Part 5
Als 't heer van Jozafat, en Achab met zijn knechten, In 't harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten, Riep 't rot van Jezabels profeten: "'t zal wel gaan, O helden! trekt vrij op, Jehova zal ze slaan!" Mijn raad hier toe gebeên, ik riep: "leg af uw wapen, 't Heer Israëls ik zie, als herderlooze schapen, Verstrooyen op 't gebergte, en overrompeld vliên: Gij, koningen! ontwaakt; uw zienders niet en zien: Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen, En smeekt uw onderlaag[186] en broeit zijn leugenjongen!" Ik eindig naauwlijks, of de koning, vol van spijt, Mij volslags met zijn vuist op 't kinnebakken smijt[187]. "Hoe!" roept hij, "heeft met ons niet 's Drieheids geest gesproken? Hebt gij 't geheim alleen des Heeren dan geroken?" Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok, En kluisteren verwoed mijn schenen in den stok. De legers gaan te velde, en vinden op de beenen Den vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen. Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te gaâr: De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar, Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in 't moorden, En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden. Een ruiter lost zijn peze, en, eer men toeziet schier, Hij, tusschen 't hangsel en het koninklijk pantsier, Den koning Achab groet[188]: die voelende 's doods vlagen Den aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagen Zijn ziele, met het bloed dat 't gulden harnas smet, En 't zammet[189] van de koets, die wierd eerlang genet[190] Van troeteljuffren, van jachthonden, en van brakken, Die d' edelheid versmaân, en 't bloed gestolkt[191] insnakken[192], Daar 't Jezabel betreurt, die in haar tralie[193] ligt, En met rouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht. Beklaagt haar bedgenoot, en Micha voor een vrije Kent[194], nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.
JONAS,
DE BOETPREDIKER.
_Matth._ 12.
Gelijk Jonas was in de buik des walvisch drie dagen en drie nachten, alzoo zal de Zone des menschen wezen in het herte der aarden, drie dagen en drie nachten.
Zoo ik de Alomheid vlood, die alzins uitgegoten, Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten, En Jafo[195] 't ooge ontschool, en viel als in een flaauwt', Nadat het lang in zee hadde in 't verschiet geblaauwd: De brand van 's Hemels toorn de pekel fluks deê zwillen, Dat zelf den stuurman 't herte in 't lijf bestond te schrillen[196], En angst zijn haren rechtte[197], al eer men toezag voort, Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord. 't Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig: Men loot naar d' oorzaak: 't lot op mij valt, die ben schuldig Aan 't algemeen gevaar. Nog roeit men, maar o wee! Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee, En 't aas eens walvisch haast, die, zonder zich te belgen, Mij levend' gorglen[198] kan, verdouwen, en verzwelgen Huisvesting gunnen meê, drie dagen al geheel, En braken weêr aan strand met opgespalkte keel. Verrezen zijnde, 't lof wij brengen, die wij zochten In 's afgronds afgrond diep, in 't monster vol gedrochten, En gingen Ninive d' aanstaanden ondergang Verkondigen, die God zoude eindigen eerlang. Het volk beroerd[199] (zoo fluks het merkt, dat God haarlieden Kwijtschelding van 't vergrijp en 't leven aan kwam bieden, En datter[200] hoop was, om door boete zich t' ontslaan Die dreigementen, en den Hemel t' ondergaan[201]) Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen: Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen: Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem: Zijn hand was schepterloos: erbarmelijk zijn stem: Een harenkleed zijn zijde en purper: zijn hoveeren Hij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren, En zijn barmhartigheid, die, als zij zag beschreid Het aangezicht des volks, van Gods gerechtigheid Het uitgetogen staal stak weder in de schede, En hun trompetten liet den aangenamen vrede.
EZECHIAS,
DE GODSDIENSTIGE.
_Eccles._ 48.
Ezechias dede wat den Heere wel behaagde, en bleef standvastig op den weg Davids, zijnes vaders, als hem Ezaias leerde.
't Zaad Izaks, dat misleid was d' afgoôn nageloopen, Ik toomde, en sloot 't portaal des heilgen tempels open, In d' intreê van mijn rijk: en ijverde zoo lang, Dat de oude godsdienst weêr herbloeide in volle zwang. De kopren slang, die aangebeên was van 's volks zotheid, Ik brijzelde, en beloeg haar snoô metalen godheid. Den Assyriêr zijn tol te brengen was ik moê, En overtrok gebergte en steên, tot Gaza toe. Maar Salmanasser, om zijns rents verloop t' onvreden, Samariën gewon en voerde 't volk in Meden[202]. Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de been Geraakt, in Juda ging vermeestren al de steên. Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten, Wij 't goud van 't heiligdom en 't zilver hem toebrachten Te Lachis, maar vergeefs, als hij het hadde ontvaân, En voor Jeruzalem kwam zijnen leger slaan: Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alzins dempte De bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte. Mijn kleed ik scheur: mijn stut in rouwe is Amos' zoon, En d' Engel, die versmaadt Gods glorierijken troon, Die met den stalen boog zijns gramschaps eens t' ontspannen, Kwetst tweemaal honderd duist min vijftien duizend mannen: Dies 't overblijfsel vlugt met Assur: maar mijn feest Gesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest. Gods gunste aan 's levens web knoopt acht en zeven jaren, En, tot waarteeken, doet de zon teruggevaren Tien schreden met zijn koetse: en frisch, van nieuws gezond, Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond. Dan ach! wat was 't ons nut, doen blijde aan alle kanten, Wij openden ons praal voor Babylons gezanten, En Ezaïas ons boodschapte, met wat smaad 't Huis Jacobs zuchten zoude op de oevren van d' Eufraat: 't Huis Isrels einden zou zijn hemelsche gezangen, En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.
JOZIAS,
DE GODZALIGE.
_Eccles._ 49.
Jozias name is gelijk als een edel reukwerk uit der apoteken; hij is zoet gelijk als honig in de mond, en als snarenspel bij den wijn.
Ik was noch kindsch en teêr, als Juda ging mijn hersen Met 't vaderlijk cieraad en goud van Amon persen. Den Hemel op mij loeg, en offerde zijn gunst Mijn jeugd, in 't[203] oefenschool van welgebiedens kunst: Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden, Ik, wat aan 't heilig koor bouwvallig wierd bevonden, Herplaasterde; en zoo haast als Safan voor ons las Het wetboek, dat zoo lang vervreemd te zoeken was, En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden[204] Den godsdienst, wij bedroefd 't geplooide purper scheurden, En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk, Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk, En troostte met de zoen, verworven voor ons zelven. Ik vurig, d' heilge blaân in d' heilige gewelven Liet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij, Waar aan fluks Juda zich verplichten ging met mij, De rei der Priestren Gods den tempel raagde t' zamen[205], En veegde de afgoôn uit, met Baâls poppekramen: Broêr Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook, Den geest opgaven met onmenschelijk gesmook. Haar Priestren, die tot asch vermaalden[206] 's volks gebeente Ik roostte levendig op 't bloedige gesteente. De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bediên[207]. In 't gansche Juda beeld noch grouwel wierd gezien. 't Vergeten Paaschfeest, 't welk de jaren overtraden[208], Wij statig vierden, en erkenden Gods weldaden Den vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl, Ontmoette met mijn heer het heerkracht van de Nijl, Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezonden De koninklijke ziel van 't lichaam wierd ontbonden, 't Welk, in 't gewijde graf der koningen geleid, Van Jeremias wierd en Israël beschreid, Vermits geen koning ooit gezalfd en[209] was voorhenen, Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen[210].
EZAIAS,
DE EVANGELISCHE PROFEET.
_Eccles._ 48.
Ezaias was een groot en warachtig profeet in zijn profeciën.
Mijn vader Amos was, en koning Azarias Mijn broeder. Ik bestond, in 't afscheid van Ozias, In 't ampt te treên, daartoe[211] den Hemel mij voorzag Eer ik noch zuigeling in 's moeders voorschoot lag: In 't ampt te treên, zoo haast mij God beriep van boven, Als ik zijn glorie zag, en 't heerschaar hoorde loven Zijn groote majesteit, wiens glansen, veels[212] te sterk, De posten sidd'ren deên van ons gewijde kerk: Als d' Engel, licht van pluim[213], mijn lippen snel genaakte, En zuiverde met vlam, die op 't hoog altaar blaakte. Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet, Waardoor de geest uitblies luidruchtig Mozes' wet. Nu zocht ik Jacobs heil met dreigen, nu met smeeken: Als zij, van 't heilig spoor verdwaald en afgeweken, Met d' onbesneden' haar afgoden volgden naar: Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar, En wekten ze, wanneer van verre wij genaken De legers zagen, die God wapende ter wraken. Wat drukte ons, dat men vond gerechtigheid zoo schaars! Wat walgde ons 't offren van een hoopen huichelaars! Doch mijn vrijmoedigheid, die koningen en vorsten Trad onder oogen, en 't geen zij verbreuken[214] dorsten Afeischte, en voorhiel, waar zij waren toe verplicht: Manasse niet ontzag, wiens grimmig aangezicht Riep 't vonnis over haar, en nam zijn welbehagen, Met een getande balk mijn lenden te zien zagen, En 't rinklende gebeent', dat viermaal zestien jaar 't Profetische ampt bekleedde, en spijsde in 't openbaar D' hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen, Verschrikt van Sinaï, vol onweers, ijvrig zagen Op den Messias, op den Reus, den Raad, den Held, En 't Offerlam, dal, ik zoo duidlijk had gemeld, En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch 's werelds vlekken, Dat eer Evangelist ik, als profeet, mag strekken.
JEREMIAS,
DE VROEGPREDIKER.
_Eccles._ 49.
Jeremias was in 's moeders lijf uitverkoren tot een profeet, dat hij uitroeyen, breken, en verstoren, en wederom ook bouwen en planten zoude.
Vraagt iemand mij, van waar, van wie kwam Jeremia? Mijn wieg was Anatoth; mijn vader was Hilkia, D' aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pas Vond, dat zoo lang gewenscht te[215] wijd om zoeken was. Jehova, die mij, vóór mijn tijd, hadde uitgezonderd, Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderd Mijn jongelingschap met de ontzichlijkheid[216] bekleed Zag van een predikant[217] en Goddelijk profeet. 't Lijk van Jozias ik bedauwde met mijn tranen. Het twalefstammig volk, met dagelijks vermanen En dreigementen, ik te weren zocht van 't kwaad: Helaas! maar al vergeefs: zij hielden 't al voor praat. Met scherpe diamant en ijzren griffe, o smerte! De zond' geprent was in de tafel van haar herte. D' aanstaanden ondergang des stads, die te gemoet Ik in 's geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boet In iemands ziel, maar elk voor ander bleef halssterker[218]: De waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker, Schoon Babel driemaal met haar sabel, hecht van sneê, Jeruzalem beangst haar vlaggen strijken deê: Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen, Den koning wierd ontroofd 't schoon aangezicht der zonnen; Nadat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen, Vóór hem gesneuveld, viel in 't ijzer der Chaldeên, En hij geketend aan d' Eufraat zat op het oever, En hoorde 't guichelspel zijns vijands langs hoe droever. Genaken ik van verr' zag, over dal en berg, Als Isrels heiland en verlosser, den monarch[219], Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henen Het volk vertroostte, dat de boei droeg voor de schenen: Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa, Die held, die geestelijk zou volgen David na, En 't hoofd vermalen[220] van d' erfvijand, die de zielen Der menschen boeide, die in 's Hemels ban vervielen.
EZECHIEL,
DE GROOTE ZIENDER.
_Eccles._ 49.
Hezekiël zag de heerlijkheid des Heeren in een gezichte, dat hij hem wees uit den wagen Cherubim. Hij heeft geprofeteerd tegen de vijanden, en troost verkondigd dien, die daar recht doen.
Nebucadnezar had zijn tenten naauw gespannen Rondom Jeruzalem, om Juda te vermannen, En uit zijn elpenstoel te worpen Jojakim, Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grim Hadde over hem[221] gewekt: of onze vorst verslagen Mij kwam 't geheimenis van Gods geheim afvragen: En als hij merkt', hoe 's volks godloosheid overlang Den Hemel afgetergd had Sions ondergang, Die, eenmaal vast gestemd[222], in 's Heeren toorn verbolgen, Onwederroepelijk geschapen was te volgen: Hij fluks, behoudens goed en leven, overgaf De stad; maar d' onbesneên hem sloeg in 't ijzer straf[223], En sleept' hem, neffens mij, daar Chebar steeds de muren Van Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren. Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad, Omdat ze den tyran, op mijn bevel en raad, De poorte ooit open deên, en leenden zin noch ooren, Wat ik haar toeriep van Jeruzalems verstoren: Dies mij Jehova van zijn glorierijken troon Kwam om zijn majesteit t' aanschouwen vrundlijk noôn[224]. Mijn ziel in 't aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten, En met verwondren zag veel hemelsche gezichten, Die ik het volk tot troost, en tot vermaning meê, Ging openen, opdat mijn profecye steê Mocht grijpen in 't gemoed der gener, die, als slaven, Den heidenschen monarch haar zweet ten offer gaven. 't Verstrooyende[225] geslacht, dat droevig en ontsteld Ging dwalen heen en weêr, als schapen over 't veld, En gras noch loof afschoer op Babels magre heiden, Met dezen[226] herder ik vertroostte, die zou weiden De stammen in het groen der beemden, die voortaan, Door zijn barmhartigheid, zoo heerlijk zouden staan In groei en bloei, zoo haast als Israël te stade Kwam een slagregen van Gods goedheid en genade.
DANIEL,
DE GODGELEERDE.
1 _Mach._ 2.
Daniël wierd om zijn onschuld van de leeuwen verlost.
Doen 's konings oogen drok en bezig weiden gingen In 't koninklijk geslacht en 't puik der jongelingen, Zij staren bleven bot op mij, die, als een starr', Mijn blonde kuif opstak, als 't hof te Sinear Behagen in mij schiep, en liet mijn brein opkweeken, 't Welk wijd leerde over 't hoofd in driemaal vijftig weken Mijn meesters, en hoewel ik sober, als Gods knecht, Voor 's konings lekkernij verkoos het moesgerecht, Mijn aanschijn, wel gevleescht, gezonder men zag blozen Als andre, dien 't banket walgt en steeds bastert[227] kozen. Maar als 's monarchen droom ik nu t' ontdekken kom, Daar al de Magi[228] der Chaldeên voor bleven stom, Nebucadnezar mij verhoogt, en doet de zielen Van 't pratte koninkrijk voor mij ter aarden knielen. Na zag ik Babels hoofd, verbannen van Gods geest, Bedauwd in 't veld, het gras afsnoeyen als een beest. Belsazer namaals (zoo hij, godloos en verwaten, Ontwijdde, in 't slempen, 't goud van d' heilge tempelvaten, Terwijl de boelen met 't albaster van haar borst 't Wellustig lodderoog verletten[229] van de vorst) Ik meldde zijnen val: als hij, vol schriks en beven, Zijn vonnis op de wand zag onverhoeds geschreven, En korts hadde uitgediend, als diadem, en staf, En 't purper van zijn leên hij Meden overgaf: Daar ik, te zeer ontzien om mijn droomkundig' hersen, Den Nijd wierd tot een buit, vermits ik 't hoofd van Perzen Ontzeî met Godlijke eer t' ontmoeten, dies zij dol Mij gaf tot eenen roof den leeuwen in het hol: Maar de Englen, door haar kracht, het woên der dieren temmen, De leeuw het brullen staakt, en laat zijn lokken kemmen, En vast, ter tijd toe ik ontkerkerd, hij verblijd Mijn vijand met zijn kies en klaauwen motst[230] en rijt: Dies orgelt ieders tong van zelve en ongeboden, Dat Daniël alleen den God dient aller Goden.
DE TWAALF PROFETEN,
OF REI DER ZIENDERS.
_Eccles._ 49.
En der twaalf profeten gebeenten groenen nog daar zij liggen: want zij hebben Jacob getroost, en verlossinge toegezeid, die zij gewisselijk hopen zouden.
Hozeas! zijt gegroet, die, met uw profecye 't Huis Jacobs zuivren wilt van zijn afgoderye: Met Joël, die van verre afdalen zag den Geest, Als een slagregen, neêr op Sions Pinxterfeest. Leeft lange, ô Amos! die vloodt uw gewolde vliezen. En weidde zielen, als u d' Hemel kwam verkiezen. Obadja, zijt geloofd! die Edom, al voorlang, De roed' hebt laten zien van zijnen ondergang. Gij, Jonas! uwen lof steeds bruisen moet en vlieten, Vermits gij hebt bekeerd tot God de Ninivieten. Micheas, u zij heil! die Bethlems boerewal[231] Doet juichen, om dat God zich legert in de stal. Gij, Nahum! prijs behaalt, die Ninive bewaakte, En waarschouwde, eer haar val rechtveerdelijk genaakte. O Habakuk! dat doch uw lofkrans eeuwig bloei, Omdat gij los zaagt gaan de stammen zonder boei. Zefanja, uwen roem werde altijd weêr geboren, Vermits gij naken zaagt Jeruzalems verstoren[232]. Haggaï niemand wijk', die 't Joodsch gebouw versmaadt, Om Kristus' kerk, die in zijn geest getimmerd[233] staat. Maar Zacharias! o, wat zullen wij u wijden? Die aller vorsten Vorst zaagt op een ezel rijden? Met Malachias, die, naar zijn verschulde[234] plicht, Een Engel henen zond voor 's Heeren aangezicht. O heilge Zienders rei! vermits gij boos noch nijdig Te zamen komt, heel goed van inborst, onpartijdig, Onnoozel, ongeveinsd, en niemands aanzien smeekt[235], Maar, wat u d' heilge Geest inluistert, tot ons spreekt, Met lippen zonder smet: ik op uw woord wil bouwen, En in dees duistre nacht die valsche leeraars schouwen, Wiens pad ter Hellen leidt, en Kristus, mijnen Heer En Heiland, zoeken bij de klaarheid van uw leer, Het rechtsnoer des geloofs, het heldre licht der blinden, De leidstarr', die ooit[236] blonk voor alle Gods beminden.
ESDRAS,
DE WETGELEERDE.
_Esra_ 7.
Esra was een geschikt Schriftgeleerde in Mozes wet, die de Heere de God Israëls gegeven heeft: en de koning gaf hem alles wat hij begeerde, naar de hand des Heeren zijnes Gods over hem.
Als Xerxes zwanger ging met ijver boven maten, En Sion gunst toedroeg niet min als zijn voorzaten: Hij Esdras oorlof gaf, om, vuriglijk en kuisch, De dorpels te betreên van 's Heeren heilig huis. Elk reê was, zoo[237] ik sprak; 's volks vreugd men hoorde schatren, Daar zijnen tol de Eufraat ontleent van mindre watren. De aanstaande reize onveil, die ons te dreigen scheen Met nood en lijfsgevaar, door vasten en gebeên, Verzekerden wij ons bij God, die 't vrij geleide Zijns Engels aan zijn kudd' gaf over berg en heide, Tot dat te Salem wij der priestren overhoofd Toewoegen[238] 't heilig goud, dat Assur had geroofd, En deên op 't altaar 't smeer[239] en 't ongel van de rammen En bokken golven naar 't gesternte, met roô vlammen, Tot dankbaarheid, dat, wijd van 't slaafsche Babylon, Zoo heuglijk over ons blonk 's ouden vrijheids zon. Maar och! mijn hert bezweek, mijn ziel weemoedig treurde, Mijn lokken trok ik uit, mijn kleederen ik scheurde, Als mij ter ooren kwam, hoe, tegen Mozes' wet, Het heilig zaad alom zijn kuischheid had besmet Met 't goddeloos geslacht, dat heimlijk 't hert der Joden Te neigen scheen tot haar belachelijke Goden: Waarom de stammen ik verzamelde algemeen: Die, voelende 't vergrijp, terstond met heilige eên Den Hemel zwoeren dier, de uitheemsche bedgenooten Te vliên, en van haar gunst en vrundschap te verstooten. Het lovertenten[240]-feest genakende, ieder doen Op mijn bestel 't gebergt' ging plonderen van 't groen. Men vlocht alom d' olijf, de myrt, en frissche palmen: De weêrklank op 's volks vreugd antwoordde met zijn galmen 's Wets heilge blaân ik las voor 't opgesteken oor Van d' aangedrongen schaar, die bezig in 't gehoor Zich zelf vergat, en naar geen huis heeft omgekeken Voor 't statig loverfeest gevierd was en verstreken.
NEHEMIAS,
DE HEILIGE BOUWMEESTER.
_Eccles._ 49.
Nehemias is altijd te loven, die ons de verdorven muren weder opgericht, en de poorten gezet heeft met sloten, en onze huizen weder gebouwd.
Zoo haast sprak Perzen niet: "Nehemia! trekt henen, En bouwt de stad, daar 't graf bewaart uws vaders beenen", Of ik versmaadde 't hof, en vond[241] der priestren erf: Daar over Salems val, en jammerlijk verderf, Lang 't gras gewassen was; denkt, hoe mij was te moede, Als ik mijn vaderland zag treuren in den bloede, En van Jeruzalem de poorten en de muur Geblaakt, gescheurd, geschend, met ijzer en met vuur. Mijn oogen uitgeschreid, en weder tot mij zelven Bedaard, ik 't volk opwek in d' heilige gewelven. Elk tot der muren bouw wilveerdig in 't gemeen Beament[242] mijnen eisch; ik leg den eersten steen, Wien fluks een tweede perst; het was, om verjolijzen[243], Te zien, hoe d' ernst[244] der Joôn het steenwerk dede rijzen. De faam van 't stout bestaan fluks strekte een nieuwsgier tolk Aan Moab, Ammon, en het nageburig volk: Die, al van ouds jeloers, om Sion, zijn verdragen[245] Ons 't metslen te verbiên met heimelijke lagen; En snakten naar mijn ziel, daar 't al, naast God, aan hing; Dies met een stoet hartsiers[246] ik 't lijf verzekren ging, En gaf den bouwliên, zoo ik 's vijands list doorsnuffel, Den degen in d' een vuist, in de ander hand den truffel, Den beuklaar bij de werk[247], om schutten[248] slag op slag Van 't heer, dat zwert van nijd steeds op zijn luimen lag. Mijn tafel ik vergat, de vaak week uit mijn oogen, Tot dat de heuvel Gods omgord was met een hoogen, Onwinbren wal, en 't oog des schildwachts, voort en voort, Bewaakte, nacht en dag, de valbrugge en de poort: Doen klom ons juichen naar 't gesternte, klaar van schimmer[249], Omdat van derwaarts was gezegend ons getimmer; De stad bevolkerd[250] weêr van 't priesterlijk geslacht, Zijn tiende Levi[251] wierd geheiligd en gebracht, De godsdienst raakte in zwang; waarom mijn naam zal duren, Zoo lang Jeruzalem derf[252] roemen op zijn muren.
JOB,
DE LIJDZAAMHEID.
_Hiob_, 6.
Wanneer men mijn jammer woege, en mijn lijden te zamen in een schale leide, zoo zoude het zwaarder zijn dan het zand aan de zee.