Part 1
OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:
Gespreid geprinte tekst is gemarkeerd met _liggende streepjes_. Klein kapitaal is weergegeven met HOOFDLETTERS. De originele spelling en interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met correcties bevindt zich aan het einde van de tekst. De inhoudsopgave is door de bewerker toegevoegd. Dit boek bevat referenties naar andere delen uit De complete werken van Joost van Vondel, namelijk Project Gutenberg e-book 21800 en 30473.
DE COMPLETE WERKEN
VAN
JOOST VAN VONDEL.
INHOUD.
Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën. 29a
Lofzang, toegeëigend aan Mr. Willem Bartiëns 29b
Op Mr. Willem Bartiëns 30b
Hymnus ofte Lof-gezang over de wijd-beroemde Scheepvaart der Vereenigde Nederlanden 30b
Klinkert op de wonderlijke reize van den Hoornschen meerman Willem Cornelisz. Schouten 33b
De Gulden Winkel der konstlievende Nederlanders 34a
De dichter wenscht zijnen Zwager Abraham de Wolf geluk ende eeuwig welvaren 34a
VERGELIJKING VAN DE VERLOSSINGE DER KINDREN ISRAELS
MET
DE VRIJWORDING DER VEREENIGDE NEDERLANDSCHE PROVINCIËN.
Hoewel den vluggen tijd de uitkomste der Hebreeuwen, Spijt Moysi[1] gulde[2] pen, met veel verloopen eeuwen Heel uit te wisschen dacht: zoo is het evenbeeld Van Israëls triomf zoo aardig weêr volspeeld Op 't Nederlandsch tooneel[3], dat geene van dees beiden Naauw van den andren is met waarheid te onderscheiden: Wien schildert Farao naar 't leven, naakter af, Als Flippo[4] den monarch? den eenen met zijn staf Beheerscht den blaauwen Nijl; den andren draagt in handen Den scepter, wiens gebied strekt over Tagus' stranden; Den eenen Osiris eert met gebogen kniên; Den ander zal den God des Tybers eere biên; Den eenen maait int graf de onnoosle zuigelingen; Den anderen, die nog aan 's moeders borsten hingen; Den eenen Jacobs huis verdrukt met slavernij; En d' ander 't Nederland verheert met tirannij; Den wettigen godsdienst belet den eene duister, En d' ander al verblind gehengt niet, dat de luister Des Evangeliums gelijk een zon doorbreekt, Noch dat de waarheid 't hoofd ten hemel ergens steekt. Israël, zijnde dus in droefheid en in rouwe, De vouten[5] schallen doet van 's Hemels hoog gebouwe; "O Vader!" roepen zij, "wilt gij uit uwen tros[6] De pijlen uwes toorns steeds op ons laten los, Gedenkt toch aan 't verbond, dat gij met uwer knechten Voorvaders goedertier hier voormaals woudt oprechten; Of zoo gij onzer naar uw goedheid niet gedenkt, Ten minste de eere uws naams, o Heere! niet en krenkt! Gedoogt niet, dat wij (ach!) den tijd van onze leven Den vijanden tot roof en spijze zijn gegeven!" Belgica van gelijk, met zuchten en geklag, Den droeven _echo_ wekt, en stenet[7] nacht en dag: "O Heere! laat op ons de liefelijke stralen Uws aanschijns van den troon des hemels neder dalen; Wij zijn, eilaas! bevlekt met ongerechtigheid, Dus reinigt ons in 't bloed van Christi sterflijkheid; Zijn eenige offerand' neemt aan, tot een voldoening Onzer misdaden, en volkomene verzoening!" God Jacobs stenen hoort, en tot voorvechters trouw Wekt Amrams zonen beide, en die van 't huis Nassou Den Nederlanders tot beschermeren en voogden, Die samen hunnes volks verlossinge beoogden. Die eer voor Memfis heeft gestreên als besten vriend, Wordt eindlijk haar partij[8], en die voorheen gediend Heeft 't streng Borgoensche hof, zich rustet tegen Spanjen: O, wonderbaarlijk schikt[9] zich Mozes met Oranjen! Den een strijdt voor de wet, den and'ren slaat de trom En vrijdt[10] met zijnen arm het Evangelium; Den een gaat den Hebreên de roode golven banen, En d' ander leidt de zijn door eenen vloed van tranen, Al recht door 't golvig meer van klibber[11] brein en bloed; De slaven de een ontslaat, en de ander steekt den hoed Der Vrijheid in de lucht, en eindlijk strekt zich[12] even[13] Huns vijands ondergang te zamen tot den leven. Farao voor een graf het roode meer beërft, Filippus oud en grijs katijvig[14] henen sterft: God wel verscheiden straft, d' een vroeg en d' ander spade, Maar eindlijk overvalt hun beid' zijn ongenade. Den zelven Koning, die 't rijk Israëls bevestten, Heeft eindelijk uw zaak, o Belgica! ten lesten Voleindigd in triomf: dies dy[15] niet langer kwelst[16], Dewijl hij dijnen staat met zijne macht omhelst: Hoe is de macht gegroeid van uw verbonden steden, Sint dezen grooten held ging in de schoenen treden Zijns vaders, welk (eilaas!) verraderlijk en straf De zwarte nijdigheid geblixemd heeft in 't graf. Help God! de wraak is u, gij zult hier namaals eischen Het dier vergoten bloed met een gekromde zeissen. Wat rest er nu, dan God te vlechten met bescheid[17] Den loffelijken krans van ware dankbaarheid? Vreest hem, die lichtlijk kan verstrooyen in der ijlen[18] Het steunsel van uw zaak, den bos[19] geknoopte pijlen, Peinst om den genen, die de volkren van Sion Als slaven voeren liet geboeid naar Babylon.
[1] Voor _Mozes'_.
[2] Naar de Hollandsche wanspraak voor _gulden_.
[3] D. i. op Nederlandschen bodem.
[4] Koning Filips II van Spanje.
[5] _Gewelven_; zie reeds vroeger.
[6] Voor _bundel_, _koker_.
[7] _steent_, _zucht_.
[8] Gelijk in het recht, voor _tegenpartij_, _wederstrijder_.
[9] _stelt_, _paart_.
[10] _bevrijdt_.
[11] _kleverig_.
[12] voor _wordt_.
[13] _juist_.
[14] _ellendig_ ('t Fr. _chetif_, en 't Lat. _captivus_, eig. _gevangene_).
[15] Thans u.
[16] Rijmshalven voor _kwel_.
[17] _verstand_.
[18] Thans _ijl_, door wegslinking van den verbuigingsvorm.
[19] Voor _bundel_.
LOFZANG,
TOEGEËIGEND AAN MR. WILLEM BARTIËNS[1].
Dees, die met haar blond versiersel, Reikt aan 't uitgespannen zwiersel, Die azurig[2] zit verschoond[2], En van de astren wordt gekroond; Die, tot eenen staf, in handen Voert de scepter met drie tanden[3], En op vloeden twee[4] ten toon Heeft verhemeld[5] haren troon; Dees, wiens speelgenoots, met minnen, Zijn Zeegoden en Godinnen, En wiens vloeden heel verguld Met veel rijkdoms[6] zijn vervuld; Waarin zwart bepekte vogels[7] Zweven met hun lichte vlogels, Die Caucasus'[8] Dochters roem Lieflijk plukken als een bloem, Ja, aan 't Ooster-eind der wereld[9], Daar Tithonis Bruid[10] bepereld Haar blond hair met spansels[11] tooit, En haar roode rozen strooit;-- Dees beroemde Maagd verheven (Zeg ik) schept haar lust en leven, Dat hij in heur schaduw rust, Aan haar overvloedsche[12] kust, Op haar aangename stranden, Daar de voedster van de landen[13] Breede waters maakt te klein, Om te drijven haren trein[14], Haren trein, die uit uw konste Schept haar leven en haar jonste[15], Zonder welk zij onbedocht[16] Nimmermeer beklijven mocht. Gij, o Citon[17]! hoog verheven, Van een hoogen Geest gedreven, Boven 't algemeen verstand Gij alleen de Kroone spant. In de cijfer-konst beraden[18] Leert gij jeugd de rechte graden: Hoe de groen-geloofde[19] krans Kroont gerechtigheids Balans, Om de rekening te slechten[20], En Koophandel uit te rechten. Bovendien, in Hollands veld Gij de zuiver Lely[21] stelt. Ziet ons bijkens eens getuigen, Hoe zij Franschen honig zuigen, Tot aan 't Pyreneesch gebergt, Dat getopt den Hemel tergt: Ziet eens, waar d' Hollander wandelt, Hoe hij met den Franschman handelt. Voorts dijn veder in den ink Met de slang maakt eenen kringk, Eenen kring in 't rond getogen, Die ons 't eeuwig stelt voor oogen: Gelijk zij op jaarsche maat Haar verrimpeld kleed uitlaat, En vernieuwt haar eerste wezen; Alzoo zult gij hoog geprezen Door uw konst onsterflijk zijn; Want uw gulde letters fijn Zal de schrijf-konst, als de sterren Aan de uitbreidsels[22], wijd uitsperren: Bovendien, o Hemels Licht! Doet gij door uw konstig Dicht, Beide ons vloeden[23] onbezweken T' Hemelwaarts hun horen steken, Boven Nylus, en den Taan[24], Of den blonden Lidiaan[25]. Amsterdam zal u beklagen Als zij u zal zien verslagen Stout van de alvernielsche dood In der aarden wijde schoot. Nochtans zal men t'allen tijden Uwen grooten lof belijden: Hoe de Koopmanschap vermaard Nutte vruchten heeft gebaard, Door u en des Heeren zegen, Die met zijnen gouden regen, D' Amstel mildelijk besproeit, Dat er nerings welvaart bloeit. Adieu, Bartiëns, ik wil zwijgen, Wijl gij gaat ten Hemel stijgen[26]. 'k Wenschte, dat ik hier in schijn[27] Slechts mocht uwen Echo zijn!
[1] De bekende rekenmeester, wiens Cijferboek nog in onze eeuw in gebruik is, en die zelf een klinkdicht op _'t Pascha_ gerijmd had.
[2] _In hemelsblaauw gedoscht_.
[3] Die van den Zeegod nam.
[4] D.i. Y en _Amstel_.
[5] Anders _verheven_.
[6] Thans _veel rijkdom_, daar _veel_ allengs van zelfst. naamw. (gelijk het oorspronkelijk was) tot bijv. naamw. geworden is.
[7] Nam. _schepen_.
[8] Met misplaatsten klemtoon op de 1e lettergreep.
[9] Nam. de Levant, door den toenemenden handel daarop.
[10] Aurora.
[11] _linten_.
[12] Voor _van_ of _vol overvloed_.
[13] D.i. de zee.
[14] _sleep_.
[15] _gunst_.
[16] Voor _onbedacht_ in den zin van _verwaarloosd_.
[17] Wellicht _Sidon_, als de vermeende uitvinder van maten en gewichten.
[18] Voor _ervaren_.
[19] _van groene blaren_.
[20] _vereffenen_.
[21] die van Frankrijk, namelijk.
[22] _het uitspansel_, verg. reeds boven.
[23] Y en _Amstel_.
[24] _Don_ (_Tanaïs_).
[25] de goudvoerende Pactolus in Lydië.
[26] Voor: _u verheffen_ (verg. 25 regels vroeger).
[27] _kennelijk_, _blijkbaar_.
Op Mr. Willem Bartiëns.
Gij ziet het zichtbre deel van Bartiëns hier naar 't leven: Van zijn onzichtbren geest heeft hij u zelf gegeven Een print in 't Rekenboek, dat nergens faalt noch suft, Maar volgt, ten dienst der jeugd, Euclides spits[1] vernuft.
[1] _scherp_.
HYMNUS OFTE LOF-GEZANG
OVER
DE WIJD-BEROEMDE SCHEEPVAART DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.