De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.]
Part 5
REI VAN STAATJONFFREN.
Maar wie of ginder ons komt nieuwe vreeze inprenten?
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
't Gelijkt een Roomsch heraut, die uit des vijands tenten Zet herwaarts zijnen tred; wat boodschap of hij brengt? Heer, met wat honigs doch dees bitterheid vermengt! Eens winters koude ontstelt de leden van verschrikken. 't Valt al ten ergsten uit, wat wij ten beste schikken.
REI VAN STAATJONFFREN.
Geen onbesneden is 't, maar iemand van de Joôn, Zoo 't oog mij niet bedriegt.
DE DOCHTER SION.
Och! 't Is Matthias' zoon. Josephus! zijdy 't zelf, of is uw schim verrezen, Die gij[231] voorlang bij ons begraven waart voor dezen? Josephus, zijdy daar? wat komdy nu zoo spa Den brand uitlesschen van 't woest Hierosolyma[233]? De daken neêrgezakt gekeerd zijn lang tot asschen: Het krijgsvolk heeft in 't bloed zijn handen lang gewasschen, En 't heilig goud verklaard voor keizerlijken buit: 't Is hier schoon uitgeveegd, gemoord, geroofd, geruit: De felheid van zoo veel Hierosolymitanen Dit mager hoopken liet het aangezicht vol tranen.
JOSEPHUS.
Onzalig Sion, die uw zinnen overlaadt, En mijmert om uw ramp en omgevallen staat! Gij derft Josephus niet uws herten grond uitputten[234], Die alsins heeft gepoogd uw dorpels te beschutten: Die onlangs, daar men 't al de keel afstak en sneed, Daar hem de vlamme schoer de noppen van zijn kleed, Daar 't bloed zijn lijfrok smette, en 't brein hem sprong om d' ooren, U uit die slachting redde, en liet u niet verloren.
DE DOCHTER SION.
Vergevet mij! genade! het is, het is mijn schuld; Verbijsterd staat mij 't hoofd van enkel ongeduld. Ik ben mij zelven noch gelijk, noch ook niet machtig. Een bladeken, dat ruischt, mijn ziele maakt vreesachtig. Maar zegt ons, wat 's er gaans in 't heer van de onbesneên? Wat juichen gaat er om? waar wil men met ons heen? Wat zwerven langer wij op dees geslagen toppen En rotsen, die, nu 's nachts nu 's daags, met heesche kroppen, Ons klachten volgen, als wij zien van verre opgaan Den smook, daar onlangs nog plag d' heilge stad te staan?
JOSEPHUS.
Het heerkracht, naauwlijks zat van woên op d' uitverkoornen, Verschoond hadde alleen, drie Herodiaansche toornen[235]: Opdat nog eeuwig de nakomeling onthield, Wat muurwerk Rome eertijds heeft tot den grond vernield, Als d' overwinner laat een gaalderije oprechten, Van waar hij zelf aldus toeredent[236] zijn landsknechten[237]: "Krijgshelden, die dusverre uw rechterhand alom En ijver hebt besteed tot nut van 't keizerdom Die 's vijands hoogmoed deedt op dees steenrotsen krimpen, Van waar halsstarrig hij ons legers dorst beschimpen: 't Is recht, dat 's maarschalks gunst uw deugd loop' te gemoet, En 't zweet uws arbeids met belooningen verzoet!" Zoo sprekende, met een glad voorhoofd[238] hij der scharen Verdiensten vrolijk gaat met giften evenaren, En haar deelachtig maakt den buit en rijken roof, Die 't Heidensch volk aanveerdt, na[239] haar soldaats geloof[240]. De vroomste[241], van wiens huid de sabelen afschampten, Hij met halsbanden troost, kleinoodje, en hooger ampten[242]: Dies 't gansche leger juicht, en in zijn handen klapt, En elk het bloed vergeet, dat hem is afgetapt.
DE DOCHTER SION.
Die feest was voormaals ons, was Sions, en geen ander, Als David, Jesses zoon, die rechte Salamander, Die midden in de brand van 't oorloog 't leven vond, 't Hovaardig Rabba brak, daar Ammons hert op stond; Als Assur week, verstrooid in velden en woestijnen, Dien, die niet zoeters vond als 't bloed der Filistijnen, En (overlaân met roof) met rei, en met tamboer, Op 't maagdelijk muziek ter poorten inne voer.
JOSEPHUS.
Den overwinner, om zich dankbaar te bewijzen, En d' hongrige afgoôn ook met offervuur te spijzen, Ten heuvel spoedde, daar het woeden zoo goed koop Wierp 't heilge metselwerk der kerken overhoop: Omcingeld met een stoet schildknapen en hartsieren[243], En krijgsliê, vrolijk om dees zegefeest te vieren. De beesten afgekeurd[244] ter slachting, klommen stout, En zonder aarslen voor zijn aanzicht: doende 't goud (Dat onlangs was geschrabt, met messen en met bijlen, Van 's tempels balken en van d' halfverbrande stijlen, En om haar hoornen nu gegoten) blinken, als Zij t' elken[245] staken op vrijpostig haren hals. De kransen, versch van kruid gevlochten, men van verre Zag lieflijk groenen en omschaduwen haar sterre,[246] En 't zoute[247] veldgewas verzwolgen van de krans. Twee priestren glad gehelmd, met koper schoon van glans, Geborstweerd met een plaat, die 't overkleed bedekte, Dat bont gespikkeld zich ten halven lijve strekte, Vanwaar de lijfrok zond zijn vouwen naar beneên, Omgord met eenen riem vol schilden rond en kleen, Nabootsende een schalmei, met huppelen en springen, En tromlende op haar borst, voor uit als leidsliê gingen. 't Opsteig'ren kostte zweet; de weg lag ongebaand, En 't steil gesteente woest, wanschapen van gedaant'. Het gladde horenvee vermoeid van bangheid rookte, Om strijd met 't molm verduft[248], dat half gestikt nog smookte, En mijdde[249] in 't klimmen nog 't gebeent', dat moedernaakt Des Heeren berg tot een ellendig kerkhof[250] maakt. De kraayen vloôn 't gebulk, en de arenden verschrikten, Die hier ter feest gebeên de doôn[251] 't gezicht uitpikten.
DE DOCHTER SION.
Zwijgt, zwijgt, Josephus! zwijgt van arenden, en kraayen: Onze ooren zijn te teêr, ons hoofd bestaat[252] te draayen: Dat schouwspel luidt te vremd: hij zielbraakt die 't aanhoort (Wij zwijgen, die 't beschouwt); maar neen, vertelt ons voort: Daar is geen grouwzaamheid ter wereld zoo bezeten, Of wij zijn 't nu gewoon, en lang al doorgebeten.
JOSEPHUS.
Genakende daar 't nu van lijken stonk benaauwd, Daar de arke voormaals school met Cherubs overschaauwd, Van waar men deerlijk de Jeruzalemsche wallen, En ons stadpoorten zag geraâibraakt en vervallen, En de uitgetrokken doôn naakt, zonder onderscheid, Den luipaarden tot roof, de myrre en 't graf ontzeid;-- Nadat de wichlers de verwoeste kerk aanschouwen, Zij van 't verstrooid gesteente een hoog outaar doen bouwen: De stijlen half gevonkt, de balken zwert berookt, Tot brandhout staplen[253] op het plat, dat daadlijk smookt, En willig 't vuur ontvangt: terwijl haar de ossen lieten De bastert[254] eerst gekoord[255] recht tusschen d' hoornen gieten: Den krans ontrukken, en die gaâr[256]-gebonden blaân Den vlammen heilgen, en 't gezouten korengraan: Den rug opvlijmen en de altaarknechts hun genaken, Die met 't gewijde mes haar voort den strot afstaken. Het bloed de leegte koos, en zwalpende over al, Bootste een verbolgen meer, en rooden waterval. De buiken opgeschrobt[257] ontslaan haar d' ingewanden, Die, naauw doorsnuffeld, 't vuur ontving om te verbranden. De priestren stelden haar voor 't altaar ongeknield, Dat Titus statig met de slinker vingren hield: Den rechter hij ontzeî den zwaren veldheers hamer, Om Hemelwaarts zijn hand te heffen veel bekwamer: "Teruggeziende God[258]! Godin! die, nooit geschaakt[259], Om Rome, riepen zij, en onzen Tiber waakt! O Janus, grijs van haar! en Vesta! die te gader Ons gunst draagt, met Juppijn, die grootste en beste Vader: O, vader Mars! en al gij Goôn gezamentlijk, Die ons genadig zijt, en, om het keizerrijk, Met zoo veel zegens en triumfen, te bevesten, 't Huis van Vespasiaan hebt uitgekipt ten lesten, En Titus wakkren erm met zulken punt verzaagt, 't Welk aarsling oversmijt al wat er schepters draagt: Die gij hem gunstig holpt vermeestren dit tyrannig, Dit boos verwaten volk, zijn vorsten wederspannig: O, Goôn! wij danken u: wij loven u, o Goôn! Knikt onzen offer toe, en opent uwen troon!"
DE DOCHTER SION.
Straft gij geen Heidnen meer, God Abrahams! en laat ze Afgodisch rooken op uw heilge stede en plaatse? Waar was uw solferstraal, die nooit dien smaak verdroeg? Die Ptolomeus plat jeloers ter aarden sloeg? Was God van God ontkleed? is hij zoo traag in 't wreken? Wat dood, wat straf, wat wraak, wat volgde voor een teeken Dien grouwel?
JOSEPHUS.
Onder des was 't altaar aangegaan; Met weeken oogen wij dien grouwel zagen aan: De rots, driemaal verschud, van onder spleet tot boven, En d' afgrond 't licht verzwolg door 't gapen van de kloven. Den Hemel wierd bekleed met een verbolgen zee, En dreigde met tempeest 't afgodisch vuur alreê: Maar de onverlichte[260], die van droomen haar geneerden, Dit op[261] een morgengroet, en heilzaam spook[262] waardeerden: De omstaande krijgsliê zulks ten halve naauw verstaan; "Iô, Titus! Iô, Iô, Vespasiaan!" Al schaterende zij de klippen weêr doen galmen, En kransen 's keizers kruin met schaduwende palmen: De veldheer weder hun een dankbre ziel toekeert, En met 't geslagen vee den ruiterdisch stoffeert.
DE DOCHTER SION.
Nu treurt, Staatdochters! treurt, en krenkt vrij al uw zinnen: Want met haar vleuglen nu de goude Cherubinnen De grouwlen dekken, die de jongling ons toeriep, Die veilig in de gracht[263] en 't hol der leeuwen sliep: Waar toe is Aäron en Levi nu gekomen? Wee tempel, stad, en volk! gij, paradijs der vromen[264]! Gij, wellust Israëls! hoe ligdy nu vertreên!
REI VAN STAATJONFFREN.
Helaas! mevrouwe, helaas! geen godlooze onbesneên De driemaal heilige aarde ontwijdde, noch schoffeerde.
DE DOCHTER SION.
Wie dan?
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Maar[265], 't boevenschuim dat onzen staat verheerde, Lang eer de gramschap nog des keizers, veel getergd Zijn hengsten briesschen dede, en draven in 't gebergt: Lang eer nog Titus kwam aanbrallen op ons vesten, En ons paleizen den uitheemschen gaf ten besten: Den volkren, die de maan zien dobbren op d' Eufraat, Wanneer z' haar toortse ontsteekt, en ons den dag ontgaat Die Tigris golven zien uit Taurus lenden dringen: Die over Caucasus al hooger Noordwaart springen: Die op Pactolus' strand het goud in d' oogen raait[266]: Die in d' Ægeesche zee zijn hier en daar gezaaid: Van 't West, daar Tagus laaft den half gebraden Iber: Daar 't oever wederzijds gelekt wordt van de Tiber: D' Ægypter, die den Nijl ziet vloeyen over 't droog: D' Araber, toegerust met pijlen, tros[267], en boog: Meer andren, die verhit op 't moorden en op 't plondren, Met 't weêrlicht kwamen van haar beukelaars opdondren.
DE DOCHTER SION.
Maar zegt, Josephus! hoe 't ons manschap is vergaan, Die d' overwinner hield zoo strengelijk gevaân In 't leger, als er niets verschoond bleef onbedorven.
JOSEPHUS.
Der boozen rot heeft meest verschulde straf verworven.
DE DOCHTER SION.
Dat was 't, daar ik na haakte! o, Scheidsman! die recht scheidt, En in de weegschaal hangt van uw rechtveerdigheid Der menschen zaken, die omwentlen hier beneden: Nu zien wij, dat bij u geen boosheid wordt geleden, Die luid van de aarde naar den Hemel roept om wraak.
JOSEPHUS.
Nu luistert, dat ik u ontvouw de gansche zaak:
DE DOCHTER SION.
Gij Reyen, geeft gehoor!
JOSEPHUS.
Zoo fluks de krijgsliê hoorden 't Geblazen koper hun ontzeggen 't vorder moorden: (Behalven dat het was geoorloofd te verslaan Al, wat d' onstuitbre nood in 't harnas te weêrstaan Droomde, uit mismoedigheid) zij haren veldheer boden Nog een ontelbre schaar van afgematte Joden: Die 's keizers omzicht liet door zijner Drossaarts een Uitzondren, en de vrome en schuldige onderscheên: Maar d' onderzoeker heeft[268] 't verborgen goed[268] te visschen, In 's moorders voorhoofd leestm'[269] het knagende gewissen: Dus strekt hij zoo terstond gedoemd, met ziel en lijf, Den woedenden soldaat een zeldzaam tijdverdrijf. Hier moet er een goed deel, met handen en met voeten Genageld aan het kruis, bebloed haar bloedschuld boeten: Daar stuurt mender een hoop van Moria te fel Naar Kedrons afgrond toe, als naar de donker Hel, En dekt ze in 't vallen met muurstukken en met steenen, Dies vinden zij haar einde en uitvaart al met eenen: Hier jagen ze, om van 't vuur den heeten gloed t' ontgaan, Haar zelf aan palen dood, geschroeid en half gebraân: Daar sterven nog, uit nijd en afgunst van de wachters, Veel honderden van dees godlooze Godverachters: Hier breektmenze de leên met knodsen zwaar van wicht: Daar kwetst men andren 't hert, de darmen, en 't gezicht: En duizenderlei slag van nieuw gevonden straffen Haar boosheid achterhaalt.
DE DOCHTER SION.
Dat leert, dat leert ze blaffen, Die honden! tegen God, die, oprecht Rechter, niet Verschoont in zijnen toorne, of door de vingren ziet Oogluikende eenig kwaad.
REI VAN STAATJONFFREN.
Hoe zijn ze voort gevaren, Die aan Jeruzalems verderf onschuldig waren?
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Hoe anders, als bewaard tot een veel strenger lot, Als die booswichten zelve, en menschen zonder God.
JOSEPHUS.
Van jongelingen, sterk van lijf, zijn zeven honderd Tot d' aanstaande triumf des keizers uitgezonderd; En die bereikten nog geen zeven jaar en tien, Als beesten omgeveild; men heeft verwisslen zien Voor éénen penning tien en tweemaal zoo veel zielen, 't Welk zalig loofden, die door 't zweerd in 't oorloog vielen: Als zij met 't ijzer van haar ketens overlaân, Den bolpees schroomden van een strengen gardiaan[270]. Voorts, om in schouwplaats 't oog te dienen der tyrannen, Zijn tot der dieren aas geschikt veel strijdbre mannen, Of om te schermen lijf om lijf, en hand voor hand: Waar 's princen wellust dan haar omvoert achterland[271], Het[272] most eenen steenen hert geborsten zich erbarmen, Die hier voor 't lest de zoon den vader zag omermen, De vaders vallen weêr haar zonen om den hals, Den stok[273] haars ouderdoms, den troost haars ongevals: Als elk zijns weegs bedrukt most volgen die hem leiden, En, ziende tienmaal om, in 't al te bitter scheiden Gaf teekenen genoeg, hoe streng natuur verbindt, Door onderlinge trouw, den vader aan het kind, Het kind aan 's vaders ziel, de broeders aan haar broeders: Die eertijds, hangende aan de borst eens zelfde moeders, Versloegen d' eerste dorst met d' ongevalschte melk Die uit één ader vloeide: o, welken bittren kelk Most hier gedronken zijn! en zoude ik ons vermanen[274] De klachten, het gebaar, 't verzuchten, en de tranen, Ik most bezwijken, en uw luider[275] droeve staat, Beschreide vrouwen! dit nu geensins toe en laat. Daar is 't verhaal in 't kort.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Nu wreekt uw leed met schreeuwen[276] En huilen overluid, gij onbestorven weeuwen! Roept luider als gij pleegt eertijds in barens nood, Doen d' eerstgeboren haakte in uw benaauwde schoot Naar 't wenschelijke licht des levens, dat ons langer Verdrietelijker valt, en gaat met plagen zwanger. Onze echte mannen ach! gaan, zonder den adieu, Het afgeworpen jok opnemen op een nieuw! Onze oudstgeboorn' helaas! gejukt, voor een godloozer Herboren Faro, vliên en Nabuchodonoser. Ach, jonffren! met ons treurt!
REI VAN STAATJONFFREN.
Helaas! waar blijven wij? De geilheid des soldaats (och! moeders blijft ons bij!) Brandt na ons reinigheid met trommelen en pijpen. Zij naderen, om uit uwe ermen ons te grijpen. Ons kuischheid lijdt gevaar, die, o wat leider[277] smet! Jeloers de dorpels hield van 's vaders huis bezet: Die heerlijk aan den rei der maagden plag te brommen, En was geheiligd voor zoo schoonen bruidegommen, Die 's vijands wreedheid gaat verstrooyen West en Oost. Helaas! helaas! helaas!
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Nu dochters, zijt getroost!
REI VAN STAATJONFFREN.
Och, Moeders! blijft ons bij.
DE DOCHTER SION.
Nu zet[278] u wat te vreden.
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
God Jacobs! ziet ons aan, en red ze in zwarigheden, En zalft ze, die gij sloegt!
JOSEPHUS.
Deze ijdle tranen spaart, Gij Joodsche vrouwen! die uw droefheid maar verzwaart. Gij maagden! schept wat moeds; wie weet nog, van wat enden onverwachten troost kan Jozefs trooster zenden.
DE DOCHTER SION.
Matthias' zoon, die de eer zijt van uw oud geslacht[279], Die de overwinners vaak vermorwd hebt en verzacht, En met uw lippen kneedd' haar hert van diamanten, Van dat z' haar grof geschut[280] eerst op dees hoogten plantten; Josephus! of hem nog de maarschalk zoo beried, Dat hij, door u beweegd, een maat stelde ons verdriet, Zoudt gij tot Jacobs heil en troost gebruiken laten Uw redenrijke tong gedoopt in honigraten?
JOSEPHUS.
Wel duizendmaal zoo veel, mevrouwe!--Voor gewis Houd, dat Josephus' gunst tot uwen besten is. 's Wets heilge bladen ik ge-eigend heb door 't bidden, Mijn bloedverwanten ook behouden, in het midden Der slachting, daar verbaasd elk zag naar 't vluchten om; Des keizers mildheid mij den vrijen edeldom Vereerde, en heb gestuit veel razende soldaten, In 't moorden, branden, als de wereld scheen gelaten Te wezen zonder Gods bestiering: dies ik veil[281] Mijn jonste willig nog tot uw en ieders heil: Dan[282], overmids ik nu, met Titus meer te vergen, Zijn goedheid schijnen mocht te sarren en te tergen: Verzoekt veel liever zelf nog, met gebogen kniên, Verzachting van uw kwaal! wie droomt, wie weet misschien Wat gij verbidden mocht van hem ter goeder uren! Der vrouwen tranen doch zoodanig van naturen En aard zijn, dat ze vaak beroeren nog die geen, Die onverbiddelijk in ieders oogen scheen. Gaat, vrouwen, maagden! gaat dan d' overwinner smeken, Die morgen of in 't kort zijn leger op zal breken. Vaart wel, mevrouwe! ik ga. Hij wende uw ongeluk Die al uw onheil weet!
REI VAN STAATJONFFREN.
Laat gij ons dus in druk?
REI VAN JOODSCHE VROUWEN.
Josephus! mag ons meer voor ditmaal niet gebeuren?
DE DOCHTER SION.
Staatjonffren! volgt mij na, en houdt wat op van treuren. Tza, gaan we, laat ons gaan! gij vrouwen, volgt mij na! Wij moeten dwalen op der vijanden gena.
REI VAN JODINNEN.
Laat ons beschreyen 't algemeen Verderf, en 't licht, dat jongst bescheen Die Hemelhoog getoornde klippen[283] Van Davids veel bestormde stad, Als God haar val gezworen had Met onbedriegelijke lippen.
Of 's tempels grondvest, nacht en dag, Naar 't sterren welfsel open lag, Geverwd van 't bloed der welgeboornen, En of men 's keizers adler mocht Zien, met zijn pennen, slaan de locht, En schittren af van stompe toornen:
Nog even trotsch en onbezorgd, Op de opperstad en Davids borcht De muiters haar borstweeren manden[284]: En wie zijn doodverw had gezet Uit vreeze, 't vluchten wierd belet Van boeven, die hier t' zamen spanden.
Maar als zijn opzet en besluit God tegen ons woû voeren uit, Is schielijk 't leeuwen hert ontvallen Ons manschap, die beangst uit nood Den vijand, zonder slag of stoot, Beklimmen liet de trotsche wallen.
De vijand, die zijn vaan alreê Van ons rondeelen zwieren deê, En blies triumf van vreugde dronken; Doen kwam die dag en uur, dat God Ons had bescheerd[285] dat strenge lot Zijn gramschaps, die bestond t' ontvonken.
't Roomsch krijgsvolk, als 't geen wederstand Noch tegenweer van mannen vand[286], Drong 't met geslepene rapieren In d' enge straten bol en dik[287]: Daar 't waadde, in eenen oogenblik, Ten enklen toe in bloedrivieren.
De een, om te ontvliên de bleeke dood, In onderaardsche kelders vlood, Wiens toegang wierd gestopt met blinden: En d' ander, door mistroostigheid En wanhoop, in zijn ziel verleid, Gewapend ging zijn kerkhof vinden.
Hoe menig held, die, trotsch van moed, Woû 't vaderland zijn heldisch bloed Opoffren in 't gevaar der straten, Van vrouwe en kindren om den hals Gevallen wierd, met veel geschals: "Wat wildy, vader! ons verlaten?"
't Kind, dat nog eerst aan banken[288] ging, Aan 's moeders achterslippen hing; De voêster 't zuigeling liet weenen, En kwam haar vrouw te hulp, zoo ras De meester greep naar 't cortelas[289]; 't Riep deerlijk al: "waar wildy henen?"
Als d' huisweerd ziet, dat uit noch in Hem laat 't bestorven huisgezin: "Laat los, laat los!" roept hij ten lesten, "Dat ik alleen, van 't hooge dak, Mijn poorte[290] vrij van ongemak, En ons ontsla dees Helsche pesten."
't Is naauw gezeid, men vliegt er knap Na boven, langs den wenteltrap, Met steenen toegerust en blokken; Daar ziet hij, hoe een blaauwe wolk[291] En rot van 't fel Latijnsche volk Komt op zijn dorpels aangetrokken.
Maar als zij dreigen klop op klop Te drijven, met heerhamers, op De poort[292], bewaakt van slot en grendel: Wreekt hij dien euvel heel goedkoop, En kneust de voorste van den hoop, En hagelt onder 't moorders vendel.
De ruiters 't bloed, verbitterd heel, Krimpt van de zool in 't bekkeneel, Zoo[293] man en ros de beenen breken; Dies zenden ze, met stijve boog, Wraakgierig haar geschut[294] om hoog, En branden om dien smaad te wreken.
Wat groeit hier een nieuw stads rumoer! De deur gescheurd vliegt op de vloer, Van toorn zij op haar tanden knersten; De voêster, die betaalt 't gelag, De moeder sneuvelt in[295] een dagg', En 't zuigling treên ze 't hert te bersten.
Terwijl 't beneên, al uitgeleefd, Den lesten schreeuw en doodsnak geeft, D' huisvader, om haar voor 't verderven Te hoên, van boven rolt verbaasd, Dien de ongebonden moorders haast, Uit toorne en wraak, aan hutspot scherven[296].
De maagden, naauwlijks houwbaar nog, Zij, na veel dreigementen, och! Van hare jongvrouwschap onthulden; Die, na veel zwijmens, riepen luid: "Is 't Godlijk recht in Isrel uit, Dat God dien overmoed kan dulden?"
Wie kan afmalen al d' ellend, Die, waar me[297] 't aanzicht keert of wendt, Gebeurt? wat blijft er onbedorven Van 't roofgier spook, op snood gewin Verhit, dat menig huisgezin Aan honger leêg vond uitgestorven.
De zon al vroeger, dan zij plag, Den draaiboom toesloot van den dag, En week dees grouwlen in de baren. De menschenslachters, moordens zat Maar woedens niet, doen[298] nog de stad Met vuur ten Hemel deden varen.
Gelijk den dag was doorgebracht Met moorden, zij den duistren nacht Met blakren sleten en met branden. God! waarom ledy[299], dat uw Kerk En stad, der Eng'len timmerwerk[300], Geschend wierd van zoo snooden handen!
DE DERDE HANDEL.
FINEAS, priester.