Part 3
Onnoozel was mijn hert, dies gretig ik beschudde Voor 's bijtwolfs achterkies, mijn makke, onnoozle kudde, Terwijle Kaïnbroêr omwroette met den ploeg Zijn akker, die hem nooit betaalde pachts genoeg. En wetende, dat ik verplicht was lof te geven Hem, die mijn vliezen[40] 't gras dede aan de ribben kleven, Ik Kaïn voorhiel of, als ik mijn lammren-dracht, Hij d' eerstlingen zijns oogsts ook t' off'ren was bedacht? Ik had gehoor; wij twee eenmoedig[41] ons verspraken[42], En deên ons giften op een tweeling-heuvel blaken: Mijn vuur golfd' hemelwaart, zoo dede ook 's offers smook, Maar hem bedekte een wolk van neêrgeslagen rook. Waarom, van gramschaps brand in 't aangezicht ontsteken, Hij met een stuursch gelaat schiet van mij, zonder spreken. Ik zuchtte, ik was begaan, en van veel weenens nat, Omdat ik 's Broeders haat op mij geladen had. Ik bracht hem een geschenk van lammren zonder smetten, Op hope om zijnen wrok en piek[43] wat te verzetten; Dan ach! 't was al vergeefs. Een wijle tijds geleên Hij mij gemoette op 't veld, geliet hem wel te vreên, Hij bracht me, ik volgd' hem op een onbetreên passagië, Benoorden sloegen wij in 't droefst'[44] van een bosschagië, Die van de voglen nooit gegroet was noch bekend, En daar tot nog toe nooit kwam mensch noch vee omtrent: Hij, op zijn luim, als hij zijn tanden had doen knersen, Een groote keisteen greep, en bliksemde mijn hersen Met zeenwen[45] uitgerekt: ik sneuvelde, en ik viel, En zoo ik mij nog repte, hij, met zijn slinker hiel, Den krop mij worgde toe; daar lag ik zonder sprake, Het bloed ten monde uitvlood, dat d' Hemel liet de wrake Van d' eerste broedermoord bevolen; mijnen geest, Ontschakeld van het lijf, was d' eerste, die ter feest In 't koor der zielen kwam, en, daar in grooter weerden, Den broedermoorder hier liet balling op der eerden.
SETH,
DE GODVRUCHTIGE.
_Gen._ 5.
Seth was honderd en vijf jaar oud, en genereerde Enos, en leefde daar na acht honderd en zeven jaar, en genereerde zonen en dochteren, dat zijn gansche ouderdom werd negen honderd en twaalf jaar, en sterf.
Mijn moeder vond haar ziel doorregen met een sabel[46] Van droefheid, als zij rook[47], hoe deerlijk haren Abel Had Kaïns haat bezuurd. "O!" riep ze, "dat valt zwaar, Te hebben opgezoogd een broedermoordenaar! Ach, Abel! Abel, ach! wat is u wedervaren? Wat droom ik al van moord met opgesteken haren! Had God dan met een eed verzworen en ontzeid, Te nemen in zijn scherm uw zoete onnoozelheid? Gaat hij, in 's vromen nood, zoo licht zij u aanschijn wenden, Dat hij, zoo snooden schelm zoo heilgen ziel laat schenden? Heeft Abel dan om zunst[48] hem dagelijks gerookt, En al de rotsen hieromtrent haar kruin verschrookt? Of was hij achteloos te knielen en te buigen? Neen, d' heilige assche, alsins verwaaid, kan nog getuigen Van zijn Godsdienstigheid; en of hij is vermoord, D' een klippe zegget[49] steeds aan zijnen nabuur voort." &c. Dus klaagde de arme vrouw, tot dat verstreken waren, En zij bereiken mocht een eeuwe en dartig jaren: Doen knikt' haar d' Hemel toe, die, in zoo bangen nood, Haar zwangerde, dat zij mij teelde uit haren schoot: "Nu hebbe ik," sprak ze, "nog naar wensche een vrucht verworven, Die wekken zal hetgeen met Abel was gestorven; Een zoon, die, vroom en goed, het goed van 't kwade schift, En Kaïns boosheid zij een rechte tegengift; Een zoon, wiens vroomheid zal bekeeren de alderboosten, En 's moeders hert, gemat van droefheid, eindlijk troosten."
ENOCH,
DIE 'T GRAF VERSMAADDE.
_Eccles._ 44.
Enoch behaagde den Heere wel, en is weg genomen, op dat hij der wereld een vermaninge ter boete ware.
Mijn meester Seth 't gezet[50] des Hemels op mij entte, En Gods geheimwet in mijns herten tafel prentte, En goot mij in 't gemoed een Goddelijken reuk, En perste mij, zoo dat mijn ziel van jongs een kreuk Behield van vreeze Gods, die zoo heeft toegenomen, Dat mijne wandel strekte een spore d' andre vromen: Die, weinig in getal, schier wierden afgemat Van Kaïns boosheid, die het heilig zaad vertrad. Ik, speurend' hoe hij gaf Godvruchtigheid ten roove, Met Seth oprechten hielp den standaart van 't geloove, Met ongel en laauw bloed des altaars plat beslaan, En met gebeên om hoog naar 't sterrenwelf opgaan. Van waar de driemaal groote en heiige God der Goden, Mij ziende groeyen in veel deugden ongeboden[51], En hoe mijn lijf mijn ziel strekte een gewijde kerk, Dat veel te zuiver achtte, om dekken met een zerk: Dat veel te weerdig schatte, om van de dood verbolgen Te zijn verbeten, en van 's kerkhofs keel verzwolgen. Waarom ter aarden hij een vuurge wolke boog, Waar in hij mij, als in een koets, ten Hemel toog: Van waar het sterflijk volk gejond wordt nog van verren Te aanzien mijn oogen, niet meer oogen, maar twee sterren; Twee sterren, daar ik mede aanschouwe 't schoon aanschijn, 't Schoon aanschijn Gods met opgeschovene gordijn; Gordijn, die hindert[52], dat de sterfelijke menschen Niet zien het geen ik zie, met eindelooze wenschen. O licht! o, dag! o schoon! o doel! o weelde! o vreugd! Wanneer zal u de rest der heilgen zien verheugd? O mann'[53], zon, spel, bloem, troost! wanneer, in 's Hemels stoelen, Zal u elk smaken, zien, aanhooren, ruiken, voelen?--
NOACH,
D' OUDSTE SCHIPPER.
_Heb._ 11.
Door het geloove Noë van God vermaand, van het gene dat men nog niet en zag, vreesde, en maakte de arke tot zijns huisgezins behoudinge: door de welke hij de wereld oordeelde, en is der gerechtigheid, die na den geloove is, erfgenaam geworden.
Hoe 't menschelijk geslacht meer wies, meer wies de boosheid: De wereld wierd een poel vol stanks en goddeloosheid. De jonff'ren snoerden op met goud hun[54] gouden haar: En timmerden[55] haar pruik met transen wonderbaar: Haar halzen, blank als sneeuw, zij preuts en opgeblazen Omkransten, mars op mars, met kraauwels portefrazen[56]: Haar roô fluweele keurs sleepte als een achterswans[57]: Haar lendenen omgordde een ronde toren-trans: Zoo gingen zij op 't goud van haar ermboeyen[58] snurken[59], En zooltjes geborduurd, al krakende van 't kurken[60]: En pronkten, dag op dag, als poppen toegemaakt, Zoo lang[61] der heilgen jeugd wierd met haar min geblaakt, Gevangen en verlokt; help God! ik zag 't te voren, Wat wierd uit 's werelds echt een godloos zaad geboren! Veel snooder noch als 't eerste. Ik predikte, maar laas! Zij sloegen 't in de wind; zij riepen: "arme dwaas! Gaat razen naar uw ark, zoo zuldy niet bedruipen Van 's pekels overloop, als wij te hoop[62] verzuipen." Men dronk, men klonk er steeds, men hieldet al voor boert', Ter tijd, in mijn gesticht[63], van alles wat zich roert Ik huisde paar bij paar, en die van mijnen zade, En aan mijn zaad verknoopt[64], ik meê te vluchten raadde. Den Hemel stelde fluks zijn sluizen op altoos, Tot ik der bergen kruin uit mijn gezicht verloos. Den naam des Heeren wij geherbergd hier aanriepen, Tot, 's Hemels toorn, gekoeld[65], de stroomen weêr verliepen, En 't groote galioen, ontslagen van het nat, Zijn bodem stiet en strandde op 't hoofd van Ararat: Daar legrende tot dat, van boven aangesproken, Wij op 't bemost altaar deên onzen offer smoken, Die d' Hemel zoo geviel, dat hij, met heilige eên Zwoer, met geen zendvloed[66] meer het aardrijk te vertreên; En, tot verzeegling ons te hoên van zulk verderven, Hij in de wolken spande een boog van duizend verven.
MELCHISEDECH,
DE KONINKLIJKE PRIESTER.
_Heb._ 7.
Deze Melchisedech was koning van Salem ende des alderhoogsten Gods priester, de welke Abraham te gemoet ging, als hij weêrkeerde van den slag der koningen, en zegende hem.
Wie dat mijn vader was en moeder, ik verholen In donkre nachten laat 't geheimenis bevolen: Doch roemen derf ik wel, dat Salem voor gewis Mij danken mag, dat zij een stad geworden is: Doen ik de kruinen eerst wist van dees heilge rotsen Fraai op te tooyen, en met steen-werk op te botsen[67]. Doen ik dees heuvlen huwde, en gordde met een muur, Opdat voor 't uitheemsch staal en 't eislijk oorloogs-vuur Mijn burcht mocht zeker zijn, en 't arme volk in vreden Zijn dorpels onder mij gerust en veil[68] betreden. Maar of 't u vreemd scheen, dat ik kroon en myter voer Op mijnen schedel, dien nooit vlijm noch scheermes schoer, Ik antwoord: dat God zelf, van zijn gewelfde woning, Mij tot zijn priester zalfde en kroonde tot een koning. Mijn heiligheid oon[69] vlek d' aanstaanden priestren laat Vrij dienen tot een lamp in haar gewijde staat. De Goden, die het haar met goud en peerlen eeren, Laat vrij rechtveerdigheid van mijnen schepter leeren. Nooit hebbe ik op 't altaar gevuurd[70] met valsche schijn: Nooit kreukte ik iemands recht, maar gaf een ieder 't zijn. En uit dit vroom gemoed ik brandde naar d' oprechten: Waarom, zoo haast ik hoord', hoe Abram met zijn knechten, In boersche onordening, de dwingelanden van 't Groot Syriën trof aan, en overviel bij Dan: Met brood en wijn verzorgd ik hem en Loth ging tegen, Uitbreyende over haar mijn priesterlijken zegen. Wie met zijn ooge in mijn aandachtig aanschijn speelt, Ziet, hoe Melchisedech zoo levendig afbeeldt Een hooger priester, wiens beginsel Goddelijker Bereiken niemand mag met een veerziende kijker: Een koning, die ontving een schoonder diadem, En zijnen troon beschaâuwt[71] in 't nieuw Jeruzalem.
LOTH,
HET ZOUT VAN SODOMA.
_Sap._ 10.
De wijsheid verloste den rechtveerdige, doen de godlooze omkwamen, doen hij vlood voor het vuur, dat op de vijf steden viel.
O Loth! wat strenger lot was 't u, zoo wijd te zwerven, En van uw vaderland den Hemel te gaan derven? Doch God verzag[72] uw schâ, doen als een rijke zee Ging golven over 't groen het witgewolde vee, Zoo dat haast neve en oom, door 't krimpen van de weiden En d' aanwas van haar kudd', de nood beval te scheiden. Ik sloeg, sampt[73] mijn gezin, te Sodoma mij neêr, Maar 't oorloog veldde dra op onze muur zijn speer: Zoo dat geplonderd ik wierd weg gevoerd door bosschen En hagen, daar op 't slag[74] mijn oom mij kwam verlossen. Met vreugde vond ik weêr de dorpel van mijn huis, Daar, aangevochten van een goddeloos gespuis, Ik met mijn wandel lichtte, en daar twee jongelingen Wij in de schaduw van ons gastvrij dak ontvingen; Twee gasten, die, gedaald van 't Hemelsche gebouw, Verblindden 't geil geboefte als 't haar misbruiken woû. Ik neigde kniên en hoofd voor de afgedaalde Goden; Zij zeiden: "maakt u op, fluks op! 't is tijd, gevloden[75] 't Van God verbannen volk, en uit d' aanstaande brand!" Zij leidden mij, mijn helft, en dochters metter hand. Mijn egâ, met gemoed noch met haar lichaam vlugge, Omziende, een zout-pilaar bleef achter onze rugge, Den neven tot een baak: en zoo fluks steên en land Den Hemel met zijn toorts van sulfer stak aan brand. Ik, met mijn deernen, in de schaduw der spelonken Bleef veilig op 't gebergt, beschermd van vlamme en vonken. De maagden (treurig, dat, de volken omgebracht[76], Wierd met zijn val gedreigd het menschelijk geslacht) Raadslaagden, en met drank haar ouden vader toefden[77], Tot ze uit de winkelhaak[78] verstand en zinnen schroefden. Ik wierd terstond gewaar een heimelijke vlam, Die zoo lang blaakte, dat ik beid' haar maagdom nam; 't Is wonder, wat de ziel des wijnstoks al kan brouwen! Volgt dit kwaad voorbeeld niet, maar wilt dees baken schouwen.
ABRAHAM,
DER GELOOVIGEN VADER.
_Heb._ 11.
Door het geloove heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izaäk geofferd, en hij, die de belofte ontvangen hadde, heeft zijnen eenig geboren zone geofferd.
Zoo iemand meten wil mijn heilige voetstappen, Dat hij zijn oogen weide in al mijn ballingschappen: Dat hij aanmerk' hoe ik om vreê mijn broeder wijk: Hoe trouw ik hem ontboei, mijn huis gehoorzaam ijk[79]. Dat hem ter herten ga, hoe gastvrij ik mij drage En d' Englen leger in de schaduw van mijn hage: Met wat meêdoogen ik ophoude Sodoms roê: Met welk een vast geloove ik leg mij zelven toe Te zwangren Sara, met een eenige eerstgeboren: Met wat gelatenheid ik, in mijn ega's toren, Mijn Hagar geef 't gelei sampt haren Ismaël. Doch al dees' zwarigheên zijn niet dan kinderspel Ten aanzien van die storm, doen, hard van alle zijden, Het scheepken mijns geloofs schip-breking scheen te lijden; Als met dees donderstem God zijnen Abram vindt, En spreekt: "gaat, offert mij uw eenig troetel-kind!" Dat was een wonde in 't hert na zoo veel herde slagen: Ik geef te denken, hoe 't een vader al kost dragen. Help God! wat ging 'er doen een tij van tegenspoed, Hoe worstelde 't geloove en 't vaderlijk gemoed, Als ik op d' heilge klip, van droefheid schier verslonden, Beide ermen kruiswijs van mijn Izak had gebonden, En trok, in God getroost, den sabel uit, beraân Om van die zoetebol 't hoofd van den buik te slaan. Gewislijk, hadd' er niet een Engel toegeschoten, En mijnen erm verlet, de steenrotse ik begoten Zoud' hebben met dat bloed, waarin Gods goedigheid Mij zijnen zegen had beloofd en toegezeid. Maar vraagdy, wat mijn hoop nog voedde in zulke nooden: Het leven, dacht ik, kan verwekken licht den dooden, En die een klomp bezield', hem, die voor 't altaar viel, Inblazen wederom een levendige ziel. Gij vromen, dat's u voor! standvastig allegader Dit voetspoor houdt, en volgt mij, aller heilgen Vader!
IZAÄK,
DE BELOOFDE.
_Heb._ 11.
Door het geloove van dingen, die komen zouden, zegende Izaäk zijn zonen Jacob en Esau.
Zoo dra ik kwam in 't licht, de vroêvrouw zal 't getuigen En 't vrouwenbuurschap, hoe men zag mijn moeder juichen: "O!" riep ze, "geeft dat schaap te kussen aan zijn vaâr; Dat langverwachte lot, mijn blijdschap, is 't eens daar? O, reikt dat popken hier!" maar had ze in haarder zielen Geheimplaatse eens gedroomd, dat ik voor 't mes zou knielen, Dat in mijns vaders scheê wierd van de roest geknaagd, Die inval had terstond haar vrolijkheid verjaagd. Hoewel den Hemel liet de zaak zoo wijd niet komen, Dat mij van 't lichaam wierd het jeugdig hoofd genomen. Rebecca was mijn lot, die God zoo heerlijk schiep, En namaals zoo gerust in Izaks ermen sliep, Tot dat gelukkig wij uit haren schoot ontvingen Een zegeninge van twee tweeling-jongelingen. Ons blijdschap waar volmaakt geweest in éénder[80] dracht, Had Esau Jacob in goedaardigheid geslacht. O ruigen Esau! die om 't moes uw recht verkwistte, En dan uit rouwkoop weêr met uwen broeder twistte; 't Was wel besteed aan u, dat Jacob henen ging En eigende, door list, van 's vaders zegening 't Merg en de vette room. Wat nepen ons al zorgen, Dat in uw gramschap gij uw broeder mocht verworgen[81], Zoo gij gezworen hadt. Was 't niet een herd geschil, Dat Jacob balling wierd alleen om uwentwil? Wat wrochty[82] hertenleed in 't herte van uwe oudren! Wat pak van droefheid gij niet laadde op hare schoudren! Doen gij verslingerd aan de dochters hingt van Heth, Die 't hoofd u bliezen vol, wanneer gij waart te bed. Doch lof zij Zebaoth, die binnen onzen leven Ons Jacob tot een troost hadde in de schoot gegeven: In wie ik Izak's zaad zoo vruchtbaar zie gesteld, Dat wie de vonken aan 't gesternde welfsel telt, Die met gezwinde keer ons over 't hoofd gaan gloeyen, De zonen telt, die uit de stronk van Abram bloeyen!
JACOB,
DE WORSTELAAR.
_Gen._ 32.
Gij en zult niet meer Jacob heeten, maar Israël; want gij hebt met God en met menschen gekampt, ende hebt boven gelegen.
Voor broeder Esau's wrok gewaarschouwd van mijn moeder, Ik zweefde in ballingschap bij Laban, haren broeder; Mijn oom ik wilkom was, ik dreef zijn plechtig[83] vee Om Rachels schoonheid, die veel blanker was als snee, Veel schoonder als de zon, veel frisscher als de douwe, In 't oog haars minnaars, die vergat al zijnen rouwe Als hij ontmoeten mocht zijn handgaauw'[84] herderin, Die vaken met hem joeg de geitkens uit en in. Maar als, na 't slaven, ik omhelsde mijnen zegen, Ik Lea leep[85] aanzag, die heimlijk had gelegen Bij Rachels bruidegom: dus diende ik wederom Vier jaar en drie, om mijn verkoren eigendom. Als ik gezegend nu nam voor mij te vertrekken, Mij Laban ophiel[86], mids dat mijnen loon zou strekken Het bont gesprenkeld vee, daar ik terstond met list Rechtveerdelijken in[87] mijn baat te woekren wist: Waarom, als ik mijn oom zag in 't gelaat ontsteken, Ik op 't geleide Gods mijn leger op ging breken, En week het aangezicht mijns schoonvaârs, die wel haast Al hijgende, ter vlucht, mij vinden kwam verbaasd; Wij raakten in verdrag na 't onderling krakeelen: Hij zegende ons, ik ging hem Jacobs God bevelen, En spoedde mijnen tocht, en worstelde zoo trotsch Met d' Engel op de weg, dat hij den zegen Gods Most spreken over mij. Niet lang hier na, wij spoorden[88], Dat Esau op ons komst' zijn heer stelde in slagoorden, En schrikten zoo hij kwam op onzen leger aan. Ik zocht met diepe ootmoed zijn gramschap t' ondergaan, En won zijn herte, en zag haast Izak, de stok-oude, Die mij betastte, maar van blindheid niet aanschouwde. Hij sleet gelijk een kleed van oudheid, tot ik droef, Met Esau, in het graf zijn dor gebeente groef. Hoe namaals ik mijn ziel om Jozefs ziel ging kwellen, En zegende mijn zaad, mag Jozef u vertellen:
JOZEF,
DER JONGELINGEN SPIEGEL.
_Heb._ 11.
Door het geloove meldde Jozef, als hij sterf, van den uitgang der kinderen Israëls, ende gebood van zijne gebeenten.
Ik hadde in 's vaders hert de voorplaatse ingenomen: Mijn broedren zulks verdroot; 't geheim van mijne droomen Haar gramschap feller sleep. Waarom, als ik gegaan Op 't veld kwam, riepen zij: "daar komt de droomer aan, Dat geldt hem zijnen kraag[89], zoo derf[90] hij niet meer zuigen Uit zijnen duim, dat wij, elf sterren, voor hem buigen, Sla dood die jonge wulp!" maar Ruben, nog bedut[91], Te weeg bracht, dat ze in 't hol mij lieten van een put. Hier dook ik, tot ze mij goedkoop verzekren gingen Den Ismalieten, voor viermaal vijf zilverlingen, Te Memfis omgeveild zoo ras niet, ik gold meer. Doen Faro's kamerling[92] wierd mijnen tweeden heer, Mijn dienstbaarheid hem bracht een vloed van zegen inne, Ter tijd op Jozefs jeugd wierp de oogen van haar minne, In 't afzijn van zijn heer, de bruid van Potifar, Die op haar bed-spon[93] blonk gelijk de morgenstarr', Recht of God keuren woû, wat deugd al t' mijnent thuis leid'; Maar zij behiel mijn kleed, en ik behiel mijn kuischheid. Als 't aangebrande wijf mijns mantels slippen greep, En door valsche aanklacht mij in 's kerkers ijzers neep, God op mijn onschuld zag van zijn gesternde woning: Dies ik, droomkundig, voor het aanzicht van den koning, Gaf op zijn droomen den monarch bericht van als[94], Die rood van goud mij wierp een keten om den hals, En om d' hoofdslapen mij den purpren tulband drukte, Zoo dat Egypten 't hoofd voor mijn genade bukte, Als zeven oogsten ik had 't overschot gespaard Om d' honger te verzaân, den[95] honger, 't scherpe zwaard, Dat al de wereld vlood; en onder andre zielen Mijn reisbre broedren deê voor mij op 't marmer knielen, Dat van mijn zetel droeg de trappen: daar ik blij Mij hun te kennen gaf, en zij erkenden mij: Daar ik mijn vader wenkte, en d' oude troosteloozen[96] Omhelsde, en gaf te leen de vruchtbaarheid van Gozen.
MOZES,
DE WETGEVER.
_Heb._ 11.
Door het geloove weigerde Mozes, als hij groot geworden was, een zone der dochter Farao genaamd te zijn: verkiezende liever met Gods volk kwaad te lijden, dan tijdlijke nuttigheid der zonden te gebruiken.
Gedenkt eens, in wat pers dat Mozes oudren waren, Als mij de bittre nood te wiegen gaf den baren; En weder, wat een vreugde opdaagde in hare ziel, Doen veil[97] ik in de schoot van 's konings dochter viel: Die mij te bakren gaf aan juffren en vorstinnen, En aan mijn koest'ren leî te kost haar schrandre zinnen: Dan 't was verloren moeit'; zulks toonde ik haar wel plat, Doen Faro's diadem ik met de voeten trad, Gelijk ik namaals dede, en eenzaam ging beschudden Bij Horeb, met mijn mak[98], mijn afgedwaalde kudden, Tot dat mij God verscheen in vlamme, op wiens geleî Ik Jacobs slavernij den vorst des Nijls ontzeî: Die dreef eerlang in 't meer, met al zijn pracht verzonken, Als te veel hovaards hij en pekels had gedronken. Doch die[99] ons leidstarr' bleef, die 't hier toe had gebrocht, Die 't water tapte uit steen, en 't mann' biek[100] in de locht, Die Amalek verdempte, en, eislijk en vervaarlijk, Ons gaf van Sinaï zijn wetten wonderbaarlijk; Maar 't achtelooze volk dreef met zijn naam den spot, Als 't juichte om 't snoode goud van een gegoten God. Ik ijverde om haar heil, en waakte al steeds in 't midden Van haar en God, of ik haar plagen mocht verbidden. Wat kostte 't mij al zweets! wat drukte mij een kruis, Eer God mijn trouwe toetste in 't twalefstammig huis: Eer God mijn uitvaart vierde op 't Hemels-hoog gesteente Door d' Eng'len, die den Droes[101] ontzeiden mijn gebeente, Daar hij meê spoken woû in Israël voor mom, Om God t' ontvremden zijn verkoren eigendom. Ik sliep in 't graf; ter tijd ik vrolijk, met Elias, Verzelde op Thabors pruik[102] den Hemelschen Messias, Wien ik had voorgelicht, en ik nu kennen kon Als ik opklaren zag zijns aanzichts gulde zon, Die namaals zoo mismaakt aan 't hout droop tusschen d' ermen, Dat zich een steenen hert daar over most erbermen.--
AÄRON,
DER PRIESTEREN ZONNE.
_Eccles._ 45.
Hij heeft Aäron, zijnen broeder, uit denzelven geslachte Levi ook verhoogd, ende hem gelijk uitverkoren; hij maakte een eeuwig verbond met hem; ende gaf hem het priesterdom in den volke.