Part 6
Het is nog hedendaags een algemeene spreuke: "'t Vat houdt naar 't eerste sap doch altijd zijnen reuke." Dit heeft Lycurgus eer natuurlijk op het blootst[276], Met eenen ranken wind- en huishond uitgebootst; De windhond brij en pap had altijd in de koken[277], De huishond op de jacht 't gevangen wild geroken; Dees bracht hij beide op 't leste in 't openbaar ten toon, Elk koos van stonden aan het geen hij was gewoon: De windhond koos den brij, en de ander koos het wildbraad, En eten 't t'zamen op, eer een van beiden stil staat. O ouders! leert hier uit, eer gij u doet te kort, 't Kind aardt naar 't gene hem van jongs is ingestort, Dus houdet[278] van der jeugd in eenen goeden regel, En drukt hem in 't gemoed de deugd als eenen zegel, Want 's kinds herte is als wasch, waar in gedweeg en mild De meester prent en drukt de letter, die hij wilt[279].
LI.
(SEMIRAMIS.)
Gij ziet 't gebreideld ros hier met een vrouw beladen, Die elk verwonderd heeft met mannelijke daden. _Judith._ 13. Bethulia, door Gods en Judiths tegenweer, Nam Holofernes 't hoofd, en sloeg het gansche heir.
Ziet, hoe een man'lijk hert schuilt onder vrouwenkleed'ren; Ziet, hoe Semiramis stelt 't heer in zijn geleedren, Ziet, hoe kloekmoedig zij, gezeten op het peerd, Grijpt met de een hand den toom, met de ander hand het zweerd; Hoe de afkomst van heur bloed, en koninklijken adel Zij niet op 't bedde toont, maar op[280] den gouden zadel, En rijst nog 's morgens vroeg, vóór 't blinken vande zon, Als eenen bliksem op naar 't pratte Babylon; Zij strijdt, zij overwint, zij slaat den vijand t' onder, En, met veel wapen-roofs, keert weêr als eenen donder; Ziet, hoe zij heur paruik[281] diep inde palmen bergt, Hij ligt al onder voet, die heur ten strijde tergt.
LII.
(GELESCHTE BLOEDDORST.)
Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop, (Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop. _Job_, 15. De goddelooze mensch leeft altijd in bezwaren, Ook en weet de tyran 't getal niet van zijn jaren.
't Was Cyro[282] niet genoeg, dat zijne kroon bepereld Was met den halven kreits of ommeloop der wereld, Hij moest in Schyten[283] nog den kloeken wapen-held, Tomiris liefste zoon, begraven in het veld. De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken[284], Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken. "O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!" (Zegt zij) "ik zal u biên het voorhoofd[285] in 't gebergt, Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten". Zij trekt hem in 't gemoet, en slaat hem inder engten, Met al zijn oorlogs-heer, in 't krieken vanden dag, Dat niet een overblijft, die 't na vertellen mag. De strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken, En onder zoo veel doôn den dooden Cyrum zoeken, Zoo lange zij[286] hem vindt; en laat van stonden aan Zijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan: Het konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede, En worpet[287] in een vat, dat vol is vanden bloede Van zijn verslagen volk; "ligt (zegt zij) daar in 't nat, Du[288], bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat." Aldus wie bloed vergiet ('t is zoo van God besloten) Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.
LIII.
(KRACHT DER ZONDE.)
Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkand'ren, Door Cyrce's toover-drank, in wild gediert verand'ren. 2 _Pet._ 2. De hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras, De zeuge weêr in 't slijk, als zij gewasschen was.
Ziet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm versteken Aan 't land Cyrceum[289] vast), door Cyrce's looze treken En boozen toover-drank, verliezen 's lijfs gedaant; Die menschen waren eerst, zijn beesten eer men 't waant. Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt[290] ontberen Dees zeldzaam fabel, die (zoo 't schijnt) u niet kan leeren, Hoort, hoe de wijsheid zelf zoo aardig hier op gloost[291], Als inden kerker zij Boëthium[292] vertroost: Zijn menschheid (zegt zij) is verdwenen en verslonden, Die onderworpen is het juk der snoode zonden; Die zich in 't kwaad verkeert[293], 't zij de eene of d' ander uur, Terstond daar door verliest zijn mensch'lijke natuur: Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen[294], Is eenen wolf die zich geneeret[295] op de schapen: Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft, En eenen hond gelijk, die ieder een aanblaft: Die vrolijk is, wanneer hij iemand iets ontlorden[296], Te recht met eenen visch mag vergeleken worden; Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot geschreeuw, Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw; Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen, Mag voor een blonde hinde of hert gehouden wezen: Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn, Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn; Die wispelturig is, met vele onstade[297] grillen, Zal vande vogelen zoo vele niet verschillen; Die in onreinigheid en vuiligheid opwast, Is aan den snooden lust der vuiler[298] zeugen vast; En aldus wordt den mensche (ik stemme met vele ouden) Een beeste, of hij schoon 's lijfs gestalte heeft behouden.
LIV.
(PENELOPE'S TROUW.)
De daad Penelope's is een leerachtig[299] voorbeeld, Want met heur kuischheid zij de onkuischeid heeft veroordeeld. _Eccles._ 26. Een deugdzaam fijne vrouw, die eerbaar is en kuisch, Is 't beste goed des mans, en 't ciersel van heur huis.
Komt bij Penelope, o, vrouwkens! hier ter scholen, Die, t'wijl Ulysses vast gaat twintig jaren dolen, (Tien jaren om de blom van Menelai hof, Waarom 't schoon Trojen werd geblixemd al tot stof; En andre jaren tien door de ongestuime baren, Waar meê hij stoffe geeft Homeri zoete snaren) Heur zuiverheid behoudt; hoe lange hij vertoeft, Zoo blijft zij hem getrouw; hoe hard zij wordt beproefd Van zoo veel welpen[300], en ontstekende[301] benijders Van heur sneeuwwitte vleesch, 't zijn al vergeefsche strijders, Hoe zij gepijnigd wordt: "Ulysses is lang weg, Misschien door Hectors zweerd gevallen in 't beleg, Of op zijn wederkomst (dit hebdy[302] licht te gissen) Verzopen inde zee, en g'eten[303] vande visschen;" Maar als zij nu op 't lest zal laten inden strijd Het heiligst, dat zij heeft Ulyssi toegewijd, Zij hen uitstelt zoo lang, tot dat zij 't fijne webben 't Welk zij begonnen heeft, zal afgeweven hebben. Hier meê zijn zij gepaaid; dus, wat zij inden dag Weeft, dat ontweeft zij 's nachts, als 't niemanden[304] en zag. O, pollen[305]! zijdy blind, gij meent den brand te blusschen, Ziet, wat zij 's nachts ontvlecht, zoolang, tot ondertusschen Ulysses weêr betreedt den dorpel van zijn huis, En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis. De minnaars druipen weg, zij zien haast wat daar thuis leît: Dies komt de kroon heur toe van d' onverwonnen kuischeid.
LV.
(VRIENDSCHAP.)
't Oprechte Vriendschaps beeld drukt hier zijn eigenschappen Op 't alderlevendst uit; o, volget zijn voetstappen! _Proverb._ 17. Een trouw en oprecht vriend heeft lief tot allen tijden, En als een broeder is altijd bereid tot lijden.
Een Statua tot Room was weerdig aan te merken: 't Oprechte Vriendschaps beeld, weldadig in zijn werken, Was eenen jongeling, met een blijde aangezicht; D'wijl ware vriendschap niet door oudheid en bezwicht[306]: Zijn kleed was vrolijk groen: de vriendschap is steeds jeugdig En elk een aangenaam; in zijn zoet voorhoofd vreugdig, De grijze wintertijd en zomer was geprent, D'wijl vriendschap in onspoed en voorspoed blijft ontrent[307]; Op zijnes herten kolk gedrukt stond _bij en verre_, D'wijl vriendschap verre en bij schijnt als een morgensterre; In zijnder kleed'ren boord stond dood en leven beid', D'wijl 't leven noch de dood geen ware vriendschap scheidt.
LVI.
(DAMON EN PYTHIAS.)
Hoe twee gemakkers[308] zijn malkandren trouw gebleven, En hebben in 's doods nood de een d'ander niet begeven. _Joan._ 15. Waar zag men grooter liefd' (hoe vurig zij ooit brande!) Dan daar men stelde 't lijf voor zijnen vriend te pande!
In eenen diepen put lag Damon vast gebonden, Zijn borg bleef Pythias; hij werd na huis gezonden, Mits dat hij keeren zoude, en uit de vangenis Des kerkers zijnen vriend verlossen voor gewis: De wederkomst vertrok[309], den tijd, die was verstreken, Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken: Zijn vonnis was gemaakt, hij werd geleid ter dood, Maar Damon t'wijlen komt, en ziet hem in den nood: "Heer koning!" (zeide hij) "tast mij aan zonder zorge, Ik, schuldenaar, ontsla hem van zijn trouwe borge! Ik ben den rechten man, ik heb de dood verschuld[310], Dies mijnen vrund ontslaat, en 't recht in mij vervult!" De koning, al verbaasd bezag dees lieve vrinden, Die trouw tot in der dood malkanderen beminden, Dies hij verwonderd was, en in zich zelven loeg, En om zoo trouwen daad hun beidegaêr ontsloeg. Dus eenen trouwen vriend is beter als veel broedren, En kostelijker schat dan al des werelds goedren.
LVII.
(KLUCHTIGE WIJSHEID.)
Empedocles bewijst hier, met een kluchte fijn, Dat daar het vierschaar slaapt, de rechters ezels zijn. _Jerem._ 22. Om dat Josiæ zoon 't gerecht niet wil handhaven, Als eenen ezel hij op 't veld zal zijn begraven.
Empedocles, voor 't recht of vierschaar, onversaagd Als taalman kwam voor een, die hard was aangeklaagd; Daar komende vand[311] hij de rechters t' zamen slapen, Dies sprak hij kluchtig, om hun listig te betrapen[312]: "Een reiziger, als hij om reizen was bedocht, Huurde eenen ezel, die hem spoedig dragen mocht; Maar onderwegen hij, amachtig[313] en schier flaauwe, Koos voor des middags brand des ezels koele schaauwe: Den eigenaar des muils[314] die van der zonnen vlam Schier smolt, die zeide, dat 's beests lommer hem toe kwam; Den andren wilde hem daarmede niet gerijven. Dus om eens ezels schaauw' men twee zag heftig kijven"... Hiermede Empedocles zweeg, of hij was vermoord; De rechter hoorde toe, en sprak: "vertelt ons voort". Doen loeg de filosoof, en voegde nog bij dezen: "Recht eenen ezel gij moogt vergeleken wezen; Want in eens ezels schaauw schept gij veel meer vermaak, Als gij deedt, toen gij sliept in des misdaders zaak". O, dat was recht gezeid! zij mogen 't nog wel hooren: Vrij, Musa! waar hij zit, daar vat hem hij zijn ooren!
LVIII.
(WARE WELDADIGHEID.)
Archilla heeft uit liefde en broederlijker zorgen[315], Goedhertig zijnen vriend geholpen in 't verborgen. _Matth._ 6. Werpt met uw rechterhand de gaven in Gods koffer, Dat zelfs de slinker niets en weet van uwen offer.
Archilla (zoo men zegt), die, milde en rijk van goedren, Stond de bedroefden bij als waren't zijne broedren, Naauw speurende, hoe dat in grooten nood gebrocht Was zijnen lieven vriend, hem vlijtig heeft bezocht, En heim'lijk onder zijn zit-kussen weggescholen[316] Een goede somme munts[317], als of hij 't had gestolen. Hij heeft een rijk thresoor[318], die zoo zijn goed besteedt, Dat hij 't naauw zelver speurt, noch zijnen vriend schier weet[319]; De gifte blijft hem bij, zijn weldaad onvergeten Hem weder in den schoot wordt dobbel toegemeten. Des armen dorstig hart, dat is des wijzen flesch, Zijn gelden hij verspaart in zijnes naasten tesch[320], Hem zelven hij besteelt, en maakt veel goede vrinden: Die hier zijn goed verliest, die zal't hier namaals vinden.
LIX.
(BELOFTE MAAKT SCHULD.)
Hier ziedy 't schoon voorbeeld, den grooten Roomschen[321] Tempel Van 't Menschelijk Verbond, ons tot een goed exempel. _Eccles._ 5. Het geen gij God belooft en wilt geenszins vertrekken[322], Want een mishagen heeft den Heere aan de gekken[323].
Numa Pompilius liet stichten, binnen Romen, Den tempel des Verbonds, zeer schoon en uitgenomen[324]; Hij was heel cirkel-rond in zijnen ommeloop, 't Gewelf te zamen hing gebonden knoop aan knoop[325]. De Romers kwamen hier, 't was eenen fijnen regel, Al 'tgeen hier werd beloofd hield vast als eenen zegel. Fy! schamen moeten zich, die nu met hunnen mond Beloven dit of dat, en breken 't weêr terstond. Wie iemand iets belooft (past wel op deze leere!) Is door zijn eigen woord verbonden aan den Heere. Wie zijn beloft dan breekt, die breekt een heilig slot, En spot met geenen mensch, maar met den hoogen God. Dus als gij iets belooft, ziet of gij 't ook kunt boeten[326], Want 't is een schuld, die gij zult God betalen moeten. Wie zijn verbond niet acht, en zijn beloft vergeet, Heeft een twee-snijdend zweerd voor zijnen hals gesmeed.
LX.
(IJDELE ROEM.)
Aanmerkt, hoe Firmius, gelijk de dwaze doren[327], Ons zijne kracht laat zien, en zijne sterkheid hooren. _Jerem._ 9. De sterke wachte zich (hoe krachtig hij zich noeme), Dat in zijn groote kracht hij niet te zeer en roeme.
Zoo sterk was Firmius van lichaam en van leden, Dat, klits-klats, klits-klats, hij met hameren liet smeden Op een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lag; Want nooit verstaalder mensch men immermeer en zag. Maar of schoon zulken kracht hij hadde vande Godheid Ontvangen, niettemin was 't wel eene groote zotheid, Dat hij met zulk gevaar beproefde zijne kracht; De wijze man[328] zijn doen bespottet en belacht: De kracht des lichaams ons nature niet geschonken En heeft, op dat wij daar meê heerlijk zouden pronken, Noch om door ijdele eer daardoor te zijn beromd[329], Maar nutten[330] dankbaar die, daar 't ons te passe komt.
LXI.
(MISBRUIKTE KRACHT.)
De sterke Milon hier een ieder wil ontluiken[331], Dat elk verhoeden zal zijn gaven te misbruiken. _Judic._ 16. Of schoon de Nazareen[332] had veel gewelds bedreven, Zoo bracht zijn sterkheid hem ten laatste toch om 't leven.
De sterkheid Milons wordt gedacht van ons voorouders, Die eenen grooten stier, geladen op zijn schouders, Licht op eens hoogen bergs verheven spitse droeg, Alwaar hij met zijn vuist hem dood ter aarden sloeg, En eindelijk zijn maal daarmede heeft gehouwen[333]: D' hoofd-slapen hij bewrong met dik gedraaide touwen, En zijn hoofd-zenuwen zoo krachtig hij verhief, Dat alles brak in twee, het was dan leed of lief[334]: Hoe geerne wilde ik zien, dat iemand hem ontrukte Den appel, dien hij met vier vingeren omdrukte: Maar door verwaandheid (laas!) hem eindelijk, hoe vroom[335], Zijn eigen kracht bedroog, toen eenen dikken boom Om scheuren hij met beî zijn handen heeft gegrepen; Want als de klove sloot bleef hij daar in genepen, In 't woeste en eenzaam woud verlaten in zijn smert, Tot hij een gretig[336] aas der wilder[337] dieren werd. Dus wie zijn kracht misbruikt, gedijt ze nog in 't ende Tot zijnes[338] meesters straf, met droefheid en ellende.
LXII.
(GIERIGHEID.)
't Is Tantalus, die hier in 't water werd gepijnd, Die dorst en honger lijdt, en nimmermeer verdwijnt[339]. _Sap._ 11. Daar hier de mensche in heeft gezondigd in dit dal, Hij wederom zijn straf daarin ook dragen zal.
Eilacen! Tantalus, die niet[340] en kan verwinnen[341], Ligt inde Helle-vliet begraven totter kinnen[342]; Hem hongert en hem dorst, dat hij van smerten krijst[343], En nimmermeer wordt hij gelavet[344] noch gespijsd, Maar stadig aan getergd: hij staat diep inden gronde Des waters, en de vrucht hangt boven zijnen monde: Zoo hij naar 't water bukt, ontzinket hem de stroom, En grijpt hij naar de vrucht, zoo wijkt den Appel-boom. Maar, lieve! zegt mij doch, is niet des gier'gen herte Als Tantalus gepijnd, en heeft gelijke smerte? Vermits 't vervloekte goud, daar hij op is belust, Nog nooit heeft zijnen dorst en honger uitgebluscht; Hij gaapt altijd naar goud, en hoe veel gele slijke Hij vreet en inneslokt, zoo'n is hij nimmer rijke, Maar in zijn goed verarmd: zoo dikwijls als hij hapt Naar goud en zilver, hem 't genoegen wordt ontsnapt[345]: Hij derf[346] naauw zijnen darm met 's lichaams nooddruft vullen, En warmt hem bij den heerd naauw bij een hand-vol krullen: Hij heeft altijd het goud als eenen wolf bij 't oor, Hij rammelt nacht en dag in zijn vervloekt tresoor: Het goud is zijnen God, dat eert hij langs hoe kloeker, Hij kankert[347] de gemeent met overbaat[348] en woeker, En als hij sterven zal, zoo is al zijn beklag, Dat hij zijn geld hier laat, en niet meê dragen mag.
LXIII.
(DRONKENSCHAP.)
Een schaap, aap, zwijn, of leeuw de dronk maakt vanden man, Als 't nat is in zijn lijf, zijn wijsheid in de kan. _Proverb._ 23. De wijn heel zoet en glad wel door de keele leekt, in den buik hij dan gelijk een slange steekt.
Men zegt, dat eenen boer of eenen botten kinkel, Die woonden op het land, (hij heeten Eloog[349] Schinkel) Met vierderleye mist van beesten heeft gevet Den wijngaard: wie te veel van dezen wijn, ik wed[350], Zal zuipen (zeide hij), ik wed dat van vier dieren Hij één naar-apen[351] zal, in alle zijn manieren: Het zij hij wordt gelijk een slecht, onnoozel schaap; Het zij hij lustig bootst[352] als eenen drol'gen aap; Het zij hij vuil, onnut, en onrein als een verken, Of eenen grammen leeuw gelijk werde in zijn werken; Want wie met vele wijns verladet[353] zijnen geest, Wordt in zijn dronkenschap het een of 't ander beest. Indien de dronkaart wist, of kon te dege ramen, Hoe hem de dronk misstaat, hij zoud' hem[354] moeten schamen.
LXIV.
(ARION.)
De Dolfijn in het meer, bewogen vande snaren, Den harper Arion[355] draagt door de blaauwe baren. _Jon._ 1. Drie dagen Jonas inden walvisch was gedolven, Die eindelijken hem spoog uit de watergolven.
De herper[356] Arion[355] den Ocean ging kruisen In een Corinthsche bark, ontziende niet het bruisschen Des grondeloozen meirs, opdat hij aan het strand Zijn stappen zetten mocht in 't schoon Hesperisch land: Maar naauw en[357] is hij t' scheep, of heim'lijk hij en hoorden, Dat hem het schip-volk 's nachts bestemde te vermoorden, Dies hij van angst en vrees schier kroop in eene schulp, Als hij verlaten zich, van alle menschen hulp, Vond in zijns lijfsgevaar; wat raad in dees verbazing! Hij gaat terstond (als door een Goddelijke inblazing) Zijn lichaam cieren, en toemaken hupsch[358] en schoon, Gelijk hij was gewoon, als hij den zoeten toon Zijns gulden citers in een schouwplaats plag te wekken, Opdat zijn ciersel nog tot zijns lijks eer mocht strekken, En dat hij als de zwane, in zijnen lesten nood, Met eenig droevig lied beklagen mocht zijn dood. Dus zijnde toebereid, dus zijnde toeberustet[359] Hij tot den schipliên zegt: "Matrozen, mij gelustet Tot d' eere Apollinis[360] een lied te heffen aan." Maar als hij naauwlijks nog ten halve heeft gedaan, De zonne in Tethis schoot, met zijne vuur'ge peerden, Daalt zachtelijken neêr, om daar zijn rust te aanveerden; Het boots-volk, al verwoed, gelijkerhand toe treedt, Eer nog zijn donker zeil de nacht hadde uitgespreed, En komt gewapend aan, om zijnen draad[361] te korten, Dies hij van boven neêr zich in de zee gaat storten: Maar eer met zijn gansch lijf hij nog in 't water plost[362] Hij van de dolfijns wordt gedragen en getrost[363], De een neemt hem op den rugge, en de ander door de baren (Als of zij dezen dienst hem dobbel schuldig waren) Geleidden hem door 't nat: dies, eer hij ommekijkt, Is't schip zoo wijd van hem, dat het een schelp gelijkt. Hij heft zijn aanschijn op, en vrolijken[364] van verren Aanschouwt de zilv'ren mane en zoo veel gulden sterren, Dies hij gedenkt, dat Gods gerechtigheid wijd zweeft, En niet met één oog ziet, maar zoo veel oogen heeft Als sterren in de lucht, daarmede hij bespiedet Al 't geen wat op der eerde of in de zee geschiedet: 't Welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt, Tot hij behouden zoo t'wijl[365] aan den oever raakt. O, domme mensch! leert hier; kruipt eens uit uwer schelpen[366], Hoe uwen naaste gij in nood behoort te helpen.
LXV.
(POLYCRATES.)
Hier zit Polycrates, die der fortuinen rad Gestadig mede liep, en[367] nimmer onspoed had. _Proverb._ 1. Der dwazen voorspoed mag haar[368] geenszins baten niet, Maar zal ten leste hen nog brengen in't verdriet.
Men zegt Polycrates, gelukkig boven allen, De onstadige fortuine is altijd toegevallen: Als hij op eenen tijd in vriendschap zich verbond Met zijnen goeden vriend, hij, boven hand en mond, Om deze vriendschap vast en trouwlijk te bevesten Nog zijnen gouden ring in 't water wierp ten lesten: Maar als hij naderhand, naar koninklijken eisch[369], Zeer aardig aan den disch zat binnen zijn paleis, Vand hij den zelven ring, die was in 't meer geworpen, In 't lijf van eenen visch zeer zeldzaam opgeslorpen[370]. O wonderlijk bedrijf! het schijnt wel voor gewis, Dat menig mensche tot geluk geboren is: Den eenen jaagt' er naar, en 't loopt steeds voor hem henen, En't komt den and'ren t' huis, zelfs eer hij 't zoude meenen. De ziende schiet naar 't wit en raakt een bonte kraai; De blinde koning wordt, en treft den papegaai.
LXVI.
(KLEIN MAAR REIN.)
't Klein vischken Remora kan lichtelijk terstond Bekrijgen een groot schip, en stooten't in den grond. _Job._ 12. Gaat, vraagt uw moeder de aarde, opdat zij 't u bediede, De visschen zullen u vertellen het geschiede.
Het vischken Remora, lang eenen halven voet, Heeft eenen hoorn in 't hoofd, daar 't groot geweld meê doet; Want het Antonij[371] groot galioen verletten, Daar 't opgeblazen kwam met volle zeilen zetten In 't Adriatisch meer, en boorde 't schier te grond: Waarom Erasmus dit, met zijnen gulden mond, Tot een gelijkenis gebruikt heeft, zonderlingen[372] Bij 't kleine lid, de tong, die zulke groote dingen In korten tijd beschikt, gelijk als 't roer, dat 't schip In een goê haven stiert, of 't op een herde klip Schip-breuke lijden doet. Laat ons hier altijd leeren, Dat in 't klein schepsel meest uitmunt de kracht des Heeren!
LXVII.
(WIJZE RAAD.)
Demosthenes hier bij gelijkenis verklaart, Dat zonder wijzen niet een stad mag[373] zijn bewaard. _Sap._ 6. Veel beter wetenschap dan kracht in hare werken; De wijze van gelijk is beter als den sterken.
Als Ph'lippus had verzocht de Atheensche wijze tolken, Sprak bij gelijkenis Demostheen tot den volke: "De schapen waren met de honden eens getreên In een verbond, dies zij de wolven t' zaam bestreên: Maar als de wolven nu, hoe krachtig inde wapen, Het krijgen niet en holp[374], zij met de onnoos'le schapen Besloten eenen vreed'; dies zij van stonden aan De honden mosten hun[375] kwijtmaken en ontslaan: De schapen deden zoo; maar als zij nu bloot zaten, En hadden onbedacht de honden heel verlaten, De wolven wederom aankwamen met geweld, En hebben zoo de kudd' verslonden op het veld." Hier meê Demosthenes bewees uit der naturen[376], Dat hun niet baten mocht de sterkheid van haar muren, Indien zij lieten gaan de wijzen van der Stad; Want daar geen wijsheid is, daar zijn de wallen plat.
LXVIII.
(DWAZE OPHEF.)
Leergierige! leert hier, aan een gecierde rave, Dat gij u niet verheft in iemands anders have. _Eccles._ 11. In cierlijk schoon gewaad verheugt u niet al t' seffen[377], Noch wilt u in den dag der eeren niet verheffen.