De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.]

Part 6

Chapter 63,881 wordsPublic domain

Melchisedech! o, die ooit[301], de eerste priester Gods, Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots, Wiens hoofdscheêl van God zelf met balsem wierd bedropen, Gezalfd en toegekend den myter, boven open: Doen 's Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot dat Hij 't aanzien en den naam van een ontworpen stad Bereikte in Canaän;--Aäron uitverkoren! Die 't reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren;-- Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om, Hoe 't van den Hemel hooggeadeld priesterdom, Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister, Gelijk, bij zonnezwijm[302], al schemerende in 't duister De wereld sprietoogt[303], zoo, wanneer de maan jeloers Den sterflijken te spijt dekt 't aangezicht haars broêrs: Treurt, als 't gerantsoend lijk eens konings, die verslagen Wordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuis gedragen. Waar is, Jeruzalem! nu uwen konings-staf, En 't priesterlijk cieraad, dat u Jehova gaf? Waar is uw blank ivoor? uw marmer, klaar van schimmer? Uw purper, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer[304]? Uw koninklijk paleis? waar zijn uw cedren? waar Uw pijlers, bogen, en gewelven allegaâr? Waar 't zilver? waar het goud? waar zijn de Cherubijnen? Waar 't altaar, 't wyrook, en dees blinkende gordijnen? Waar de Arke des Verbonds? waar Gods geheimenis? Helaas! 't is verr' gezocht, dat niet te vinden is. Wie had gedocht[305], dat God, te streng op ons gebeten, Zijn erfdeel zoo geheel vertreên zoude en vergeten? Schoon of de muur omringd van zulken heerkracht was, Dat[306] in 't gebergte alom vertrad het kruid en 't gras; Schoon of de stad verzonk in 't uiterste benouwen, Ons hoop steunde op de Kerk, en d' heilige gebouwen; Wij riepen: "zijt getroost, laat God begaan al stil, Jehova blijft onz' borcht, om zijnes tempels wil!" Maar ach, rampzalige! als[307] 't den Hemel woû gedogen, Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen, In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam, Ons kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam: Als[308] met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen, Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen; Doen[308] al den berg, gesteld in vuur en enkel bloed, Sloeg d' overwinner met meêdoogen in 't gemoed; Doen riep me spâ: "vertrouwt noch kerken noch outaren, Haar heiligheid geen stad kan voor 't verderf bewaren!" Ik zelf ontvlood den moord, en riep luidskeels in 't vliên: "Vlied met mij! 't is vergeefs den vijand weer te biên; Hij heeft de stad voorlang, en houdt haar sterke wallen; De tempel is vergaan: onz' hope is nu gevallen." Zoo bergde ik naauwlijks 't lijf, en rukte, met dees hand, Veel heilge schatten ongeschonden uit den brand. Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven? Hadde ik mijn ziele in 't vuur des tempels opgegeven, Als Meirus wel beraân, en als Daleus' zoon, Of waar ik in 't hoog koor geteld bij d' ander doôn; Zoo zoud' nooit zijn gebeurd, dat ik, gevaân, most laten Den Heidenschen monarch de goude' en zilvren vaten, 't Scharlaken, 't reukwerk, en 't hoogpriesterlijk gewaad, En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaat Zijn vingeren aan schendt: zoo waren voort mijn beenen Begraven met den val van d' afgekeurde[309] steenen! Nu houde ik de uitvaart van 't onzalige geslacht, Om welkers ondergang het volk van Rome lacht, En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden, En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden, Die Abraham verzaakte: en of mij schoon genâ Geschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta, Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende, Ik zie mijn hertenleed aan Israëls ellende! Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt, En vind mij van de macht der Heidenen omringd. Sla ik 't gezicht om leege, ik zie, hoe met den zweerde 't Huis Jacobs ligt verdelgd, de stad geslecht met d' eerde: Ik zie van d' afgrond op nog smooken 't heerlijk slot, Daar David vaak uit heeft den Filistijn bespot. Heffe ik mijn lichten op, den Hemel is gesloten, Noch draagt niet langer gunst zijn ouden bondgenooten.

DE DOCHTER SION, REI VAN STAATJONFFREN, REI VAN JOODSCHE VROUWEN, TITUS.

DE DOCHTER SION.

Gij spoken[310], die wel eer verhoogd pronkte' in de traliën Van 't goude Blijenburg, behangen met medaliën, Waarmeê de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei, Als gij zijn eersleep volgde, en droegt zijn leverei, Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten, En zaagt 't gesternt', de zon, en maan beneên uw voeten Verschieten flaauwer[311], als de klaarste diamant[312] Ons van d' uitbreidsels zendt zijn stralen overkant[313]; Die gij, getuimeld, moogt op 't aldernaauwst' vertellen, Hoe veel van 's Hemels top schilt 't middelpunt der Hellen: Ten waar 't lang vallen u gewiegd hadd' heel in zwijm, Eer gij ten lesten plofte in 's afgronds vuilen slijm En diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen, Doen vonken stoven neêr uit Gods vuurvlammende oogen; Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis, Aanschouwt, wie 't vallen nog met u deelachtig is; Ziet, hoe die bliksem Gods mijn hemelhooge cedren, En marbren gepolijst, ter Hellen ging vernedren, Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak, En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stak: Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne, En herberg van 't gediert', waarin ik eenzaam kwijne! O, strekten de oogen mij een sprongrijk[314] Siloa, Nu ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla, En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten, Wat zou mij daar een pak, een pak van 't hert afschieten! Nu houdt de rouw, zoo 't schijnt, de dorpels toegestopt, Een rouw, die ik al meer en meer hebbe ingekropt, Daar ik aan stikken zal, daar ik aan _moet_ verstikken, Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken! O wee! o wi! o wach!--hebt gij, bedrukte maagd! Uw hert nog niet van rouw geleêgd, en uitgeklaagd, En moogdy niet een traan tot uwen troost verwerven, Zoo treurt u voorts in 't graf, en zoekt uw heil in 't sterven.

REI VAN STAATJONFFREN.

Wat krijgsliê komen hier, die meer zijn als gemeen? Waar vliên wij? och! wie is 't? zijn 't hopliê?

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.

En met een De veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in 't midden.

DE DOCHTER SION.

Staatjonffren! volgt mij na, en helpt ons straf verbidden. Aanveerdt een droef gelaat, en jammerlijk gebaar. Slaat voor uw borst, verscheurt uw kleedren, en uw haar, Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen 't Hert des verwinners: of gij zoo een weg mocht banen Tot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet, Nu aan te gaan al 'tgeen de bittre nood gebiedt. Vergeet uw oud geslacht van priesteren en vorsten En koningen, die 't al ten strijde ontzeggen dorsten. Ootmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor. God! om[315] wiens aanschijn juicht de rei van 's Hemels koor, Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen, Dat ik bewegen mag zoo zielelooze klippen, Als zijn der vijanden onbuiglijke gemoên!

TITUS.

Wie knielt hier neder om t' erlangen haren zoen?

DE DOCHTER SION.

Grootmogende monarch! wilt met geduldige ooren Ons klacht, ter zielen[316] uitgeborsten, doch aanhooren: Wij, 't overschot des volks, die vallen u te voet, Wij eischen geen genâ, maar dat gij met ons doet Al 'tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stooten Haar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten: Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil, En plettren ons gebeent', want 't sterven is ons heil, De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschen Voor schrikken, is den troost en 't zoetst', daar wij om wenschen, Om te geraken door d' eindlooze zwarigheên, En eens ons leed t' ontgaan; of zijdy door gebeên, Ontzichelijke vorst! nog tot genâ te neigen, Verzacht de penen[317] doch, die d' overwonnen dreigen. 't Van ouds beroemd geslacht, dat van de vadren daalt, Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdy behaald: Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten[318], Die 't leven valt te bang, die niet doen dan verzuchten: Erbarmt u haarder, en verschoont ze, o vorst! althans[319], Die 't lot spaarde om te zien den val haars vaderlands!

TITUS.

Hadt gij dit voorbedacht, vermaledijde Joden! En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden, Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg, Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg: Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallen En waar de cingel[320] nooit ter aarden neêrgevallen. Hoe vaken[321] hebdy, met een ingeboren haat, Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad, Als ik u hulde[322] aanbood, en, uit een mild ontfarmen, U zwoer gezamentlijk voor onheil te beschermen: Hoe menigwerven blies ik d' aftocht, alzoo ras Gij nood leedt, als de strijd en storm op 't heetste was: Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden, Van vreeze, dat ze uw kerk en Godsdienst zouden schenden! Nu komdy smeeken; op, staat op!

DE DOCHTER SION.

Ertsmaarschalk[323], ach! Dat wij u kwetsten ooit is, laas! al ons beklag.

TITUS.

Nu 't glas verloopen is, nu roept men om genade.

DE DOCHTER SION.

Erbarmt des armen volks, al komet[324] vrij wat spade.

TITUS.

Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.

DE DOCHTER SION.

Een welgeboren vorst zich nog erbarmen laat.

TITUS.

Een welgeboren vorst zoekt 't voordeel van den lande.

DE DOCHTER SION.

't Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en schande.

TITUS.

't Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe; Zoo houdt men 't volk in tucht.

DE DOCHTER SION.

Elk een verwenscht de roê.

TITUS.

De booswicht haat zijn straf.

DE DOCHTER SION.

Ons heeft geen straf ontbroken. De veldheer heeft zijn leed ten uiterste gewroken.

TITUS.

Waar mijnen doortocht valt, daar eischen[325] nog te staan Dees muiters, tot een les en spiegel voor de kwaân.

DE DOCHTER SION.

Die 't spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen, Dees omgekeerde stad, en die verstrooide steenen!

TITUS.

Licht slaat men in de wind 'tgeen zelf men niet en ziet.

DE DOCHTER SION.

Al ziet men 't niet, de faam meldt wat er is geschied.

TITUS.

De Joden voor 't gerucht nooit eenen voet verzetten.

DE DOCHTER SION.

't Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om[326] zijn wetten.

TITUS.

Is 't ijver, dat men muit?

DE DOCHTER SION.

Het acht de vrijheid weerd.

TITUS.

Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert? Den Joden was 't vergund haar dorpels te bewonen, Te lezen haren oogst, en koningen te kroonen, En vorsten van haar bloed met purper te bekleên, En vrank te leven naar der bestevadren zeên; Dies mosten zij den stoel van Romen onderstutten Met dragelijken tol, daar voor wij haar beschutten Van allen overlast des woedenden soldaats: Ja, wie ontwijen dorst 's kerks afgekeurde[327] plaats, Naar d' uitgedrukte wet, geprent[328] in zuiver marmer, Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer. Is dit geen vrijheid, die 't gespuis vernoegen mag? Veel andre zijn te vreên, en dragen ons ontzag; Maar uw herdnekkigheid (en niet de zware tollen) En 's keizers slappen moed, die brachten u aan 't hollen: Ons goedheid vaak misbruikt u stouter heeft gemaakt.

DE DOCHTER SION.

Doorluchte prins! 't is waar, 't en kan niet zijn miszaakt[329]; Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannen De ketenen van twist en oproer zijn gespannen: Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.

TITUS.

De vrome vaak ontgeldt 't kwaad, dat een ander doet.

DE DOCHTER SION.

Wie wijs is en beraân, die schift ze van malkander.

TITUS.

Elk wascht zich af van 't vuil, en schuift het op een ander.

DE DOCHTER SION.

Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid, 't Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.

TITUS.

Zoo spreekt de kwaadste schelm.

DE DOCHTER SION.

Men ziet op niemands spreken, Men let op ieders feit, en al 'tgeen heeft gebleken. De aanstellers van 't rumoer zijn elkeen openbaar.

TITUS.

D' handhavers zijn al dood, en die[330] verbergen haar.

DE DOCHTER SION.

Men houde 't die te goê, de straf hun hoofden wrake.

TITUS.

Rechtveerdigheid, die 't meent, eischt over beiden wrake.

DE DOCHTER SION.

Uit slechtigheid[331] is 't vaak, dat iemand 't kwaad bestemt.

TITUS.

Al boet hij 't met zijn hals, dat schijnt dan niemand vremd.

DE DOCHTER SION.

Wie 't uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.

TITUS.

Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.

DE DOCHTER SION.

Een oordeel, hecht gesmeed op 't aanbeeld van de reên.

TITUS.

Een oordeel, dat de wet en krijgsraad stelt te vreên.

DE DOCHTER SION.

O vorst! vernoegt u met de straf alreê genomen, En die der boozen rot nog versch is overkomen; Het overschot meest al onschuldig is aan 't kwaad, Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad: Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen, En als een eerlijk lijk[332] Jeruzalem beklagen.

TITUS.

Om hier te nestlen? neen, de krijgsman, die 't zich belgt, Staat uw uitroeyen duur.

DE DOCHTER SION.

Nu zijn wij gants verdelgd.

TITUS.

Zoo gants niet, of ons stond een erger kwaad te vreezen.

DE DOCHTER SION.

Zoo Rome vreeze aankomt van ouderlooze weezen, Van weeûwen uitgeschreid, van vrouwen levensmoê, Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij z' haar toe, Die, uitgemergeld, niet voor hebben, als ons magen[333], Waar ze ergens kenbaar zijn, in 't koude graf te dragen, En in spelonken en steenrotsen hier ontrent Te huilen, schouw[334] van 't licht, tot dat ons leven endt.

TITUS.

Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten, Wast eenen rijken oogst; alzoo van weinig loten Ontstaat een boomrijk woud; zoo[335] 't eerstgeplante veil Beklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil; De doornen laten niet van nieuws weêr aan te groeyen, Zoo lang daar wortel blijft, die most men eerst uitroeyen.

DE DOCHTER SION.

Men laat dees woeste plaats van krijgsliê wel verzorgd.

TITUS.

't Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.

DE DOCHTER SION.

Mistrouwdy die gij loont?

TITUS.

Geenszins, maar wel u-lieden, Die altijd woelt, en tracht den genen 't hoofd te bieden, Die uwen staat verdrukt[336].

DE DOCHTER SION.

Ei, wapenloozen hoop! Die in uw tranen smilt en 't zuchten hebt goedkoop, Verheugt u nog met mij, dat de overwinners moeten Voor u verschrikken, daar gij neêr ligt voor haar voeten: Grijpt moed, en recht nog op 't vervallen Jodendom, Want Titus staat bedeesd, en 't heer ziet naar u om.

TITUS.

Uit d' assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken[337]) Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken, En rijken met de grond ge-effend en vernield: Geen lichaam acht men dood, zoo lang het is gezield. Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend, Gedenken aan haar leed, verrijzen weêr en wreken't.

DE DOCHTER SION.

Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.

TITUS.

De wanhoop ziet niet aan, al waar 't een machtig heer, Zij geeft ze dobbel kracht, en helpt weêr op de beenen Een deel vervloekt gespuis, eer 't iemand zoude meenen.

DE DOCHTER SION.

Helaas, eêlaardig bloed! 't mistrouwen, dat gij hebt, Veroorzaakt, dat men troost noch blijdschap uit u schept.

TITUS.

Zijt, jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen, De krijgsraad is vergaârd; mijn tijd is hier verloopen. Verwacht van ons het lot, en denkt het zal wel gaan: Wij breken morgen op, daar legt uw zaak naar[338] aan.

DE DOCHTER SION.

't Onredelijke[339] dier[340], dat eertijds twee gebroeders, Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haar 's moeders Ontzet[341] en speen gebrak, opzoogde, aan 's Tybers boord, Was reedlijker als gij, die naar geen smeeken hoort. Het klippig steengebergt, dat hier met doôn bespreed leît, Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid. Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzeît de nood Een slaafsche ballingschap, of een benaauwde dood.

REI VAN PRIESTEREN.

Wij, priesterlijke reyen (Die voormaals met schalmeyen Den vierdag plachten en de feesten in te wijden, En steeds op Mozes' wetten Aandachtelijk te letten, En te vergaren 't volk op haar gezette tijden),

Niet hebben acht geslagen, In[342] de onverwachte plagen, En 't voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde: Al gaf God, zonder spreken, Zoo menig helder teeken, Waaraan 't bleek, werwaarts dat de Joodsche staat zich neigde:

't Verwoesten en 't vertreden Van de omgelegen steden, Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol tranen, Vol krijtens, en vol zuchten, Vol twists, vol krijgsgeruchten, Woû Salem van haar val en ondergang vermanen.

De ruiggehaarde sterre, Die in de locht van verre Blonk, als een Godlijk zweerd, recht boven onzen schedel, Riep, dat het zweerd van Romen Ons haastig op zou komen, En treffen jong en oud, rijk, arm, eêl, en onedel.

't Licht binnen d' heilge drempel, Bij 't outaar en den tempel, Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken: Het zwangre koebeest mede, Ten brand geschikt alreede, 't Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.

De deur met ijzren sloten Van klaar metaal gegoten, Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten: Waarschouwde onz' Godverachters, Als haar de tempelwachters Wijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.

Het heerkracht veler volken, Dat, boven in de wolken, Zich legerde in de locht, voor d' ondergang der zonnen, Vertoonde ons al de benden, Die de oude stad berenden, En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.

's Nachts, als wij bezig waren Om te offren op de altaren, En 't heilig Pinxterfeest met ijver uitermaten Aandachtelijk te vieren, Naar d' overouw' manieren, Riep ons een stemme toe: "laat ons dees kerk verlaten!"

't Weeklagen ongewone Van Ananias' zone[343]: "Wee volk! wee stad! wee kerk! wee, wee van allen hoeken!" Ons uit den slaap niet wekte, Daar 't als een voorspel strekte, 't Welk aanwees, dat ons God op 't strengste zou bezoeken[344].

Dit alles slaan wij gade, Helaas! nu 't is te spade, Nu stad en tempel is een roof der vremdelingen. O God! ziet eenmaal neder, En troostet Levi weder, Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.

DE VIERDE HANDEL.

TITUS, de keizer, TERENTIUS, hopman.

TITUS.

Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten, Na zoo veel oorloogs[345], blijd' haar legerplaats verlaten. Wij laten achter ons een omgeworpen muur, Een koninklijke stad verdelgd met staal en vuur, Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden, Die niemand staan t' ontzien, ten ware dat der Joden Verrezen schimmen ons opkomen mochten dol Met fakkelen, gelijk uit Pluto's duister hol Opdonderen somtijds de ontstelde razernijen, Als al de wereld voor een anker schijnt te rijen[346]: Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen raad Dit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat, Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren, Die onder eenen voogd 't land hier ontrent bewaren, Opdat er niemand schans, noch slot, noch vesting bouw, Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen[347] brouw. Terentius, die vaak de[348] schild waart van mijn leven, Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven, Omcingeld van 't gevaar, belegerd van 't gekerm, Besloten van 't geweer, daar, met geheven erm, Gij mij te redden wist door sabelen en pijken[349], En sloegt een wagenborg van doôn en versche lijken: Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij, Uw wettelijke prins en veldheer, de voogdij Van gansch Judea; let met aandacht op uw zaken, En wilt in 't voordeel van ons monarchije waken.

TERENTIUS.

Aanzienelijke vorst! och, of uw majesteit Meer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid! Wij nemen 't ampt in dank; uw mildheid is te loven, Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven. Verschoont uw dienaar niet, die, als de keizer spreekt, Wenscht te vervullen 'tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.

TITUS.

Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde, Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde, Ik tot bewaring hier te legeren besloot, Om de overwinning te verzekren buiten nood, Waarom men heeft verschoond den muur in 't West gelegen, En 'tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen, Van hagel, wind en storm, en onweêr schuilen mag, En herberg krijgen: hebt gij over haar 't gezag: Omhelst de wetten, en, wie tegen 't recht derft woelen, Doet hem de strengigheid van onze krijgstucht voelen.

TERENTIUS.

Al wat mijn Heer beveelt, werd[350] wetens niet verzuimd.

TITUS.

Geen uitgedreven Joôn geeft hier te wonen ruimt': Maar andren, die haar naar ons zeden kunnen voegen, Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen, Mids redelijken tol 't rijk in te wil'gen, en Dat niemand ander staf als onzen schepter kenn'.

TERENTIUS.

't Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.

TITUS.

Zoo iemand derf bestaan, òf vestingen òf steden Te stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf, Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf. Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.

TERENTIUS.

De prince twijfel niet, wij hopen 't te betrachten.

TITUS.

Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan, Dat Simon, die ons zoo veel hoons heeft aangedaan, Die schelm, dien, afgerecht op zoo veel boeverijen, Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te lijen, Zich onder 't muurwerk houdt, 'twelk nog van de aarde rookt, Met andren, die hij naar zijn lust heeft opgestookt: Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezetten Met wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten, Opdat hij 't niet ontslip: indien nog 't recht in zwang Bij d' Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang, En penen geld'[351] en boet' zijn grouwelijke stukken, Hij zal u niet ontgaan.

TERENTIUS.

En of dit woû gelukken, Wat eischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?

TITUS.

Die deugd[352] gebeurt hem niet; dat gij hem in der ijl Mij toestiert, wel bewaard, te Rome, daar wij wenschen, Dat hij in ons triumf zij 't schouwspel veler menschen, En pijnelijk uitbraak zijn goddelooze ziel, Die stadig van het eene in 't ander kwaad verviel.

TERENTIUS.

Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilen De locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen, Dat hij den Tartarus, daar geenen Febus schijnt, Mocht hooren loyen[353], als de boosheid wordt gepijnd: Die schelm, doorluchtig held! mijn hand niet zal ontvlieden; Belieft u iets wat meer, gij hebt maar te gebieden. Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgeleî.

TITUS.

De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik scheî, En vorder[354] onzen tocht; ik zie, nu wij vertrekken, De keizerlijke stad haar zeven halzen[355] rekken, En uitzien naar het heer, dat, werwaarts het ook vecht, Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt. Ik zie de stacie van de Roomsche burgerijen, In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen; Den Tiber zwert van volk; ik zie Vespasiaan, Mijn broeder[356], en den Raad bij Jovis tempel staan: De priestren 't outaar voên, en al de Goden vieren, En 't onverwelklijk groen 't hoofd des verwinners cieren.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN, FRONTO, REI VAN STAATJONFFREN, DE DOCHTER SION.

REI VAN JOODSCHE VROUWEN.