De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren
Part 5
De wolf in d' afgrond van een holle rotse speelden, Van voorraad wel verzorgd, en zwom in duizend weelden. De vos, die bij geval passeerde langs het gat, Den wolf om weinig spijze en voedsel vrundlijk bad. Maar Wolfaart, veel te gier[364], en vreemd van medelijden, Liet Reinaart ongetroost, en zag hem aan ter zijden: De looze vos, om zich te wreken van dien smaad, Wees d' herder 't wolvenhol, uit doodelijken haat. De wolf geraakt om hals, en Reintiën noodt zich zelven Op 't wildbraad, dat hij vindt in 's hollen[365] klipgewelven: Verbrast hem[366] aan het vet, zoodat hij zelfs (helaas!) Ten leste deerlijk wordt der feller[367] honden aas. Al wie uit nijdigheid een ander neemt[368] te plagen, Een beudel[369] wordt zijns zelfs, en zal veel smerten dragen. De nijdige zich zelfs noch andren deugd betoont[370], Om andren leed te doen hem[366] zelven niet verschoont.
LXXVIII.
DE VOS, HOND EN HAZE.
't Loos Reintiën eenen dog op 't onverzienste ontmoetten: De dog, die wilde aan hem zijn gragen honger boeten; Dies Reinaart in gevaar, hield met hem deze spraak: "Gelooft mij, jonker dog, van wonder kwaden smaak Is 't harde vossen vleesch, en kwalijk om verdragen: 't Bezwaart, en kookt[371] gants niet in hongerige magen. Maar zoo u vleesch gelust of eenig lekker aas, Ziet, daar loopt wel te passe een lang-geoorden haas, Zijn vleesch is delicaat, en laat zich lieflijk stoven; Het is 't gezochtste wild in aller princen hoven." De dog, hierdoor beweegd, naar 't haasken henen spoedt, 't Welk vluchtig hem ontspringt, gelijk ook Reinaart doet; Die, veilig bij den haas in schaduwe gezeten, Zijn ontrouwe en verraad van 't haasken wordt verweten. "O Kort-steert! (zegt de vos) genoegdy kwalijk nog[372]? Ik prees uw edel vleesch op 't hoogste voor den dog!" Zoo handlen zulken, die haar naasten nog bezwaren, Opdat ze in lijfs gevaar haar zelven slechts bewaren. De schalk[373] heeft om de brand zijns nabuurs geen geklag, Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.
LXXIX.
DE STIER EN 'T MUISKEN.
Den horen-drager stier hem[374] zelven koning noemde Van al 't viervoetig vee, en al wat d' hoornen kromde; Beroemde, dat hij 't al braveerde aan elken kant: Ja, zelf te boven ging den sterken olifant, Den leeuw, den beer, den wolf, en wreede panter-beesten, En alles wat zich houdt in dalen en foreesten. Terwijlen hij dus roemt, een muis kruipt uit haar hol, En bijt den stier in 't been; dies hij, van gramschap dol, Zijn leed te wreken tracht, en 't muisken wil vervolgen, 't Welk hem in 't hol ontvlucht: dies brult hij zeer verbolgen; Want, t' elken als hij zich wil wreken van zijn leed, Loopt 't diefken in zijn hol, dat hem zoo schendig beet. Hoe groot een koning is, door al zijn heerlijkheden, Al is hij schoon[375] het hoofd van menig duizend steden, Zoo kan een onderzaat en minder onderdaan Hem door zijn kloekheid nog veel hinders brengen aan.
LXXX.
DE AAP EN DE VOS.
De steertelooze Sim, den achter-kalen Marten[376], Bad Reintiën, dat hij haar, uit liefde en goeder harten, Een stuk van zijnen steert uit jonst meê-deelen woû, Opdat ze afschutten[377] mocht haar schande en ook de koû, Vermits zijn steert te lang zulks lichtlijk koude ontbeeren. Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren, En sprak: "Neen, juffrouw Sim! maakt mij het hoofd niet krank, De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank, Noch ook zwaar van gewicht, in slepen of in dragen; Uw smeeken is vergeefs, dus houdt vrij op van klagen." De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is 't!) Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mist Iets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen, Noch ziet de nood niet aan van de aangevochten[378] armen.
LXXXI.
DE VOS EN 'T BEELD.
De vos, in 't rijk kasteel eens edelmans, aanschouwde 't Hoofd, dat een beeldenaar[379] zeer schoon na 't leven bouwde[380]: Zoo dat in 't aanzien eerst hij vastlijk heeft geloofd, 't Was geen gegoten beeld, maar een natuurlijk hoofd; Het welk hij om de kunst geloofd[381] heeft en verheven, En sprak: "Wat ooge zag ooit schoonder beeld zijn leven? Maar niettemin wat ligt hier aan bedreven nu? O, schoon gebootste[382] kop! ik vinde niet in u, Noch reden, noch verstand, noch hersenen, noch zinnen: Uitwendig schijndy wat, maar niets en is er binnen." Een welgeschapen lijf, en treffelijk gestalt, Uitwendig menigmaal den mensche wel gevalt: Maar ziet men op den geest, waar in alleen den prijs leît, Zoo vindt men hem ontbloot van reden en van wijsheid.
LXXXII.
'T HERT, 'T SCHAAP EN WOLF.
Het rank gehorend hart 't onnoozel schaap beklaagde, En voor den wreeden wolf vergramd ter vierschaar daagde, Opdat het van de terwe en 't graan mocht zijn betaald, De welk hem kwam van ouds en had tot nog gefaald. De wolf, als rechter, heeft verhoord haar beider zeggen, En heeft het weerloos schaap wel ernstig op gaan leggen, Dat het aan 't klachtig hart het koren zou voldoen, En op gezetten dag zich tot voldoening spoên. 't Onnoozel bevend schaap heeft alles aangenomen. Maar als nu 't hart is ter gezetter tijd gekomen, Heeft 't schaapken 't hart belacht[383] om 't vast beloofde graan, En zeide: "Ik dede uit vreeze al 'tgene ik heb gedaan." De onnoozle moet uit schrik in der tirannen hoven, 't Geen hij niet schuldig is, uit angst en vrees beloven; Want wie te schaffen heeft met eenig wreed tyran, Opdat hij hem ontga, belooft al wat hij kan.
LXXXIII.
DE GEITE EN 'T JONGE WOLFKEN.
De langgebaarde geit een wolfken heeft gevonden, 't Welk op te voeden zij haar zelf heeft onderwonden, Zij leîde 't aan de speen: 't jong wolfken ouder werd; Al zoog het geiten-melk, 't behield een wolvenhert: Begon zijns vaders aard te drukken uit naar 't leven, Zoo dat de moeder geit bestond daarvoor te beven. "Gaat, wolf-kind!" sprak zij, "gaat (ik wil mij uws ontslaan), Want voor de weldaad, die ik u heb aangedaan, Gij mij ten leste zoudt verscheuren en verslinden; Gaat naar uw wolven toe, wilt uws gelijke vinden." Deugd werkt hij, die in nood zijn vijand goed bewijst[384], Die zijnen dorst uitlescht[385], en zijnen honger spijst: Maar toezien moeten wij alzoo hem te onderhouwen, Dat wij ons zelven niet hem al te veel betrouwen.
LXXXIV.
DE KATTE EN DEN HAAN.
De klauterende kat een haan hadde opgegrepen, En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen: "Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol, Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol; Gij hebt de dood verschuld[386]: deze oogen zuldy luiken, En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken, Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit. Gij zult vroegmorgens[387] niet meer maken groot geluid. Noch in haar[388] zoetste rust de slapers komen storen." Dies Koppen[389] om t' ontgaan des katten heeten toren[390], Zijn onschuld[391] maakte, dat hij 't niet en was alleen. Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen. De kat en luistert noch naar onschuld[392], noch geweten: Maar heeft der hinnen[393]-boel op staande voet verbeten. Wie iemand haten wil, en is tot wraak gezind, Al lichtelijken een gevonden[394] oorzaak vindt. Geen onschuld gelden mag in 't vierschaar der tirannen, Daar reên en billijkheid van ouds is uitgebannen.
LXXXV.
DE KAT EN DE RATTEN.
Een stok-oud katten-vel met kreupelheid behangen, Van oudheid ratten kon noch langer muizen vangen: 't Langsteertige gebroed, als 't hier de snuf[395] van kreeg, Haar honger boetten aan het meel en aan den deeg. Dit heeft die oude kol tot in het hert verspeten[396], Om datz' haar wakkerheid door de oudheid[397] had vergeten; Maar evenwel bedacht een raad vol arg en list: Zij voegd' haar[398] bij het meel en school haar[398] in de kist. De dieren, die bij nacht na haar gewoonte kwamen, Zij d' een na d' ander heeft verslonden al te zamen. De mager armoê verr' de zatte weeld' verkloekt, En in den bittren nood en angst veel listen zoekt: Al 'tgeen in weelde niet kan ons gedachten roeren, Weet de armoê nog in nood scherpzinnig uit te voeren.
LXXXVI.
DE OUDE HOND, EN ZIJN MEESTER.
Een oude kranke brak, te traag om meer te jagen, Werd dagelijks gegroet en afgesmeerd met slagen, Omdat hij langer niet zijn jonker bracht ten hoof Een afgeronnen hart, wild zwijn, of andren roof: Gelijk hij voormaals plag de tafel zijnes heeren Met lieflijk venezoen[399] op 't rijkste te stoffeeren: Maar als hij eindlijk werd bejegend langs hoe straf[400], En dat men stokken[401] hem in plaats van eten gaf, Hij tot zijn heere sprak: "Mijn diensten zijn vergeten, Ik heb mijns levens tijd ellendelijk versleten; Men heeft mij om de buit getroeteld spade en vroeg, En niet uit liefde en gunst, die iemand tot mij droeg." Wie zijnen tijd verslijt in grooter heeren hoven, Zich dwaselijken veel belooning gaat beloven. Want als hij zijnen tijd onnut heeft doorgebracht, Hij ijdel en vergeefs op zijn bezolding[402] wacht.
LXXXVII.
DE BOER EN ZIJN HONDEN.
Een huisman, hard gedrukt van 's winters sture vlagen, Uit grooten hongers-nood zijn huis-vee heeft geslagen[403]; Maar laas! 't en holp al niet: de koude duurde lang, De winter viel zoo streng, en maakte 't hem zoo bang, Dat hij zijn ossen bij haar hoornen heeft gegrepen, Die plachten zijnen ploeg te trekken en te slepen: Dees heeft hij ook op 't lest ter slachtbank voortgebracht, En met den scherpen bijl gezamentlijk geslacht. Zijn honden hebben dit droef schoûspel waargenomen, En eindelijk bestaan uit angst voor hem te schromen: "O, laat ons, (zeiden zij) ontvluchten metter ijl! Mag zijn jukdragend vee nog niet ontgaan den bijl; Niet beters zal gewis op 't lest ons wedervaren: Die zijn lief huis-vee slacht, en zal geen doggen sparen." Wijs is hij, die in tijds is voor 't gevaar beducht, Die veiliglijken nog de aanstaande dood ontvlucht. Die vonnist, dat hij is te vreezen en te mijden, Die zijn zelfs huisgezin bezwaard met kruis en lijden.
LXXXVIII.
DE EZEL, BUFFEL, KAMEEL, EN MUIL.
't Lang-halzige kameel, den ezel afgedreven, 't Last-dragend muil-peerd, en de buffel, zat van leven, Zich vonden t' zaam vergaârd in een gezonken[404] dal: Elk klaagde zijn verdriet en daaglijksch ongeval; Om dat elk volgen most zijns heeren last en wenschen, En dienen tot gerief en slavernij der menschen. Den ezel lang-geoord, die kreesch[405] uit ongeduld, Hij was aan[406] zulken last noch arbeid niet verschuld, Hij wilde 't zich ontslaan, en langer dus niet kruipen, En voortaan oefnen niet als vreten, slempen, zuipen. Dies straften de and're drie zijn domheid al te rouw, En raadden[407], dat hij met dien staat vernoegen zoû. Want willen slavernij ontgaan is moeit' verloren, Om dat wij, (zeiden zij) tot slaven zijn geboren. Hoe menig plompaart nog al stribbende[408] bepleit, T' ontgaan het dienstbaar juk, dat hem is opgeleîd; Maar 't is vergeefs gewoeld, om 't voorschik[409] te verschrijven, Want: die een ezel is, die moet een ezel blijven.
LXXXIX.
BAVIAAN ENDE AAP.
Den aap eens guichelaars[410] bedreef zeer vreemde dingen, Met dansen in het perk[411], met beitelen[412], en springen, 't Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen[413] aan, Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan. Terwijl den aap vast juicht, en volgt op 's meesters roepen, Hij een fraai hierlandsch[414] wijf ziet groote noten snoepen: Dies hij, op 't onverzienst, na haren schoot zich maakt, En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt: Ten leste krakens moede (o, zeldzaam wonderheden!) Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden. De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf, Dat haar[415] van schaamte moet versteken 't schaamrood wijf. Nature wordt bedekt door de aangewende zeden, Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden: Barst altijd ergens uit, en brengt nog eens te pas Hetgeen haar aangeërfd en aangeboren was.
XC.
DE ZWALUWE ENDE DEN KWIST-GOED.
Een dertle lichtmis al zijn goederen verkwistte, Behalve zijnen rok, die hij ongeerne miste. Doch als hij onverziens een zwaluw in de locht Haar vleuglen roeren zag, hij bij zich zelven docht[416]: Die vogel is gewis een voorbood' van de dagen, Die 't alderlieflijkst zijn, en niet dan bloemen dragen: Mijn hemde[417] mij genoegt; het opper-kleed moet zijn Verdobbeld en vertuischt[418], 't hert vrolijk in de wijn. Maar laas! hoe is 't vergaan? de Noordwind is gekomen, En heeft met zijn geblaas den zwaluw 't lijf benomen! De brasser, als hij nu den vogel liggen zag, "Gij, (zeid' hij) de oorzaak zijt van alle mijn geklag, Van koude ik nu verga; nu vinde ik mij bedrogen, Om dat gij trouwloos zijt te vroeg de hette onvlogen." Wie iets te spoedig doet, en volgt zijn eigen hoofd, Al lichtelijken van zijn welvaart wordt beroofd; Indien de kwist-goed dacht op huiden[419] om den morgen, Hij zoude ontwijflijk meer voor 's levens welstand zorgen.
XCI.
DE VOGELAAR EN 'T VELD-HOEN.
De vooglaar op zijn luim ving een patrijs in 't garen; Het veld-hoen, in 's doods schrik ende uiterste gevaren, Den vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad: "O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat! Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen: Mij weêr in vrijheid stelt, ik wil u dankbaar wezen, En jagen u zoo veel patrijzen in den strik, Als gij begeeren zoudt, in éénen oogenblik." "Neen," zegt de vooglaar, "neen; zijt gij zoo boos van herten, Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten, Waar van gij hertlijk wenscht u zelven nu t' ontslaan, De welverdiende straffe en zuldy niet ontgaan." Die op zijn luimen ligt om andren te verraden, Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden: Die andren lagen leît, of onderstaat te doôn, Werd[420] zelfs in 't net gejaagd, en krijgt verraders loon.
XCII.
DE HENNEN EN 'T VELD-HOEN.
De landman een patrijs in 't looze net verstrikten, De koppens[421] in de ren het arme hoen verpikten: Zoo dat het zijnen tijd in rouwe slijten most, Op hope, van 't verdriet nog eens te zijn verlost: Doch eindlijk zag het, hoe vast vinnig met onvreden De kamme-dragers steeds zoo nijdig t' zamen streden, De een, met jeloersheids pest ontsteken en gekweld, Omdat met zijn boelagië een ander was verzeld; En d' ander, om den palm triumfelijk te voeren, Hadde anders niet in 't hoofd als groote krijgs-rumoeren. Als 't veld-hoen dit beoogde[422], en zag, hoe fel en wreed Het een gekamd geslacht het andere bestreed, Zoo heeft het zich getroost, en dacht: 't en is geen wonder, Dat ik, arm vreemdeling! moet stadig duiken onder, Daar borgers onderling malkanderen bestaan, Op 't scherpste en 't alderfelst, zeer herd te grijpen aan, En daar zij daadlijk zijn geneigd ten alderboosten, In zijn versmaadheid zich een uitheemsch' licht kan troosten.
XCIII.
DE VOGELAAR EN DE OOYEVAAR.
Eens landmans akker stond gelaân met gouden koren, Maar 't werd van ganzen en van kranen afgeschoren; Dies hij van toornigheid zijn strikken heeft gesteld, Om dees roof-vooglen te verrasschen op het veld. Hij lag op zijne luim met overgroot verlangen, En heeft juist bij geval een klepelaar gevangen. Den ooyevaar, uit angst, heeft zijne onnoozelheid Den akkerman verbaasd tot onschuld voorgeleîd: "Den tijd mijns levens nooit beschadigde ik uw granen, (Zegt d' ooyevaar) gelijk de ganzen en de kranen." "Neen, (sprak de vogelaar) het lijf is u ontzeîd, Uw onschuld niet en geldt, ik vind u op het feit." Wie veilig leven wil in stilheid uitgenomen[423], Verzel zich daaglijks bij 't gezelschap van de vromen; Want wie de kwaden volgt, die 't booze zijn gewoon, Wordt eindlijk achterhaald, en krijgt der kwaden loon.
XCIV.
DE WOLF VERVOLGT HET SCHAAP.
Den hongerigen wolf, ter zijden weggescholen, Zag een onnoozel schaap langs 't open veld gaan dolen: Dies gretig naar het aas hij aangevlogen kwam, En volgden op het spoor het weerloos vluchtig lam; Het vlies zijn leven zocht op 't spoedigste te vrijden[424], En ziende een oud gesticht, getimmerd wat ter zijden, Ter poorten inne vlood; dies Wolfaart op de hiel Zoo dapper metter vlucht ter deuren inne viel, Dat, als hij binnen was, zij fluks is toegevallen: Dies spaard' hij 't vlies uit angst, en kwetste 't niet met allen. De booze niet verschoont het bloed van 't vroom geslacht, Voor dat hij heeft zich zelfs in zwaar verdriet gebracht. Zijn honger is zoo groot, dat hij ten langen leste Vergeet al 'tgeen hem dient ten goeden en ten beste.
XCV.
JUPITER EN DE SLANGE.
De bliksem-drager heeft den koor der Hemel-goden Op een zeer groot banket heel vrundlijk laten nooden: Neptunus fluks ter feest met zijnen drietand kwam, En Mars, nog vocht[425] van 't bloed, en van het krijgen gram; Apollo met de glans van zijn doorluchte stralen, Met al de water-goôn en nymfen van de dalen. Zoo fluks 't gediert vernam het heerlijk avondmaal, Elk een zijn giften bracht op 's Hemels opper-zaal. 't Was Jupiter zeer lief, hij heeft ze in dank ontvangen. Ten leste met een roos kwam een der water-slangen; Maar Jupiter, beducht dat eenig boos venijn Mocht onder 's rozen blaân en steel gestreken zijn, Heeft dit geschenk ontzeîd[426]. Gij, die de Goôn wilt eeren Met een oprecht gemoed, wilt u ten Hemel keeren; Want ijdel is de dienst, die iemand hem bewijst, Wanneer hij uit een boos en godloos herte rijst.
XCVI.
JUPITER EN DE HONIG-BIJ.
Der bijen koning trotsch van grootsheid uitgelaten, Bood Jupiter beveinsd een gift van honig-raten, En bad met eenen, dat 't hoog vierschaar van de Goôn Hem gunde, dat hij mocht met zijnen angel doôn Al wie van honig kwam ontblooten zijne korven; Maar heeft van 's Hemels troon deze antwoord fluks verworven: "'t Geschenk dat gij mij brengt, mij zonderling[427] behaagt, Maar 'tgeen gij van mij bidt, en daar gij mij om vraagt, Dat gij een ander met uw prikkel mocht doen treuren, Dat overkome u zelfs, en moet u zelfs gebeuren; Want als gij andren kwetst, 'tzij met 'tzij zonder schuld, Zoo zweere ik dat gij fluks dit leven sterven zult." Die naar de sterren zendt zijn vurige gebeden, Om zijn wraakgierigheid aan iemand te besteden. Zal missen niet alleen 'tgeen dat hij heeft gebeên, Maar voelen zelfs op 't hoofd den opgeworpen steen.
XCVII.
'T PEERD EN 'T ZWIJN.
Het kuische Truitjen[428] Zogs zag 't ros, vercierd met pluimen, Gezadeld en getoomd doen zijnen breidel schuimen, Ten oorloog toegerust, om dragen zijnen heer In 't midden van 't gevecht, met zweerd, pistool, en speer. "O!" riep zij, "armen guil! waar wildy u begeven? Wat dolheid gaat u aan, dat gij van zelfs uw leven In 's doods perikel stelt, en allerlei ellend?" Toen heeft zich tot de zeug het ros aldus gewend: "Gij, vuile morsebel! wat wildy al veel zeggen, Die altijd in den drek en vuilen stank blijft leggen, En eindlijk blijft vervreemd van alle onsterflijkheid, Die in 't bestoven veld den hengst wordt bijgeleîd[429]; Als hij den ridder voert tot dooden en tot moorden, En breekt door 't vierkant van der vijanden slag-oorden; Behaalt veel wapen-roofs, en eenen heldren glans, Als hij verwinner blijft en erft der eeren krans." Die door zijn traagheid blijft van 't ware lof versteken, Veeltijds op andren wil veel snorken en veel spreken. Door ondeugds oefening werd[430] niemand ooit vermaard; Wel hem, die door zijn deugd zijn naam van 't graf bewaart!
XCVIII.
'T PEERD EN DEN EZEL.
Den ezel, met veel houts en pakken overladen, Begon den droeven staat zijns levens te versmaden, Als hij den gladden hengst zag briesschen over 't veld: "O! (sprak hij) of ik ook in vrijheid waar gesteld! Dat ik in weelde mocht mijn dagen laten vlieden, En niemand over mij iets hadde te gebieden!" Maar als nu, op het lest, het lang-geoorde dier 't Peerd draven zag ten strijd hoogmoedig, trotsch, en fier, In 't midden van 't gevaar, van spiesen en van zwaarden: "O! (sprak het) mijnen staat ik liever houde in waarden! Veel liever leve ik dus, met slavernij gedrukt, Als midden in den krijg, daar 't zelden wel gelukt!" Noch eer noch rijkdom mag den mensch gelukkig maken, Wanneer men wel bemerkt den loop van 's werelds zaken; Gelukkig is die geen, die hier genoegzaam[431] leeft, En rust in 'tgeen, daar God hem toe geroepen heeft.
XCIX.
DE KALIKOET EN DEN HAAN.
Den koekeloeren[432]-haan zag op zijn mist-hoop treden Een rooden kalikoet[433]; dies werd hij zeer t' onvreden, Beriep hem tot den kamp, en liep hem in 't gemoet; Dies hem verweeren most den grooten kalikoet. Zij vochten beid' om strijd, dat 't roode bloed afdroopten[434], Als zij de een d' ander fel met scherpe sporen noopten[435]. Den Kalikoet in 't eind zag, dat den Duitschen haan Hem rust noch vrede liet: dus, om zich gants t' ontslaan Van allerhande twist, verkoos in ander hoeken Zijn dagelijkschen kost in vrede te gaan zoeken. Veel volkren zijn zoo wild, zoo woest, en onbesuisd, Dat de arme vreemdling niet bij haar mag zijn gehuisd. Al hebben zij een land tot haar behoef gewonnen, Een ander zullen zij het aardrijk nog misgonnen.
C.
HET VELD- EN STAD-MUISKEN.
't Bol[436] muisken van der stad de veld-muis kwam vergasten[437], Maar vond zoo sobren disch, dat het zich niet verbrasten: Want erwten, boonen, grut, en wortlen was de kost, Daar 't lekker[438] diefken zich meê vrolijk maken most. De stad-muis, ongewoon zoo sobre middag-malen, Wil tot een zoete wraak bet[439] haar waardinne onthalen: "Zwart-zuster!" zegt zij, "komt, verzoekt[440] uw oude kaar[441]: Vergast[437] mij, daar men smetst[442] of 't altijd bruiloft waar." De veld-muis is gereed. Ter stadwaart zij zich haasten; De stad-muis vindt haar woonst'[443] en wilkoomt[444] haar ten laatsten In 's kelders diep gewelf, daar 't niet min was onvrij, Als rijkelijk verzorgd van alle lekkernij: Want 's tafelknechts verzoek[445] haar beven deed en ijzen, Zoo dik hij voorraads haalde om 's meesters disch te spijzen: En steurden 't muizemaal, nu met, nu zonder kaars, Naar 't rispelen[446] jeloers. De veld-muis, vol gevaars, Sprak: "Smaak noch zoetigheid aanbrengt mij 't lekker eten: In 't veilig kies ik liefst raauw' bonen en erweten[447]." Wie soberlijken leeft in 't vrije en open veld, Die 's werelds pracht versmaadt, en[448] goud-zucht niet en kwelt, Smaakt droog brood suiker-zoet, als d' honger hem komt nooden, Daar 't hof walgt van 't gebraad, noch smaak vindt in 't gezoden[449]. Want laagheids armoed' is het veiligste van al, Daar hoogheids weelde daalt, komt[450] plotselijk ten val.
CI.
OUDE MAN EN DOOD.