De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren

Part 4

Chapter 43,854 wordsPublic domain

Een smid zijn leven sleet in 't midden van de vonken; Van 't krieken van den dag tot dat de sterren blonken, Hij aan zijn smisse stond, en gansche dagen lang Was bezig met het staal, de moker, en de tang. Doch voor de ondraaglijkheid zijns arbeids zonder treuren[283] Hem naauwelijks droog brood en water mocht gebeuren[284]; Terwijl zijn tragen hond, naar zijnen eigen lust, Vast onder zijne smisse en blaas-balk nam zijn rust, Die dagelijks om brood zijn meester kwam festeeren[285]. De meester, om den hond zijn traagheid te verleeren, Riep moeyelijk[286] op 't lest: "Gij, rechten bedelaar! Wat eischty brood van mij? gij ziet, hoe jaar op jaar Ik naauwlijks onderhoud mag voor mijn zweet genieten, Terwijl gij vet en grof u 't werken laat verdrieten!" "Genoegt[287] u," zegt het beest, "ik ben zulks lang gewend Uw leven loopt zoo wel als 't mijn zeer haast ten end." De prachers, die met schijn haar pracherij verweeren, Zich van eens anders zweet niet schamen te geneeren[288]: Zij zuipen 's naasten merg en uitgeteerde bloed, Verslempende al het geen hij dier[289] bezuren moet.

LIV.

DE STEERTELOOZE VOS.

De vos hadde[290] in een val zijn ruige steert verloren, Liep overzulks zoo naakt van achter als van voren, Gelijk een kale sim, die eer noch schaamte aankleeft; Dies Reintjen zulks in 't diepst van 't hert gespeten heeft, En veinzende zijn leed kwam tot zijn makkers treden: "'k Heb," sprak hij, "mijnen steert heel kort van 't lijf gesneden, De tijd is nu verkeerd[291]: het is der vossen eer Dat zij, van achter bloot, geen steerten dragen meer." Maar als zijn makkers loos oom Reinaarts treken sporen: "'t Is," zeggen zij, "geen tijd naar uwen raad te hooren, Om[292] korten onze steert. Wanneer den uwen wast, Ziet, dat gij wederom hem af te snijden past." Die faam- en eerloos is, en heel geraakt tot schanden, Zal, om zijn naasten ook te onteeren, dikwijls branden[293]. Wie boos is van gemoed, wanneer 't hem kwalijk gaat, Wenscht andren, dat haar mag ontmoeten 'tzelve[294] kwaad.

LV.

DE HAVIK EN DE VOGELEN.

Den havik, om den dag en uur van zijn geboorte Te vieren statiglijk, naar eisch en naar behoorte, Heeft allerlei geslacht van vogelen ter feest Zeer ernstelijk gebeên, met een beveinsden[295] geest: Meest al wat wieken droeg verscheen en liet hem[296] vinden. Een zaal was toebereid en tafel voor de vrinden. Men brast, men is verheugd, men denkt 'er om geen leed. Maar als den havik nu zijn aanslag ziet gereed, Hij listelijk terstond den ingang sluit der deuren, En vangt van voren[297] aan 't gevogelt te verscheuren. Wie lichtelijk gelooft, schiet lichtelijk te kort, Wanneer hij onverziens en snel bedrogen wordt. Wie om een vette muil zich geeft in 's vijands handen, 't Is vreemd noch wonder, dat hij haast geraakt ter schanden.

LVI.

BOK, LAM, EN WOLF.

De bok en 't witte lam zijn onderling verdragen[298], Malkanders zoet en zuur gezamentlijk te dragen, Malkandren bij te staan in allerhande nood, En geenszins niet te vliên om leven noch om dood. De wolf eerlange ontmoet dees lieve met-gezellen, En wist zich tegen 't lam heel vrundlijk aan te stellen: "Onnoozel schaapken!" zegt de wolf, "wat gaat u aan! Wat wildy met een bok, dien vuilen stinkert, gaan? Komt, voegt u neffens mij, ik kan u best bewaren Voor allen, die u leed aanbrengen of vervaren." De bok 's wolfs loosheid merkt, en spreekt: "gij, loozen gier[299] Koe-vreter, schapen-dief! fluks, pakt u weg van hier!" Wie met de vromen zich verzelschapt t' allen tijden, Blijft veiliglijk beschermd in alderhande lijden, Geen goud zoo dierbaar is, noch geenderleye munt, Als tot een reis-gezel is eenen trouwen vrund.

LVII.

DE VLIEGE EN DE MIER.

Der vliegen keizer zich veel lofs heeft toegeschreven, Vermits hij, in 't paleis der princen hoog verheven, Aan 's vorsten tafel at, daar 't mierken 's zomers vast[300] Met arbeid was bezwaard en wonderlijk[301] belast; Zoo datze meer een peerd of ezel was geleken[302], Die staag tot de ooren toe in slavernije steken. "Den arbeid," zegt de mier, "kan niet zoo schand'lijk zijn, Als leêgheid, die best past den hond of 't vuile zwijn. Welks leven van ons tween ook waard is meerder eeren, Zal ons de ervarentheid[303] des tijds heel kortling leeren." 't Was naauwelijks gezeîd; de winter-tijd verscheen: De vliege in armoê sterf[304] met droefheid en geween; Maar de altijd kloeke mier, verzorgd in hare schuren, De winter wonder veil[305] in weelde kon verduren. De luyaart, die de bloem van 's levens tijd verslaapt, In plaats van vruchten niet dan stekel-doornen raapt, Vergaat in zijn ellend; terwijl, door 's Heeren zegen, De vrome[306] wel verzorgd en heerlijk is bedegen[307].

LVIII.

ADELAAR EN SCHORPIOEN.

Den arend, van 't venijn des schorpioens vergeven, Hem[308] vond uit lust tot wraak zeer pijnelijk gedreven; En greep 't veelvoetig dier van 't aardrijk in de locht, Met zijnen krommen bek, op dat hij 't kwetsen mocht. Maar laas! het was vergeefs; in plaats van zich te wreken, Heeft 't schorpioen al meer hem met vergift bestreken, En doodelijk gekwetst: de vogel lijdt vast smert, Want 't werkende venijn bekruipt al meer zijn hert, Ter tijd gansch afgemat hij viel in 't gras verslagen; Liet[309] de ijdelheid zijn ziel aan zijner plaatsen dragen. Wie brandt om eigen wraak van 't eens ontvangen kwaad, Ziet toe, met wie hij zich het strijden onderstaat. Lijdt liever ongelijk, als dat, tot wraak genegen, Gij eenen sterker held trekt onder oogen tegen.

LIX.

DE HANGENDE WOLF IN 'T SCHAAPS-VEL.

De wolf, om alderbest de vliezen[310] te betrapen, Zich met een schaaps-vel heeft vermomd en heel verschapen[311], En weidde met den[312] koor[313] der lammeren in 't gras, Sliep in der schapen kooi; en als 'er niemand was, Hij spoedig een verslond, en leefde in duizend weelden; Maar, als hij lang genoeg zijn oude tukken[314] speelden, Den herder eindelijk ontwaakte als uit den slaap, Als hij, van dag op dag ontbloot van menig schaap, De kooye al stil beloerde, en zag, hoe 's wolven tanden Zijn kudde in 't stil verslond en bracht[315] geheel ter schanden: Dies schietende onverziens, gelijk als uit den droom, Heer-Wolfaart knoopen liet met 't schaaps-vel aan een boom. Als d' herders zagen, hoe hij eindlijk was bedegen[316], "Recht heeft hij," zeiden zij, "loon naar zijn werk gekregen." De schijn bedriegt 'er veel, wanneer de schalke mensch D' onnoozele beloert en lagen leît naar wensch. Doch 't schaaps-vel mag een wijle een 's wolven hert versteken; Maar wat hij waarlijk is, is altijd lest[317] gebleken.

LX.

WOLF EN EGEL.

Den hongerigen wolf een egel juist ontmoetten, En wist niet, hoe hij mocht zijn honger aan haar boeten, Vermits zij wrevlig stak haar borstels overend. Dies sprak de wolf tot haar: "o nichte, wel bekend Zijt voor mij onbevreesd, noch staat niet in slagoorden; 't Is onder al 't gediert (gelooft mij bij mijn woorden) Bestand, ja, enkel vrede, en eendracht over al, Zoo dat gij niet en hoeft te zorgen voor misval." "Gij spreekt (zegt de egel) recht; ik weet, dat alle beesten Staan in een vast verbond in velden en foreesten; Doch voor de moordenaars, die lichtlijk in een haag Gedoken mij bespiên, ik deze wapens draag: En ben noch niet van zin, op reis die af te leggen, Misschien wie[318] onverhoeds mij 't oorlog aan mocht zeggen." Wijs is hij, die zich zelfs beschermt en wel bewaart, Den vijand niet gelooft, die vriend zich openbaart[319]; Hij ligt maar op zijn luim, en zoude u geern betrapen, Als hij u vindt ontbloot van 't uitgetogen wapen.

LXI.

SLANG EN EGEL.

Den egel bad de slang, met zuchten en met stenen, Datz' haar doch herberg woû voor éénen winter leenen. De slinger-slang, beweegd door 's egels droeve beed', Om haar weerdin te zijn was willig en bereed; Maar als in 't eng des hols den egel, dik gezwollen, Zich krunkelde in een kloot, in cirkelen en rollen, De slang misnoegen kreeg, om datze somtijds stijf Met scherpe borstels vast haar prikkelden in 't lijf. "Wel," sprak de slang, "is dit het loon voor al mijn deugde, Dat ik u in mijn hol ontving met lust en vreugde?" "Neen," zeide d' egel, "zwijgt, gij vuil, twistgierig dier! Ben ik u inde weeg, zoo pakt u fluks van hier." De slange bad vergeefs om rust en wat verschooning, Dus, om 't geborsteld dier te ontgaan, verliet haar woning. De ondankbaar' menschen, die geholpen zijn in nood, Vergeten weldaad licht, al is zij nog zoo groot: Als zij geholpen zijn, beschaden zij den genen, Diens mildheid over haar heeft rijkelijk geschenen.

LXII.

'T CHAMÆLEON.

't Geschubt Chamæleon steeds bij[320] de locht moet leven, De locht alleen dit dier kan spijze en voedsel geven. 't Heeft voeten scherp geklaauwd, het krunkelt zijnen steert, 't Waakt 's daags zoo wel als 's nachts, 't is stout en onverveerd. Als[321] eenen Proteus veel gedaanten kan verwerven, Zoo trekt dit dier tot zich van allerhande verwen Het blinkende gestalt, maar weigert rood en wit. Den logen-prater, die aan 's princen tafel zit, Men bij 't Chamæleon gelijken mag met reden: Hij vult des vorsten oor met vele nieuwigheden, Verkoopt hem wat hij wil, smeedt d' een aan d' ander klucht Van allerlei gestrooid en wijd verzierd gerucht: En blijft hij somwijl in zijn logentaal gevangen, Hij krijgt noch vrees noch schaamt, noch roô noch bleeke wangen.

LXIII.

STIER EN RAM.

De kromgehoornde ram begeerde, dat de benden Der witgewolden hem als haren koning kenden, Vermits zijn voorhoofd met twee hoornen was verzien, Waarmede in tijd van nood hij dapper weer mocht biên. 't Ontwapend weerloos vee, de witgewolde vliezen, Genoodzaakt, uit ontzag, den ram tot hoofd te kiezen, Bestemden[322] zijnen eisch: de bok, uit hovaardij Om te erven nog een rijk en grooter heerschappij, Den stier ten strijde uitdaagde, en dacht hem te verkloeken. Het groote beest, gereed, niet verre en was te zoeken, Maar liep den ram op 't lijf, al wat hij rennen mocht, Die fluks verslagen stak de beenen inde locht. Wie, boven zijne macht, te stout en zeer vermeten, Eens anders kracht bespot, en gaat zich zelf vergeten, Veel lichter als hij waant, vernederd worden zal: Want hoogmoed (zoo men zegt) gaat altijd voor den val.

LXIV.

DE HENNE METTE KUIKEN-DIEVEN.

Een groote kuiken-ren zeer heftig werd bestreden Van kuiken-dieven drie, die grooten arbeid deden, Opdat ze tot een roof verkregen 't jonge bloed, Het malsch en lieflijk vleesch van naakt en kaal gebroed. De moeder koomt op slag gevlogen, met verschrikken, En ziet, hoe alle drie zij door de traliên pikken, Ziet, hoe haar vlucht[323], in nood en grooten angst (helaas!) Bijna geworden is der kuiken-dieven aas: Dies stelt haar[324] fluks te weer, op dat zij, naar vermogen, Afweren mocht de geen die om haar jongskens vlogen. Zij vliegt rondsom de kouw[325], zij klaakt[326], en slaat geluid, Zoo lang tot haar[327] ontjaagd is de gewenschte buit. De klok-hen draagt[328] het beeld der trouwe magistraten, Waarop de onnoozle zich standvastig mag[329] verlaten, Die allen vromen zijn als eenen vasten burcht; Wèl 't land, daar de overheid 't gemeene best bezurgt[330].

LXV.

BOER ENDE MUISKEN.

De ruige[331] dronken-bloed, die stonk van jopen-bieren, Den dag van zijn geboort gewoonlijk[332] was te vieren: En rechtte jaarlijks toe een groote Bacchus-feest[333], Daar 't al ter maaltijd kwam, wat vrolijk was van geest. Voor 't huis hij tot triumf een eiken vuur deed blaken, Om al den heelen koor der slempers te vermaken; Maar als eens bij geval de Noordewind op stak, En de opgestegen vlam sloeg in het rieten dak, De kermis was gesteurd, 't huis brandde lichter lagen[334], De gasten vloden weg, verbaasd en heel verslagen. Een muisken, om te ontgaan die hongerige vlam, In 't midden uit den brand verbaasd gevloden kwam. Den huis-heer, zat van bier, en vol en dol beschonken, Greep 't muisken bij den steert, en werp[335] het inde vonken: En riep: "o, ontrouw gast! waar hebbe ik ooit verschuld[336], Dat gij in onspoed mij zoo haast verlaten zult?" Die 't avontuur toelacht, geen vrunden en ontbreken, Zoo lange als zijn planeet blijft een gelukkig teeken; Maar als fortuin den nek op 't onverzienste wendt, Hem naauwlijks eenen vrund van zoo veel vrunden kent.

LXVI.

VOGELAAR ENDE VINKEN.

Een vogelaar, in 't veld uitspannende zijn garen, Gezeten onder 't bruin van schaduwende blâren, Een wolke vinken tot zijn net afdalen zag, Die 't zaad oppikken kwam, dat uitgespreidet[337] lag. Maar ziende een ander schaar van vooglen elders vliegen, Dacht haar met éénen slag te zamen te bedriegen. De vinken, zat terwijl van 't zaad dat ligt gespreid, Ontvliên den vogelaar, die op zijn luimen leît. 't Licht ondertusschen daalt; na moeite en groot verlangen, Hij aanden avond maar één vinksken heeft gevangen. De gierigaart, die naar het goed des werelds streeft, En nimmermeer genoegt met 't gene dat hij heeft, Maar naar 't onzeker tracht, het welk hem kwam te voren, Heeft dikwijls 't geen hij hadde op 't onverzienst verloren.

LXVII.

SATYR EN BOER.

Een land-man vond in 't woud een ruigen Satyr dolen, Die, dood van koude schier, zat in een hol gescholen, Hij bracht hem in zijn huis en deed hem goede cier; De Satyr, boven mensch en onder als een dier, Gemerk[338] nam, dat de boer, om d' handen te beschermen, In zijne vuisten blies, op dat hij mocht verwermen Zijn kneukels, schier verstijfd van koude op 't windig veld: Ook zag hij, dat de spijze op 's tafels rug gesteld, Door 's boeren adem d' hett' en brand werd afgeblazen: Verwonderd overzulks, begon hij te verbazen, En vlood ter deuren uit, beducht voor 's lijfs verlies, Omdat m' er koude en hitt' met éénen adem blies. Die in d' een hand het vuur in d' ander 't water houden, De wijzeman bedacht[339] voorzichtelijk ooit[340] schouwden; Want of haar wezen schoon niet toont als liefde en jonst, Zoo zijnze doch niet vrij van booze toover-konst.

LXVIII.

HUIS-RATTE EN OESTER.

Een huis-rat, niet vernoegd, dat zij leefde als de vrije, En in eens koopmans huis hadde alle lekkernije Van suiker en banket, van wild en van gebraad, En alles wat den disch eens handelaars beslaat: Dies zij van dertelheid beraân werd te verhuizen Aan 't dorre en vochte strang[341], daar steeds de baren bruisen. Maar komende aan het meer en aan het natte zand, Dat alzins[342] ligt verwaaid, zij fluks een oester vand[343]; Dies gretig naar den visch van binnen heeft gegrepen, Maar de oester heeft de schelp al zachtkens toegenepen, En 's ratten hoofd verplet, zoo dat het zwarte beest, Op staanden voet verworgd, zeer deerlijk gaf den geest. Wie in gerusten staat en in een weeldig leven Zijn lusten niet bedwingt, maar naar iet nieuws wil streven, Door dertelheid bekoord, al zelden wel beklijft, Uit ongebondenheid, die hem tot weelde drijft.

LXIX.

SLAK EN ADELAAR.

De slek[344], met haren staat misnoegd, en gansch t' onvreden, Vermids zij kruipen most, en werd van elk vertreden, Bad d' arend, dat hij haar ten Hemel voerde om hoog, Op dat zij 's werelds kloot, met een doorzichtig oog, Eens overgapen mocht, en alle de rivieren, Die vochtig hier en daar gekrunkeld henen zwieren; Zij wild' hem voor dien dienst vereeren, met den schat Eens perels, die zij korts op 't veld gevonden had. Den arend, haast verbeên, haar op nam met zijn klouwen, En deed haar d' ommeloop des aardrijks naakt aanschouwen, Ten lesten hij verzocht van haar 't beloofde pand; Maar als hij bij de slek noch bag noch peerle vand, Hij haar den nekke[345] brak, en deerlijk bracht om 't leven. Wie niet vernoegt met 't geen natuur hem heeft gegeven, Maar steeds naar hoogheid tracht, perikel loopt voor al, Dat hem genakende is een eiselijke val.

LXX.

KUIKEN-DIEF EN KOEKOEK.

De schampre kuiken-dief, die daaglijks met zijn kluiven De kuikenen verscheurt en de arme tortel-duiven, Den koekoek heeft beschimpt, omdat voor zijnen kost Hij daaglijks zijnen buik met pierkens[346] vullen most; Vermids hij, veel te bloode om iemand aan te randen, Zijn zeen'wen[347] nimmer tot iet treffelijks uitspanden. De vogel, die altijd zingt op een zelve maat, Getroostte[348], dat hij dus veracht werd en versmaad, Getroostte, dat hij zich met wormkens most erneeren[349], Ter tijd hij onlangs[350] spoorde, en kenden aan zijn veêren, Den kuiken-dief, door list des vogelaars gevaân, Die hing aan 's torens top tot spiegel voor de kwaân. "O! (sprak de koekoek toen) indien gij goedertieren U sober hadt vernoegd met wormkens en met pieren, Gij hadt uw vrijheid nog, en waart, niet min als ik, Ontweken vrij en vrank der vogelaren strik." Wie met een sobren disch vernoegd zich houdt te vreden, Ontgaat 't perikel licht van veel gevaarlijkheden; Maar wie behagen schept in weelde en overdaad, Zich lichtelijken brengt in eenen droeven staat.

LXXI.

GIER ENDE NACHTEGAAL.

De hongerige gier, al toornig en verbolgen, Een licht gewiekte schaar van vooglen ging vervolgen, En ving uit al de vlucht een jonge nachtegaal, Die al verbaasd den gier dus aan sprak op[351] zijn taal: "O, aller vooglen heer! wilt u barmhertig toonen, Wilt mijn onnoozelheid en weerloosheid verschoonen: Ik zal u dankbaar zijn, de tijd mijns levens lang, En voor die deugd uw geest vermaken met gezang." "Mij lust niet," antwoordt hij, "naar uw gezang te hooren; Den honger is te groot, den buik en heeft geen ooren Om luistren naar 't muziek, of eenig lieflijk lied; Dus zwijgt vrij, want die zang noch vreugd bekoort mij niet." Waar nood den mensch bekrijgt, daar acht men op geen zaken, Die 't oog behaaglijk zijn, noch ons 't gehoor vermaken. Veel dingen zijn wel nut en staan ons wonder aan, Maar 't noodigst óverweegt, en steeds moet voren gaan.

LXXII.

SLANGE EN BOER.

De land-man bij geval vond, in een hage-doren, Een kronkelende slang, schier dood en half vervroren, Vermids de Noordewind, de bleeke zon in 't snee, En 't ijs, op 't strengst van 't jaar, haar aanzicht spieglen deê. Des huis-mans hert, geroerd met liefde en mededoogen, 't Serpent brengt in zijn hut, maar vond zich haast bedrogen; Want als 't ondankbaar dier 's vuurs gloeyendheid vernam, En meer en meer allengs heel tot zich zelven kwam, Het zijn venijn terstond aan alle kanten spreidde, Dies hij haar met een aks terstond ten strijde ontzeide[352], En kloof[353] haar 't hoofd in twee, en riep: "o, schendig feit! Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid?" Daar is geen boozer dier als een ondankbaar mensche, Die, als hem alles gaat naar zijnen lust en wensche, De ontvangen weldaad niet alleen ter zijden stelt, Maar den weldoender zelf met alle kwaad vergeldt.

LXXIII.

LEEUW EN WANDELAAR.

Een reizend wandel-gast en sterken leeuw te zamen, Door 't schaduwende woud haar weg en voet-pad namen, En hadden onderling haar praterij gemeen, Ter tijd[354] zij zagen, uitgehouwen in een steen, Een man en ruigen leeuw, die worstelende deden Haar beste en arbeid om elkanderen te ontleden[355]; Daar, na veel strijds, de man ten leste meester wordt, Zoo dat de leeuw (zoo 't schijnt) ter aarden nederstort. De wandelaars hier op haar oogen bezig[356] sloegen, En elk voor ander schiep hier in een goed genoegen. De leeuw 's leeuws sterkheid prees, die 's menschen overtrof, De man gaf zijns gelijk der eeren krans en lof, Vermits hij merkelijk den leeuw scheen te overwinnen: De leeuw, hierom vergramd en razende van zinnen, Zijn makker sprong op 't lijf, en sprak: "wel aan! laat zien, Wie van ons tween de sterkste en grootste weer mag[357] biên!" Wie zich te veel beroemt en zijnen kam opsteket, Niet lettende met wie of wat persoon hij spreket, Komt lichtelijk ten val, gesneveld[358] onder voet, En zijn verdiende straften laatste dragen moet.

LXXIV.

DE LEEUWE, EZEL, EN VOS.

Den ezel, vos, en leeuw zijn onderling verdragen, Gelijkerhand[359] om roof en buit te gaan uit jagen: Zij renden door het woud, en hielden nergens steê, Ter tijd zij afgejaagd betrapten een jong rhee. Toen sprak den ezel: "laat ons nu geenzins krakeelen, Maar 't jonge rhee in driên voor ons te gader deelen." De leeuw, hierom verstoord en eisselijken gram, Den ezel fluks verscheurde, en daadlijk 't leven nam, En spreekt het vosken aan: "'t zal nu met ons gelukken, Deelt gij den verschen roof in twee gelijke stukken." De vos verscheurde 't hert, en deelde 't beest van een, Maar gaf zijn koning't grootste en 't beste deel van tweên. Dies zich der dieren vorst tot Reinaart spoedig keerde, En vraagde, in wat school hij dees beleefdheid leerde? "Eens anders ongeluk," sprak Reintiën heel beleefd, "Des ezels droevig eind, mij onderwezen heeft." Wie 's andren voorbeeld zich verstrekken laat een lesse, En houdt de ervarentheid zijn voedster en meestresse, Veel zwarigheids ontgaat, en 's levens tijd verlengt, Terwijl de onwijze zich in druk en lijden brengt.

LXXV.

DE VOS EN DE LEEUWE.

De vos zag eenen leeuw van verr' hem nader komen, Dies 't siddren hem beving, en zeer begon te schromen: Verstak zich voor een wijl in 't diepste van het woud, En heeft zijn leven in 's leeuws klaauwen niet vertrouwd. Terstond daaraan is weêr hem 't ruige dier verschenen; Toen was hij zoo beducht noch bang niet als voorhenen, Doch vlood vast niet te min in 't dichtste van het lisch. Ten lesten hem noch eens de leeuw ontmoetet is; Toen heeft hij onbezorgd verzeld den schrik der dieren, Die neffens Reinaart hem bewees zeer goedertieren. Gewoonte veel vermag in 't kwade en ook in 't goed: 't Is de andere nature in 't redelijk gemoed. Veel hebben 't zondig kwaad, dat ons nog aan mag kleven, Verkeerdelijk natuur, niet aanwenst[360] toegeschreven.

LXXVI.

LEEUWE, VERKEN, EN GIER.

De leeuw en 't wilde zwijn malkanderen ontmoetten, Met opgesperden muil de een d' ander fel begroetten. De leeuw, wiens kracht bestaat in zijnen slingersteert, Het wild geborsteld zwijn zeer eiselijk aanveert[361], En scheurt het dikke spek met zijn geslepen tanden: 't Zwijns oogen ziet men fluks gelijk twee kolen branden, En 't grijpt zijn vijand aan om tegenweer te biên: Terwijl de vogel gier haar worstlen gaat bespiên Van eenen groenen tak, waarop hij is gezeten, En vast op[362] d' eerste die van tweên zal zijn verbeten[363]. Maar als zij strijdens moede opschorten haar gevecht, En ieder loopt zijns weegs, en niemand onder legt, Den hongerigen gier, door ijdel hoop bedrogen, Versteken van zijn vreugde is elders heen gevlogen. Wie zich te vroeg verblijdt op 't niet en 't ongewis, En deelt den beeren-huid eer 't beest gevangen is, Ten leste dikwijls rouwe en droefheid zal bespringen: Zot is hij, die veel roemt in onverkregen dingen.

LXXVII.

DE WOLF, 'T VOSKEN EN DE HARDER.