De complete werken van Joost van Vondel. Op de Aankomste van de Koninginne van 't Zuiden te Hierusalem, [etc.]

Part 2

Chapter 23,577 wordsPublic domain

18. Vermits men zulken heil onwetlijk niet mag erven, Dat is: ten zij men daalt van 't Goddelijke bloed: Is 't wonder, dat dan veel dees hoogheid moeten derven, En dat men zelden vindt een koning naar 't gemoed?

19. Verliest u zelven dan en wordt uit God geboren, Indien gij anders haat der zonden slavernij, En uws ziels vrijheid lieft; gij werdt als uitverkoren, Gezaligd en gezalfd, tot zulken heerschappij.

Dit zong ik, daar ik lag gerust en onbekommerd, Van d' uitgestrekten eik beschaduwd en belommerd.

[1] Gallicisme voor _Zede-dicht_.

[2] _hun_; zie ook verder nog telkens.

[3] Min gelukkig voor _kwelt_, of iets derg., daar bij _noopen_ altijd een doel verondersteld wordt.

[4] Thans _hanteeren_.

[5] Thans _naar_, maar hier welluidendheidshalve gehouden.

[6] _past het hun_.

[7] Versta _duchten_, _dat_.

[8] _haar_ (nam. _de dood_).

[9] Thans _aanbidden_ (verg. echter den herhalingsvorm _bedelen_ en 't Hoogd. _beten_).

[10] _te koop_, _verkrijgbaar_.

Houwlijk-Zang,

tusschen God en de Geloovige Ziele,

OP DEN TOON VAN DEN 100STEN PSALM DAVIDS.

1. Zoo lang de ziel, nog onverleid, Heeft de ingeschaapne zuiverheid, Gelijkt ze recht een jonge maagd, Die cierlijk witte kleedren draagt.

2. Een maagd, die eerbaar, ongetrouwd, De kuischheid voor haar kleinood houdt, En die de bloem haars jeugds gewis Wil gunnen dien, die 't weerdig is.

3. Twee minnaars spelen in haar zin, D' een draagt haar _liefde_, en d' ander _min_: D' een biedt zijn trouwe op deugd en eer, En d' ander, dat hij haar schoffeer'.

4. Wat ongelijker vrijers doch! God en de Wereld, vol bedrog: De ziele slaat ze beide ga, En eindlijk gaat bij 't vleesch te râ.

5. Het vleesch, dien 't zienlijk oog behaagt, Te weeg brengt, dat de onnooz'le maagd Den Hemel zijn verzoek ontslaat[1], En met de wereld boelen[2] gaat.

6. De wereld, die op 't tijdlijk zaait, De bloem haars frisschen maagdoms maait. Den zomer, die zoo vrundlijk bloost, Volgt fluks een strengen zuren oogst.

7. Het maagd'lijk bloed ligt nu geschend, En is een gast-huis vol ellend, Want als de lust nu is voor-bij Zoo wordt de boel haar weêr-partij.

8. Dood-wonden hij zijn bij-wijf slaat, Berooft haar 't spier-wit, rein gewaad; Scheidt van haar, laat ze, naakt en bloot, Verworpen liggen, voor half dood.

9. Zij klaagt, zij zucht, zij steent, zij kermt, Tot dat den Hemel haars ontfermt: En of zij schoon dees straf verdient, Zoo is hij nog de zelfde vriend.

10. Ten beste van de aanstaande bruid Schikt hij een rei van maagden uit, Die 't arme schepsel, op een kruis, Gaan dragen in 't behouden huis.

11. Met wijn en olie hij beleefd[3] Al haar gezondheid weder geeft; Zijn hert-wond strekt haar een fontein, Daarin hij haar laat wasschen rein.

12. Hij trekt ze purpren kleedren aan, En laat ze voor zijn aanzicht staan, En spreekt: "boetvaardige vriendin! Ik geef u 't hert, en ziel, en zin."

13. Hij steekt ze een trouw-ring aan haar hand, Tot eenen zekren onder-pand, Tot teeken van onfeilbre trouw, En neemt ze tot zijn echte vrouw.

14. De bruid bezwijmt en is als stom, Omdat zoo rijken bruidegom Bekleedt haar armoede, en haar leid[4], En spreekt, vervuld met dankbaarheid:

15. "Wie ben ik? of van wat geslacht, Dat gij nog op mijn snoodheid acht, Ziet zoo veel edeler voor-bij, En voegt mij aan uw rechter zij?"

16. "Noch tijds, noch oudheids[5] ongeval 't Geheugnis mij ontvreemden zal Van 't rijk en onweerdeerlijk goed, Daar gij de onzaalge mede ontmoet."

17. "Verweerdigt slechts mij, assche en stof, Dat ik verkondige uwen lof, Dat steeds mijn mond uw weldaad wekk', En een trompet uws roems verstrekk'."

18. De Ziel, met God van Hemelrijk, Aldus verknocht in 't huwelijk, Wordt zwanger, en, naar 's bruid'goms beeld, Veel deugden hem tot kindren teelt.

[1] Voor _afslaat_.

[2] Verouderd voor _boeleeren_.

[3] Gelijk reeds meer voor _minzaam_.

[4] Voor _leed_.

[5] Gelijk reeds herhaaldelijk voor _ouderdom_.

DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.

Aan de Oudvaderen, Priesteren, Koningen, Profeten, en Helden.

Klinkert.

Oudvadren, uit wiens stronk de stammen zijn gesproten: Aartspriestren, die 't altaar met vuur en vleesch besloegt: Gekroonde koningen, die d' heil'ge scepters droegt: Profeten, die den volk' hebt Gods geheim ontsloten,

En strijdbaar' helden, die met schitterende degens Den vijand 't voorhoofd boodt, en randden Moab aan En Ammons ridderschap, en t' huis keerde, overlaân, Met bloedige trofeên, met zoo veel roofs en zegens:

Duldt, dat mijn Zangeres komt met haar herp verbreên, Hoe gij geteeld, gesmookt[1], geheerscht, geleerd, gestreên, En overwonnen hebt; duldt, dat ik mij vermake

En spiegel in uw deugd, en andren mede deil[2] Al 't geen de Geest beschreef tot nut van 's menschen heil Op dat elk een met mij in 's Hemels liefde blake.

DOOR EEN IS 'T NU VOLDAAN.

DEN WIJZEN, GELEERDEN EN WELERVAREN HEER

JOHAN FONTEYN,

DER ARTSNIJEN DOCTOR, EN LIEFHEBBER VAN ALLE GOEDE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

Al is het zoo, dat de mensche zich met recht bedroeven moet, en schaamrood zijn aanzicht ter aarden slaan, wanneer hij aanmerkt, hoe vele zwakheden hij in dit leven onderworpen is, zoo dat men met recht, voor zoo veel het lichaam aangaat, alle onvernuftige[3] dieren mag gelukkiger achten, en boven hem stellen: nochtans aanziende, hoe God almachtig zoo velerhande zaden, wortelen, kruiden en andere dingen laat opwassen, om zijn gebreken weg te nemen en zijn wonden te zalven, zoo kan hij wederom moed scheppen, en zich billijk in zijn ellende troosten, gemerkt hij nog raad voor zijne kwalen vindt. En evenwel of de nature jaarlijks zoo veel nutte spruiten uit haren schoot en boezem te voorschijn brengt, zoo waar deze troost nog ijdel, indien God de eeuwen niet doorgaans[4] zegende met kloeke en verstandige genezers, die de ziekten kennen en onderscheiden, en de heilzame artsnije den kranken bekwamelijk toepassen. De oude Heidenen hebben dit, hoewel niet in zijn rechte mate, erkend, wanneer zij kerken bouwden, en als Goden eerden den genen, die in deze hemelsche kunst uitmuntig[5] en den kwijnenden troostlijk waren: gelijk zij, onder andere, Æsculapius als een God hebben aangeroepen, die zelf te Rome zijnen tempel hadde, en van wie gezegd wordt, dat hij de bleeke schimmen ter Hellen uit dede komen. Indien wij hedendaags ook tot die blinde afgoderije geneigd waren, wij zouden lichtelijk mede in dat gebrek vervallen: want onze eeuwe is zoo ongelukkig niet, of wij zijn gezegend met uitnemende verstanden, die in deze Goddelijke wetenschap uitsteken; en zoo het ons als den Grieken geoorloofd waar, de waarheid met versierde[6] sprookskens te bewimpelen, en onder de schorse van gedichte fabelen te verbergen; wij zouden mogen voortbrengen[7], hoe in Holland, omtrent den Amstel, een Fontein gevonden wordt, die door hare springaderen zoo heilzame druppelen uitwerpt, dat ontallijke kranken, die ze smaakten, haar verloren gezondheid weder gevonden hebben. Wat dit gezeid is, kan een ieder licht vaten[8], die den raad gebruikt en de hulpe genoten heeft van uwe E., die deze loflijke stad een Fontein van heilzame artsnije verstrekt, en die billijk moogt gerekend worden onder het getal van die gene, daar de geleerde Tomas Garzon af getuigt, "che per invidia de' loro nomi da se stessi chiari e famosi, piu che non sono i raggi di Febo à mezo giorno[9]." Zoo dat wij, overwegende de ontvangen diensten en weldaden, ons licht aan uwe E. zouden vergrijpen, ten ware dat wij God erkenden te wezen de eerste oorzaak en borne[10], van dewelke alle goede gifte ende alle volmaakte gave is afdalende: die ook de sterflijke menschen als werktuigen tot zijns naams eere bezigt. Waarom wij dan naast de Alderhoogste met recht de zulke, om der kunsten wille, in haar behoorlijke mate eeren, en in weerden houden. Hetwelk mij ook veroorzaakt, deze mijn Helden Godes uwe E. op te dragen: waar toe mijn Zangeresse gantsch geneigd is, overmits uwe E. de dichtkunst met een lieflijk gemoed omhelst, ook somtijds uit lust oeffent: zoo dat uwe E. zeer gevoegelijk evenaart met[11] de voortreffelijke Erotimus[12], daar de hoogdravende[13] heer Torquato Tasso, in het elfde gezang van zijn Gierusalemme Liberata, aldus af[14] zingt:

En d' oude Erotimus[15] alreê van Padus[16] vliet Zich tot 's gekwetsten troost met vlijt gebruiken liet: Die van het heilzaam nat, van planten, en van kruiden 't Gebruik verstond, en wist elks krachten te beduiden, En had de gunste nog der Muzen op zijn zij, Doch met de minder eer vernoegd was van artsnij; De kwijnend' hij den dood alleenlijk zocht t' ontschaken, En veler namen hij onsterfelijk kost maken.

Ontvangt dan, jonstige en konstige Fontein! zulks als ons de Hemelsche Fonteinader gejond heeft, en blijft zoo genegen om de kranke lichamen op te helpen, als zij wel ernstig aanhouden, om uwe hulpmiddelen te genieten, en leeft langer als wij wenschen dorven.

T' Amstelredam, den 11. van Sprokelle[17] 1620.

Uwe E. en A. dienstschuldige I. V. VONDELEN.

AAN DEN OPMERKENDEN EN VERSTANDIGEN LEZER.

Die, een kwaad voorschrift nabootsende, wat goeds waant te maken, is verre verdoold. Een goed leerling moet dan noodwendig op een goed voorbeeld steroogen[18]. Zoo gaat het in menschelijke kunsten en wetenschappen: zoo ook in heilige en Goddelijke oefeningen. Hier zijn voor al goede voorgangers van noode, om geen slimme[19] gangen te gaan. De alderbeste en veiligste zijn schriftuurlijke, en zulke die de Heilige Geest heeft doorluchtig gemaakt: 'twelk zijn de Heiligen des ouden en nieuwen verbonds. Die van 't oude verbond brengen wij hier, als op het tooneel, voor eerst te voorschijn. Geen ware Godgeleerde zal ons hierom met donkere wijnbrouwen[20] stuurs aanzien: want wij doen effen[21] het zelfde, dat de Godgeleerde schrijver tot den Hebreën al over lange dede, als hij (aanmerkende, dat al wat voorhenen geschreven, ons tot leeringe nagelaten was) de Vaderen des Ouden Verbonds optelde, en haar heerlijke daden elk in 't bijzonder den geloovigen Kristenen op het rijkste voor oogen schilderde, en, als een goed huisheere, niet alleen nieuw, maar ook oud uit zijn trezoor voortbracht. Hier over was hij zoo weinig te berispen, als Kristus, zijn Meester, die hem op dusdanige wijze was voorgegaan. Wil men ons voorwerpen[22], dat men de voorbeelden des ouden en nieuwen verbonds met onderscheid moet aanmerken: dat wij de Heiligen, die vóór en onder de wet leefden, moeten navolgen alleen in 'tgene, daarin zij ons als navolglijke voorbeelden zijn nagelaten: zulks staan wij toe, en dit heeft ook de gedachte schrijver omzichtig aangemerkt, als eener[23], die wel verstond, dat de wet door Mozes gegeven, maar genade en waarheid door Jezus Kristus geworden was: dat de wet de schaduwe van toekomende goederen, en niet het beeld der dingen zelve behelsde. Hier most gewisselijk op gepast[24] zijn. Die dat niet dede, zoude lichtelijk een mengelmoes van de Wet en het Evangelie maken, en een verboden Mozaïsche, met een geoorloofden Kristelijken Godsdienst te zamen smelten. Nu in Kristus' dood het voorhangsel des tempels gescheurd is, weten wij, dat de donkere schaduwen des wets voor het licht van de Evangelische waarheid wijken moeten: dat de vergaderinge der geloovigen niet alleen te Jeruzalem, maar aan alle oorden der wereld heilige handen tot God mag opheffen. Kristus, des wets einde, jont[25] alle dingen een ander aangezicht[26]. In hem is het oude vergaan, en het is al nieuw geworden. Zie ik den eersten aardschen Adam gevallen, ik gedenk aan den anderen hemelschen, die door zijn volkomen en onbevlekte gerechtigheid den gevallen mensche, volgens zijn gedane belofte, wederom heeft opgerecht. Zie ik Abraham al bestorven het mes trekken, om zijnen eenigen Izaäk te offeren: mij schiet in den zin, hoe God de Vader de wereld alzoo lief gehad heeft, dat hij zijnen eenigen Zone gaf tot den smadelijken dood des kruises, en ik verwonder mij beide over Gods vaderlijke liefde tot het menschelijk geslacht, en Jezus' kinderlijke gehoorzaamheid neffens zijnen Hemelschen Vader. Verneem ik, hoe Jozef in Egypten op den troon der eeren[27] zit, om gedurende de gezegende oogsten te voorzien tegen de aanstaande onvruchtbare tijden: zoo word ik gedachtig, hoe Kristus ter rechterhand zijns Vaders zittende is verheerlijkt, en tot een hoofd der gemeenten gezalfd, om te waken over zijn strijdende Kerke. Leidt de oude Wetgever, Mozes, Israël uit Faro's slavernije: Kristus, de nieuwe Wetgever, voert zijn volk uit der zonden dienstbaarheid, en het geweld des Duivels. Gaat Aäron in het alderheiligste wierooken: Kristus, onze warachtige Hoogepriester, niet door bokken of kalveren, maar door zijn eigen bloed, offert hem zelven zijnen Vader tot eenen zoeten reuk, en verschijnt voor ons in den Hemel voor het aanschijn van Gods onverdraaglijke[28] Majesteit. Zoo de Israëlieten haar van Jozua, Gedeon, Samson, en andere, als van hare Verlossers roemen: wij beroemen ons van den Heiland aller menschen, hetwelk[29] Jezus Kristus is. Keert David al bebloed en zegenrijk, met roof overladen, van den slag der kinderen Ammon: Kristus, onze geestelijke koning, met het kruis overwonnen hebbende, vaart met veel heerlijker trofeën de poorten in van het nieuwe Jeruzalem, en wordt gewillekomd[30] van veel duizendmaal duizend Engelen en Hemelsche Heerscharen. Verwonderen haar de Israëlieten over Salomons wijsheid en heerlijkheid: Kristus, de wijsheid Gods, heeft schoonder luister, en zijn glorie en majesteit verdonkert de eere van Davids nazaat. Hebben de Joden veel Profeten tot onderwijzers en leeraars: wij luisteren naar eenen grooten Profeet en Leeraar, die ons van den Vader uit de wolken bevolen wordt te hooren, en op wiens brein de driemaal heilige Geest, als een zuiver duifken, heeft gerust, doen zich den Hemel opende. Wederom vermaant mij Abel tot oprechtigheid: Melchisedech tot rechtveerdigheid: Loth tot gastvrijheid: Abraham en Izaäk tot gehoorzaamheid: Jacob tot ootmoed: Jozef tot kuischheid: Mozes tot zachtmoedigheid en getrouwigheid: Jozua en Caleb tot standvastigheid: David tot vurigheid en dankbaarheid: Salomon tot godzaligheid: Micha tot vromigheid: Hiob tot geduld: Tobias tot godvruchtigheid, &c. Hebben deze Goddelijke helden en Hemelsche fakkelen eenige deugden met malkanderen gemeen, gelijk zij doen: zij zijn ook door d' een of d' ander deugd van den ander onderscheiden. Elk in 't bijzonder munt in iet wat bijzonders uit: gelijk kostelijke steenen, peerlen, en diamanten, die, alhoewel ze te zamen dierbaar en van uitnemende weerde zijn, nochtans ergens in, door zekere schoonheid, verwe, glans, of maaksel onderscheiden worden, en gelijk de sterren in 't voorhoofd des blinkenden hemels, die, schoon zij te gader licht en helder zijn, nochtans in glans en klaarheid ook in grootheid verschillen. Hier hebdy de Vaderen, uit wiens lendenen zoo doorluchtige stammen gesproten zijn, en die op de Goddelijke beloften gesteund hebben. Hier ziedy de Priesteren, die God naar zijn eeuwige wijsheid, als met zijn hand, gekleed en gecierd heeft. Hier aanschouwdy de helden, wien God zelf het mes heeft op de zijde gegord, en die met haar vromigheid ons tot den geestelijken strijd opwekken. Hier pronken de koningen, die, met balsem overstort, het haar met gulde kroonen dekten, en met de rechterhand de beperelde rijksstaven zwaaiden: en hier hoordy de Profeten, door wiens mond de Geest des Heeren heeft getrompettet de komst van de beloofde Messias. Dit zijn de Koningen, Priesteren, Heiligen, en Profeten, die met gerekten halze hebben uitgezien, en verlangd naar den grooten Zaligmaker des menschelijken geslachts. Dit zijn de lichtende tortsen, die van het warachtige licht getuigden, hetwelk verlichten zoude al, die in de duisternisse en schaduwe des doods zaten. Zij al te zamen verstrekken ons een groote wolke van getuigen. Het geloove draagt moed op deze overwinners, die zoo gelukkig onder haar baniere gekampt hebben. De een is om zijn Godbehagelijke offerande zijns broeders roof geworden, en heeft, zijn bloed onnoozel en onschuldig uitstortende, den Hemel de wrake bevolen. De ander heeft in een godlooze stad, onder een Godvergeten volk zoo met zijnen wandel gelicht, dat hij alleen met zijn twee dochters weerdig is geacht, Gods vlammende toorne te ontgaan, en van de Engelen uit den brand gerukt te worden. De een heeft, God vertrouwende, een gewillige ballingschap aangenomen, en zijn eenig weerdste pand niet ontzien den Heere op te offeren. De ander, in zijn bloeyende jeugd, wilde zich niet ontzuiveren met zijns heeren beddegenoot, al was het dat ze hem, met haar uitnemende schoonheid en smeekende woorden, daar toe vleide en aanlokte. De een heeft een weeldig paleis en prachtig hof, en het goud van de Egyptische kroonen en troonen versmaad, en zijn dagen pijnelijk in de woestijne met veel ongemaks onder een halstarrig volk gesleten. De ander heeft, als er veel duizenden wantrouwden, op Gods toegezeide beloften onwankelbaar gesteund, en eer door het vertrouwen, als door het zweerd machtige en geweldige koninkrijken veroverd, en Israël den buit van de verbannen Heidenen uitgedeeld. En zoo voortgaande van persoon tot persoon zouden wij ten leste blijven staan, als voor het voorhoofd geslagen, aanmerkende wat het geloove al in deze helden gewrocht heeft. Maar het zal ons genoeg zijn, dat wij eenige hebben aangeroerd, op dat de lezer merke, wat nuttigheid het toebrengt, wanneer men met aandacht overweegt het leven der heiligen: hetwelk als eenen stok is, zeer gedienstig den genen, die als pelgrims naar het nieuwe Jeruzalem wandelen: een heilzame artsnije voor alle flaauwigheid des gemoeds: eenen spiegel om der zielen[31] vlekken te kennen: eenen onfeilbaren wegwijzer in alle omwegen van des werelds doolhof: eenen vermakelijken lusthof voor den inwendigen mensch: een verkwikkende springende borne voor heilgeerige herten: een schole voor de onervarene: een licht voor alle blinden. Lijdt iemand onschuldig: hij troostte zich met Abel. Waarschouwt iemand te vergeefs: hij gedenke aan Noach. Woont iemand onder de godlooze: hij lichte met zijn leven, als Loth. Is iemand vreemdeling: hij verzel zich bij Abraham. Wordt iemand van de geblankette wellust aangelokt: hij houde zich aan Jozefs schouderen. Verlaat iemand noode dees aardsche glorie en vergankelijke schatten: hij lette op Mozes' voorbeeld. Drukken u ellenden en rampspoên: zijt geduldig als Hiob. Vervolgen u dienaren van afgoden en tyrannen: blijft getrouw, als Daniël &c.; ziet eens, hoe groote rijkdommen en dierbare kleinodiën hier schuilen! Opdat wij ons dan te beter zouden mogen spiegelen in het leven van de uitstekendste schriftuurlijke Heiligen des Ouden Verbonds, zoo hebben wij haar aller wandel kort in rijmen begrepen, en ons zelven zoo vermakelijk als stichtelijk geoefend: en om zulks te bekwamer voor te stellen, deden wij haar, als of ze zelve leefden, spreken per prosopopœiam, of personeerings[32] wijze. Dat ze haar somtijds in een derde persoon laten hooren, geschiedt om eenige aangename verandering bij te brengen. Laat ons dit niet euvel afgenomen worden. Gebruiken wij ook somtijds eenige geoorloofde dertelheid of poëetsche vrijheid: rekent ons zulks niet tot zonde. Het welk geschiedende, lezer, en zoo wij vernemen, dat u onze geringe arbeid gevalt, zullen veroorzaakt zijn[33], d' een of d' ander tijd, de Helden des Nieuwen Verbonds aan den dag te brengen. Vaart wel.

Klinkert.

Och! of 't geoorloofd waar te dansen met de reyen Der heil'ge zielen, die der hemellieden spoor Navolgen en God lof toejuichen, in het koor Des hoogen Hemels, wijd van droefheid afgescheyen:

Hoe zou de Geest, van 't lijf ontslagen, gaan verbreyen Des allerhoogsten roem, en, met een heldre stem, Hem zingen in de kerk van 't nieuw Jeruzalem, En volgen met zijn keel der Engelen schalmeyen:

Maar overmids ik hier, nog vremdeling, beneên Moet zuchten, eer ik mag het Heiligdom betreên, Dat onz' hoogpriester heeft geopend voor ons allen:

Zoo offer ik u, Heer! der gener wandel, die Ik, in 't gewijd pampier uws Geest[34], uitmunten zie: Laat u den leegen toon uws dichters doch gevallen!

DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.

ADAM,

DER VADEREN VADER.

1 _Cor._ 15.

Want gelijk zij alle door Adam sterven: alzoo zullen wij alle door Kristum levendig worden.

Ziet hier een klomp, gezield naar 's Hemels beeldenissen: Die, om gehouwd te zijn, most fluks een ribbe missen: Die, geeuwende uit den droom ontsprongen, d' eerste dag Zijns levens voor hem staan zijn hertslieve[35] Eva zag. Hij riep (doen schaamrood zij ontzag te komen nader): "Mijn bruidjen! treed vrij toe; wij twee zijn doch te gader Een zelve vleesch en been. Manninne, zijdy daar? Is 't u te wil? zegt ja; zoo is ons houwlijk klaar." "Ja, ja!" riep d' eerste maagd, "laat ons de bruiloft vieren, En de Eng'len noôn ter feest, de voglen, en de dieren." De bruigom nam zijn bruid, den Schepper zong men prijs, Men hield er open hof in 't weeldig paradijs. Maar och! 't en leed niet lang, 't oud Slangevel bezeten[36] Bekoorde 't jonge Wijf met zotte lust, om t' eten Van 't korts verboden fruit, om toetsen goed en kwaad, En Adam, onbedacht, volgt heilloos 's vrouwen raad. Daar lag een huis!--helaas! uit was 't met al haar weelde, Zoo fluks begeerlijkheid vernoegd de zonde teelde. Men weefde 'r vijgeblaân, men school er onder 't lof, Doen God zijn donderstem liet hooren in den hof. 't Onsterf'lijk boomgroen meer hun haar niet mocht beschimmen[37]: De gaarde wierd bewaakt van een der Cherubimmen[38]: Der Vadren bestevaâr[39], in zweet en ongemak, Most d' akker ploegen, die met doornen van zich stak: En 's werelds moeder, laas! met duizend smerten tevens Haar kindren brengen voort in 't bange licht des levens. Het ongelukkig paar, in d' oogst van zoo veel weên, Vlood met 't gemoed van de aarde, en bouwde d' hope alleen Op 't heilig vrouwenzaad, dat haar en haar zaads smetten Afwasschen zoude, en eens 't Serpent den kop verpletten.

ABEL,

DE EERSTE MARTELAAR.

_Heb._ 11.

Door het geloove offerde Abel Gode een beter offerande als Caïn, door de welke hij betuigd is rechtveerdig te zijn, dewijle God over zijne gaven getuigenisse gegeven heeft: ende door dit zelve spreekt hij nog, hoewel hij gestorven is.