Part 4
Doorziet me vrij, ik ben de Fenix der Levieten, Voor wien, als voor een God, opruimen d' Isralieten. Van mijn gebalsemd hoofd de balsemreuk afstuift, Mijn haar met zalve is en in fijne zij' gehuifd, Waarop de myter blaauwt, daar braaf[103] vergulde spitsen Om juichen[104] van een kroon, wiens goud als scherpe flitsen Zijn straaltjens drilt en spuit; recht in mijn ster[105] vooraan Gaat 's Heeren heiligheid in 't goud haar leger slaan: Die, als een zonne, veel te helder van vermogen, En bliksemstraal met vuur d' omstandren vliegt in d' oogen, De mantel, die gestikt èn voor èn achter hangt, Een spiegelende glans van 's borstschilds glans ontvangt, 't Gesteente speelt in 't goud: het goud kleeft aan de zijde: De zijde aan d' Efod hecht, die moedig op 't gesmijde Den lijfrok dekt, wiens zoom, met bellen en granaat, Het lijnen[106] onderkleed mij voor de schenen slaat. Maar op mijn boezem staart nog eens, daar kunstig' handen Zoo kunstrijk doen in goud die flonkerkolen branden. Daar Juda, Napthali, Gad, Ruben, Zebulon, Dan, Asser, Benjamin, met Levi, Simeon, En Jozef, Isaschar, in 't vierkant, met haar vlammen De oogappels scheemren doen van Jacobs twalef stammen. Wie ziet zich zat, die ziet hoe Goddelijk ik brom[107], Als ik dus 't wyrook blaak in 't heilig heiligdom? Wanneer mijn borstgesteent', met d' aangesteken lampen En d' heilge golven, van 't heet altaar schijnt te schampen? Als 't eenmaal bij geval aanschouwde een onbesneên, Hij droomde een God te zien omgloried hier beneên. Was 't dan wat wonders, dat uit d' hovaard zijner zielen[108] Jeloers eer[109] Korah ophief tegen mij zijn hielen? Als d' afgrond hem verzwolg, om dat geen ander zon Ooit eclipseeren mocht den glans van Aäron, Als dees hoogpriester, die, na 's lichaams offer, veilig Zijn voetzool zette in 't koor van 's Hemels welfsel heilig: Daar hij, in 's Drieheids naam, een zoeter vuur aanstak, Voltooyende al hetgeen, wat aan mijn ampt ontbrak.
FINEAS,
DE PRIESTERLIJKE HELD.
_Eccles._ 45.
Fineas, de zone van Eleazar, was de derde in zulke eere: die ijverde in de vreeze Gods: ende doen het volk afviel, stond hij trouwelijk vast en koen, en verzoende Israël.
Dat Gods Pest-engel ging in Israël vernielen, En aarslinge over[110] smeet zoo menig duizend zielen, Die met een geile vlam ontsteken waren knap[111], Doen 't puikjen op haar loeg[112] van Moabs jonkvrouwschap, Dat haar gekluisterd hiel met minne als eigen slaven, Zoo dat z' haar boelschap 't lijf, haar ziel den afgod gaven: Van 't huis van Simeon niet schrikken deê de vorst, Wien knaagde onkuischheids worm als kanker in de borst. Wat doet de onkuische, die gewaarschouwd, blijft veel steger[113]? Met Casbi gaat hij treên door 't twalefstammig leger, In spijt van Mozes en de stammen, die, bedut[114], Uitgoten tranen voor de deur van 's Heeren hut, En vindt de tente, wiens verhemelt' men uitspande, Om veiliger te zijn in 't plegen van die schande. Ik zag 't, en al vol vuurs en razende bijkans, Naar 't hoerekuf[115] ik schoot, gewapend met een lans, En spitte pol en snol, door lever, longe en darmen, Dat z' hartsteek bleven dood met haar gevlochten armen; Zoo storf met haar de plage, en onzer vadren God Mijn ijver troostte met het heerlijk priesterlot, Dat namaals ongefeild zou d' Hemel voor mij loten. Zoo haast nu was den tocht op Midian besloten, Ik veldheer 't heer aanvoerde, en onverziens op 't lijf Den vijand viel, en motst'[116] haar vorsten alle vijf. Daar ging het plondren aan: elk paste wat te raken: Èn steên èn sloten wij tot molm en puin afbraken, En veegden stad en land van menschen en van vee, Dat heuvel, berg, en dal te bersten scheen van 't wee, Als wij, met roof verlaân, gewrongen[117] van den bloede Weêrkeerden, en bedaard nog wraak met koelen moede Afeischten 't overschot, de maagden uitgezeîd, Wien nooit gerept was haar gewijde zuiverheid. Zoo vindt de gramschap Gods haar, die, naar 's herten wenschen, Met afgoôn boelen en met overgeven[118] menschen.
CALEB,
DE STANDVASTIGE.
_Eccles._ 46.
De Heere behield Caleb bij lijfs krachten, tot in zijn ouderdom, dat hij optoog op het gebergte in het land, ende zijn zaad bezat het erve.
"Wie wil de vettigheid van Jacobs erfpacht vaten, De inzoete vijgen-koor[119], de dronkene[120] granaten, En beziën, die rijp schier bersten uit haar vel, Terwijl die keizer-tros, die zwangre muscadel, Den palmen handboom[121] buigt, die dus lange onderwegen De schoudren drukte van twee mannen half verlegen?" Zoo riep ik tot het volk, als wij 't beloofde land Doorsnuffeld hadden, heel van d' een aan d' ander kant; Maar och! wat holpet[122]? als tien van mijn medemakkers Weêrblaften: "dwaasheid is 't; vergaapt u aan geen akkers, Aan hof noch wijnberg, daar u Caleb meê verdooft En Jozua, dien 't brein los rammelt in het hoofd. Onwinbaar is dat land: zijn vestingen uitmunten: De sterren draayen op der toornen stompe punten: Dat niemand naar zijn room noch honig ommezie: Dat volk van Enak draagt de schinkels[123] in de knie: Zijn eigen burgren gaat dat ijzren rijk vernielen." O God! wat rees er ten tempeest in Izaks zielen Door dit gerucht! gevaar van schipbreuk 't leger liep: Ons leidsliê zweken[124] schier: mijn kleed ik scheurde, en riep: "Wat? mannen! zijt getroost, God zal een uitkomst' vinden, Wij willen haar, als brood, op staande voet verslinden: Jehova strijdt voor ons, zij vechten zonder helm." "Neen!" kreten zij, "sla dood! sla dood die looze schelm!" Op stervens oever ik gewislijk waar gekomen, Had 's Heeren heerlijkheid die uur niet waargenomen, Die, vlammende in zijn toorne en ijver, zwoer oprecht, Dat niemand 't heil zou zien, als Caleb, zijnen knecht: Die 't namaals zag, als hem te lote is toegevallen Het land, dat Hebron vrijdt[125] in 't ronde met zijn wallen. Als zijnen ouderdom in kracht was als zijn jeugd, En aan zijn zaad hij zag zijns herten weelde en vreugd.
JOZUA,
DE LEIDSMAN.
_Eccles._ 46.
Jezus Nave was een held in den strijd, ende een profeet na Mozes, die daar groote overwinning hadde voor de uitverkorene Gods, als zijn name mede brengt, ende wreekte ze aan de vijanden, van de welke zij aangegrepen werden, opdat Israël zijn erve krege.
Op de aankomst' van mijn heer liet af van 't strand te schuren De zwalpende Jordaan, die, als twee glazen muren, Haar golven metselde op en bouwde een wandelpand[126], Voor Isrel ruim genoeg, die wederzijds den wand Met peerlen brommen zag, met schelpen, en met hoornen, Welk orgelden in 't oor van 's Hemels uitverkoornen, En zongen enkel lof, terwijlen Levi sterk Met zijne schoudren stutte en ophiel 's Heeren ark, Tot dat de stammen met haar drooge zolen rustten Op 't[127] oever lang gewenscht, dat zij van blijschap kusten. Ik zag de reuzen ons haar hielen laten zien, En 't hert ontvallen, en het stellen op een vliên, En dekken gaan, zoo fluks zij 't leger krielen zagen, Dat over 't water nog geen schipbrugg' had geslagen: Daarop ik Jericho terstond den vrede ontzeî, En met der priestren hoorne, en Izaks veldgeschrei, De muren omtrok, die geweldiglijken vielen, En kwetsten met haar val zoo menig duizend zielen, Doen 't hongerige staal nooit spieren zoeter vond, En 't onuitleschlijk vuur in alle daken stond. Wat mochter[128] voor ons staan? de Zon vergat te dalen, Als zij de zon zag van onze overwinning stralen, Bleekverwig en verbaasd[129]; en bleek de bleeke Maan Zag den eclipses vast der Cananieten aan, Der koningen, die, lang van veel triumfen dronken, In 't ijzer sneuvelden en kropen in spelonken. Wat groeide mij mijn hert, wat laadden ik een spek, Als ik er driemaal tien en één hadde op den nek En op de borst getreên, zoo lange tot ze borsten, En omgedeeld het leen van zoo veel rijke vorsten! Mijn eer' had mij verrukt, hadde ik van verr' niet na Mij volgen zien dien Held, dien grooten Jozua[130], Die, met een stijver erm, 's erfvijands brein zou scherven, En voor zijn heilig volk een beter rijk verwerven.
GEDEON,
DE HELD.
_Judic._ 6.
Hem verscheen den Engel des Heeren, ende sprak tot hem: de Heere met u, gij strijdbaar held!
_Vers._ 14.
Gaat henen in deze uwe kracht: gij zult Israël verlossen uit der Midianieten handen: ziet, ik hebbe u gezonden.
De smaad, waarmeê tot nog Manasse was bejegend, Omdat zijn broeder rijk was boven hem gezegend, Ik Efraïm toeschoof: doen elk, van angst en schrik, Voor 't zweerd van Midian vlood in 't gebergte, en ik Den degen gordde op zij, nadat wij, aangesproken Van d' Engel, hadden 's nachts 't hoog altaar afgebroken, Dat Baäl 't hoofd ophiel: en nadat ons zijn trouw Den Hemel zwoer op 't vlies, nu nat, nu zonder douw: Die (om betoonen, dat den palm in 't bloedig vechten Alleen niet wordt gehaald met menigte van knechten, Noch met een heerkracht, dat[131], braveerende te stout, Met koper en met staal, met zilver en met goud Zijn vijand d' oogen kwetst, als of des oorloogs zegen Alleen in 't harnas ware en niet in 't hert gelegen, En d' onverschrokken moed, die heimelijk gezield Van God, niet aarslen kan, maar voorvoets 't al vernielt Wat opstaat tegen hem) geeft[132] oorlof te vertrekken, Die 't water met haar tong niet als een hond oplekken. Nog troostte mij 't geloove, al was 't schoon, dat ik van 't Gansch leger maar behiel tien malen dertig man: Al was 't schoon, dat ik zag, dat 't heerkracht der vijanden Lag voor mij, als het zand aan d' aangevochten stranden: Nog kwamen wij bij nacht recht op haar aangezet. De kruiken scherfden wij, en staken de trompet, En blaakten met de toorts: dies der Midianieten Zweerd op haar eigen borst van leêr[133] ging, door 't verschieten. Zij stelden 't op een vliên, verbaasd door 't veldgeschrei, En lieten, afgejaagd, haar vorsten alle beî Gevangen zonder ziel: en, zoo zij weêr haar krachten En 't overrompeld volk te zamelen bedachten, Ik optoog Oostwaarts aan; daar vloden zij te spâ, Als Sebah bleef gevaân, en koning Zalmuna. Dies Jacob dankbaar mij aanbood 's lands heerschappije, Doch ik behiel den roof, en liet God de voogdije.
SAMSON,
DE STERKE.
_Jud._ 14.
Doen kwam hem een jonge brullende leeuw tegen, ende de geest des Heeren werd veerdig over hem, en hij verscheurde hem gelijk als men een boksken van malkanderen scheurt, ende en hadde doch gansch niet in zijner hand.
Ik was een Nazir[134] Gods, mijn lokken waren te edel Om scheren; dies nooit scheer[135] barbierde mijnen schedel; Mijn kracht, die sidd'ren deê een heerkracht wonderbaar, Tot haren broeinest had geheiligd mijn dik haar; Met dees twee ermen ik, als leeuw, den leeuw deê trillen, En splitst' hem zijnen muil tot aan zijn achterbillen. Waar was de sterkheid van de sterke, die men zag Zoo onlangs, als het beest dus in twee riemen lag? Als op mijn feest ik van mijn troetel[136] was verraden, Ik boette mijn verlies met driemaal tien gewaden, Die ik den Filistijn geplonderd had van 't lijf, Als ik 'er op haar rug ter neêr leî zesmaal vijf. 't Boeleeren van mijn helft stond dier[137], in Samsons toren[138], Den vijand, als hij joeg de vossen in het koren, Met vuurwerk in de swans[139], gekoppeld vast en stijf: Wat rees de merkt in tarwe, in wijndruif, in olijf! Doch Lechi, uit om wraak, vergeefs kwam tot mij juichen, Als hij met kennep mijn vermogen dacht te buigen: Als veerdig mijnen geest die vlassen strikken brak, En groett' er duizend met eens ezels kinnebak: Die mij een bornsprong[140] strekte, als, om wat te verfresschen, Ik mijn versmachten dorst met 't versche nat ging lesschen. Zoo op mijn boelschap ik te Gaza was versnot[141], Men het klinket vergeefs sloot met het grendel-slot: Wij rezen 's middernachts, op dat wij ons verlosten, En kruiden in 't gebergt de poorte en d' ijzren posten. Maar namaals stond mij dier[142] mijn nieuw getrouwde bruid, Die, tot mijn scha, zoo lang was op haar lagen uit, Tot dat, mijn pan[143] ontbloot[144], ik bloot stond van vermogen Als d' onbesneên[145] vergramd 't licht uitbluschte in mijn oogen, En boeide mij, tot dat, mijn kuif volgroeid bijkans[146], Hij vierde Dagons feeste, en pakte trans aan trans Met menschen, die, in plaats van Samsons kunst t' ervaren, Met hem versmachtten door 't verwrikken der pilaren. Een ander Samson kwam verlossen, sterk en fel, Het menschelijk geslacht van Duivel, Dood, en Hel.
SAMUEL,
DE PROFETISCHE RECHTER.
_Eccles._ 46.
Samuël, de profeet des Heeren, van zijnen God geliefd, richtede een koninkrijk aan, en zalfde vorsten over zijn volk.
Als Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen, Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplen In 's moeders lieven buik en 't zwangere ingewand, Daar ik gebeeldet was van Gods almogend' hand: "O!" riep ze, "die mij heeft gezwangerd met verblijden, Dien wil ik 's lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden, En zal die zoetebol 't vergulsel van zijn haar Verzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en de schaar;" Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in 't bloeyen, Aanving in vreeze Gods meer als in 't vleesch te groeyen; Met een profetisch vuur mijn brein Jehova stooft, En toont mij, wat een roê staat Ely boven 't hoofd. De stammen driemaal vier, op mijn verbod, haar schamen Den dienst van Astaroth en Baälim te zamen. Mijn offren en gebeên Abraham zeegnen, dat De Filistijn hem viert van Ebron aan tot Gath. Maar wee mijn ouderdom! doen beî mijn zonen bogen[147] Des vromen pleit, om 't goud, dat flonkerde in haar oogen: Een oorzaak, dat eerlang 't geslacht van Israël Om eenen koning woedde, en muitte zoo rebel: Tot dat ik 't zaad van Kis, onwillig harenthalven, Zijn nedrig brein ter nood ging heiligen en zalven. Onzichtbaar ieder een toeblonk zijn majesteit, Ter tijd hem d' Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheid Betoond, doen na 't gerecht hij 't vee en Agag spaarde, Wiens kruin te Gilgal ik ontzeî met mijnen zwaarde. O, Saül! 't was om sunst[148], dat gij, gemattet af Door wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf: Als gij 't gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer, En 's and'ren daags uw borst de proef nam van uw ijzer, Wierdt beudel[149] uwes zelfs, na zoo veel hoons en smaads, En ruimde David op de koninklijke plaats: Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen, Doen God u sloot zijn gunste, en 't rijk stond voor hem open.
DAVID,
DE KONINKLIJKE PROFEET.
_Eccles._ 47.
David was onder den kinderen Israëls uitverkoren, gelijk als het vette aan den offer Gode toegeëigend was.
Ik was nog herder, als, beweegd van 's Drieheids[150] vinger, Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger, Waarmede ik Goliath, die 't dwergjen hiel voor nar, Smeet plompverloren neêr, doen 't bloed sprong uit zijn star[151]: Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyen Van Saül, die mij kwam toejuichen met zijn reyen, Zoo ik het potshoofd[152] droeg versteken van de romp, Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp. Maar och! wat holp 't mij, als de koning, in der hitten[153] Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan 't tapijt woû spitten. Mijn vroomheid evenwel zoo lang deed haar beklag, Tot dat ik, bruidegom, in Michals ermen lag. Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen, Ontweek mijn schoonvaâr in benaauwde ballingschappen. Koud[154] was hij, wie mij hoofde[155]: ik doch ontzeî 't geweer Den wraak, als ik greep 't kleed, den kroes, en 's vijands speer, En liet mijn goede zaak bevolen 's Hemels troone, Tot dat de lijfknecht mij bood 's doôn vervolgers kroone: Dies Juda mij bedroop met 's balsems heilig vet, En Isrel andermaal, zoo fluks als Isbozeth Zijn leste doodstuip kreeg. Na[156] ging zich David kwijten Aan 's Heeren ark, die hij beschaauwde met tapijten: Maar 's konings ijver wierd te schendig uitgebluscht, Als hij 't koraal[157] had van Urias' bruid gekust. Mijn boet die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen, Vermids 's Geests heil'ge blaân[158] bebloed zijn van mijn krijgen: Daar 't vuur stuift van mijn staal in 't slaan van d' onbesneên, En smoelen[159] in haar assche en bloed de doode steên: Daar Absalon te droef gaat sluiten zijn history[160], Als hem mist ondersteek te doen[161] zijns vaders glory: Daar van drie roeden ik, gedrukt, één kiezen ga, Omdat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba. Wie meer begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen, Die luister, hoe zijn herp wekt d' echo van zijn psalmen, Daar David offren gaat zijn rijke diadem Den Koning van het oude en nieuw' Jeruzalem.
SALOMON,
DE WIJSHEID.
_Eccles._ 47.
O, hoe wel leerdet gij in uwer jeugd, en waart vol verstands, gelijk als het water het land bedekt, en hebt het alom met uwe spreuken en leeringen vervuld!
Mijn haar-gesternt' met goud, en puik van diamanten, Bekoorde Adonia, die tegen mij ging kanten Zijn overschaauwd[162] bedrog, en naar mijn kroone stak, Nu een, nu anderwerf; maar laas! hij viel te zwak, Al waar zijn hals van goud; ik, zonder om te kijken, Mijn leen verzekren ging mijn zaad met houwelijken, En plukte uit Faro's hof die overkijkerblom[163], Die in mijn armen viel te Sion willekom. De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren, Daar hij mij bood den keur van vier voltooide[164] joff'ren. De wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook d' ander drie: Dus bleef mij wijsheid, eer, gezondheid, rijkdom by[165]. Mijn wijsheid blonk in 't pleit, als 't kind, nog niet in stukken, De ware moeder 't hert kwam uit haar boezem rukken: In d' heilge tempelbouw: in 't brommen[166] van mijn hof: In 't wijen van Gods kerk: in d' uitgeborsten lof, Die voor mijn aangezicht, oon Salomon te smeken[167], De schrandre koningin kwam honigzoet uitspreken: In 't blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang[168], Daar ik een lager speel, een hooge, een englenzang. De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen, Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen. Gezondheid voedde mij met een zoo sterke reuk, Dat aan mijn voorhoofd nooit zag d' ouderdom een kreuk. Mijns rijkdoms alchimie deê[169], dat gansch Palestijnen Blonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen. Het zilver was als lood, 't Ofirisch goud als tin, De peerle als keizelsteen; maar och! de valsche min, Die troetel Venus met haar lodderketelingen[170], Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen, En bogen onzen nek voor 't juk van haar geboôn, Die vleyende ons betrok te dienen vremde Goôn, Zoo lang tot d' Hemel zag, met 't aanzicht vol misnoegen, 't Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Kristus droegen.
ELIAS,
D' OPGENOMENE.
_Eccles._ 48.
De profeet Elias brak voort gelijk als een vier, en zijn woord brandde als een fakkel.
Den Hemel, als ik sprak, ontzeîde 't aardrijk regen: Dies aan de beke Crith ik wachtte 's Heeren zegen: Daar 't zilver van de vliet mij strekte lafenis, En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch. Als 't vocht was opgedroogd, mijn spoor naar Zarpath strekte, Alwaar een heil'ge weeuw haar jongste tafel dekte: Doch haar barmhertigheid, die mij geherbergd had, Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad[171]; En als zijn doodsnak[172] gaf de zoon van mijn weerdinne, Op mijn verzoek hem God van nieuws blies 't leven inne. De priestren Baäls ik verwon met d' hulpe Gods, Doen 't vuur om 't altaar spookte op Carmels hooge rots, Daar mijn gebed opsteeg, en der Samaritanen Amechtigheid versloeg met lang gewenschte tranen. Nog wreek ik Jezabel, als mij, in hongersnood, Bracht d' Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood, Waarmeê mijn hert vertroost een dagvaart[173] kost verdragen Van nachten viermaal tien, en effen[174] zoo veel dagen, Tot dat ik d' heuvel Gods genaakte, en zag een vonk Van 's Heeren heerlijkheid op 't ruim voor mijn spelonk. Daar mij Jehova streng te last legt zijnenthalven, Hazaël en Jehu tot koningen te zalven, Eliza tot profeet. Na[175] zag ik Naboths druk, Den vloek van Jezabel, en Achabs ongeluk. Ahazia vernam van mij, door zijne boden, Dat hij Baälsebub vergeefs smeekte in 's doods nooden: Zijn hoofdliê, die hij zond om mij te grijpen stuur[176], Ik blaakte tot tweemaal met eislijk Hemels vuur, De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen, Hoe 't hof eerlange in rouw 't gebalsemd lijk zou volgen. Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam, Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam: En zag van boven af den anderen Elias, En namaals op 't gebergt de klaarheid van Messias.
ELIZEUS,
ELIAS' NAVOLGER.
_Eccles._ 48.
Doen Elias in het onweder weg was, doen kwam zijnen geest rijkelijk op Elizeum: te zijner tijd verschrak hij voor geen vorsten, en niemand kost hem overwinnen.
Nadat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren, Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren, Zijn geest rustte op mijn brein tweevoudig; met zijn kleed, Dat hem ontviel, 's Jordaans kwikzilver ik doorsneed. 't Nat wij te Jericho met heilzaam kracht vervulden. Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden, Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaan Voor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan. Edom, met Jozafat, en 't hoofd der Isralieten Verkondige ik 't verderf, en val der Moabieten. De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar: En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen 't jaar, Dien namaals ik verwekte[177], als, zijn gezicht gebroken, De dood zijn lichten met zijn schelen[178] had geloken. De bittre kompost[179] ik verzoette, als 't jonge rot Roept: "help! o help, man Gods! de dood is in de pot!" De gerst ik zegen, die de struismage in gaat slokken, Verzadig tienmaal tien, die walgen van de brokken. De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan, Ging krank, en liet[180] gezond de zwalpende Jordaan. Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig. 't Gezonken ijzer ik maak driftig[181] te[182] behendig. De lagen der Syriêrs ondekke ik, die daar na Geblindhokt[183] zijn verdoold mids[184] in Samaria. Samariën, omringd met wagenen en rossen, Vertroostte ik eer haar d' erm des Heeren kwam verlossen. Ik wake om mijn weerdin, die 's hongers knaagworm vlood: En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood. Mijn knaap den Jehu zalft tot hoofd van Jacobs stammen, Die Achabs huis uitveegt door 't Goddelijk vergrammen. Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag, Ik Joas 't hert verblij met de aanstaande onderlaag[186] Van Assur: en verscheên[185] ik nog verwek den genen, Die in mijn grafsteê, dood, slechts roert mijn doode beenen.
MICHAEAS,
DE VERTOONDER.
3 _Reg._ 22.
Zoo warachtig als de Heere leeft, ik wil spreken wat mij de Heere zeggen zal.