egmond werd bij dezen aangemeld; zij was bij geruchte onderricht van het lot, dat haren echtgenoot wachtte, ijlde terstond naar Alba, wierp zich aan zijne voeten en smeekte om genade. Met ijskoude kalmte hoorde de hertog de smeekingen der rampzalige vrouw aan; hij troostte haar met de belofte, dat haar gade den volgenden dag vrij zou zijn. Met die afgrijselijke, dubbelzinnige scherts ontsloeg hij de gravin, in wier hart hij de zoetste, helaas! al te bedriegelijke hoop gewekt had. Later zou hij tot zijne rechtvaardiging hebben aangevoerd, dat, naar zijne meening, de dood alleen de ware vrijheid schonk.
Egmond lag reeds in een vasten slaap gedompeld, toen de bisschop van Yperen zijne gevangenis binnentrad. Hij werd gewekt. Aan de houding van den prelaat bemerkte hij terstond, dat deze hem eene noodlottige tijding kwam brengen. Zonder te verbleeken las hij het document, dat zijn doodvonnis bevatte. Hij was, zoo wordt ons meegedeeld, meer verrast dan verschrikt, daar hij het nooit mogelijk had geacht, dat zijn proces zulk een einde zou nemen. Nog eens vraagde hij den bisschop, of dan alle hoop op genade vervlogen was, of althans de uitvoering van het vonnis niet verschoven kon worden. Doch toen hij ten antwoord ontving, dat er geen hoop meer voor hem bestond kreeg hij oogenblikkelijk zijne kalmte terug.
Hij bracht den nacht in het gezelschap van den geestelijke door en ontving uit diens handen het avondmaal. Tot zijn laatsten ademtocht betoonde hij zich een oprecht katholiek, gelijk hij steeds geweest was. Tegen den morgen schreef hij den volgenden brief aan den koning:
"Sire! Heden avond heb ik het vonnis vernomen, dat het Uwe Majesteit behaagd heeft over mij uit te spreken. Alhoewel ik nooit iets in de gedachten genomen, noch, zoover mij bewust is, iets gedaan heb wat tot nadeel van Uwer Majesteits persoon of dienst of tot verkorting van onze ware, oude katholieke godsdienst strekken kon, wil ik evenwel geduldig dragen wat het den goeden God behaagd heeft mij te laten toekomen. Indien ik onder deze beroerten in de Nederlanden iets gedaan of toegelaten heb, dat hiermede niet overeen scheen te komen, dan is het geschied met de waarachtige goede bedoeling om God en Uwe Majesteit te dienen en door den nood der tijden. Daarom bid ik Uwe Majesteit, mij te vergeven en medelijden te hebben met mijne arme vrouw en kinderen en bedienden, uit aanmerking mijner voormalige diensten. In welke hoop ik mij thans aan Gods Genade aanbeveel.
Uit Brussel,
Ter dood bereid, 5 Juni 1568. Uwer Majesteits ootmoedige en getrouwe onderdaan en dienaar
Lamoraal d' Egmond."
Ook de graaf van Hoorne had de tijding, dat het doodvonnis uitgevoerd zou worden, met kalme standvastigheid ontvangen, maar hij schreef niet zulk een ootmoedigen brief aan den koning als zijn vriend.
Den 5en Juni, met het aanbreken van den dag, werden 3000 Spaansche soldaten op de groote markt te Brussel en rondom het in het midden van het plein opgerichte schavot in slagorde geschaard. Op hetzelfde plein, waar Egmond de gelukkige overwinnaar in zoo menig tournooi was geweest, zou hij heden sterven!
Omstreeks 11 uur haalde eene Spaansche compagnie, door Juliaan Romero aangevoerd, Egmond uit de gevangenis. Men wilde hem de handen binden, maar hij uitte den wensch, dat die vernedering hem bespaard zou worden, sloeg zijn tabbaard open en toonde dat hij, ten einde den beul een deel van diens werk te besparen, zelf de kraag van zijn wambuis afgesneden had. Romero willigde zijn verzoek in.
Door den bisschop van Yperen vergezeld, begaf Egmond zich met vasten tred naar het schavot. Onderweg las hij een psalm. Toen hij het schavot beklommen had, liep hij het eenige malen op en neder. Hij sprak zijn leedwezen uit, dat hij niet met een degen in de hand voor zijn vaderland en zijn koning sterven mocht.
Nog eens kwam de hoop op begenadiging in den uitersten oogenblik bij hem op. Hij wendde zich tot Romero met de vraag, of het vonnis onherroepelijk was. Toen de generaal als eenig antwoord treurig de schouders ophaalde, klemde Egmond niet in wanhoop, maar in toorn de tanden op elkaar. Doch oogenblikkelijk keerde zijne bedaardheid terug, hij wierp zelf zijn bovenkleed af en terwijl hij met eene krachtige stem riep: "God in Uwe handen beveel ik mijnen geest!" boog hij het hoofd op het blok. Met één slag scheidde de beul het hoofd van den romp. Geen enkele kreet ontsnapte aan den mond der dicht rondom het schavot opeengepakte menigte, alle toeschouwers waren in het diepst hunner ziel geroerd, uit menig oog vloeiden tranen, zelfs de Spaansche soldaten weenden om den man, dien zij als den held van St. Quentin en Grevelingen hoogschatten.
De Fransche gezant, die het schouwspel bijwoonde, zeide tot zijn buurman, dat hij hier het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had.
De hertog van Alba, die uit een venster getuige van de strafoefening was, kon--naar men verhaalt--zijne tranen niet bedwingen!
Men wierp een zwart laken over het lijk en voerde hierop ook den graaf van Hoorne door de menigte heen; kalm groette hij alle bekenden, die hij onderweg ontmoette. Even moedig als Egmond ging hij den dood te gemoet, met hetzelfde woord op de lippen als zijn vriend ontving hij den doodelijken slag.
Egmond en Hoorne worden door de Nederlanders nog heden ten dage als martelaars voor de vrijheid vereerd, doch ten onrechte. Wel waren beiden de slachtoffers der afgrijselijke, met alle recht en wet spottende staatkunde van een ondankbaar en gewetenloos dwingeland, maar martelaars der vrijheid waren zij niet. Niets was dwazer dan de lage wraakzucht, waaraan Philips II twee mannen opofferde, wier gansche verleden bewees, dat ze zijne trouwe aanhangers waren. Voor de vrijheid des volks hadden zij nooit eenig gevoel gehad, beiden waren heftige tegenstanders der hervorming.
Egmond had zich zelfs als een verbitterd en wreed vervolger van de beeldstormers doen kennen. Hij zou dat,--zijn laatste meer dan deemoedige brief aan den koning bewijst het--indien hij langer geleefd had, ook gebleven zijn. Ja men mag vrijelijk beweren, dat hij zijne talenten als veldheer tot onderdrukking van den opstand der Nederlanders zou hebben aangewend, indien Philips hem, in plaats van hem te dooden, het bevel over eene Spaansche bende opgedragen had. Eerst zijn dood heeft hem en zijnen vriend tot vrijheidshelden gemaakt. Uit hun bloed, waarin de menschen, die het schavot omringden, niet langer door vrees voor de Spanjaarden teruggehouden, hunne zakdoeken doopten, is de vrijheid der Nederlanden ontsproten, niet ten gevolge van Egmond's werkzaamheid, maar tengevolge van zijn ongeluk en van de schreeuwende onrechtvaardigheid, willekeur en wreedheid van een koning, wiens bloeddorstige tyrannie door dezen moord voor het oog des volks voor altijd ontsluierd werd.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De Nederlanden. Alba's tocht naar Friesland. Slag bij Jemmingen. Nederlaag en vlucht van Lodewijk van Nassau. Hachelijke toestand van Oranje. Zijne nieuwe krijgstoerustingen. Inval in Brabant. Alba's plan. Alba's overwinning ten gevolge van zijn dralen. Alba's zelfverheffing. Zijn standbeeld. Huwelijk van Philips II. Montigny in den kerker vermoord. Alba's nieuwe belastingen. Tegenstand der provinciën. De amnestie. Overstrooming. Verzet in den staatsraad tegen de nieuwe belastingen. Viglius en Barlaimont. Algemeen oproer.
Alba had de sinds lang vastgestelde doodstraf van Egmond en Hoorne bespoedigd, omdat hij het niet raadzaam achtte, twee zulke belangrijke gevangenen levend achter te laten, terwijl hij zelf tegen Lodewijk van Nassau optrok. Hij zou ten minste 3000 man Spaansche troepen noodig gehad hebben om elke poging tot bevrijding van de gevangenen te verijdelen, en zulk een aantal troepen kon hij niet missen; daarom liet hij de hoofden vallen, eer hij zelf zich naar het oorlogstooneel in het Noorden begaf.
Onverwijld verzamelde hij zooveel manschappen als hij bijeentrekken kon. Al zijne strijdkrachten vereenigde hij bij Groningen. In 't geheel bedroegen deze ongeveer 15.000 man keurtroepen; buitendien had hij nog een aanzienlijk getal minder goed geoefende soldaten tot zijne beschikking.
Lodewijk van Nassau was intusschen niet in staat geweest om van de overwinning bij Heiligerlee partij te trekken; daartoe ontbrak het hem in de eerste plaats aan geld. Te vergeefs poogde hij in de Nederlanden zelve door vrijwillige contributiën zich de noodige middelen tot het voortzetten van den oorlog te verschaffen en dreigde hij allen, die weigerden hem bij te staan, als vijanden des vaderlands te zullen behandelen. Wel zouden de boeren hem gaarne ondersteund hebben, maar zij durfden niet op de overwinning hopen en zij wisten maar al te goed, dat Alba zich bloedig op hen wreken zou, indien zij slechts een enkel teeken van verstandhouding met den graaf van Nassau gegeven hadden.
Vol verontwaardiging vaardigde Lodewijk twee proclamaties uit, waarin hij dreigde de huizen in brand te zullen steken van allen, die hem de noodige contributie weigerden. De hertog van Alba vaardigde ook van zijn kant eene proclamatie uit, die aan de kerkdeuren en andere openbare plaatsen aangehecht werd, waarin hij aankondigde, dat ieder Nederlander, die het waagde, den rebellen geld te geven, later het dubbele van die som aan de Spanjaarden betalen en bovendien als schuldig aan hoogverraad gestraft worden zou.
Zoo verkeerden de ongelukkige bewoners van die streek in den hachelijksten toestand. Gaarne zouden zij Lodewijk van Nassau gehoorzaamd hebben, doch Alba was in hunne oogen zoo vreeselijk, dat zij het niet durfden doen. De vrees voor zijne wraak was sterker dan die voor Lodewijk's toorn, zij gaven dezen slechts zóóveel als zij even moesten en maakten het hem daardoor onmogelijk, zijne Duitsche huurtroepen te betalen.
De toestand van den graaf werd dus uiterst hachelijk. Met zijne 10 tot 12.000 man--zoo hoog was na de versterkingen, die hij ontvangen had, het aantal zijner troepen--had hij wel den oorlog met eenig uitzicht op zegepraal kunnen voortzetten, indien zijne huurtroepen slechts hadden willen vechten. Maar deze weigerden dit en zelfs toen de geduchte hertog reeds met zijne Spaansche troepen tegenover hen stond, rebelleerden zij nog tegen hunnen veldheer. Zij wilden niet vechten, eer hun de achterstallige soldij uitbetaald was. Eerst toen Lodewijk hun voorhield, dat zij geene andere keus hadden dan òf te vechten òf zich weerloos te laten neerhouwen, daar zij van Alba geene genade hadden te wachten, besloten zij schoorvoetend te gehoorzamen.
Bij Jemmingen kwam het den 21en Juli 1568 tot een beslissenden slag. Lodewijk had eene sterke, goed gekozene stelling ingenomen; hier zou hij zich zeker tegenover de slechts weinig sterkere macht van Alba staande gehouden hebben, indien zijne soldaten iets hadden bezeten van den vurigen moed en de koene beradenheid, die hun aanvoerder bezielden. Doch dit was, helaas! niet het geval: reeds bij den eersten aanval der Spanjaarden wierpen vele lafaards de wapenen weg en vluchtten.
Eene grenzenlooze verwarring ontstond in het geuzenleger; de vlucht werd weldra algemeen. Het was niet langer een slag, maar eene slachting, om het woord des dichters hier te bezigen.
De Spanjaarden hieuwen de vluchtelingen bij geheele hoopen neder. Zij, die aan hun zwaard ontkwamen, wierpen zich in de Eems en verdronken. Hoe vreeslijk de slachting geweest is, blijkt uit de cijfers, die tot ons gekomen zijn, al zijn deze dan ook een weinig overdreven. Men zegt, dat op dien dag 7 Spanjaarden en 7000 rebellen gedood zijn.
Nog twee dagen lang vermoordden Alba's zegevierende krijgers alle Duitsche huurlingen, die zij in den omtrek uit hunne schuilhoeken te voorschijn haalden. Alle velden en weilanden waren met weggeworpen wapenen en met lijken bedekt.
Graaf Lodewijk van Nassau zelf had slechts door eene overhaaste vlucht zijn leven kunnen redden. Ten einde den overwinnaars te ontkomen, had hij, toen hij zag dat alles verloren was, zijne kleederen weggeworpen en zich in de Eems gestort. Gelukkig bereikte hij al zwemmende den tegenoverliggenden oever; hier vond hij eenige vluchtelingen, aan wier hoofd hij zich stelde en met wie het hem gelukte naar Duitschland terug te keeren.
Het Spaansche leger vereenigde zich twee dagen later binnen Groningen; het trok van zijne overwinning partij, om eene vreeselijke wraak te oefenen op de ongelukkige bewoners des lands voor hunne twijfelachtige trouw. Alba liet het toe, dat zijne onmenschelijke soldaten daar huis hielden als in eens vijands land, dat zij burgers en boeren vermoordden, vrouwen en meisjes verkrachtten, dat zij alles roofden wat in hun bereik viel en de weerlooze dorpen in brand staken.
Na de overwinning keerde Alba naar Brussel terug; hij luisterde haar op door de uitvoering van een aantal doodvonnissen. Schier allen, die nog in den kerker zuchtten, werden thans ter dood gebracht. Thans werden ook Burgemeester van Stralen, Bakkerzeel, Laloo en anderen aan den beul overgeleverd.
De prins van Oranje verkeerde na de nederlaag zijns broeders in een waarlijk wanhopigen toestand. Een groot deel der door hem aangeworven troepen was verslagen en verstrooid, Alba zegepraalde, en de protestanten hadden alle hoop op een goeden uitslag opgegeven. Zelfs des prinsen vrienden, de Duitsche vorsten, geloofden thans niet langer, dat het hem mogelijk zou zijn, met goeden uitslag den zegevierenden hertog te bestrijden. Zij trokken hunne beloften van hulp in en vermaanden hem, elk plan op een inval in de Nederlanden op te geven en kalm den loop der gebeurtenissen af te wachten. Zoo spraken de ijverigste protestantsche vorsten, de keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen. De keizer zelf waarschuwde in ernstige bewoordingen tegen het aanwerven van troepen in het Duitsche rijk. "Wanneer Gij den rijksvrede verstoort en ons met onzen dierbaren broeder en neef Philips II in ongelegenheid brengt, dan is dit voor Uwe verantwoording," zoo schreef hij aan den prins.
In weerwil van deze raadgevingen en bedreigingen, stond toch Oranje's besluit tot voortzetting van den strijd vast. Den keizer beantwoordde hij in een eerbiedigen brief, waarin hij zich op zijn vorstenrecht beriep en de ondragelijke dwingelandij schilderde, waaraan Alba zich tegenover de Nederlanders schuldig maakte. Tegelijk vaardigde hij eene oorlogsverklaring aan Alba en twee proclamaties uit, waarin hij het Nederlandsche volk verzekerde, dat hij de trouwste dienaar des konings was en niet tegen dezen, maar alleen tegen Alba de wapenen opvatte. "Juist omdat wij tot den loyaalsten dienst jegens den koning verplicht zijn", zeide hij in die stukken, "en dewijl wij het diepste medelijden met zijne vasallen koesteren, is het ons onmogelijk, langer werkeloos zoovele daden van moord, diefstal en geweld aan te zien. De koning, daarvan zijn wij zeker, is slecht omtrent den toestand der Nederlanden onderricht. Wij vatten de wapenen op, om ons met de hulp van den God der barmhartigheid tegen de dwingelandij der Spanjaarden en de bloeddorstige plannen des vijands te verzetten. Wij roepen alle trouwe burgers der Nederlanden op, om ons ter hulp te snellen: mogen het ongeluk des lands, het gevaar eener eeuwige slavernij voor hen en hunne kinderen en de volkomen ondergang van de evangelische godsdienst hun ter harte gaan! Niet, wanneer zij zich slaafs aan den bloeddorst van den hertog van Alba onderwerpen, kunnen de provinciën hopen, hun ouden voorspoed en hunne oude rechten te herwinnen, maar alleen wanneer zij daarvoor dapper de wapenen opvatten."
Zoo sprak de prins tot de Nederlanders; hij riep hen op om de Spanjaarden voor altijd uit het land te helpen verdrijven en hem hiertoe de noodige geldmiddelen te verschaffen. De rijken moesten van hun overvloed, de armen van hunnen nooddruft tot bereiking van het algemeene doel bijdragen; hij bezwoer hen plechtig bij God, het vaderland en de wereld, te handelen, terwijl het nog tijd was.
Een belangrijk gevolg had Oranje's beroep op de vaderlandsliefde der Nederlanders niet; juist de rijksten bleven het meest achter. Eenige protestantsche predikers waagden hun leven, om in hunne arme gemeenten gelden voor den prins in te zamelen en ze hem over te brengen. De ballingen gaven ook zooveel als zij konden, doch de rijke kooplieden en de trotsche edellieden, die zich nog in de Nederlanden bevonden en tot dusver door Alba niet waren vervolgd, gevoelden geen lust om zich des hertogs wraak door het ondersteunen van den prins op den hals te halen.
In weerwil van dit alles gelukte het aan Oranje's rustelooze bemoeiingen, een leger van 30.000 man onder de wapenen te brengen. Daarmede opende hij in het laatst van September 1568 den veldtocht; hij rukte Brabant binnen en hier vond hij weldra den hertog van Alba tegenover zich, die met de grootste geestkracht alle Spaansche troepen bijeen getrokken had, om zijn gevaarlijksten vijand het verder doordringen in de Nederlanden te beletten.
Hoe vast Alba's besluit stond, om zijn vijand niet alleen te bevechten, maar te vernietigen, toonde hij vóór het begin der vijandelijkheden. De prins zond hem een heraut, om hem voor te stellen, de gevangenen van weerszijden niet te dooden, maar uit te wisselen. Nauwelijks was de heraut van het paard gestegen, om zijne boodschap over te brengen, of hij werd gegrepen en op staanden voet opgehangen. Dit was het eenige antwoord des hertogs op dien vredelievenden voorslag. Slechts terloops zeide hij, dat hij met muiters vóór den slag niet onderhandelde en hun na den slag geene genade verleende.
Welk een stoute taal Alba ook voerde, toch had hij volstrekt geen lust om zich met Oranje in het open veld te meten; door een grooten slag kon hij alles verliezen en slechts weinig winnen, het gevaar was voor hem nu veel grooter dan bij den strijd tegen Lodewijk van Nassau. Toen was het tooneel van den oorlog eene verwijderde provincie geweest, thans lag het in het hart der Nederlanden; indien de prins hier eene overwinning behaalde, zou hij zich zonder moeite tot heer van het geheele land kunnen verheffen.
Alba wist maar al te goed, hoe gehaat hij zelf en hoe geliefd de prins was; behaalde deze slechts ééne zegepraal, dan zou de geheele bevolking des lands zich rondom zijne vanen scharen. Begon eens de roep van onoverwinnelijkheid, waarin de hertog stond, te tanen, dan had hij alles te vreezen.
Oranje had een leger van ongeveer 30.000 man onder de wapenen, Alba stond aan het hoofd van niet meer dan 20.000 man; wel waren zijne soldaten geoefende veteranen, op wie hij zich onder alle omstandigheden verlaten kon, terwijl Oranje's leger grootendeels uit huurlingen bestond; wel mocht de hertog daarom, in weerwil van de mindere sterkte zijner legermacht, op eene zegepraal hopen, maar veel veiliger was het in zijn oog, door opzettelijk dralen de hulp in te roepen van een bondgenoot, die hem ten slotte de overwinning verzekeren moest.
Reeds was het jaargetijde ver gevorderd; de winter, en met hem gebrek aan levensmiddelen voor het huurleger, was in aantocht. Oranje had--hiervan was de hertog onderricht--geen geld om zijne Duitsche troepen gedurende een langen tijd te bezoldigen; werd het hem onmogelijk gemaakt zich geld te verschaffen, dan zou een opstand der huurtroepen hiervan het onvermijdelijk gevolg zijn. Op deze berekening bouwde Alba zijn plan om zich nooit tot een beslissenden slag te laten verlokken en alleen den prins het verder doordringen in het land te beletten. Met eene bewonderenswaardige krijgskunst volvoerde hij zijn plan.
De geheele veldtocht duurde niet veel langer dan eene maand; 29maal veranderde de prins van stelling, om den hertog tot een slag te noodzaken, maar altijd vruchteloos; waarheen hij zich ook wendde, altijd zag hij de Spanjaarden als zijn schaduw achter zich en toch kon hij hen maar niet tot een treffen dwingen.
De uitkomst rechtvaardigde volkomen het beleid van den hertog. Het ontbrak den prins zoowel aan geld als aan levensmiddelen, want de inwoners des lands, voor Alba's wraak beducht, weigerden die den muiters te verschaffen. Nergens vonden de 30.000 man des prinsen de noodige middelen om in hun onderhoud te voorzien en het kon niet missen, of de huurtroepen begonnen te morren; weldra brak er eene openbare muiterij in 's prinsen kamp uit en slechts met moeite gelukte het dezen, een algemeenen opstand te onderdrukken.
Niet gunstiger werd Oranje's toestand, toen eene schaar Fransche Hugenooten onder bevel van den graaf van Genlis hem ter hulp kwam. Wel gelukte het hem, zich met dezen te vereenigen, maar hij moest dit voordeel met een zwaar verlies bekoopen. Bij een onverhoedschen aanval, door Alba op zijne achterhoede ondernomen, sneuvelde de graaf van Hoogstraeten, zijn trouwe vriend.
Het meesterlijk door Alba uitgevoerde krijgsplan bracht den prins tot wanhoop; hij had gehoopt, dat het Nederlandsche volk hem met geestdrift als zijn bevrijder ontvangen zou, maar geene enkele stem verhief zich, om hem juichend te begroeten; overal vond hij de poorten gesloten, overal ontmoette hij afkeer en vrees.
Wel wist hij, dat deze stemming terstond zou veranderen bij de eerste zegepraal, die hij bevocht, doch zelfs met inspanning van alle krachten kon hij den hertog niet tot een gevecht noodzaken.
De muiterij in zijne legerplaats werd met elken dag gevaarlijker; spoedig moest hij begrijpen, dat het hem niet lang meer mogelijk zou zijn, zijne misnoegde soldaten in bedwang te houden.