Part 3
[70] Voor groote _schepen_.
[71] Daar hij in 1597 vermoord werd.
[72] _dierbaar_ of _duur-waardig_.
[73] J. Sz. van Neck.
[74] Voor _gewaagd_.
[75] _voor_.
[76] _uurglas_, _tijd_.
[77] Rijmshalven voor van _Magellaan_.
[78] _van masten_ nam.
[79] _gekrulde_, _golvende_.
[80] _opmerker_.
[81] _zoudt gij_.
[82] _schepen_ (gelijk boven _kasteelen_).
[83] _punt_.
[84] _top_.
[85] _tochtgezellen_ (zinspeling op die van 't gulden vlies der oudheid).
[86] Prins Maurits.
[87] Oostende, (wegens 't driejarig beleg).
[88] _Legt u_, _gaat of blijft liggen_.
[89] Naar de plat-Hollandsche uitspraak voor _strand_.
[90] Voor _lage_.
[91] Minder juist voor _prijs gegeven_, _gewaagd_.
[92] De Engelsche ridderorde van St. Joris.
[93] Thans _zich_.
[94] Anders _Tulband_.
[95] _versteend_, _doof._
[96] _baat_ het.
[97] laag.
[98] Thans _na_.
[99] _kring_, _perk._
KLINKERT[1]
OP DE WONDERLIJKE REIZE VAN DEN HOORNSCHEN MEERMAN[2] WILLEM CORNELISZ. SCHOUTEN.
Als over Hooren blies de faam haar gulden hooren, Hoe Schouten d' aardenkloot op nieuws was omgegaan[3], Niet meer als andre, door de Straat van Magellaan, Maar de engte van Lemair, zoo niemand deê te voren;--
"Nu is," sprak Ferdinand[4], "mijn eeren-krans verloren!" Draak vuur en vlam uitspoog, en Thomas[5] zag men staan Versuft door wangeloof; Van Noord sprak welberaân: 't Is _oly_ in het _vier_[6], om na iets nieuws te sporen[7]!"
En Spilbergh naauwlijks nog 't gerucht en kwam verrassen: "Nu leggen" (riep hij) "al mijn _spillen_ in der asschen[8]!" O, Magellaan! vaartwel, Draak, Candish, Olivier, En Spilberg, die tot nog geweest zijt trouwe makkers; 't Is heel met ons gedaan; de _Schout_[9] komt met zijn rakkers[10], Fluks jongens! op een zij, en pakt u weg van hier!"
[1] Anders _Klinkdicht_. Wij plaatsen hier dit gedicht om de gelijkheid van 't onderwerp, hoewel het anders eerst een vijf of zes jaar later volgen moest, daar het verhaal van Schoutens reis eerst in 1618 werd uitgegeven.
[2] Zinspeling op zijn scheepsbedrijf.
[3] In 1615 en vv.
[4] Magellaan.
[5] Cavendish.
[6] Klankspeling op Van Noords voornaam.
[7] Voor _speuren_.
[8] Thans _in de asch_.
[9] Zinspeling op den naam Schouten.
[10] _knechts_ (eigenlijk die des beuls, als _rekkers_ op 't pijntuig).
De Gulden Winkel der Konstlievende Nederlanders,
GESTOFFEERD MET
VEEL TREFFELIJKE, HISTORISCHE, FILOSOFISCHE, POËTISCHE, MORALE EN SCHRIFTUURLIJKE LEERINGEN;
VERMAKELIJK EN STICHTELIJK
VOOR ALLE STANDEN VAN MENSCHEN.
(1613.)
DE DICHTER WENSCHT ZIJNEN Z[WAGER],
ABRAHAM DE WOLF,
GELUK ENDE EEUWIG WELVAREN.
De deugd, de witte[1] deugd, die altijd werd[2] verschoven, De deugd, die 't edel goud en peerlen gaat te boven, Is de alderschoonste kroone en 't heerlijkste cieraad, Dat hier den mensche siert, waar dat hij henen gaat. Wat is een deugdig mensche een siersel vander eerden! Of schoon den[3] meestendeel hem acht van kleender weerden[4], Zoo blinkt hij inden hoop van dit verkeerd geslacht, Gelijk een gouden sterre in 't droefste vanden nacht: Of als een schoone roos, die in de doornen-struiken, Op haren groenen steel heur bladen gaat ontluiken, Waar uit de Lentsche[5] bie (terwijl de zonne straalt) Geen doodelijk venijn, maar zoeten honig haalt. Hoe heusch is zijnen mond! hoe heilig zijn zijn treden! Hoe liefelijk zijn taal! hoe aangenaam zijn zeden! Hoe statig van gelaat! hoe matig aanden disch! Al wat men aan hem ziet aanmerkensweerdig is: Gelijk een lely-bloem verspreidt hij zijne reuke; Een lesse is elke daad, elk woord een gulden spreuke, Die aan hem werd[2] gespeurd, die van hem werd gehoord, Al zwijgt hij schoon[6], zoo spreekt al watmen aan hem spoort[7]: Hij is een naakt voorbeelde, of spiegel, daar de gekken Schaamrood in mogen zien hun schandelijke vlekken, Daarmeed' zij zijn besmet, daarmeed' zij zijn besmeurd[8]; Hij is de rechte toets, waar aan de vrome[9] keurt De deugd van zijne deugd, de vroomheid van zijn leven, Hoe hoog hij klimmen moet, hoe leeg[10] hij is gebleven: Vermits de berg, waar op de deugd stijgt inde locht, En heur gelauwerd hoofd maakt inde wolken vocht, Zoo hooge is en zoo steil, ja moeilijk om bestappen, Langs eenen engen pad, met gladde en slimme[11] trappen; Vermids van duizend naauw raakt eenen op den tsop[12] Van dees verheven hoogte, alwaar hem zijnen kop[13] Met palm bevlochten werd[14], tot teeken dat ten lesten Een heerlijke kroon den klimmers is ten besten;-- Zoo hebben de ouden nooit noch vlijt noch moeit gespaard Om wisselen[15] in deugd des menschen kwaden aard: De filosofen of verstandige wijs-gieren[16] Vervulden tot dien eind' het wit van hun papieren Met meenge schoone les, welk, als een rijk kleinood, Zij wirpen[17] ieder een, om niet, in zijnen schoot, En door een god'lijk vuur des yvers voortgedreven Bevestigden hun leer met een goed heilig leven, Als penningen, die niet van heldre munte alleen Maar oprecht van allooi ook blonken voor elk een. Pythagoor, Samos' roem, ons leeret als de wijze Gebruiken soberheid in drank en ook in spijze. De goede Socrates, onnoozel, zonder schuld, Leert ons het lastig kruis verwinnen met geduld. Dioognes, in zijn vat, bespot het ydel wroegen[18] Van onze onnutte zorge, en leeret ons genoegen. De tijdelijke haaf, leert Crates, de Thebaan, Om vord'ren inde deugd, ons al geheel ontslaan[19]. En Solon dadelijk, vermaant ons zonderlingen[20] Met stille zedigheid ons losse tong te dwingen. _etc._ Maar den verdurven mensche en wast noch niet genoeg, Of zijn gemoed alschoon[21] met der wijs-gieren ploeg Dus omgespittet was; dies veel Poëten abel[22], Om leer en met genucht, verzierden[23] meenge fabel, Die onder hunne schorss' gemeenlijk hielden in Een schoon geheimenisse of leerelijken zin, Daarmede 't woeste volk, al boerdig[24] en met jokken, Als met een lokkende aas, goedwillig werd[14] getrokken In 's wijsheids heilig net, den goddelijken strik, Die ons gelukkig maakt op eenen oogenblik. D' history-schrijvers, die benevens hun voortbrachten Al d'oû geschichten[25] op den Altaar der gedachten,[26] Betoonden ieder een, met menig voorbeeld schoon, Hoe 't kwaad zijn straffe vindt en 't goede zijnen loon; Hoe de eene om leege[10] valt, en de ander is geklommen, Wanneer, waarom, waardoor dit al is bijgekommen[27]. _etc._ Maar als ik nu te gaâr[28] het onderscheiden werk Van alle schrijvers raap, zoo is hun oogen-merk En doel-wit algemeen geweest, het schoon bekranste Beeld van d' oprechte deugd, de bruid daar 't al om danste: Ik, volgende als op 't spoor (hoe kwalijk het mij veugt)[29] Hier eenen winkel heb geopend, daar de jeugd Een kostelijk threzoor van veelderlei kleinoden, Voor een kleinen prijs werd vrundlijk aangeboden: De dicht-kunst vindt men hier vereenigd hupsch en fijn Met beelden, d'wijl zij beids[30] gezusters t' zamen zijn: De een spreekt, en de ander zwijgt; de een klapt 't geen de ander heelde; 't Gedicht verklaart den zin en leerlijkheid van 't beelde; De beelden zijn de stof van 't vloeyende gedicht, En toonen ieder zoo een vrolijk aangezicht. Maar als ik ommezie, wie met een milde ontfermen Mijn slechte Musa voor de schempers zal beschermen, Ik mijnen Abraham verkieze, knap en gaauw[31] Die heur vergunnen zal een liefelijke schaauw': Alreede is zij verblijd, misschien om dat den zegen, Dien hij te Romen heeft zoo goedertieren kregen Van zijne Heiligheid[32], hij, uit zijn goedheid plein[33], Zal storten op heur hoofd en maken heur gemein[34]: Ei! ziet eens hoe zij lacht, om dat zij valt in handen Desgenen, die verliet des Rijns vermaarde stranden, En kwam te Parthenoop'[35], daar Maro[36] uit der tijd Heeft zijne sterflijkheid den marmor toegewijd. Goedwillig dan aanvaardt, Mæcenas[37]! mijne gunste, Die hier in meer uitmunt, als mijn geringste kunste, Omhelst mijn Zang-godin, en bindt alzoo te hoop Ons lieve zwagerschap in eenen vasten knoop.
Den al uwen Z(wager)
I. V. VONDELEN.
DIRK PIETERSZ.[38]
AAN ALLE DEUGD- EN KUNST-LIEVENDEN.
SONNET.
Liefhebbers! komt vrij aan, voor ieder een staat open De Gulden Winkel hier: komt en beziet vrij, of Veel liever koopt mij uit: ik heb hier nieuwe stof Om voeden uwen geest; voorbij en wilt niet loopen. Voor een geringe munt wilt eenen Winkel koopen Van alderhande waar, of eenen schoonen hof Van alderlei gebloemt, waaruit gij moogt met lof U vlechten eenen krans; plukt bloemkens hier met hoopen, Of zoo 't u niet en lust, wordt biekens[39], en met vlijt Uit dit geschilderd dal zoet honigzeem confijt. Hymettus staat hier schoon gebloeid als eenen ruiker. Hier is des deugds trezoor; indien gij zijt belust, Leergierigen! komt hier, en uwen honger blust; De deugd bereikt de kroon, zij eindigt al in suiker.
DEUGD BEREIKT DE KROON.
I.
(ADAM IN 'T PARADIJS.)
Twee werelden ziet hier, d' een groot en d' ander kleen, Die wonderlijk te zaam zich[40] dragen[40] overeen. 1 _Pet._ 1: Al 's menschen heerlijkheid, al 's menschen pracht en roeme, Is niet als gras en hooi, of als een veldsche[41] bloeme.
Aanschouwer, of het u een dwaasheid docht verwijtel[42] Dat 't redelijke dier[43] onaardig met den tytel Van Kleine Wereld[44] werd gecierd en afgemaald[45], Ik bid's u, op dit beeld' eens met uw aanzicht straalt[46] Den mensen, den kleinen mensch toont u in korter[47] stonde, Kleen zijnde, 't heel begrijp van 's werelds groote ronde. God heeft den grooten AL door 't eeuwig woord geteeld, Hij is den Schepper ook van dit zoet-apig[48] beeld: Zee, hemelen, en aard' bestaan in vier hoofd-stoffen, Zoo doet dit schepsel ook; is dat niet juist getroffen? Zijn gramschap is het vuur, zijn roode bloed de locht, Zijn vochtige natuur het water koud en vocht, En zijn zwaarmoedigheid is de aarde droef en duister. Heeft 't koninklijk paleis des werelds, vol van luister, Oost, Westen, Zuid en Noord, voor open poorten vier, 't Is even eens gesteld met dit twee-ledig dier: Zijn rechter is het Oost, zijn slinker hand het Weste[49], Zijn hoofd het Zuiden, en zijn voeten 't Noordsch geweste. De groote wereld heeft twee wakkere oogen staan In 't hoofd, de eene is de zon, en de ander is de maan; De kleine van gelijk twee glinsterende kolen In zijnen hemel draagt, om 's daags noch 's nachts te dolen: Ja, niets en is het groot getimmer meêgedeeld, Dat niet in 't aanzicht van het kleine boussel[50] speelt. Den grooten Globus rolt, en werd[51] steeds voortgedragen, Van lenten, zomer, herfst en winter, met zijn vlagen; Den kleinen van gelijk zijn kindschheid wederom, Zijn jeugd, zijn manheid heeft, en zijnen ouderdom. Kort om, den grooten AL heeft zijn begin en ende, Den kleinen komt met druk, en scheidt weêr met ellende, En dus zij beidegaâr verdwijnen als een rook, Want zoo de wereld is, zoo zijn de menschen ook, Behalven dat den mensch zal worden nieuws-herboren, En uit den grave opstaan, als alles is verloren.
II.
(DE ZILVREN WERELD-EEUW.)
Ziet, hoe Jupijn bestiert des werelds zilv'ren eeuwe, Des zomers groen van 't loof, en 's winters wit van sneeuwe. _Gen._ 3: In 't zweet uws aangezichts zult gij uw brood bekomen, Tot dat gij aarde werdt, waarvan gij zijt genomen.
Toen zich den gulden eeuw' het onderst' boven wendde (Gelijk een wankel rad) met droefheid en ellende, Den zilv'ren eeuwe kwam, daar Jupiter van droeg Den scepter, die terstond op eenen and'ren boeg Het groote wereld-schip deed wonderlijke zeilen, Want hij 't twaalfmaandig jaar ging in vier deelen deilen[52]: Toen werd men eerst gewaar des zomers heeten brand, En 's winters strenge koû, de dorrigheid van 't land: Toen liep eerst ieder een ontschuilen in de klippen, 't Rood zomers aangezicht, en 's winters blaauwe lippen, En de ossen men in 't juk al hijgende en bezweet Door onzes moeders[53] borst 't krom kouter trekken deed.
III.
(CUPIDO'S VAL.)
Ziet, hoe Cupido valt, en om zijn oude luimen Zoo schandelijken moet den schoonen Hemel ruimen. _Jesai._ 13: Die boven 't hemelsch heir dacht stellen zijnen stoel, Van Godes aangezicht viel in den helschen poel.
Cupido, Venus' wicht, ontstak met zijne stralen Het heilig hemelsch koor, en al de hooge zalen: 't Een herte heeft hij voor, het ander na doorkliefd, Het kweelden[54] al van min, het kweelden al van liefd: Hij werd terstond ge-eerd van zoo veel groote joff'ren: Nu ging hem de eene dit, nu de ander dat opoff'ren. Jupijn die was beducht, ofwel (tot zijnder schand) Den Hemel op het lest mocht raken inden brand, Dies hij den bliksem nam, en, in een groot onweder, Met eenen strale vuurs hem werp[55] van boven neder. Die opgeklommen was tot 't alderhoogste wiel Met eenen leegen kop weer inden afgrond viel.
IV.
(PALLAS' GEBOORTE.)
Aanmerkt, hoe Jovis baart Minervam uit zijn hoofd, Naar dat den manken smid[56] zijn hersnen heeft gekloofd. _Jacob._ 3: De wijsheid, die van God daalt met haar witte vlerken, Is reedlijk, ongeveinsd, en vol van goede werken.
Ziet, hoe de kreuple smid Jupijn voormaals geriefde, En met een scherpe bijl van diamanten kliefde Zijn zwang're hoofd, dat hem het harssebekken kraakt. Waar door Minerva eerst in 't licht der wereld raakt. Maar zegt, ô Musa! zegt, en leeren deze versen Niet, dat de wijsheid ligt gescholen inde hersen[57]? Dat 't kleinood des verstands, gelijk een heerlijk lot Alleen van boven komt, alleene komt van God? En dat dit godlijk zaad ontvangen werd te voren, Daarna met smerte en pijn gewonnen en geboren? Maar, lieve! zegt mij doch, waarom wordt wijd befaamd De wijze Pallas ook Tritonia genaamd? Is't niet, om dat (gelijk 't begrepen werd bij velen) De wijsheid recht bestaat in driederleye deelen? 't Geen is, 't geen was, 't geen zal, volkomen alle driên Verstaan, gedenken, en aandachtig te voorzien? Waarna ten laatsten dan de koninklijke reden Zijn macht en mogendheid weet wijslijk te besteden.
V.
(PROMETHEUS' STRAF.)
Ziet hier Japeti zoon om zijn vier-dieft[58] gebonden, Wiens lever groeit des nachts, en werd des daags verslonden. _Marc._ 2: Den worm (die niet en sterft in 't ongebluste vier) Den boozen eeuwig knaagt, wanneer hij scheidt van hier.
Ey ziet, hoe Prometheus[59] van Jupiter verstooten, Zoo jammerlijk en droef aan Caucaso[60] gesloten Den Echo gaande houdt en, met een droef geween: "Ah my! ah my! ah my!"[61] wekt driemaal achter een. Den arend[62] niet en rust; ziet hem eens lever-pikken, En als een gretig aas het rouwe vleesch inslikken: De Goden lastert hij, en wenscht, in dezen nood, Dat hij zijn leven hier mag einden met een dood. Maar 't is vergeefs geklaagd, zijn lever, langs hoe wreeder, Is 's daags des vogels roof, en groeit bij nachte weder. Onzalig is te recht die 's Hemels gunste derft, Die stervende altijd leeft, en levende altijd sterft. O, mensche, spiegelt u! verzoent in tijds Gods toren[63], Want als de booze sterft zijn straffe eerst werd geboren: Al zwijgt God hier een wijl, zoo wordt nochtans het end Des kwaden, op het lest, 't begin van zijne ellend.
VI.
(DE BOOZE NIJD.)
Ziet, hoe met heur een-ooghs[64] verlies de nijdigheid Uit afgunst koopen wilt heurs naasten oogen beid'. _Proverb._ 14: Des lichaams leven is een goedig hert vol vreden, Maar bittre nijdigheid is etter inde leden.
Den grooten Jovis zand[65] Apollinem op eerden, Met zijn saffranig hoofd, en met zijn vuur'ge peerden, Op dat hij Nymfen twee zoude ernstig dragen veur, Dat hij uit louter gunst hun gaf den willekeur, Dat de een zoude eischen wat heur herte mocht bedenken, En de ander hij tweemaal zoo rijken gift zou schenken, Als de eerste wenschen mocht. 't Was niet zoo haast gezeîd, Of d'herten-knaagster kwam, de zwarte nijdigheid: "O, Febe! (zeide zij) spant uwen gouden boge Met eenen stalen schicht, en van mijn rechter ooge 't Gezicht des appels kwetst, ô Febe! ik verkies't, Ten minste de ander heur oog-appels beid' verliest." Aldus schept nijdigheid (genegen tot den kwade) Een wonderlijk' proffijt uit heures naasten schade, Ze en spaart haar eene oog niet, hoe ook de zake loopt, Wanneer zij daar meê slechts eens anders blindheid koopt.
VII.
('S MENSCHEN EINDPERK.)
Den Pijler, die gij ziet, van Godes schikking is Een levendig patroon[66] en klare beeldenis. _Job._ 14: Den Heere heeft den Mensch, voor zijnen laatsten dag, Gesteld een perk, 'twelk hij niet overtreden mag.
Den marmeren pilaar staat vast en onbezweken, Hij wijkt niet voor Jupijn, maar blijft een eeuwig teeken; In spijt van weêr en wind, klimt hij ten Hemel op, En stijgt hij inde locht met een trotschen kop: Den paal staat daar hij staat, hij weet van geen verschrikking, Te recht hij een figure en beelde is van Gods schikking, 't Gezet[67] welk is gesteld door 't Goddelijk beleed[68], Hoe groot, hoe hoog, hoe diep, hoe lang, hoe wijd, hoe breed, Wat was, wat is, en blijft, van gist'ren, heden, morgen, O, dit ligt wonder diep in Godes raad verborgen! Zoo diep, dat ik mij[69] eize, als ik dien afgrond naak; Blijd' ben ik, blijd', dat ik daar weder uit geraak.
VIII.
(GODS WRAAK.)
Ziet hoe de wrake Gods (op dat wij niet en dolen) Hier vergeleken werd bij eenen stillen molen. _Luc._ 18: Zal God niet wreken dan zijn lieve en uitverkoren, Hoewel hij goedertier, en langzaam is tot tooren?
Den molen, die een wijl staat stille zonder wielen[70], Gelijkt de wrake Gods die 't kwaad heel zal vernielen: Den molen slapet wel een wijle windeloos, Zoo doet ook Godes wrake, al zijn wij nog zoo boos: Maar als den storm-wind blaast, als of hij waar verkorseld[71] Den zwaren molen-steen al 't graan tot gruis vermorselt. Zoo ook, als zich verheft de gramschap onzes Gods, Werd al het kwaad vermaald, al zijn wij nog zoo trotsch. Den stillen molen dan ons allen zij een bake, Dat wij de goedheid Gods erkennen vóór zijn wrake: Want of zij schoon vertoeft, zoo zal zij doch in 't lest Gelijk den bliksem gaan van 't Oosten tot in 't West. Die Gods lankmoedigheid dan hier, naar 's vleeschs behagen, Heeft achteloos verzuimd, zal't veel te spa beklagen, Wanneer dengene, die hem vriendlijk heeft genood, Met een wreed aangezicht hem in den afgrond stoot.
IX.
(HEILZAAM KRUID.)
Ziet, hoe een zeldzaam kruid (o, wonderlijk bedrijf!) Het leven weder brengt in een gesturven[72] lijf. _Sap._ 16: Geen kruid noch plaaster heeft Israël in 't gemeen Genezen, dan, o Heere! uw eeuwig Woord alleen.
Twijl Esculapius vast wandelt op en neder, En tot gezondheid zoekt de kruiden groen en teder, Hij eenen herder ziet, die in een dal gezwind Strijdt met den basilisk, welk hij op 't lest verwint, Door kracht en middel van een deel gevlochten blaren, Daar zijn hoofd-slapen beid met overschaduwd waren; Dies Esculapius hem vurig daar om bad. Maar naauw den herder hem dees gift geschonken had, Den loozen basilisk, die haddet[73] haast vernomen: Dies hij om strijden weêr is haastig aangekomen. Maar, laas! den jongeling te zwak viel en te licht, Hij stort, zoo haast hij zag 't wreed monsters aangezicht! Het welk den grooten Arts naauw ziende, hem gewreven Heeft met hetzelfde kruid[74], en bracht hem zoo ten leven. 't Welk, als ik 't overdenk, gaat boven mijn verstand, Dat zulken grooten kracht het kruid is ingeplant.
X.
(GOD BACCHUS.)
't Is Bacchus die hier zit, naar 't leven uitgebeeld, Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt[75]. _Syr._ 31: Den eedlen zoeten wijn verkwikt des menschen hert, Wanneer hij matiglijk met smaak genuttigd werd.
Hier zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes, Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast à-_vous_! O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook à-_moyen_[76], 't Vat is niet hallefleêg, wij mogen noch wel poyen[77]: Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt, En Pegasus aldus gevlerkt naar boven stijgt? Is 't niet, o geve-lust, wijn-vinder, licht-beloven[78]! Omdat de wijn versterkt en stiert den geest na boven? Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand? Is't niet, omdat gij eerst den wijnstok hebt geplant? Waaromme zijdy[79] dus geschilderd blij en jeugdig? Is 't niet omdat de wijn den mensch maakt kinds[80] en vreugdig? En waarom zijdy[79] naakt? is 't, om dat onbeschaamd Den dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt? O dat is wel geraân! dus drinkt uit mijnder[81] schalen[81] Eens lekker druiven-bloed, ik zal 't gelag betalen.
XI.
(DE VREDE.)
De vreed' veel overvloeds een ieder maakt gemeen, Wanneer den dullen krijg met voeten ligt vertreên. _Job_, 22: Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden, Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden[82].
Ziet Cornucopia[83] met heuren vollen horen Ontluiken, twijlen Mars, al schuimende van tooren, Met zijn Bellona[84] ligt getreden met de voet: Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed, Zijn ijzer is verstompt, en zijne spies gebroken: Zoo dapper heeft de vreed' zich over hem gewroken. Duurt lange, o zoete vreed'! dat eeuwig voor dy buig' Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig! Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten, Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten! Zijn woedige[85] trofeên vernielt, hoe schoon en weerd! Maakt van zijn spies een zeyn[86], een kouter van zijn zweerd, Opdat den akkerman weêr met een goed genoegen Mag onzes moeders rug doorvoren en doorploegen, En Ceres wederom toewijden, met genucht, Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.
XII.
(WELDADIGE WERKZAAMHEID.)
Ziet, hoe vrouw Venus' wicht, met zijn gevlerkte sprieten, De onledige Diaan kan kwetsen, noch doorschieten. _Syr._ 33: Drijft stadig uwen knecht ten arbeid, vroeg en spaad, Want luiheid ontucht baart, en alderhande kwaad.
Ziet, hoe Diana spoeit[87] met heure wakk're brooskens[88] Langs 't schoon gebloeide veld bezaaid met roode rooskens; Ziet, hoe zij rent en loopt door 't schaduwende bosch, Geboogd, gepijld, geleersd, geladen met den tros[89], De koppels hitsende aan[90] het wild met open kelen, En geeft haar gouden haar de windekens om spelen: Hier vangt zij eene hinde, en ginder een wild hert, Dat met zijn hoornen inde takken is verwerd, Hier eenen snellen haas, die met zijn ommekijken Niet mocht in zijnen loop den ranken hond ontwijken, Nu kruist zij 't donker woud, nu schuilt zij eens in 't lisch;-- Dat ondertusschen zij Cupidoos doel-wit is, Zij niet eens merken kan, dewijl zij langs hoe stijver Volherdigt[91] inde jacht, en groeit in dezen ijver; Want wie de luiheid haat, en neerstigheid bemint De liefde in zijnen vlijt en arbeid overwint.
XIII.
(MIN EN DOOD.)
Cupido en de Dood, die sliepen beiden t' zamen; Ontwakende, zij blind elk anders schichten namen. _Rom._ 6: De dood, de bleeke dood (wanneer wij 't recht doorgronden) Is den gerechten loon en straf van onze zonden.