De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.]
Part 7
Nu wakker, stapelt steen! de nood breit[357] duizend listen. Deze aanslag blijft ons borg, of de eerste treken[358] misten. O kranke toevlucht! zoo de koningen van ouds, Bedrupt van balsem, en verladen met veel gouds, Behangen met de glans van purper en kleinooden, Opbraken 't marmor, en opkeken van den dooden, Hoe zou 't haar kwetsen, ach! maar als 't aldus moet zijn, Dit is de waarheid naast, en geeft[359] het veinzen schijn[359] Voor 't ander. Wakkert u; metst[360] van berookte steenen Een graf voor de IJdelheid[361], en wilt haar lijk beweenen.
FRONTO.
Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheidt, om elders weêr Een wederspannig rijk, met zijn gevelde speer, Met 't weêrlicht van zijn schild, en met getogen zweerde, Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde. Ik kome, in 's Keizers naam, gelast, om zoo terstond Dees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond, Te volgen doen het heer, dat langer niet mag dralen.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!
REI VAN STAATJONFFREN.
Steenrotsen! berst van een; valt, bergen, op ons neêr! Troost God! waar vluchten wij? hier is geen vluchten meer.
FRONTO.
Weg, weg, met dit geraas! 't is langer hier met stenen Noch kermen niet te doen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Waar wildy met ons henen?
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wat hebdy met ons voor?
FRONTO.
Voort, voort! Jodinnen, voort! Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord; Gij werdt het zelf gewaar. Wel, waar is uw vorstinne? Waar is 't hertnekkig wijf?
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, uit minne, Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.
FRONTO.
't Is u niet onbewust.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.
REI VAN STAATJONFFREN.
Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen, Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen, En eer men toezag (want onze oogen waren dik En rood van schreyen) zij, in eenen oogenblik, Was ons gezicht ontgaan, en, werwaarts dat wij zonden, Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Verlatene vorstin! zoo gij de locht nog schept, Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begeven hebt: Want zooder hoop was, om uw zelven te versteken, Wij hadden t' zamen wel dit ongeval ontweken: Geen klip zoo eislijk steil, geen afgrond is zoo naar, Vol slangen, vol gedierte, of 't uiterste gevaar, Hadde ons doen klimmen, en opklaveren[362] en dalen: Of hebdy vóór den tijd uw doodschuld gaan betalen, En zijdy van een rots gesneuveld[363] op een steen, Die gants verpletterd heeft 't albaster van uw leên, Zoo wilt door eenig spook of teeken doch gehengen, Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.
FRONTO.
Hoe luidde 't jongst beklag? hoe droeg z' haar als ze schied[364]?
REI VAN STAATJONFFREN.
Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet, Zal ik dan, sprak ze, die gevallen ben in handen Van d' onbesneden, zijn haar schouwspel t' mijnder schanden? Zal ik, die een vorstin der volken ben geweest, Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd? Zal ik verschoven gaan in ballingschap vol smerten Mijn ramp ineten? en al steeds met droever herten Ophalen mijnen val? en den voorleden staat Gaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad? Nog zoo niet; naauwlijks was het kermen van de lippen, Of wij verloren haar omtrent die scherpe klippen.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Hij gaat ze zoeken.
REI VAN STAATJONFFREN.
Och! of dit gelukken woû, Dat wij 't lijf bergden van ons welgeboren vrouw[365] In 't uiterste gevaar, voor 't woeden der tyrannen: Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht spannen, En geven zich te velde, om 't overschot der Joôn Te stellen in haar stoel, en koninklijken troon: Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken, Die eenen Cyrus zoude of andren Mozes strekken, Of braven Gedeon, of trotschen Jozua, Of stouten David, tot verzetting[366] van ons schâ.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Staatjonffren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden, Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t' onvreden, Met dreigende oogen spoedt hij t' onswaart zijnen gang. Jehova, staat ons bij! wat wordt mij 't herte bang! Moord! moord! hij trekt 't geweer! ik tril, ik beef, ik sidder!
REI VAN STAATJONFFREN.
Genade, o oud Romein!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Genade, o edel ridder! Wat is 't, dat u ontstelt? wat is 't, dat gij begaat[367]? Wat eer is 't, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat, Een troosteloozen hoop! tert liever uwsgelijken. Gaat uwen vijand toe, zoo zal uw vroomheid[368] blijken; Hier haaldy enkel schand; laat zinken uwen moed[369]! Wat is 't, dat u ontzet en heftig woeden doet? Wat eischty zoo verstoord? ach, wilt doch wat bedaren!
FRONTO.
Dat gij ze daadlijk meldt.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Men zal 't u openbaren, Als 't immers zoo moet zijn, aanhoort slechts met geduld: Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemand schuld Als zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen, En 't aanzicht opgekrabt, is van een rots gesprongen Met schrikkelijk gehuil, 't welk driemaal heeft gevergd Den galm, die woont in dit omliggende gebergt: Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen, Maar wie had onbezwijmd van 't hooge aanschouwen mogen Een lichaam, welks gestalt was van den zwaren val Gants uitgewischt? o vrouwe! o rotse! o berg! o dal!
FRONTO.
Dat riekt naar schelmerij; denkt nimmermeer met liegen Een afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen. Ziet voor u, wat gij doet.
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, gelooft.
FRONTO.
Waar is het lichaam? fluks!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Wat lichaam? dat, beroofd Van zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?
FRONTO.
Wijst mij 't verplette voort, en past op mijn bevelen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij kwamen, als zij lag gevallen naar beneên, En hieven 't zielloos lijf op van de koude steen, En groeven 't in der ijl daar zelden iemand wandelt, Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld: Die eer gebeurd' haar nog, dat wij de grafsteê wat Verheerlijkten met puin van ons verbrande stad, Met heele en halve steen, op dat er eenig teeken Mocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.
FRONTO.
Waar is de plaatse? fluks!
REI VAN STAATJONFFREN.
Wij bidden u, betoont Eerbiedigheid den doôn, haar sterflijkheid verschoont, Noch 't lichaam niet onteert van deze, die eylacy! Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacy.
FRONTO.
Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog! Want vinde ik dit, als 't eerste, onwaarheid en bedrog, Het zal u rouwen.
REI VAN STAATJONFFREN.
Och! besnoeit die booze lusten, En die zoo lieflijk slaapt laat in den grave rusten. Wat zijdy voor een volk, die, na genomen straf, Een doode romp vervolgt, en wreekt u aan een graf? Wat komt u aan? gij valt aan 't schenden en aan 't breken Van onze timmer[370], ach! den Hemel zal het wreken, Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt 't Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk[371] gewijd. Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren. Best doen wij rechte biechte, en melden 't van te voren, Eer dat hij 't al verwoeste, en in zijn dolligheid, Tot wrake van 't bedrog, ons dobble straf bereid'. Vroom[372] krijgsman! staat wat stil, en willet[373] ons vergeven. Wij zijn uit hooge nood en angst hier toe gedreven. De zinnen lijden last, komt, volgt me; want hierbij De dochter Sion, met een jonffer twee of drie Schuilt in het hol des bergs.--Komt uit! 't is al verloren; Uw volk heeft u verraân, princesse welgeboren! Den aanslag is ontdekt; komt wederom in 't licht, Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht; Hij lacht in ons verderf; komt uit, en wilt niet schromen: Zulks is voor dezen ook een koning overkomen, Die Salems schepter droeg, en met benaauwder[374] ziel Ontvliênde, in handen nog van Nimrods nazaat viel: Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn lenden, En most, van 't licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden, In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land. Dit is de gene, die ons over zee en zand Vervoeren zal; indien gij meer vermoogt met kermen Als wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.
DE DOCHTER SION.
Ervaren oorloogsman! na 't woeden des soldaats Had vaak beleefdheid bij den overwinner plaats, Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden, Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden: Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oor Aan uw gevangens! zegt, wat hebdy met ons voor? Wat lijden gaan wij aan?
FRONTO.
Gij moet terstond naar Romen, Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen: Men zal u, om wiens wil geplengd is zoo veel bloeds, Gevleugeld[375] volgen doen de keizerlijke koets, Met uwen ganschen rei, met duizend jongelingen, Dan moogdy, zoo 't u lust, uw tempeldeuntjens zingen: Als gij de vaten, en al 't goud en zilverwerk, En 't priesterlijk tapijt, de glorie van uw kerk, De goude kandelaar en tafel, op een wagen, Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.
DE DOCHTER SION.
Veel eer als zulks gebeurt, zal God, op mijn geschreeuw, Doen komen op den weg een tijger of een leeuw, Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen, En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen; Veel eer als dat gebeurt, zal 't God zich trekken aan, En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan; Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapen In onzen ondergang, eer werden wij verschapen, En trekken aan 't gestalt van een onreedlijk beest, Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.
FRONTO.
Gij kwelt u te vergeefs, wij schrikken voor geen dreigen; Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen. Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn, En zult ons dienstmaagd 's daags, des nachts ons boelschap zijn.
REI VAN STAATJONFFREN.
Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen neêr ter aarden, Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaarden Op een goed huwelijk? om namaals tot gerief Te dien u een schavuit, een eerloos hangedief? Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijven Zijn booze moedwil met ons nooit gerepte lijven, Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid? Wat bruiloft hebben wij ons zelfs niet toegeleid! Zal nu een Roffiaan[376] van 't lijf de gordels rukken, En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken? God moetet zijn geklaagd!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
En zullen wij althans[377] Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mans Verstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwermen, En hun believen en omhelzen met onze ermen, En dulden, dat ze met haar lippen ongezond Ons kaken drukken, en 't koraal van onze mond! Geenszins; wij zullen, vóór 't opdagen van de morgen, Haar 't hoofd omwringen, en in d' eerste slaap verworgen.
FRONTO.
't Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u geleî. Ons heerkracht gij verlet[378]; men acht hier geen geschrei.
DE DOCHTER SION.
Wij volgen, gaat slechts voor; vergunt ons nog die zegen, Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegen Het vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan, En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.
REI VAN JODINNEN.
Gij, onlangs heerlijk, Maar nu, o deerlijk Jeruzalem! hoort ons geklag: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gezang en cyther, Staf, kroon, en myter, Gestoelt', dat nooit zijn weêrgâ zag: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij, prachtige hoven! Die trotsch naar boven Reest, daar de stad op 't hoogste lag: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Volkrijke straten, Die nu verlaten Zijt, op het schoonste van den dag: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Verheven daken! Vernield door 't blaken Van 's vijand s tortsen oon verdrag[379]: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij, hooge poorten! Waar in verhoord, en Gevonnist elk te worden plag: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gewijde graven Van die de staven En schepters droegen met ontzag: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Bespiênde toornen! Waar uit met hoornen Men maakte van de strijd gewag: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij, trotsche muren! Die niet verduren En mocht der Heidnen stormbok doch: Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
O kerk der kerken! Waar aan men merken Mocht Jacobs ijver oon bedrog: Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Daar God zijn zegen Uitbreidde in 't plegen Van d' heilge dienst, die hier geschach[380]: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Daar, blij van zinnen, De Cherubinnen Elk minlijk groetten met een lach: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Daar Levi's stamme, Met zuivre vlamme, Op 't outer 't offer smooken deê: Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
O, vloer! bevolen 's Hoogpriesters zolen, Daar eenen Fenix[381] nam zijn steê: Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
Daar d' ark behoedde Aärons roede, Het Mann', en Mozes' Tafel meê: Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
Verslagen helden, Die most ontgelden 's Krijgs toorne, en boeten het gelag: Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Verloste moeders! Die niet bedroevers[382] Zaagt als uw tepels, droog van zog: Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Die in uwe ermen 't Kind hoorde kermen, En geven zijnen doodsnak nog: Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Verwoeste steenen! Verstrooide beenen! Vleesch, dat verstrekt der dieren aas: Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
Verleide zielen! Die hielpt vernielen Uw oude stad, en streedt zoo dwaas: Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
Kelders en kuilen! Daar voortaan de uilen Haar laten hooren met geraas: Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
DE VIJFDE EN LESTE HANDEL.
TERENTIUS, SIMEON, REI VAN KRISTENEN, GABRIEL.
TERENTIUS.
Wie maakt u stout, zoo vroeg dees velden te bespieden?
SIMEON.
Verspieders zijn wij niet, och! neen, maar vrome[383] lieden, Genadig landvoogd, wij zijn Kristenen gedoopt, Een vreedzaam volk, dat steeds op Jezus Kristus hoopt, Der zielen Heiland, dien de goddelooze Joden Zoo schelmsch betichtten, en zoo schandelijken doodden: Wij, gangers in zijn spoor, om zijnen naam versmaad, Te streng van haar vervolgd, en tot in 't graf gehaat, Voor 't jongste Paaschfeest hier nog aan ons heerdsteê zaten: Maar door het spoken van de Auzonische[384] soldaten, Die 't al afliepen, als vast d' een aan d' ander stad, Van haar beklommen, de bebloede neêrlaag had, En 't eislijk moordgeschrei, dat herwaarts in de toppen Der hooge bergen klonk van Ascalon, van Joppen, Van Ptolemaïde, Jotapa, Taricheên, Afaca, Garizim, 't plat land der Idumeên, En andre plekken: wij, beducht voor Salems plagen, Die Davids zoon voorzeî, die vele komen zagen, En druppen onvoorziens op dit halstarrig zaad, Dees muren vloden, naar de Goddelijke raad, Die ons Messias gaf, en bleven zoo verholen Te Pella. Nu de stad ligt gants vergaan tot kolen En assche, komen wij, een ongewapend volk, 't Verwoest Jeruzalem bezien: of nog de kolk, Of eenig teeken van ons heerdsteê was te vinden, Of koud gebeente van onze onbegraven vrinden: Vermits wij hoorden, 't heer op zijn vertrekken stond. Dit weinige, edel heer! ons, arme pelgrims, jont!
TERENTIUS.
Uw antwoord mij vernoegt; gaat henen zonder vragen, Uw dorpels zoekt, begraaft uwe onbegraven magen, En zoo de nood u drukt, keert van 't gebergte weêr, En slaat u metter woon hier veiliglijken neêr, Bezaait dit akkerland, plant wijngaard, bouwt er hutten, En uwen Kristus dient; wij zullen u beschutten, En al, die 't Joodsch geslacht niet godloos hangen aan, Ons zullen wilkom zijn, 't land zal haar open staan.
REI VAN KRISTENEN.
Helaas! wat merken wij hier al veranderingen! Helaas, Jeruzalem! ons schijnen alle dingen Vergaan met uwen val; wat Scyth, wat wreede Parth, Die hier voorbij gaat, moet met een meêdoogend hart Niet aanzien dat geweld[385] vernield met staal en vuurwerk, En geven een gehuil op 't omgestorte muurwerk, Op 't puin en de assche, die d' uitheemschen houdt bedeesd, En tuigt, hoedanig is haar heerlijkheid geweest. O God! wat ziedy niet al aan met alziende oogen! Wie zal hierover recht uw oordeel vaten mogen!
GABRIEL.