De Dageraad der Volksvrijheid Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek

Part 1

Chapter 13,431 wordsPublic domain

ADOLF STRECKFUSS.

DE DAGERAAD DER VOLKSVRIJHEID.

Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek Aan het volk verhaald.

Naar het Hoogduitsch bewerkt

Door B. Ter Haar Bz.

Oorspronkelijke Uitgave.

Leiden, Firma Van den Heuvell & Van Santen. 1872.

INHOUD.

Bladz.

Hoofdstuk 1. Overzicht der regeering van Karel V. Philips II aanvaardt het bewind. Zijn vertrek uit de Nederlanden. 1.

Hoofdstuk 2. Regeering der landvoogdes Margaretha van Parma tot aan de verwijdering van Granvelle 11.

Hoofdstuk 3. Regeering der landvoogdes Margaretha tot aan het verzoekschrift der edelen. De »Geuzen" 22.

Hoofdstuk 4. De laatste, onrustige dagen van Margaretha's bewind. De beeldstorm en zijne gevolgen 34.

Hoofdstuk 5. Komst van Alba in de Nederlanden. Zijne eerste regeeringsmaatregelen. Margaretha's vertrek 51.

Hoofdstuk 6. Alba's schrikbewind tot aan den dood van de graven van Egmond en Hoorne. Bevrijdingsplannen van Oranje en zijne broeders 60.

Hoofdstuk 7. Alba's toenemende willekeur. Slag bij Jemmingen. De 20e en 10e penning. Algemeene gisting 67.

Hoofdstuk 8. Opstand der Nederlanders, van de inneming van den Briel door de Watergeuzen tot aan de inneming van Bergen onder Noircarmes 77.

Hoofdstuk 9. Voordeelen, door Alba op de opstandelingen behaald. Onwrikbare volharding der Hollanders en Zeeuwen, onder leiding van Oranje. Alba's vertrek 87.

Hoofdstuk 10. Regeering van den landvoogd Requesens tot aan het ontzet van Leiden 98.

Hoofdstuk 11. Laatste regeeringsdaden en dood van Requesens. Hachelijke toestand der prinsgezinden 108.

Hoofdstuk 12. Bewind van den Staatsraad. De pacificatie van Gent 114.

Hoofdstuk 13. Don Juan van Oostenrijk. Aartshertog Matthias. Oranje, ruwaard van Brabant 120.

Hoofdstuk 14. De Gentsche omwenteling. Afzetting en dood van don Juan 130.

Hoofdstuk 15. Alexander Farnese's bewind tot aan de Unie van Utrecht 136.

Hoofdstuk 16. Farnese's verdere stappen op staatkundig en krijgskundig gebied. Maastricht ingenomen 141.

Hoofdstuk 17. Voortzetting van den oorlog tot aan de afzwering van Philips II 146.

Hoofdstuk 18. De hertog van Anjou in de Nederlanden. Fransche furie. Anjou's dood 156.

Hoofdstuk 19. Willem van Oranje vermoord 165.

Hoofdstuk 20. Treurige toestand der Nederlanden na Oranje's dood. Val van Antwerpen 173.

Hoofdstuk 21. Leicester in de Nederlanden 180.

Hoofdstuk 22. Ondergang der onoverwinnelijke vloot. Maurits' overwinningen. Parma's dood 187.

Hoofdstuk 23. De oorlog tusschen Spanje en de geuniëerde provinciën tot aan den dood van Philips II 194.

Hoofdstuk 24. De slag bij Nieuwpoort. Het twaalfjarig bestand. Erkenning van de vrije Nederlanden 200.

EERSTE HOOFDSTUK.

De Nederlanden. Vruchten der regeering van keizer Karel V. Vereeniging van de Nederlandsche gewesten. Bloei des lands. Algemeene welvaart en beschaving. Liefde des volks voor Karel V. Hare oorzaken. De hervorming in de Nederlanden. Erasmus van Rotterdam. De rederijkers. De Nederlandsche ketters door Karel V streng vervolgd. Het plakaat van 1550. De inquisitie. Verzet daartegen. Aantal slachtoffers der vervolging om de godsdienst. Philips II aanvaardt de regeering. Weinige ingenomenheid des volks met dezen vorst. Het plakaat van 1550 vernieuwd. Tegenstand der Nederlanders. De vrede van Cateau-Cambresis. Regeling van het bewind over de Nederlanden. De staatsraad, de geheime raad, de raad van finantiën. De stadhouders. De troepen van ordonnantie. De Spaansche troepen. Vergadering van de staten generaal te Gent. Verzoekschrift der staten tot terugroeping van de Spaansche troepen. Onvriendelijk afscheid tusschen Philips en Oranje. Des konings vertrek.

Den 25en October van het jaar 1555 had keizer Karel V in eene plechtige vergadering der Staten-generaal te Brussel aan zijn zoon Philips de regeering der Nederlanden overgedragen. Volgens de overeenstemmende berichten van allen, die bij deze overdracht tegenwoordig waren, hadden de Nederlanders met diepe droefheid het bericht ontvangen, dat Karel V hen verlaten zou. Geen oog der aanwezige vertegenwoordigers des volks was droog gebleven; allen hadden heete tranen gestort.

Waarmede had de keizer zulk eene vurige liefde des volks verdiend? Wat had hij gedaan om die te verwerven? Het valt niet te ontkennen, dat Karel V zich door de vereeniging van alle Nederlandsche gewesten tot éénen staat verdienstelijk gemaakt had. Van nu af konden de verschillende gewesten elkaar niet langer onderling beoorlogen; de aanzienlijke edelen mochten hunne rooversbenden niet langer door het land zenden. De 17 provinciën met hare 208 versterkte, bloeiende steden en meer dan 6000 dorpen waren tot een groot en machtig rijk geworden, waarin niet alleen handel, nijverheid en landbouw, maar ook wetenschap en kunst zulk een trap van bloei bereikt hadden, dat de Nederlanders met volle recht daarop fier mochten zijn.

Wel had het menigen strijd en veel kostbaar bloed gekost, deze vereeniging tot stand te brengen. Karel V had haar bewerkt, deels door de wederspannigen met geweld ten onder te brengen--men denke slechts aan den opstand te Gent en aan het tractaat van Venlo, den overwonnen Willem van Gulik afgeperst--deels door de wijsheid, waarmede hij de eigenaardige zeden en instellingen der verschillende gewesten ontzag. Hij dwong deze niet om in het groote geheel op te gaan, maar alleen om zich bij de overige provinciën aan te sluiten.

Wellicht was deze handelwijze niet zoozeer het gevolg van des keizers goeden wil--wij weten dat hij gaarne als onbeperkt gebieder heerschte--als wel van de omstandigheid, dat hij buiten deze landen onophoudelijk bezig gehouden werd door zijne voortdurende oorlogen. Hiertoe had hij namelijk den geldelijken steun der Nederlanders zoo dringend noodig, dat hij zich wel wachten moest, het volk door een al te willekeurig bewind te verbitteren. Doch hoe dit ook zij, het feit is niet te loochenen, dat de Nederlanden onder Karel's regeering het beeld vertoonden van een machtigen, vereenigden staat, waarin de afzonderlijke deelen nauw met elkaar verbonden waren en waarvan elk deel toch zijne eigenaardigheid en zelfstandigheid bewaarde.

De verschillende gewesten hadden hunne eigene wetten, die met de volkszeden en gewoonten in overeenstemming waren, behouden. De belangrijkste steden geleken naar kleine republieken, die hare eigene aangelegenheden schier onafhankelijk regelden, terwijl zij toch deelen waren van het groot geheel.

Door deze vereeniging van de Nederlanden heerschte er in den boezem des lands een ongestoorde vrede, die handel en verkeer zulk eene vlucht had doen nemen, dat zelfs de zware lasten, welke den Nederlanders voor de oorlogen van Karel V werden opgelegd, aan de algemeene, hooggeklommen welvaart geen afbreuk konden doen. Holland werd de stapelplaats van den Europeeschen graanhandel, Amsterdam verhief zich tot het middenpunt van den Oostzeehandel, Antwerpen overtrof door zijne uitgebreide handelsbetrekkingen de meeste Europeesche zeesteden, zelfs Venetië.

Niet alleen in handel en nijverheid waren de Nederlanders groot, ook in wetenschap en kunst namen zij met eere hunne plaats in aan de zijde der overige Europeesche volken, ja in werkelijke beschaving overtroffen zij die zelfs. De scholen waren voor dien tijd voortreflijk; de zonen der rijken ontvingen eene opvoeding, gelijk in andere landen alleen aan de afstammelingen der hoogste adellijke geslachten ten deel viel, zij leerden niet alleen de nieuwe talen vloeiend spreken, maar moesten ook de oude klassieken kunnen lezen en verstaan. De muziek werd door de hoogere standen algemeen beoefend.

Doch hierbij bleef het niet; zelfs de lagere volksklasse werd goed onderwezen; de eenvoudige handwerkslieden vormden in de Nederlanden niet, gelijk in andere landen, eene ruwe onwetende menigte, zij hadden wat degelijks geleerd en waren tot denkende wezens gevormd.

Dat Karel V zich omtrent de bevordering van den welstand en de beschaving der Nederlanders verdienstelijk heeft gemaakt, mag bij eene onpartijdige beoordeeling van zijne regeering niet ontkend worden. Doch eene andere vraag is het, of deze verdiensten zóó groot zijn, dat ze geheel tegen de schaduwzijde van zijn bewind opwegen, ja deze op den achtergrond dringen? Waren zij de bron der liefde, welke het volk--gelijk niet te betwijfelen valt--den keizer toedroeg?

Wij moeten deze beide vragen ontkennend beantwoorden. De volksgunst wordt niet altoos verkregen door werkelijke verdiensten, zij is menigmaal de vrucht van bijkomende omstandigheden. Billijkerwijze had de keizer, die nooit een hart voor het waarachtig welzijn des volks had, die niet om den wil zijner onderdanen, maar alleen in zijn eigen belang, (ten einde zijne eerzucht te bevredigen en zoo mogelijk van de Nederlanders aanzienlijke sommen voor zijne oorlogen te verkrijgen) ten nutte van het land werkzaam was, die bovendien--gelijk wij terstond zullen zien--een groot aantal onschuldige menschenlevens aan zijne godsdienstige onverdraagzaamheid opofferde, den welgemeenden haat des volks verdiend. Maar in weerwil van dit alles, was hij bemind, omdat hij de eigenaardigheden der Nederlanders begreep en ontzag en hunne zwakheden wist te vleien. Hij sprak met hen in hunne eigene taal. Gelijk hij met de Duitschers Duitsch, met de Spanjaarden Spaansch, met de Italianen Italiaansch en met de Franschen Fransch sprak, zoo sprak hij de Vlamingen in het Vlaamsch toe. Hij wist de eigenaardige karaktertrekken van elken volksstam te bespieden en even gemakkelijk als hij hunne taal sprak, nam hij hunne zeden over.

Wist hij tegenover de Spanjaarden de Spaansche hoofschheid in acht te nemen, tegenover de Nederlanders legde hij eene groote mate van vertrouwelijkheid aan den dag. Met de edelen was hij een edelman, met de burgers een burger, wanneer hem dit tijdig en raadzaam scheen. Hij reed als ridder de kampplaats van het tournooi binnen en schoot met de boogschutters van Antwerpen naar den vogel; een ieder wist hij te behandelen, gelijk hij behandeld worden moest.

Hij kende de menschen, wier zwakheden hij bestudeerd had, en trok van die kennis ijverig partij. Door alle ambten steeds aan Nederlanders te schenken, maakte hij zijn bewind veel minder gehaat dan anders het geval zou zijn geweest; want hij wist, dat de Nederlanders zich veel lichter door hunne landgenooten dan door vreemdelingen lieten regeeren, ja dat zij zelfs van de eersten willekeurige handelingen door de vingers zouden zien.

Aan zulke kleine, ja somtijds kleingeestige maatregelen, dankte Karel V de gunst des volks. Doch ook zijn krijgsroem droeg daartoe bij. Gevoelen niet nog heden ten dage de verblinde volken zich gelukkig in den roem, die een vorst met hun goed en hun bloed op het zoogenaamde veld van eer behaalt? Zijn ze niet trotsch op zulk een valschen luister, die zich in bloedplassen weerspiegelt en met zijn glans stapels lijken bestraalt? En nog meer dan in onze dagen was dat het geval in dien tijd, waarin oorlog regel, vrede uitzondering was.

De Nederlanders waren trotsch op hunnen keizer en zijne heldendaden, in wiens legers ook velen der hunnen frissche lauweren hadden geplukt. Zij vergaven Karel V al zijne fouten en gebreken, zelfs zijne vreeselijke vervolging van de protestanten. En waarlijk--zij hadden veel te vergeven.

Geen land bood der hervorming een beter toebereiden akker aan dan Nederland. Het volk was beschaafder dan eenige andere Europeesche natie en daardoor in staat om zelf te denken, om zijn geloofsovertuiging te toetsen. Uit zijnen boezem waren mannen voortgekomen als Johannes Brugman, de bezielde boetprediker, Geert Groote, de stichter van de broederschap des Gemeenen levens, die zich jegens het onderwijs onsterfelijke verdiensten verworven had, Thomas à Kempis den vriend eener warme, zij het ook een weinig mystieke godsvrucht, Wessel Gansfort, om zijne geleerdheid het "licht der wereld" genoemd, Rudolf Agricola, een der sieraden van de Heidelbergsche hoogeschool, en niet het minst Desiderius Erasmus.

Erasmus van Rotterdam, had reeds lang vóór Luther's optreden in Duitschland zich tegen het bederf der geestelijkheid aangekant en de behoefte aan eene hervorming der kerk openlijk uitgesproken. Zijne denkbeelden hadden in de ziel des volks diepe wortelen geschoten en hoewel hij zelf, toen Luther naar zijnen zin te krachtig, ja te onstuimig voorwaarts drong, voor de gevolgtrekkingen zijner eigene denkbeelden en de toepassing van zijne eigene beginselen terugdeinsde en aan zijn schoon verleden ontrouw werd, volgden zijne leerlingen dat voorbeeld niet.

Eene eigenaardig Nederlandsche instelling, de kamers der "rethorijkers" of rederijkers, droeg er insgelijks veel toe bij om het volk voor de hervorming voor te bereiden. Reeds in de 15e eeuw hadden, gelijk in Duitschland de meesterzangers, in de Nederlanden de burgers en zelfs de boeren zich tot beoefening van de kunst vereenigd. De vereenigingen, die hierdoor ontstonden, hadden wel van de kunst slechts zulk een flauw begrip, dat zij poëzie en rethorica verwarden, maar zij bezaten althans veel goeden wil en haar pogen vond bij het volk zulk een krachtigen steun, dat het aantal dier kamers met groote snelheid aangroeide.

Bijna in elke stad, zelfs in de meeste dorpen trof men zulke vereenigingen aan, die ellendige, gekunstelde rijmen smeedden, doch weldra op een ander veld dan dat der dichtkunst een allerbelangrijksten invloed uitoefenden. De rederijkerskamers namen toen in zekeren zin de plaats onzer tegenwoordige dagbladpers in; zij stelden zich tot taak, de misbruiken der regeering, vooral die der geestelijkheid, te gispen. Al geschiedde dit ook niet altijd op waarlijk geestige wijze, de duidelijkheid en scherpte der kritiek liet niets te wenschen over. Zoo vormden de rederijkerskamers in elke stad in zekeren zin het middenpunt der kerkelijke oppositie, en het kan ons niet verwonderen, dat daaruit vele der mannen voortgekomen zijn, die later als voorvechters der omwenteling, hetzij op kerkelijk, hetzij op staatkundig gebied naam gemaakt hebben. Wij herinneren hier slechts den snijderkoning Jan van Leiden, die insgelijks een rederijker was.

De rederijkers verbreidden berijmde satyren op de geestelijkheid; doch vooral werkten zij door hunne tooneelvoorstellingen, welke door den prikkel der nieuwheid groote scharen van toeschouwers aanlokten. De geestelijke tooneelspelen, welke de geestelijkheid oorspronkelijk zelve uitgevonden had, werden nu vervangen door blij- en kluchtspelen, die de rederijkers bij hunne openbare optochten vertoonden, en waarin zij de ondeugden der geestelijkheid zonder verschooning aan de kaak stelden. Hoe laag zulke tooneelstukken, uit een dichterlijk oogpunt bezien ook stonden, toch waren zij van het grootste belang voor de ontwikkeling des volks, want zij gewenden de groote menigte, over de gebreken der kerk en de ondeugden der geestelijken na te denken.

Dewijl te zelfder tijd van alle zijden aanhangers der hervorming naar de Nederlanden kwamen, moest zij hier wel vorderingen maken. Ja dit kon niet uitblijven daar al die landen, waarmede de Nederlanden handelsbetrekkingen onderhielden, reeds meer of min voor de hervorming gewonnen waren: Duitschland, Engeland, Frankrijk, waar later Calvijn werkzaam was en van waar vele vluchtelingen naar de Nederlanden kwamen, zoowel als de Scandinavische rijken.

Niets was natuurlijker dan dat in de Nederlanden het zaad der hervorming een wel toebereiden bodem vond en dat het hier welig ontkiemde.

Keizer Karel V, die de onverzoenlijke vijand der Duitsche protestanten was, maar het uit een staatkundig oogpunt niet geraden achtte, hen met de uiterste gestrengheid te bestrijden, behandelde zijn erflanden niet met zooveel verschooning. Reeds in het jaar 1521 schreef hij uit Worms: "Dewijl het schijnt, dat die Maarten Luther niet een mensch, maar een duivel in menschengedaante is, die zich als een priester vermomt, om de menschen des te beter der helle en der verdoemenis in de armen te voeren, moeten al zijne leerlingen en aanhangers met den dood en met verbeurdverklaring van hunne goederen gestraft worden."

Dit besluit werd in de Nederlanden zonder de door de wet vereischte goedkeuring der Staten-Generaal afgekondigd en de pauselijke inquisitie in de provinciën ingevoerd om aan zijne bepalingen kracht en klem bij te zetten.

Den 1en Juli 1523 stierven te Brussel twee Augustijner monniken als martelaars van het Lutheranisme op den brandstapel. Doch in weerwil hiervan vond het onder de bevolking van Brussel vele aanhangers.

Door onverbiddelijke en tijdig toegepaste strengheid meende Karel V de verbreiding der hervorming in de Nederlanden te kunnen verhinderen. Hij liet verscheidene plakaten afkondigen, waarin zoowel het lezen van den bijbel, hetzij heimelijk, hetzij in 't openbaar, als elke redetwist over het geloof, de sacramenten en het gezag der kerk op straffe des doods verboden werd. En deze plakaten bleven geen doode letter; zij werden werkelijk uitgevoerd: de brandstapels rookten en zagen een groot aantal slachtoffers in hunne vlammen omkomen.

Al deze gestrenge maatregelen misten echter hun doel. Het getal der protestanten in de Nederlanden groeide met elken dag aan. Beter dan deze inquisitoriale maatregelen werkte in den geest des keizers een tijd lang de hevige strijd, die tusschen Luther en Zwingli uitgebroken was, en die meer dan één vrijzinnig katholiek afschrikte van de omhelzing eener leer, die reeds kort na haar opkomen tot zulk een haat aanleiding gaf en wier aanhangers weinig minder onverdraagzaam waren dan de katholieken.

Ook de uitspattingen der Wederdoopers, die, gelijk onze lezers zich herinneren (Dl. VII blz. 146 en 158) in de Nederlanden vrij talrijk waren, droegen het hare er toe bij om de voorstanders van eene gematigde hervorming afkeerig te maken van de protestanten. Doch weldra verminderde de vrees voor deze lieden en de gruwelijke wreedheid, waarmede de leden dezer secte uitgeroeid werden, deed velen zelfs een innig medelijden met hen gevoelen.

Nieuwe plakaten werden tegen de ketters uitgevaardigd, waarvan het ééne nog scherper en bloediger was dan het andere. In het jaar 1535 werd te Brussel een keizerlijk bevelschrift openbaar gemaakt, hetwelk alle ketters, ook de boetvaardigen onder hen, ter dood veroordeelde; de eenige genade, welke den laatsten bewezen werd, bestond hierin, dat zij niet werden verbrand, maar dat de mannen onthoofd, de vrouwen levend begraven werden.

Deze plakaten met andere van dezelfde strekking vormden gedurende twintig jaren de stipt uitgevoerde wetgeving voor de Nederlanden. Ja, in het jaar 1550 werden de vervolgingen nog verscherpt door een nieuw edict, waarbij aan een ieder, die ketters aanbracht en aan het gericht overleverde, de helft hunner goederen als belooning werd toegezegd.

In het plakaat van 1550 werd bovendien de naam der inquisitie veel duidelijker genoemd dan voorheen. Te Antwerpen verwekte dit eene groote verslagenheid; hadden de Nederlanders zich tot dusver de geloofsvervolging zonder weerstand laten welgevallen, den naam van de rechtbank der inquisitie, die zich in Spanje door hare gruwelen zoo berucht gemaakt had, boezemde hun een onuitsprekelijken afkeer in. Vele Antwerpsche kooplieden besloten die stad, ja de Nederlanden te verlaten; de handel was gestremd, de prijs der huizen daalde, de stad scheen haren ondergang nabij.

De landvoogdes Maria van Hongarije, die in naam van haren keizerlijken broeder regeerde, begreep zelve, dat er iets ten gunste van het bedreigde Antwerpen gedaan moest worden. Zij wendde zich tot den keizer en op hare vertoogen gaf hij ten minste in zóóver toe, dat de vreemde kooplieden te Antwerpen eene zekere mate van vrijheid genoten; ook stond hij toe, dat de ambtstitel der inquisiteurs in dien van geestelijke rechters veranderd werd. De zaak zelve bleef echter bij het oude, de geloofsvervolgingen duurden met dezelfde kracht voort, al werd ook de naam der inquisitie niet genoemd. Vooral in de Nederlandsche gewesten rookten de brandstapels en vonden de ketters van beiderlei kunne hetzij door vuur of zwaard, hetzij in den schoot der aarde den dood. Het aantal der martelaars, die gedurende de regeering van den roemrijken keizer Karel V ter dood gebracht zijn, wordt door de geschiedschrijvers dier dagen verschillend opgegeven. Geen hunner neemt een getal van minder dan 50.000 aan; anderen zijn van oordeel, dat er meer dan 100.000 menschen vermoord zijn, wien men geen ander misdrijf kon ten laste leggen dan dat zij den bijbel gelezen, de heiligenbeelden veracht of met de tegenwoordigheid van het waarachtige vleesch en bloed van Christus in het avondmaal den spot gedreven hadden. De Venetiaansche gezant Navigero verhaalt, dat alleen in de provinciën Holland en Friesland 30.000 slachtoffers gevallen zijn, en zijn verhaal dagteekent van het jaar 1546, tien jaren voor des keizers troonafstand en ruim vier jaren voor het uitvaardigen van het afschuwelijke plakaat van 1550!

Voor al dit bloedvergieten kan men bij Karel V niet eens de verontschuldiging laten gelden, dat hij een godsdienstig dweeper was. In Duitschland had hij bewezen, dat hij jegens de hervorming en de protestanten zeer goed inschikkelijk wist te zijn, wanneer zijne staatkundige belangen dit eischten, doch hier achtte hij de vervolging van de ketters hem evenzeer door de staatkunde als door de godsdienst geboden.

De Nederlanders helden meer tot de leer van Calvijn dan tot die van Luther over; bij hen had derhalve de hervorming meer een staatkundig karakter. Het Calvinisme eischte naast de godsdienstige ook de staatkundige vrijheid. Terwijl het Lutheranisme het despotisme der vorsten geheel onaangetast liet, ja dit zelfs in de hand werkte, zocht het Calvinisme zijn hechtsten steun in de volksheerschappij. Zulke neigingen moesten den op zijn onbeperkt gezag hoogst naijverigen keizer natuurlijk diep beleedigen.

50.000 onschuldige menschen--wij houden ons aan het kleinste getal--waren in de Nederlanden op des keizers bevel vermoord en toch treurde het volk, toen Karel V de regeering nederlegde! Vloeiden die tranen inderdaad uitsluitend uit droefheid over zijn verlies? Het is moeilijk te gelooven. Waarschijnlijk gevoelden de Nederlanders zeer juist, dat de zoon, die den vader opvolgen zou, nog gevaarlijker was dan hij, dat Philips II wel de erfgenaam van al de slechte hoedanigheden van Karel V, van zijn geloofshaat, zijn vervolgingszucht en zijne willekeur was, doch dat hij zijne scherpzinnigheid en geschiktheid om het eigenaardig karakter zijns volks te begrijpen en tot op zekere hoogte te ontzien, niet geërfd had. Zij vreesden terecht, dat de toekomst nog treuriger zou zijn dan het heden en het verleden.