Part 7
De zwart geveêrde raaf, gecierd met veler vogels Veel-verfde pluimen, aan zijn borst en om zijn vlogels, Zich dwaselijk verheft, als hij in 't kristalijn Van eene zilveren beek ziet zijnen schoonen schijn, Gedenkende niet eens, hoe 't einde wil gelukken, Als elken vogel komt zijn veêren weder plukken. O zoete fabel! die op 't hoofd zoo dapper treft Den genen, die op 't goed eens anders zich verheft, En niet gedachtig is, als elk het zijn zal halen, Hij naakt zal wederom met schanden[378] moeten dalen. Hoe menig vogel nog de dunne locht doorsnijdt, Die, waar hij alle zijn geleende pluimen kwijt, Die hij op woeker heeft, hij waar geen overvlieger, Maar speelde _bankeroet_, gelijk een recht bedrieger.
LXIX.
(RECHTVAARDIGE STRAF.)
De moordische[379] Harpy, gesteld tot ieders baak, Hoe des verslaagnen bloed in 't einde roept om wraak. _Math._ 26. 't Zweerd in uw schede steekt: want wie daarmede slaat, In 't einde daar in valt, en jammerlijk vergaat.
De moordische Harpy heur zelve gulzig mestten Met menschen vleesch en bloed, zoo lang tot zij ten lesten Kwam drinken uit een borne, en zag in kristallijn Heur spiegelende schaâuw en held'ren wederschijn; Dies, wanende dat daar heur zuster lag begraven, Die inden zilvren vloed heur dorst had willen laven, Zij haast van rouwe storf[380]. Doodslagers, spiegelt u! Wanneer gij 't beelde Gods zoo eiselijk en gruw' Maait in het duister graf, en onze moeder eerde Bevlekt met 't roode bloed, dat druipt van uwen zweerde; Gedenkt aan uwen loon, en ziet dit schouwspel aan!-- Daar in de mensch misdoet, daar zal hij in vergaan.
LXX.
(MENSCH EN MUIL.)
Ziet Apulejus hier, met toover-zalve vuile, Besmeeren zijn naakt lijf, en werden eenen muile[381]. 2 _Reg._ 17. Toen Satan Jacobs huis tot tooverije bracht, Nam God hun midden weg uit 't menschelijk geslacht.
Toen Apulejus zich met toover-vet besmeerde, In eenen ezel hij lichamelijk verkeerde, En loopt zoo naar den stalle, om eten uit de kreb, Daar hij gestooten werd, op zijne magre reb[382], Van zijn beslagen paard; dies vlucht hij tot Hippone 't Goddinnen beeld, 'twelk daar staat in den stal ten toone, Opdat, door middel van de rozen (zoo hij waant), Daar 't beeld mede is gecierd, zijn vorige gedaant Hij dus bekomen mocht: maar naauw licht hij zijn voeten, Of de stal-jongen komt hem met stokslagen groeten, Zoo lange tot hij hoort een wonderlijk gedruisch Van dieven, die terstond bezetten 't gansche huis, En rooven zoo veel schats, en rooven zooveel goeden[383] Dat neffens hunnen last zij dezen ezel loeden[384], En stouwen hem zoo voorts, met kluppel-slagen vast[385], Langs eenen steilen weg, met zulken zwaren last. Philebum dient hij nu; nu vlucht hij gaauw en wakker Voor 't mes van eenen kok; nu dient hij eenen bakker, Nu eenen hovenier; nu draagt hij, op zijn ruig En mager ruggebeen, eens krijgers wapen-tuig; Nu zal den armen muil des ridders zadel vueren[386], enz. En ondertusschen heeft[387] zoo duizend avonturen In zijne beestelijkheid; den kommer en d' ellend, De slagen, d'ongemak, den honger neemt geen end', Daarmeê hij wordt bezwaard: nu kleunt men hem met stokken, Nu is hij in 's doods nood, nu rot hij vande pokken[388], Zoo lange dat op 't lest hem Ceres weder bald[389] Door eenen rozen-hoed[390] brengt tot zijn mensch gestalt'. Maar zegt mij, Zang-goddinne! als ik hier recht naar vorssche, Wat voor geheimenis schuilt onder deze schorse?-- Die willig zijnen hals buigt onder 't snoode jok Der zonden, wordt bekleed met eenen ezels rok, Verliest zijn mensch'lijkheid, en met veel ongemakken Door 's werelds wilde woud reist met veel zware pakken: Zijn vrijheid is hij kwijt, en maakt, alzoo getrost, Een ezel van zich zelf, die, om den magren kost, Zoo grooten slavernij en dienst is onderworpen: Hij dwaalt, hij rent, hij loopt, door steden en door dorpen, In duizenderlei pijne, in duizenderlei smert, Tot dat hij, moê geslaafd, in 't lest aandachtig werd[391], Bedenkende, hoe hij zijn menschheid heeft verloren, Dies hij de Godheid bidt om weder zijn herboren; En als hij zoo 's vleesch lust (den schoonen rozen-hoed, Die m' uit de doornen plukt) verslindt in zijn gemoed, Hij tot zich zelven komt, en wordt, naar zijnen wensche, Van eenen slaafschen muil zoo weder vrije mensche.--
LXXI.
(WATER EN VUUR.)
Van 't water en van 't vuur een kluchtige verhaling, Waar uit wij naakt verstaan der Heid'nen blinde dwaling. _Sapien._ 13. Gansch ijdel is de mensche, en blind gelijk een rots, In welke niet en is de kennis onzes Gods.
Het vuur bij den Perziêrs (als die niet[392] beters wisten) Als God werd hoog ge-eerd; het welk met grooter listen Van eenen priester werd zeer aardiglijk bespot: Want hij met water vocht[393] gevuld heeft eenen pot, Die al vol gaatkens was, gestopt met wasch te zamen, En maakten hem een hoofd, zeer aardig na 't betamen. Den Afgod, zoo hij was (ziet, dat gij niet en lacht), Heeft hij voor 't heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht. Het wasch versmolt terstond, het water sprong daar henen, En bluschte zoo geheel den God des Vuurs met eenen. Dies werd de water-kruik (ô wonderlijk bestier!) Voortsaan bij den Perziêrs ge-eerd in plaats van 't vier. 't Gaat zoo nog hedendaags, wanneer wij daar opmerken, Elk een die houdet[394] vast[395] noch altijd met den sterken.
LXXII.
(SCHILDERKUNST.)
Hoe eenen herder eerst het levendige beeld Der schoone schilderkonst in Grieken[396] heeft geteeld. _Ezech._ 4. Een effen tafel neemt, en luistert naar mijn stem, Trekt daar naar 't leven op de stad Jeruzalem.
Terwijl, in Grieken-land, de herder gaat verknapen[397] Zijn kudd', naar 't leven hij de schim van zijne schapen Natuurlijk trekt in 't zand: als nu de schaâu vertrok, Had hij een wollig vlies gemaald met zijnen stok. Aldus werd aldereerst, met heur veel-verfde wieken, De schoone Schilder-konst gebaard bij d' edel Grieken, Pictura[398], die voortsaan[399] met een blijde aangezicht De wereld heeft verheugd, en wonderlijk gesticht: Die ons gezicht bedriegt, als 't platte schijnt verheven, Het stomme spreken, en het doode schijnt te leven, Het gene stille staat, als of het zich beroert; Dies is zij weerdig, dat men heur ten Hemel voert.
LXXIII.
(APPELLES EN DE SCHOENMAKER.)
Schoen-makers! luistert, hoe de kloekste schildersgeest U allen blijven leert bij uwen houten leest. 1 _Corinth._ 7. Een ieder blijve in 't geen (zoo lange als hij hier leeft), Daar hem de lieve God zelf in beroepen heeft.
Apelles, schilders-prins, zijn naakte Venus schoone Bracht voor 't gemeene volk in't openbaar ten toone, Maar eenen schoeyer[400] heeft zijn werk berispet plat[401], Om dat vrouw Venus schoe te weinig strikken had; Den schilder al terstond zoo haast men hem dit anbracht, (Dewijl't een zake was, die des schoenmakers ambacht Betrof) heeft met 't pinceel geholpen[402] deze fout. Waarom den ambachtsman hoveerdig werd en stout, Als hij na dezen zag, dat 't gene was verbeterd 't Welk hij geoordeeld had te slecht te zijn geveterd: Dies voer hij trotscher voort en voor een ieder sprak, Dat aan vrouw Venus' scheen ook vrij al wat gebrak. Apelles hoorde dit en sprak, met stillen geeste: "Schoenmaker! ziet wel toe, en blijft bij uwen leeste, Daar gij u op verstaat, en weest niet zoo gereed[403]". Hij dwaalt, die vonnist 't geen, daar hij niet van en weet.
LXXIV.
(ZEUXIS EN PARRHASIUS.)
Ziet, hoe twee schilders hier, elk een om't beste deel, Vast schilderen om strijd met 't verwige pinceel. _Eccles._ 9. Hun werken zullen in der konstenaren hand Altijd geprezen zijn, van 't eene in 't ander land.
De schilder Zeuxis heeft zeer kunstig, met verstand, Een kind met eenen tros[404] gemaald in zijne hand, Waarna de vogelen al graag en hongrig vlogen; Maar komende daar aan, zoo waren zij bedrogen. Waarom Parrhasius hier over heeft gesmaald: "Indien 't kind" (zeide hij) "waar levende afgemaald, De vooglen hadden naar de druif niet dorven pikken, Dewijl zij in 't gemeen voor menschen zich verschrikken": En ging zoo al terstond (uit drijven der natuur) Een plooyige gordijn betrekken[405] op den muur, Die zoo getroffen was, zoo levendig en milde, Dat Zeuxis, als hij kwam, die zelfs oplichten wilde. Aldus Parrhasius had, met een listig oog, Verschalkt zijn meester, die de vogelen bedroog.
RAADSEL DES DICHTERS.
De vliênde, vlugge tijd, al toornig en verbolgen Voorlooper, overlang, dat ik op 't lest zal volgen, Gewisse tijding bracht, en dat, al wat men ziet, Ik met mijn komste zal vermeluwen[406] tot niet. Niets hier ter wereld is, al schijnet[407] nog zoo zoete, Al blinkt het nog zoo schoon, of 't loopt mij te gemoete. De zonne met zijn toorts, de mane met heur lamp, De dag met zijn wit hoofd, de nacht met heuren damp, De zomer groen van 't loof, de winter wit van 't sneeuwe, Verliezen zich in mij, als met een luid' geschreeuwe: Het jaar, het ronde jaar, dat op twelf[408] voeten gaat Zich altijd tot mij wendt met een beweegd gelaat. Te mijwaarts spoedet zich de gulden loop der sterren, De mensche in zijn geboort beschouwt mij al van verren. De tijd, die met zijn zein[409] maait alles in dit dal, Ik dapper eens in't lest zijn vleugels korten zal. De mensch denkt minst om mij, daar meest aan is gelegen, Dewijl ik roede of kroon, den vloek of ook den zegen, Den Hemel of de Hel, het leven of de dood, Hem eindelijken zal toewerpen in den schoot, Wanneer ik 't wrankel rad van alle dingen wende. Nu denkt eens wie ik ben, en radet mij in 't
_ENDE_.
[1] Thans _blanke_, _reine_.
[2] Thans _wordt_.
[3] Thans _het_.
[4] Thans _kleine waarde_.
[5] Voor _in de lente_.
[6] _Al-ook_: _ofschoon_.
[7] Rijmshalven voor _speurt_.
[8] _besmoezeld_, _bevuild_.
[9] Thans _brave_.
[10] Gelijk reeds herhaaldelijk voor _laag_.
[11] _slechte_.
[12] Thans _top_.
[13] Thans _hoofd_, dat het (even als in 't Hoogduitsch) in deftigen stijl verdrongen heeft. Men wachtte zich echter beiden--met Mr. van Lennep--voor 'tzelfde woord te houden, daar 't een oorspronkelijk Germaansch, 't andere 't Romaansche en Middeleeuws-Lat. _coppa_ is.
[14] Thans _wordt_.
[15] om _te veranderen_.
[16] Rijmshalven voor _wijsgeeren_ (verg. 't oude _nieuwsgier_ (boven, bl. 33) en ons _gierig_).
[17] Voor _wierpen_ (verg. elders _gevil_ voor _geviel_, _kil_ voor _kiel_).
[18] Hier voor _kwellen_.
[19] Thans _ontslaan van_; zie vroeger.
[20] _bovenal_, _inzonderheid_.
[21] Thans _ook al_.
[22] _bekwame_, _begaafde_.
[23] _verzonnen_, _verdichtten_.
[24] Thans _boertig_ (van 't oude _boerde_ d. i. _grap_.)
[25] Voor _oude geschiedenissen_.
[26] Even zoo boven bl. 6: "nu rust op der gedachten Verheven altaarplat", zooveel als in _het boek der herinnering_.
[27] _gebeurd_.
[28] _bijeen_.
[29] _voegt_.
[30] voor _beiden_ (nam. Dicht- en Schilderkunst).
[31] Naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord: _schrander_.
[32] Vondels zwager was dus blijkbaar Roomsch, 't geen ons in de elders geuite meening versterkt, dat de opvoeding, in dat geloof, van Vondels dochter (waarvan in een brief van den dichter Antonides sprake is) haar bij haar te Keulen verblijf houdende moederlijke grootouders ten deele viel. Verg. van Lenneps Vondel IV, bl. 2 en vv., en het aanget. in de _Dietsche Warande_ VI, bl. 141.
[33] _volle_.
[34] _gemeen_.
[35] Napels.
[36] De Lat. dichter (Publ. Virgilius) Maro.
[37] Gelijk nog dikwerf voor _kunstbeschermer_.
[38] De ook als dichter bekende D. Pz. Pers (of _in de witte perse_), bij wien _de Gulden Winkel_ 't eerst werd uitgegeven.
[39] Thans _bijtjens_.
[40] Thans _komen_.
[41] _van 't veld_ (verg. boven in _'t Pascha_, en _Lentsche_ in de _Voorrede_).
[42] _laakbaar_, _berispelijk_.
[43] _De mensch_.
[44] Naar deze eerste prent en hare benaming droeg zeker het geheele prentwerk, in zijn eersten vorm en vóór Vondel 't berijmde, zijn naam.
[45] _afgebeeld_, _geschilderd_.
[46] Rijmshalven maar vrij omslachtig voor _bekijkt eens_.
[47] Thans tot _korte_ ingekort.
[48] _lieflijk gelijkend_.
[49] Rijmshalven voor _Westen_.
[50] Voor _bouwsel_.
[51] Voor _wordt_. Wij zullen dit voortaan eens vooral gezegd achten.
[52] Voor _deelen_ (verg. den welbekenden naam van 't Huis _ten Deil_, halfweg Den Haag en Leiden).
[53] Nam. de aarde.
[54] _koosde_, _zong_ (saamgetrokken uit _kwedelen_; verg. 't Eng. _quoth_).
[55] Voor _wierp_ of eig. _warp_; zie reeds vroeger.
[56] _Vulkaan_.
[57] Thans _hersenen_.
[58] _diefstal van 't hemelsche vuur_.
[59] Met verkeerden klemtoon, voor Prométheus.
[60] Naar de Grieksche Godenlegende was Prom. aan een rots in den Caucasus geketend.
[61] Lees _ami_, _ami_, _ami_, naar de uitspraak van den tijd.
[62] Die overdag voortdurend aan zijn lever knaagde.
[63] Rijms- en maatshalven voor _toorn_.
[64] Voor _van haar eene oog_.
[65] Thans _zond_.
[66] _afbeeldsel_.
[67] Germanisme voor _wet_.
[68] Voor _beleid_.
[69] Overtollig pers. v.n.w.; verg. echter 't Hoogd. _sich fürchten_ tegenover ons _vreezen_.
[70] _draayen_.
[71] _wrevelig_, _in drift ontstoken_.
[72] Voor _gestorven_ (gelijk boven _verdurven_ voor _verdorven_, en beneden _krunkelt_ voor _kronkelt_.)
[73] _had het_.
[74] De wijnruit, volgens de overlevering.
[75] Rijmshalven, maar minder juist voor _ontneemt_.
[76] _à moi_ drinken, _ons zelf eens toe drinken_.
[77] _leppen_, _drinken_ (wellicht van 't Fransche _boire_ verbasterd, maar verkeerdelijk dikwerf met _poeyeren_ verward).
[78] Voor _licht van beloven_ of _lichtbelover_.
[79] Saamgetrokken voor _zijt gij_.
[80] _kinderlijk_.
[81] Thans tot _mijne schaal_ geslonken.
[82] Voor _goede dingen_.
[83] Eig. _de hoorn des overvloeds_, hier voor 't beeld van den weldadigen vrede.
[84] De oorlogsnimf.
[85] Voor _zijne woede_.
[86] _zeil_.
[87] Anders _spoedt_.
[88] _laarsjens_.
[89] _pijlkoker_.
[90] _aanhitsende op_.
[91] Anders _volhardt_.
[92] Thans _met_ of _in der ijl_, _ijlings_.
[93] _zingt_; verg. boven.
[94] Anders _stam_.
[95] _alles_.
[96] Hier in minder ongunstigen zin.
[97] Eig. _bokkesprong_ (van 't Lat. _caper_).
[98] Voor _moeder van de min_.
[99] Anders _dunkt_, _lijkt_.
[100] _schuwt_.
[101] _terwijl_.
[102] Thans _verkoelt_.
[103] Thans geheel zonder verbuigings-uitgang _liefde_.
[104] Anders _tooveressen_, _heksen_.
[105] _lijkenvet_.
[106] _gewrocht_ (verl. deelw. van _werken_).
[107] _verleiden_, nam. om dat te denken.
[108] Voor _Pluto_.
[109] _kring_; zie vroeger.
[110] Voor _Overwinning_.
[111] Voor _de zon_.
[112] _aller_.
[113] Voor _aan de_.
[114] De drie _Graciën_ of Bevalligheden.
[115] Thans _haar_.
[116] Thans _voortbrengen_.
[117] _Romeinsch_.
[118] Thans _haar_ of _ze_.
[119] Thans tot _ziel_ ingekort.
[120] _fraai versierde_.
[121] Thans _blinken_; verg. vroeger.
[122] _zakt_, _opsteekt_.
[123] Thans _konden_, _wisten te_.
[124] Rijmshalven voor _wenschte_, _begeerde_.
[125] Thans _kunnen_.
[126] _tot groote waardigheid_.
[127] Het bekende schilderwerk van Theben, door Cebes beschreven en verklaard.
[128] _onzinnige_.
[129] Door de beêvaartgangers naar St. Jacob aan hun hoed of schouder gehecht.
[130] Voor _geeft het_.
[131] _genoeg heeft aan_, _zich vergenoegt_.
[132] Rijmshalven voor _uitspreidde_.
[133] Thans _spon_ (gelijk _won_ voor 't vroegere _wan_, _vand_ voor _vond_, enz.)
[134] _wisselzieke schooister_ of _zwerfster_.
[135] _hals_.
[136] _kunt gij_.
[137] De Latijnsche dichter Ovidius, uit Sulmo geboortig.
[138] _kuyeren_ (verg. 't Hoogd. _spatzieren_.)
[139] Voor _deed het_ (_docht het_).
[140] De voorstelling verplaatst ons in den thans gelukkig geheel vergeten tijd, toen de rechter niet van landswegen, maar uit de opgelegde boeten bezoldigd werd.
[141] Die van den hemel nam., naar de zegswijze der oudheid.
[142] Lat. vierde naamval van _Anchises_.
[143] 't Lat. _periculum_, _gevaar_.
[144] Thans _tegendeel_; verg. 't Hoogd. _Gegentheil._
[145] Voor _doodt_ (verg. ons _noodigen_ en _uitnoodigen_ naast _nooden_).
[146] den _doode_.
[147] Wansmakelijke woordspeling met den naam van den wijze, Bias.
[148] _met pronk en praal_.
[149] _Het spinrokken._
[150] Voor _rijks-grenzen_ of _gebied_ (verg. Van Lennep's _Nalezing_).
[151] Thans _wordt_.
[152] Voor _naauwkeurigst_.
[153] Den beroemden Griekschen beeldgieter uit de derde eeuw voor onze jaartelling.
[154] Thans _zijne_.
[155] Hier behoorde nu eigenlijk _zeg_ te staan, daar het verouderde enkelv. _du_ volgt.
[156] Thans tot _kloeke_ geslonken.
[157] _kunnen._
[158] _venster_ ('t lat. _fenestra_) was oorspronkelijk vrouwelijk, en heeft, even als _feest_ en _beest_, eerst door verscherping der d van 't lidwoord tot t, den onzijdigen vorm aangenomen.
[159] Thans _tot zijne_.
[160] Thans verouderd voor beproefd; verg. echter nog de Evangelische legende van Jezus _verzoeking_, en 't Hoogd. _versuchen_.
[161] Thans _naar_.
[162] Eig. _God woude des_, d. i. _God mocht het willen_ (niet, gelijk van Lennep schrijft, _God wilde het zoo_); thans zou men zeggen: _God betere 't_.
[163] _ontbreekt._
[164] _over en over._
[165] Nam. die van de tafel.
[166] Voor _terwijlen_, thans geslonken tot _terwijl_.
[167] _gelukkig gerekend worden._
[168] _meerderjarig_.
[169] Thans _voortaan_.
[170] _zorgelijker_, _bezwaarlijker_.
[171] _Nederigheid_.
[172] _vluchtig_.
[173] _laag_ en _laagste_.
[174] _emmeren_: niet, met Van L., van _ee_, water, af te leiden, maar van _eenbaar_ (d. i. 't geen aan _een_ handvat _gedragen_ wordt).
[175] Thans _aarde_.
[176] _dolle_, _woeste_.
[177] _sober_.
[178] brood in puntigen vorm; verg. nog 't Overijselsche _krente-wegge_, voor _krentebroodjen_.
[179] _verwonderlijk veel_.
[180] voor _haatte_.
[181] Versterkte vorm van _vreten_.
[182] Verbogen naamval voor: _op heilige wijs_.
[183] Thans _met het hart_.
[184] _'tgeen voldoende is, volstaat_.
[185] _zijt gij_.
[186] Versta: die zoo lang vreet, dat ze niet meer gaan kan.
[187] Nam. de spijs.
[188] Anders _tasch_, en zoowel in goeden en kwaden als onzijdigen en eigenlijken zin gebruikt; verg. o. a. beneden XXXVI. Het door van Lennep in beteekenis gemaakte onderscheid tusschen _tasch en tesch_ is geheel denkbeeldig.
[189] zeer-oogig.
[190] _opzet_.
[191] _olijkert_ ('t Fransche _drôle_).
[192] _let_.
[193] _onnoozele grappenmaker_ (verg. nog ons _jolig_).
[194] _kon_ (nam. _tellen_).
[195] Versta: eigenlijk _onredelijk_ te noemen.
[196] Niet (gelijk van Lennep wil) voor _uitspannet_, maar voor _uitspande_, _uitgespannen heeft_.
[197] Eig. zijn _handpalmen_.
[198] Niet met _woonstede_ te verwarren, maar voor 't oude _woonste_, ons _woning_.
[199] _eetzak_, _voederzak_.
[200] Zooveel als _kast_, zaamgetrokken uit _schap_rade; _schap_ wordt nog altoos in Overijsel voor de plank in een kast gebezigd.
[201] _giftplant_.
[202] Anders _tasch_; verg. boven XXXIII, aant. 188.
[203] Alexander van Macedonië.
[204] Gelijk nog in de dagelijksche spreektaal voor _aan_.
[205] Gelijk veelal bij de dichters van Vondels tijd, voor _alles_.
[206] _werkzaam_, er op _bedacht_, _op uit was_.
[207] _onschuldige._
[208] _bezigen._
[209] _op de proef stellen_, _nagaan._
[210] _grappenmaker_ (verg. nog ons _poets_) en zie boven XXXIV. aant. 191.
[211] _schertste_ (van 't oude _boerde_, een grap.)
[212] voor _'t meerendeel_.
[213] Zoo lees ik voor _dat_, 't welk hier geen zin geeft, en waarschijnlijk uit het twee regels later volgende is ingeslopen.
[214] Voor _ligst du_ met het geheel vergeten voornaamw. van den 2en pers. enkelv.; ook Vondel verwart hier echter reeds den 2en pers. der gebiedende wijs van 't werkw. met die van de aant. wijs, _ligst_ voor _lig_.
[215] _beladen._
[216] Thans _voort_, gelijk _altijd_ bij Vondel _altijds_; verg. boven XXX, aant. 116.
[217] Gelijk nog in de Overijselsche spreektaal.
[218] Rijmshalve voor _verdrinken_.
[219] _overleg._
[220] _kring._
[221] _dut_ kan hier geen goeden zin geven, en is alleen rijmshalve te verklaren.
[222] Verouderd voor _wijsgeer_.
[223] Bij 't middagmaal.
[224] Voor _zoo en_; verg. boven bladz. 1 aant. 374.
[225] Voor de _wijsgeer_; verg. boven XXVI.
[226] _voor._
[227] _oplost._
[228] _toorn._
[229] Thans _zelfden_.
[230] Thans _schielijk_ (dat eigenlijk voor _schierlijk_ staat).
[231] Anders _leunen_.
[232] Men zou hier liever _hij_ lezen, daar nu de volgorde averechtsch is.
[233] _ziet gij_.
[234] Lees liever _grijnst_, daar het anders geen zin geeft.
[235] _zakken_; verg. boven XXXIII en XXXVI.
[236] _Gallische_; naar de oude overlevering had de zoogenoemde Tyrische Hercules, op zijne tochten door West-Europa, Gallië de eerste beschaving aangebracht. (Verg. desbelust Am. Thierry's _Hist. des Gaulois_ I, p. 62.)
[237] _Of-schoon_.
[238] Voor _zijner_; thans _zijne_ of _zijn_.
[239] Thans _tong_.
[240] _welsprekend_.
[241] Anders _sleur_.
[242] Thans in den verlengden vorm _bevestigde_.
[243] Thans _tong_.
[244] Thans _zond_.
[245] _Beval te_.
[246] Basterdvloek voor _Gods_.
[247] _bedenkt_.
[248] _altijd_.
[249] _gewrocht_.
[250] Thans _worden_.
[251] Hier in den zin van _gekald_, waarmeê het trouwens in oorsprong één is (verg. 't Hoogd. _wald_ en ons _woud_, enz.)
[252] Thans tot _schole_ en _school_ geslonken.
[253] Anders _dure_; gelijk vervolgens _stierman_ voor _stuurman_.
[254] Anders _faam_; verg. 't oude _nieuw-mare_ voor ons _nieuwstijding_, en 't dichterlijke _maar_, _mare_ voor _bericht_.
[255] Rijmshalve voor _tromp_, thans _trompet_.
[256] _voor zoo ver noodig_.
[257] Gelijk reeds herhaaldelijk voor _lage_.
[258] Zaamgetrokken uit _wilt het_.
[259] _kan_.
[260] _verstandig zijt_.
[261] _wie er--God betere 't--dan ook vasten moge_; niet, gelijk Van L. schijnt te willen: _God zorge maar voor hem, die vast_.
[262] _bedenkt_, _weet wel_.
[263] Voor _des te eer_.
[264] _schroomvallig_.
[265] _doodt_ (verg. 't Hoogd. _würgen_).
[266] _ouderdom_.
[267] _hennepen_ (versta: _aan de galg_.)
[268] Anders _glinstering_.
[269] Gelijk vroeger steeds voor ons _omdat_.
[270] Anders veelal _striemen_.
[271] Thans _alwaar_.
[272] Voor _leidt_.
[273] Naam van Hercules, als kleinzoon van Alceus.
[274] Thans _besprengd_.
[275] Thans _tegendeel_; verg. echter ons _jegens_.
[276] _naaktst_, _kennelijkst_.
[277] _keuken_.
[278] _houdt het_; verg. boven XLVI, aant. 394.
[279] _Thans wil_.
[280] Anders en beter _in_, maar hier door de tegenstelling _op 't bedde_ veroorzaakt.
[281] Gelijk steeds in Vondels tijd, voor 't natuurlijke _haar_; verg. vroeger.
[282] Lat. 3e naamv. van Cyrus, den bekenden Perzischen koning.
[283] Voor 't land der Scythen, (gelijk Zweden, Saxen, enz. voor 't land waar de menschen van dien naam wonen).
[284] _storten_ (eig. _doen lekken_).
[285] _staan_, _weêrstaan_.
[286] Met dichterlijke vrijheid voor _zoo lang tot zij_.
[287] Thans _werpt het_.
[288] Thans _gij_.
[289] Lat. bijv. naamw. voor _van Circe_.
[290] _kunt_.
[291] _de verklaring geeft_; (van 't Grieksch-Lat. _glossa_, dat uit het midden-eeuwsch kerke-Latijn in 't Hollandsch overging.)
[292] Midden-eeuwsch Latijnsch schrijver.
[293] _omgaat met_.
[294] Versterkte vorm van _grijpen_.
[295] _voedt_.
[296] _ontfutselde_.
[297] _wisselzieke_, _ongestadige_.
[298] Thans _vuile_.
[299] Gelijk _leerlijk_ (zie boven), thans door _leerrijk_ verdrongen.
[300] Voor _jonge_, en wulpsche, _snaken_.
[301] _ontvlamde_.
[302] _vermoogt gij_.
[303] Thans _gegeten_.
[304] Verkeerdelijk voor _niemand_; men zou daarom haast _niemand aan_ willen lezen.
[305] _vrijers_.
[306] Voor _bezwijkt_; verg. echter 't enkele _zwicht_.