De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren

Part 6

Chapter 63,929 wordsPublic domain

Een stok-oud[451] reiziger langs ongebaande wegen, Met een zwaarwichtig pak zich vond geheel verlegen: De last hem overweegt, hij ziet des weegs geen end: Hij zucht, hij hijgt, hij steent, vol kommer en ellend. Ten laatsten afgemat, aanvangt hij dus te klagen: "Gebeurt u dan geen rust, zelfs in uw oude dagen? Was 't daarom, dat gij voor veel andren overschoot, Die lang verbeten zijn van de onverwachte dood? O aangename dood! leent 't oor tot mijn gebeden, Helpt een onzalig man uit zijn katijvigheden!" De dood verhoort zijn klacht, en voor zijn aangezicht Haar schrikkelijk vertoont met eenen stalen schicht. Dies schrikt den ouden-stok, en bidt, met groot vervaren: "Erbarmt mijns ouderdoms, en wilt mij nog wat sparen: Ik wenschte alleen om u, vermits mij hulp gebrak, En mij te bange viel mijn zwaar-geladen pak." Zoo dwijnt[452] de een zwarigheid, die groot scheen in onze oogen, Wanneer een grooter zich koomt levendig vertoogen. Men roept wel om de dood, uit onkunde en verdriet; Maar treedt ze voor den dag, zeer snel men voor haar vliedt.

CII.

VAN 'T DRONKEN HERT.

Een hert, gewend in weelde en alle lekkernijen, Begaf zich tot den dronk en volle slempernijen: Door de overstal'ge[453] maat en 't gulzige geslok, Verbreekt zijn tengre been aan eenen eiken blok. Let hierop, kittebroêrs[454]! dit zijn de waarde gaven, Die Bacchus geeft zijn maats en Ceres hare slaven: Wanneer hij van zijn vrucht[455], en zij van haren drank[456] U schenkt de kroezen vol, dan zijn de beenen rank, Dan krenken zij 't vernuft, betooveren uw zinnen, Door dat gij van haar sap en nat te zoet wilt ninnen[457]; Dan steigren zij in 't hoofd, en timmeren in 't brein: Gij waant u een monseur, vast[458] wordt de beurze klein. Gij speelt den goochelaar, oubollig[459] in manieren, En bootst, zoo wreed, zoo vuil en slecht, na alle dieren. De zinnen zijn van huis, door 't poyen dag en nacht; Men kraauwt vergeefs den kop, als 't geld is door-gebracht. Het hammeken is op: de beenen zijn gebroken: De goê gelegentheid en tijd is weg gesloken. De leden zijn verstijfd: de lever, longe, en mild Verzopen en verteerd. Dit 's loon van 't dronkaards gild. Volgt dan des waarheids les: leert soberheid gebruiken, En vliedt, als eene pest, zinlooze Bacchi kruiken. Let vooral op de spreuk: Als 't bier is in de man, Dan is al zijn verstand en wijsheid in de kan.

CIII.

DE BEER MET DE TWEE WANDELAARS.

Twee makkers op den weg al wandelende spraken Van ware broederschap en vriendelijke zaken; Zij sloten eenen bond, (hoe groot ook waar de nood) Malkander bij te staan getrouwlijk totter dood. Op 't onverzienst komt haar den honig-snoeper over, Zoo vreeslijk, dat hij scheen des blijden levens roover: Dies de een in snelder[460] ijl begeeft zich op een boom; En de ander, als versuft, valt plots'ling in een droom, Zoo 't scheen, en veinst hem dood, door 't rekken van zijn leden; Alleens[461], of met een vlim zijn draad waar afgesneden. Den beer snuift om en om, en ruikt vast hier en daar, Hij vindt noch locht, noch geest; maar, of 't een krenge waar, Verlaat den bangen man. Dies de ander afgestegen Verzoekt[462] zijn oude spits[463], die nog was gantsch verslegen[464]: "Ei, zeg mij, eêlen baas! wat luisterd' hij in 't oor?" "Hij sprak, dat ik dijn[465] vliede, en kies daar trouwer voor." Zoo kent men ware liefd' in nare noods bedroeven, Gelijk men 't goud in 't vier, en op de toets moet proeven; Maar valsche vrienden zijn lieftallig in 't aanschijn, Daar ware vrienden in der dood getrouwe zijn. Gelijk de lichte sneeuw versmelt door Phoebi stralen, Veel lichter stuift die weg als voorspoed komt te dalen: Maar trouwheid blijft altoos, en wijkt om dit noch dat. Dus is de oprechte vriend de kostelijkste schat.

CIV.

DE WOLF MET ZIJN GETUIGEN TEGEN 'T SCHAAPKEN.

't Onnoozel slechte[466] schaap was voor het recht gedaagd, Van den deurtrapten wolf op 't heftigste aangeklaagd, Dat het haar schulden zou vergoeden en betalen, Zou 't anders zien van haar met macht of recht te halen: 't Eenvoudig schaapken, dat met waarheid was verzeld, Zwoer hoog en dier, dat haar nooit stuiver was geteld. De wolf omkocht[467] den hond, den gier, en wouw tot tuigen, En loerden, hoe hij 't recht en rechters konde buigen: Verdrukt 't onschuldig schaap door toog[468] van valsche blijk, Dies 't vonnis tegen haar gesproken wordt gelijk[469]. Zoo wordt een kwade zaak, door Godvergeten guiten, Met duizend eên[470] bevest. Meineedig dan besluiten De rechters ook het recht: O, wee een zulke stad, Daar 't recht een spinwebb' is! De sterke maakt een gat, De teêre blijft'er met zijn vlogels in gevangen; De rave werd[471] verschoond, het duifken werd gehangen, De vrome werd verdrukt, de boozen houden 't veld. Wee is op zulken land en koninkrijk gesteld!--

CV.

DEN EZEL EN ZIJN DRIE MEESTERS.

Den loomen ezel klaagt mistroostig en verslagen, Dat hij most, door de stad, ooft, moes, en wort'len dragen, En van de lekkers[472] zijn bespot en ook bejouwd: "Watte' ooren heeft dit dier!" beschimpt zijn en bespouwd. Hij biddet[473] Jupiter, dat hij hem wil verhooren, En voor dees hovenier een beter meester sporen[474], Daar hij geruster leeft; zijn beed' hem wordt vergund: Hij krijgt een tichler[475] weêr, die d'ander wijd uitmunt[476] In 's arbeids zwaren last. Hij smeekt om hulp de Goden, Om eenen andren baas, die hem redd' uit dees nooden, Krijgt een zeemtouwer, die hem zoo bezwaart met last, Dat voor onwilligheid hem knuppels zijn gepast; Bedenkt in zijnen zin: was ik niet gek vol zotheid, Dat ik mij zelven streel[477] (door mijn te plompen botheid) Dat licht vernieuwen baart veranderen van staat; Ik heb het goê veracht, 't naklagen is te laat. Dit is 't oprechte beeld van ongestade[478] menschen, Die, nimmermeer vernoegd, altijd naar beter wenschen, Geen ongemak gewoon, en, eer men daar op let, Zij willen alle tijd van 't een op 't ander bed; Verkrijgen dan haar wil, en van het kwaad in kwader Vervallen voort, en voort: bedenken zich dan nader; En prijzen in haar zin, het geen zij t' onbedacht Eerst hadden wispeltuur versmeten en veracht. Verwerpt geen oude schoên, leert uw geluk verdragen: 't Zijn sterke beenen, die de weelde konnen dragen.

CVI.

DE VOS EN DE BOK.

De spits-vinnige[479] vos, en ruig gehaarde bok, Bespiedden eenen buit, of eenen vetten plok[480]: En vonden bij geval een kelder, daar de wijnen In overvloed getond vast lagen bij dozijnen: Waarna den schrandren vos wel jankte zijnen darm[481], Maar hij peinst op het eind: "Zegt, broeder bok! hoe warm Verkwikken zoude ons borst door 't lieflijk pinteleeren[482]?" De bok (hoe lang gebaard) dacht niet op 't weder keeren. Zij daalden in 't gewelf, daar zij den hollen buik Opvulden van het nat. De bok blijft in de fuik, Na 't zoete volgde 't zuur. De vos ligt op zijn luimen, En zegt: "Spits-broêr! 't is tijd, dat wij de kelder ruimen. Laat mij eerst gaan bezien of nieuwers[483] eenen hond Of luyen rekel ligt, die 't ruchtbaar maakt en kond. Krom dy een weinig, bok! dat ik eerst recht aanschouwe De vrucht van ons geluk, ons blijdschap los van rouwe." Mits buigt hij[484] zijnen hals, en laat daar over gaan Den slimmen loozen vos, die hem zocht te verraân. Het schalke Reintjen loert op zijn deurtrapte treken, En laat den wijzen baard dus in den pekel steken, Die deerlijk roept om hulpe, en klaagt in zijn verdriet; Hij ziet en hoort hem wel, begekt en acht hem niet. Zoo wie zijn ooren wendt na[485] der verleiders smeeken, Bij een gebaarden bok te recht, wordt hij geleken. Want zoo de brave[486] baard baart wijsheid en verstand, Dan vindt men meer doctoors als zotten in het land.

CVII.

DE BEER EN DE BIJEN.

"Hoe jeukt mij mijne maag, hoe kittelen mijn zinnen, Om ergens eenen buit of lekkren beet te vinnen[487]!" Sprak de onbesuisde beer: "ik zie hier aan dees zij, En val de korven aan, gelaân met lekkernij. Gans dood! hoe prikkelt gij mij dus, ontelbre zwarmen? En angelt mij ter dood! hebt over mij erbarmen!" Den beer (om snoepen dol) bespiedde een nieuwe kans: De bijkens (op haar hoed) verleeren hem althans[488] Het snoepen beter af[489]: zij priemen hem zijn oogen, Zijn ooren en zijn muil: en zonder mededoogen Doorbooren hem zijn vel, met vlimmen[490] in zijn huid, Dat hij verbolgen tiert, en krijscht gansch overluid: "Ik heb te laat met schâ mijn domheid ondervonden, Ik worde recht gepijnd om mijn bedreven zonden: Was ik niet eerst geleerd, dat ik nu andermaal Moet klagen mijn verdriet, en lijde deze kwaal!" Wiens herte brandt en blaakt, zijn naasten te beschaden, Moet straffe, schande en smaad op zijnen halze laden. Wie tijdelijken[491] keert, en houdt zulks voor gewis, Dat dit een lesse tot zijn onderwijzinge is, Zal namaals zijn gerust, en niemand meer bedroeven, Genoegen met het zijn, en 's anders niet behoeven.

CVIII.

DE VROUWE EN DE HENNE.

Een arme, en slechte sloor, die eerstmaal kwam aan 't schrapen, Bekwam een Lombaardsch'[492] hen, heel zonderling geschapen: Die, zwanger dagelijks, haar gretige waardin Een gulden ei in 't nest bracht tot bezolding[493] in. Waar uit dan overvloed en rijkdom 't gretig herte Van deze vrekke-zak[494] bezaten vol van smerte: Die, met dees vaste rente en inkomst niet vernoegd, Heeft tot der hennen[495] dus haar redenen gevoegd: "'t Is waar, ik erf van u de dagelijksche vruchten; Maar laas! zij knagen 't hert, en blijf[496] vol ongenuchten: Ik moet zelf zien den grond, ik moet zelf zien den schat, Daar in mijn droeve ziel steeds droefheid heeft gehad." Zij keeltze met een mes, en hoopt met eender[497] vlagen Den heelen schat en 't goud gelijklijk uit te dragen. De gierig' haar bevindt bedrogen in haar zin: Terwijl zij schatten zoekt, verliest zij haar gewin. 's Gelijks is menig mensch met de inkomst niet te vreden, Maar tracht naar grooten staat, en ijdle heerlijkheden: Waagt al zijns vaders haaf moedwillig op een bot[498], Verliest zijn schat en hope, een onverwachte lot! Wijs is hij die genoegt, of leert genoegen[499] leeren. Die wikt eerst eer hij 't waagt, zal na-rouw van hem keeren.

CIX.

DE LEEUWE, KOE, EN 'T SCHAAP.

Een leeuwe, koe, en schaap, die togen op der jacht, En hebben door haar vangst een hert daar van gebracht: 't Welk van den stouten leeuw verscheurd zijnde in vier deelen, Heeft daar meê naar zijn lust dus weten om te spelen: "Het eerste komt mij toe, alzoo ik koning ben; En 't ander, nu ik mij in 't jagen meester ken; En 't derde voor de moeite en arbeid van het scheiden[500], Wie 't vierde deel begeert, die moet zoo lange beiden, Dat hij 't uit mijne vuist en kluiven mij onttrek, Of plokhaar tegens mij, en snoer' hier na den bek!" Let hier op, reedlijk volk! met leeuwen of met beeren In geenen bond te treên, of wreede over-heeren: Zij scheiden na[501] haar zin. De arme wordt verdrukt, 't Ga ook met haar zoo 't wil, der fellen doen gelukt. O, woekenaars! gij speelt ook even deze perten: Gij rooft der armen goed, en maakt haar droef van herten, Neemt pand en hooge rent, drie dobbel interest, En toont nog slechten schijn, al[502] waart gij van de best. De onnoozle wacht zijn deel, en vindt hem heel bedrogen: Vast is 't den woekenaar in zijne kaak gevlogen. De leeuw rooft met geweld, de wolf door valsche schijn; Zoo toont het kwaad gespuis, dat zij baat-zoekers zijn.

CX.

DE BARENDE BERG.

Een steigerende berg, wiens kruin de locht dorst tergen, Uitmuntte[503] door haar steilt' de Pireneesche bergen, Vermat haar stout en koen, dat ieder hoorde en zag, Hoe zij een nieuwen berg zou brengen voor den dag; Dus zwanger barst zij uit of 't fellijk hadd' gedonderd: Dies liep de wereld toe, en ieder was verwonderd, Verwachtende wat vreemds: door 't krakende gedruisch Baartze uit haar zwangre lijfde lachelijke[504] muis. "Is dit," riep elken een, "de vrucht van 't hooge roemen? Het snorken is maar wind, uw krijten wij verdoemen." Vergeefs en ijdel is, die stoft van groote konst, Van macht, van heerlijkheid, als 't blazen is om sonst[505]. Pofhanzen zijn 't te recht, wrant iegelijk kan 't merken; "Gekrijts genoeg, geen wol", zei d' Nikker, en schoor 't verken. Den eenen van zijn haaf snorkt, d' ander van zijn boeken: Hier is heer Calis t' huis, den doctor moet men zoeken In zijne kamer, daar de doctors staan te pronk: Dees is een man in 't veld, en de ander bij den dronk. O, onbevaren volk! wilt op dees baken letten, En leeren op 't klein schip geen groote zeilen zetten: Vlagvoerders! strijkt de fok, en haalt de wimpels in: Veel vlaggen (zegt matroos), 't schip heeft geen botter in.

CXI.

DE HAZEN EN VORSCHEN.

De hazen, eens ontvlucht der honden felle macht, Hier hadden (bleek van vreez') haar leger-plaats gebracht, Op 't onverzienst begint de Noorde wind te ruischen, In 't midden van 't geboomt: de bloode hazen kruisen Het boom-rijk eikenbosch, en komen aan de kant Van 't drabbige moras met hoopen aangerand[506]. De vorschen, ongewoon zoo schielijke geruchten, Beginnen ook uit schrik van dit geweld te vluchten. Der hazen kapitein riep stout en onverzaagd: "Spitsbroeders! wijkt niet meer, naar niemanden[507] en vraagt, Gij ziet, wij zijn een schrik van vreeselijke dieren, Waaromme zouden wij de rappe winden vieren?" 't Gaat nog zoo alle dag: wanneer de bloote guil Zijn minder overmag[508], hij acht hem als een uil: Hij is zoo in zijn schik, hij blaast zoo uit zijn darmen, Hij kapt drie mannen af, met één houw, zeven armen. Hij wijkt voor niemand niet: wanneer zijn vijand vliedt, Dan is 't een man in 't veld, hij vreest noch acht hem niet; Maar als die wederom zijn tanden gaat ontblooten, Dan kiest hij 't haze-pad, loopt voor een blaas met koten[509].

CXII.

DE DRAAK EN OLIFANT.

Een eiselijken draak bevocht een olifant, En heeft hem metter vlucht zeer schriklijk aangerand: Omslingerd' hem zijn been, en, met vergifte steken, Komt 't bloed als een riviere uit zijn grof lichaam leken, Amachtig, slap en flaauw door de uitgemergde[510] kracht Poft' hij den draak op 't lijf, doodd' hem met ganscher macht. Dit is des werelds loop; wanneer de wreê tyrannen, De vromen te vertreên en de armen, netten spannen, Omringen haar gelijk, en zuigen uit haar bloed, Dan valt de vrome op 't lijf, die hem de wreedheid doet. Gelijk de snelle rhee, die op de steile klippen Den jager had gejaagd, van meening hem t' ontslippen;-- Klimt, klautert, toegerust de jager streng en stijf, De rhee ziet doods gevaar, springt bots[511] hem op zijn lijf; De jager breekt zijn hals, zijn armen, en zijn beenen, De rhee valt onversaagd te barsten op de steenen. Zoo wie ook iemand meent te plagen naar zijn wil, Die jaagt hem zelven meest, de jager staat niet stil.

CXIII.

DEN HOEN EN DEN DIAMANT.

De krijgsche en strijdbaar' hane, al krabbelend' met sporen, Zoekt in het vuile slik, ontrent de Gooische kant, Na haver of na kaf, na boek-weit of na koren; Terwijl hij 't kostjen zoekt, vindt hij een diamant. Sprak: "wat mag mij 't juweel, (dus cierelijk) vermaken, Dat d' oogen wel verfraait[512], en lonkt mij lieflijk an? Ik zoek slechts kaf en graan, om aan den kost te raken: Dees pracht en overdaad, daar heb ik 't walgen van." Gekroonde vogel wijs! kont gij dijn[513] meerder leeren, Haar wulpsche dartelheid, en diere pronkerij Verachten en vertreên?--dus, mensche! wilt u keeren, En spiegelt doch aan hem uw praal en hoverdij. De peerle' is ook de konst[514] der wijze en hooggeleerde, Die van d' onwetend' haan verniet[515] wordt en verneêrd: Uitwendiglijk en is cieraad van geender weerde, Zoo gij inwendiglijk nooddruftigheid[516] ontbeert.

CXIV.

DE LEEUW, DEN HAAN EN DEN EZEL.

Den hoog verheven leeuw, vermoeid van 't stadig jagen, Vand[517] eenen ezel staan, verloomd door 't zakke-dragen, Daar bij een Lombaardsch' haan[518], die, door zijn luid gekraai, Den trotschen leeuw verschrikt, dat hij, met eenen draai, Zich op der vlucht begeeft. Den ezel overmoedig, Waant, dat de leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedig Hem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop, En t' onbedachtelijk brengt hij zijn vleesch te koop. De leeuwe int zwingen[519] ziet den tragen ezel volgen, Scheurt hem ter aarden straks, met een gemoed verbolgen, En zegt: "dit is voor mij, voor 't welgeboren bloed, En 't eedle konings herte, een doren in mijn voet, Dat ik voor iemand wijk! dit is, o slechten broeder! Dijn uiterste banket; o, aller hazen moeder!" Volg waanwijs niet dien raad, om, als dijn prince vliedt, Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet: Of u schoon 't avontuur toont gunstig hare tuiten[520], Zij draait te schielijk 't hoofd, en steekt u in de kluiten[521]. Verstonden zij te recht den korrel[522] van de zaak, Dat onbedachtheid is 't verderf der dwazen vaak, Zij zouden welbezind op beter kansen letten, Den ezel zou den leeuw niet naar zijne eere zetten.

CXV.

DEN HAZE EN DE SCHILDPADDE.

Een ongeziene kans de schildpadd' heeft bestaan, Als met den lichten haas zij gingk een wedspul[523] aan, Die, met zijn snelligheid, en rassigheid van leden, Dit loome dier verbaast, met alle schamperheden: "Wat wilt gij, kruiper! doen? o, luyen rondassier[524] En al te tragen prij! kruip, kruip, naar dijn manier. Ik koom nog vroeg genoeg, schud van dijn harde schelpen Nog zooveel beenen uit, en laat ze d' ander helpen: Ik ben doch morgen vroeg te Ronsen[525] voor de stad, Eer gij ten einde zijt het geldelooze pad." De schildpadd' haren weg spoeit stadig zonder dralen: Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eere' en prijs te halen; En vindt den haze niet als op den avond spâ, Die toen zijn daad verfoeit, meer om de schande' als schâ: Koomt, rappen wispeltuur! die schijnt den baars t' ontgallen, Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn ontvallen: Schouwt, hoe gestadigheid den lauwer-kroon ontvangt, En 't wispelturig hert aan 's armoeds borsten hangt. De een groote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen, En d' ander werpt ze neêr, doet alle dingk vervallen. De staâge jager jaagt, en wint ten leste 't veld, Wanneer hij op den troon der eeren wordt gesteld.

CXVI.

DE SPIJS-DRAGENDE EZEL.

Hier, hier, gij vrekken! hier: schouwt d' ezel overladen Met bouten, hoenders, taart, gezoden, en gebraden, Saucijsen, hazen, wijn, capoenen, en pastei, En hij eet distlen zelf op schrale en dorre wei. Zoo gaat het ook met u, verschrookte[526] gier'ge slaven: In rijkdom zijdy arm, bekommerd gaat gij draven, Hebt stadelijken zorg, bezwaard met druk en klag, Vindt geen gerust gemoed, en woelt schier nacht en dag: Slurpt wei en water in, schroomt uwen buik te vullen: Een ander heeft uw haaf, derf[527] lekkerlijken smullen. Die 't goed heeft, zuigt de poot; die 't niet heeft, eet gebraad. Dees loert op woekers-winst, en de ander op verraad: En altijd heeft hij vrees, versmoord in ijdle zorgen: Komt stadig brood te kort, bekommerd voor den morgen: Onthoudt zijn lust het goed, en spaartet[528] uit zijn mond; Dat in het eind verbrast wordt door de katt' of hond.

CXVII.

DEN HOND EN DE SCHADUWE.

Een flukschen[529] waterhond kwam uit een slagers hal, En kreeg dit hachjen[530] voor zijn trouwigheids verval[531]: Al wandelende voorts een treedjen over 't water Vergroot der zonnen schaâuw zijn aas zoo, dat 't geschater Van vreugde in 't herte sprang, mitsdien hij hongrig hapt Naar den gewaanden brok;--doe[532] was hem 't vleesch ontsnapt. Dit is een leerlijk beeld van bodemlooze menschen, Die, nimmermeer vernoegd, naar groote schatten wenschen, Gepijnigd strengelijk van d' helsche gierigheid, Die nacht en dag ontrooft al haar gerustigheid; Vergapen zich aan 't groote, en laten 't zekre varen, En wilden, op een bot[533], dat zij de keizer waren. 't Waar beter, dat zij haar genoegden met den buit. De valsche hoop bedriegt, en jaagt ter poorten uit. Laat dit een bake zijn, onzadelijke[534] gieren[535], 't Zeil uws begeerlijkheids niet ruim te laten vieren. 't Genoegen is het al: 't is beter (hoe gij pocht) Één vogel in de hand, als honderd in de locht.

CXVIII.

DEN WREEDEN VEROUDERDEN LEEUW.

De koninklijke leeuw, die in zijn frissche dagen Al 't andere gediert plag wreedelijk te plagen, Ontzien word[536] om zijn moord en strenge tyrannij; Dies sidderde elk bevreesd voor zijne razernij: Nu zijnde traag en zwak, van alle man verstooten, Veracht wordt en beschimpt van al zijn rijks genooten. Dies de een, uit ouden haat, wijst hem zijn stalen voet, En de ander wrokkig toont hem zijn ivoren hoed[537]. Elk juicht, om dat hij moet in bittere armoê leven: Nu leît hij hulpeloos, die 't eertijds al deed beven. Zoo dat hij, zonder troost, verwacht in zijne nood Zijn kwijnend' ouderdom te scheiden met de dood. Zoo steunt de stoute mensch op rijkdom en op krachten: Verdrukt en vilt bijna zijn minder met verachten: Houdt, dien hij overmag[538], geduriglijk in angst, En toont zich als den leeuw, heer in der dieren vangst: Stelt 't recht naar zijnen zin, daar de arme moet om treuren, En schraapt in zijnen zak, al wat hem komt te veuren; Dies als hij komt in nood, dan is een ieder t' zoek: Want hij laadt op zijn hals den welverdienden vloek.

CXIX.

DE STRUIS EN 'T NACHTEGAALKEN.

De staalverslinder struis en 't nachtegaalken t' zamen, Elkandren haren roem trotzeerende benamen: De vogel lang-gebeend zijn vederen verhief; De nachtegaal zijn stemme, elk een om hooren lief. "Monarchen (sprak de struis), die werelden bestieren, Met mijne pluimen haar[539] vereedlen en vercieren." "Mijn liefelijk geluid, op welgestelde maat, (Riep 't vogelken) verheugt een ieder in zijn staat." 't Zij vorsten, trotsch gehuld met purpre en zijde banden, Of landliên, die 't gelust te ploegen de akkerlanden. Een ieder die hier leeft, 't zij van wat staat, gewis Getrokken wordt tot 't geen zijns herten wellust is: Dàt dunkt hem alderschoonst, en mag[540] hem niet vervelen. Elk zot heeft zijn marot[541], en tijdverdrijf om spelen.

CXX.

DE KRANKE GIER.

De kranke vogel Gier bad ernstig een gezonden, Hij wilde' hem in 's doods nood zijns krankheids diepe wonden Doch helpen heelen nu, met goed en heelzaam[542] kruid, "Of anders is 't met mij (sprak de arme zuchter) uit; 't Is heel met mij gedaan, zal 't lijf niet houden mogen." "Neen (sprak zijn makker) 'k heb met u geen mededoogen, Gij hebt mij dik gebracht in al te veel gevaars, 'k En maak zoo licht geen roê voor mijnen eigen aars. Mijn hulp is u ontzeîd; kont gij u zelf niet helpen, Ik zal in dezen nood uw lijden geenzins stelpen." De erfvijand in den angst belooft al 't geen hij mag, Vermits hij in zijn kruis zich geern geholpen zag; Maar waar hij eens verlost uit al zijn ongevallen, Van al 't geen hij beloofde, en hield hij niets met allen.

CXXI.

'T ONVERNOEGDE PEERD EN D' EZEL.