De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.]
Part 3
De wrake Gods in 't einde, als ze eens raakt op de beenen, Ziet vuur noch water aan, noch ijzer, staal, noch steenen, Maar wroet al voort, en vindt ter wereld niet[85] zoo zoet, Als der godloozen merg, en 't snoô verbasterd bloed: Vergeefs hij zich beschanst, die droomt haar uit te sluiten, Te spade bolwerkt hij, die haar geweld wil stuiten, Om zunst[86] hij met een diept' haar af te snijden tracht, Die aarselt[87] noch om' schans, om bolwerk, noch om gracht: Scherprechterse al te streng! wie zou, ja moet niet vreezen De stramen van uw roede, uw zweep, en taaye pezen, Waar meê gij gaat te keer, en 't vel stroopt van de rug Des geens, die goddeloos den zonden welfde een brug. Gij hebt, Jeruzalem! haar strengheid mogen voelen, Als gij haars gramschaps gloed met 't purper most verkoelen, Dat van uw lenden droop, en langs uw boezem zeep, Als u van pijn en smerte een hertvang[88] 't hert beneep. Ach, lijden! lijden, ach! ik moet afdwaân[89] en droogen Mijn aanzicht, steeds aan[90] vocht[91] van mijn bekreten oogen, Wanneer me in 't weeke brein een waassem dik opschiet, Uit mijn beklemd gemoed geperst van groot verdriet, Verdriet, dat voor één dood mij pijnt met duizend dooden, Zoo vaak ik mij verbeeld' het treurspel van de Joden. Verrijst, o Daniël! en roert uw koud gebeent', Die in uw ziel voor lang hebt onzen val beweend, Als gij, man Gods! zoo diep ging in d' afgronden visschen, En waden in de zee van Gods geheimenissen: Komt, troost de ontschaakte[92] maagd van Sion, afgetreurd. Want zoo[93] gij 't hebt gespeld, zoo viel haar 't lot te beurt: Komt, wascht haar tranen af, want eislijk en wanschapen Gaapt haar verwoesting nu, en dreigt te blijven gapen. Wij zijnder eens geweest, met Juda is 't gedaan, En Sions grondvest grijnst mismaakt den Hemel aan: Des Heeren heiligdom (ach, ach! 't gaat me aan de zinnen!) Ter Hellen neêrgezakt is met zijn hooge tinnen. Helaas, Jeruzalem! gedoemd ten zwaarde en vier, Uw hoogmoed is gedaald, uw zonden staan u dier, Uw zonden staan u dier, uw hoogmoed is gevallen, En gij ligt onder 't puin begraven van uw wallen. Had 't avontuur van 't lot doch[94] te Jotapata Mijn leven niet verschoond, als ik zoo na, zoo na Stond op 's doods oever, zoo gereed om te verdrenken, En afgestreên mijn ziel aan 't vaderland te schenken; Zoo had ik niet gehoord, hoe hemel, aarde, en zee Verzuchtte, als Jacobs huis beweegd wierd van zijn steê: Fy! dat ik voor 's doods schicht zoo ang[95] was en verschrokken, Doen, in dat gapend hol, die zweerden uitgetrokken Mij dreigden, als ik d' een met smeeken nog ophiel, En d' ander aangreens[96], dat hem 't hert en 't staal ontviel. Waarom maakte ik mijn graf niet in die afgronds-kolken, En liet aan 't lemmer koud mijn warme bloed niet stolken? Waarom volgde ik niet na mijn krijgsliê voorgetreên, Doen van die moord ontsloop Josephus, en nog een? Josephus, die nog most, in der Romeinen handen, De cedren van ons kerk zien blakren en zien branden! 't Is waar, ik sleep geen boei, noch kwijn in slavernij, Want daartoe 's keizers hert te zeer hangt over mij: Hij viert mijn hoog geslacht, en wil met lompe kluistren, Noch 't koningschap in mij, noch 't priesterdom ontluistren: Hij weet, wat wijsheid ik doorsnuffelde in mijn jeugd: Hoe Galilea kan getuigen van mijn deugd En vroomheid, die hij toetste in d' uiterste benouwdheid: Hij ziet mijn jaren aan, en eert mijn statige oudheid: Dit ken ik, en 't is waar: maar zal mij zulks van druk Ontslaan, als ik gedenk der stammen ongeluk? Als ik een handvol zie van onze Abrahamijten Gespaard tot leider[97] leed haar hert te bersten krijten: Zoo ben ik wel ontaard, en in den grond verzet[98] Van d' ijver, die mijn ziel verplichtte aan Mozes wet: Maar neen, eer zij mijn faam in Israël gelasterd: Eer hou mij Jacob voor zijn speelkind en zijn bastert: Eer loochen God 't verbond, bezegeld als ik, heesch Van schreyen, de achtste dag besneên wierd aan mijn vleesch, Eer ik een mate stelle, of voor mijn dood laat enden Den rouwe, die ik scheppe uit Israëls ellenden! Ligt mij dan nog aan 't hert zoo na de droeve staat Van 't lieve vaderland, hoe is dan zulken haat Op mijn onnoozelheid gebraakt en uitgespogen, En uit mijn zuivre borst zoo veel vergifs gezogen? O Zon! die zonne en mane en sterren schenkt haar licht, Die d' Helsche duisternisse ontdekt met uw gezicht, Die d' afgrond van het meer met d' appels van uwe oogen Verraadt, en bij den nek geveinsdheid grijpt en logen: Ik dage u heiliglijk, en bidde u, dat gij tuigt, Of iemands dreigement of gunst mijn vroomheid buigt; En dat uw boosheid, die om wraak riep, gij tyrannen! Die tegen 't vaderland de ketens hield gespannen, Mij toon', waar, na[99] 's wets eisch, ik heb mijn recht verbreukt, Of waar 't eenvoudig kleed is van mijn trouw gekreukt. Hoe dikmaal naderde ik uw veel bestormde veste, Om af te stuiten 't ramp van 't algemeene beste, En bood uit 's keizers naam u hulde en vrundschap aan, Helaas, maar al om sunst! het water liet men staan, Men keerd' hem niet om 't vuur des ondergangs te blusschen, Men vloekte, en kwetste mij al razende ondertusschen: Mijn oudren, levenszat (wat onderstaat de wrok, Of schaamt den haat zich niet?), die wierp men in den stok. Maar is er wel een stuk te schendig aan te rechten Voor die uit Sions kerk als uit een roofslot vechten? Voor die, wiens dolheid kan noch moord, noch roof verzaân? Voor die haar vingren aan 't gewijde dorven slaan? Voor die in 't heiligdom als tijgerdieren brullen, En 't hooge koor met bloed en versche lijken vullen? Wat helpet[100]! wonder is 't, hoe God zoo lange draagt Een boosheid opgehoopt, daar van den Hemel waagt: 't Is wonder nog, dat God haar kwaad niet vroeger strafte, Als elk kerkschender dol hem als een hond aanblafte! Hebt van verdiende loon nu overvolle maat, En zwaarder wege uw straffe als uw bedreven kwaad, Vervloekte Simeon! Joannes, twists aanblazer! Zeloters, Salems pest! heilloozen Eleazer! Die gij te gader zijt verraders van die stad, Dien d' Hemel, als zijn bruid, zich uitgelezen had: 't Onschuldig bloed, dat hier gestikt is in zijn wapen, Hoû steeds uw bleek gebeente onrustig zonder slapen, En d' echo, die in 't woest' hier is de nachtegaal, Tot wraak uw schimmen wekk' des nachts wel zevenmaal: Of schepty[101] nog de locht, en zieltoogt als gevangen, Zoo schroei men u het hert met gloeyendige tangen, Of bouwe een ander Hel, die, ik weet naauwlijks hoe, Gerabraakt houde u ziel, en laat' geen sterven toe. 't Bouwvallig Isrel, nu 't vernield[102] is met zijn stammen, Door zwaard, pest, hongersnood, en aangesteken vlammen, De ruiter, rijk van roof, zijn wonden zich getroost, De schildwacht, afgebraakt, ontharnast wordt verpoosd, De stormbok, blutsens moê, verpaistert[103] wat zijn hoornen, En 't Roomsen veldteeken zwiert te dertel van de toornen, Die Titus heeft verschoond, opdat, nog lang na hem, Elk weet' waar Rome liet 't verwoest Jeruzalem. De tenten zijn vol vreugds, vol juichens, en bazuinen, Men vlecht er niet dan palm en lauwer, om de kruinen Der helden te beslaan met kransen altijd frisch, En rust zich ten triumf, die maar een voorspel is Van deze zegefeest, die aanstaat, daar gaat schuren De Tiber blank van stroom de keizerlijke muren: Maar ons twaalfstammig volk, een hoopken, dat nog 't zwaard De pest, de dood, het vuur, en d' honger heeft gespaard Tot allerhande smaad, op haar triumfs-geruchten Te deerlijk wedergalmt, en antwoordt met verzuchten, Hoopt treurig klacht op klacht, en steent zijn hert in twee, En is gelijk de geen, die, in de wilde zee, Na schipbreuk, schrijlings op den mast nog 't lijf wil bergen. Drijft tusschen klippen heen, en ziet geen oevers nergen[104], Drijft tusschen vreeze en hoop, zwemt tusschen hope en vrees; Zoo zwerft Judea nu, die vaderlooze wees! O Vader, haars erbermt! slaat 't aangezicht eens neder! Die gij de baren temt, de bliksems, en 't onweder, Temt 's vijands razernije, en koelt, en lescht den brand, Die van 't woest krijgsvolk heeft geschrookt het ingewand; Dat Izaks overschot geen ramp meer op zich lade, Dewijl gij 't nu beveelt der Heidenen genade!
TITUS, de keizer. LIBRARIUS, rotmeester.
TITUS.
Het noodgeheim der Goôn heeft uitgediend ten lesten: Vermorzeld zijn in puin de steigerende vesten, En van 't vervloekt geslacht, zijns levens zat en moê, Is uitgerukt de boom tot aan den wortel toe. Zoo Grieken[105] afgestreên, met de uitvaart der Trojanen, Zich ter onsterflijkheid den weg vermocht te banen, Daar, na tien jaren strijds, nog eerst een zwanger peerd Den brand van 't oorloog dempt, en niet de deugd van 't zweerd, Wat heeft dan d' Hemel tot bezoldinge behouden, Daar Titus' vroomheid mede is naar verdienst vergouden[106]? Door wien zoo diep gegronde en hemelhooge stad, Als met een oogenwenk, gebliksemd is zoo plat, Dat hij, die na hem komt, heeft lichtlijk af te meten Hoe eenen leegen val 't hoog klimmen leert vergeten: Daarbij, wat straf hem dreigt, die d' heilge wetten breekt, De majesteiten kwetst, en aan den prikkel steekt[107]. Lof, Goden! voor uw gunst, die, in zoo groote alarmen, Als taaye zeenwen waart aan 's Roomschen veldheers armen, Dat zijn ontscheêde staal nooit keerde, moede en mat, Als dronken van den bloede, en van 't doorkerven zat: Dat zijn gespannen pees hij, stout en onverschrokken, Nooit heeft vergeefs gelost, noch ijdel ingetrokken, Voor dit verleid gespuis in 't stof begraven lag, En 't overblijfsel droef dit droevig schouwspel zag. Mij dunkt, dat ik verneem de faam, die uitgelaten Laat klinken haar trompet te Rome langs de straten: Daar, als de[108] vader dut[109], voor 't weerdste pand bezurgd, Zij op de toornen daalt van 's keizers hoogen burcht, En strekt Vespasiaan, om Titus half verlegen, Een bood' van deze feeste en onverwachten zegen. O Hercules! hij zwijmt, hij flaauwt, de grijze man, Omdat al t' effens niet zijn vreugd uitbersten kan; Maar als de ontschoten verf hij weder heeft bekomen, En opschiet, als een, die ontwaakt uit zoete droomen: Zijn, zegt hij, dan de Joôn gesneuveld door de deugd Van 't ijzer en van 't staal van ons Romeinsche jeugd? En mocht dat vast kasteel, met onbeklimbre muren En krijgsliê telleloos, niet langer ons verduren? Zoo mogen heden wij, met glorie overlaân, Bij Cæsar sterrenwaarts naar 't huis der helden gaan: Zoo zag men eer Juppijn toerusten om te strijden, En in de ontstelde locht den adeler[110] beschrijden, Van waar hij ongedreigd dien, die hem smaad aandeed, Tot polver en tot gruis met zijnen bliksem smeet. Recht zoo 't den reuzen ging, als zij haar krachten proefden, En met den schoudren trotsch de bergen opwaarts schroefden, Naar 's Hemels zoldering, heel eislijk aan te zien, Om uit vermetel brein den Goden 't hoofd te biên: Zoo ging 't dees muiters, die, uit dwaasheid ingenomen, Haar kantten tegen 't rijk van 't wijd beroemde Romen, Dat steeds uitsteekt een borst met roemzucht opgevuld, Dat aangedane smaad noch muiterije duldt, Dat, strijdbre Pallas, met haar speer eens te verzwikken[111], Doet siddren 's werelds kreits, gedoodverwd[112] door 't verschrikken! De onzichtbre en preutsche maagd, nooit wapendragens moê, Ik zie, zij lonkt op mij, mij dunkt, zij knikt mij toe, Aan 't schudden van 't helmet, aan 't zwaayen van haar pluimen, Uit blijschap, dat ik doe haar heilge troonen ruimen Een wederspannig aas, dat, uit vervloekte nijd, Haar kroon en zetel had ontluisterd en ontwijd: Zij draait een hemelkloot, en overstaart[113] haar helden, Die zij vergoodde, omdat z' haar lijf en leven stelden Voor 't schaken[114] van haar eer: haar hert bekommerd bernt[115] Uit dankbaarheid, om mij te plaatsen in 't gesternt': Wijdheerschende Godin! waar zuldy Titus zetten? Die met uws vijands brein en bloed zijn harnas smetten[116], Doen, met geheven erm, hij 't ijzer knersen deê, En kloof, door stalen helm, hem 't bekkeneel in twee, Dat hij, gesneuveld, viel uit stegelreep en zadel, Die ons braveeren woû met zijnen bastert-adel? Help, Jupiter! hoe wordt mijn ziel van vreugd geperst, Wanneer 't geheugnis van 't verleên mijn ziel ververscht, Als mijn gedachten zijn met malen[117] overladen Van dezes rechterhands onvergeleken daden, Waardoor ik menigmaal 's doods daggesteek ontging, Gedurende 't tempeest van dees belegering. Als weerloos ik, om stads gelegentheid t' ontblooten, Eer ik mijn leger sloeg, kwam trotsch vooruitgestooten, Gevolgd van zestigmaal tien ridders op den draf, Ziet, een verborgen lage, ontrent Helenen[118] graf, Haar schoonst'[119] ziende, onverwacht mij heeft op 't lijf gesprongen, En van den schoonsten hoop Rijks-eedlen afgedrongen: De vijand dreigt me aan d' een, de stad aan d' ander zij, Wat gaat de veldheer aan? de nood eischt, dat hij strij: De sabel girst van leêr, als kolen d' oogen branden, Al worstelend' hij breekt door 't midden der vijanden: Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haar luim Opdondren, als hij is omcingeld op het ruim) Zich vindende benaauwd, versmaadt der winden snorken, Worpt vonken uit 't gezicht, ziet knodsen aan noch vorken, Laat de achterkiezen zien, brult met beschuimde muil, En stuift door 't lompe tuig met eiselijk gehuil, Zoo redt zich Titus ook, of d' haat hem schoon terwijlen Groet niet een hagelbui van uitgelaten pijlen: Als of, in 's afgronds poel, hij met den Peleaan[120] Gedoopt was, om ter nood de wonden te versmaân: Of als de schildknaap van Juppijn, door dondervlagen, Door hagel, wind, en storm, is wel gewoon te dragen Den bliksem, die vaak scheurt de rotsen gul[121] van 't schuim, Terwijl hij schadeloos verzengt noch schacht noch pluim. Ben ik de Krijgsgod niet? die groeyende in[122] de wapen, Antonia den borcht, terwijl de Joden slapen, Beklim, en drijf ze in 't koor van haar gewijde plaats? En groet met veldgeschrei de koets des dageraads? Heeft niet dees rechterhand den onderaardschen rijken Met twalef schichten, toegezonden zoo[123] veel lijken? Maar waartoe monster ik mijn deugden altemaal? Laat tuigen van mijn deugd die schaarden van mijn staal: Laat tuigen van mijn deugd zoo veel gebroken lansen: Laat tuigen van mijn deugd die neêrgestegen[124] transen: Laat tuigen van mijn deugd dat kerkhof, bang[125] van doôn: Laat tuigen van mijn deugd die naklank, droef van toon: Laat tuigen van mijn deugd die opgegraven straten: Laat tuigen van mijn deugd de roof van mijn soldaten: Laat tuigen van mijn deugd de smook, het puin, het vier, En de adeler, die zweeft in 't veld van ons banier: Laat tuigen van mijn deugd dees gapende kwetsuren, Eerteekens, die ik kreeg in 't stormen op de muren!
LIBRARIUS.
Aartsveldheer! wie ontkent, wie roept niet uit, dat gij, Als 't klevende cement van deze monarchij, Den grondvest t' zamen houdt, die anders licht mocht zakken En scheuren, overmids zij met te zware pakken Van rijken gaar[126] gestouwd[127] ondraag'lijk is verlaân: Wie ziet niet, dat gij aardt naar die Vespasiaan, Die ons 't gezicht uitsteekt met 't weêrlicht van zijn kronen? Zijn gulde scepters strooit, en doolt in al de tronen, Die voor hem open staan, van 't helder dagende Oost, Tot daar de post van 't licht vermoeid in schaauw verpoost? O spruit! die antwoordt[128] dien, waaruit gij zijt gesproten, Wat zijn zoo heerlijk hier wel treflijk opgeschoten De telgen van uw deugd, in spijt van krijgs tempeest! Wat is uw bloeisel ons een zoete vreugd geweest, Een zoete vreugd geweest uw bloeisel, dat, van boven Gezegend, gaat het rijk een rijken oogst beloven! Gezaligd is die 't ziet, maar zaliger die tijd, Wanneer, na 't zwanger gaan, de vrucht tot rijpheid dijt. Hoe dikmaal hebben wij, hoplieden, met ons allen, Als gij in 't harnas blonkt, gereed, om op de wallen Voor op te klimmen, u al smeekende gebeên: Hoe nu, doorluchtig vorst! hoe nu, waar wildy heen? U wagen op den muur? voorbarig in 't opsteigren? Dat dulden wij geenzins, dat 's tijd, als wij 't u weigren[129], Wiens[130] leven buiten schâ kan slijten van 't gemeen, 't Gemeen, wiens troost en heil hangt aan uw heil alleen. Vaak een vervlogen punt[131] kan d' aldervroomste ook letten: Dus wilt uw ziel zoo licht niet in de waagschaal zetten, Dat gij de ondankbare aard bebloed mocht sprenklen rood, En dit boosaardig volk doen juichen in uw dood: Als 't, met d' hoofdpijler en den Atlas neêr te vellen, 't Roomsch Capitolium verzinken zag ter Hellen (Weert, Hemel! weert dien val!) en met wat reêns beleed[132] Zou voor uws vaders troon onze onschuld zijn bekleed? Verschoont ons dan in u, o prince goedertieren! Uw deugd bralt op den toets, gij moogt met eeren vieren[133].
TITUS.
Cieraad mijns ridderschaps! uw zorge, uw wakkerheid Voor 't heer, voor 's keizers heil, die zijn als ingeheid In 't middelpunt mijne ziels; mijn noodhulp! 't is zoo verre Dat ik 't sla in de wind, dat, eer de morgensterre, Opduikende uit de zee, eer klaarder glans aanbreek, Haar vlechtsnoer weigren zal, haar tuiten zilverbleek: Eer zal de frissche dauw aflaten van te drupplen Op nuchtre kruiden, die ververscht van blijdschap hupplen, Eer 't onvergolden blijft, of eer ik 't loon ontruk Hem, die litteeken brengt van eenig heldenstuk. Een maarschalk[134], die te vrek en traag is in 't vergelden, Bluscht uit de dapperheid van de onverschrokken helden: En wij monarchen zelve, op hoop van rijken buit, Om purper fijn van draad en scepters trekken uit, Gaan ploegen woeste zeên, en ongebaande steenen: Vermeestren 't uitheemsch volk, dat aarselt voor ons henen: Zoo prikkelt ons een lust, om onbeheerscht alleen, Gelijk Jupijn om hoog, te dondren hier beneên.
LIBRARIUS.
Indien uws hoogheids ziel schiep ergens haar genoegen Uit diensten, die misschien wij u verplicht opdroegen; Of is er iet verschuld[135], hoewel een goed soldaat Met eeden aan zijn heer al naauw verbonden staat; Duld, dat ik op uw deugd mijn bloodigheid mag enten, Waar gij 't verhemelt gaat uitspannen van uw tenten, Waar gij den vijand veegt het lemmer door den nek: Duld, dat de lommer mij van uw laurieren dekk', Waar uwen stormbok dreigt, met zijn metalen hoornen Te mortelen[136] den voet en borstweer van de toornen: Ik droom om geen soudij[137], noch andren palm[138] als dit, Dat mij het stof bekruize[139] als gij te peerde zit. De krijgsliê zijn in een gelukkige eeuw geschapen, Als haren hoofdman bromt[140] en uitsteekt in zijn wapen, Dat helpt haar bloed aan 't ziên, en stookt zijn krachten op, Dat het zijn schuim opwerpt uit eenen vollen krop, En schielijk overzwalpt, laat zijn ontsteldheid merken, Hoe zeer men 't dwingen wil in zijn bestemde perken[141]. Dat 's d' oorzaak, eer van Mars! dat ons Romeinsche jeugd D' hoofdslapen u omvlecht, en roemt, dat, door uw deugd, Dees Hydra ligt gedempt, geschroeid, en omgekomen, Die een Alcides eischte en Hercules van Romen. Dien Tyfon is gekneusd, die reutelt nog van spijt, En zwavel, vuur, en smook uit zijn neusgaten smijt. Zoo ooit ons ridderschap had schoone buitekansen Doen Hannibal ontvlood, een hertvang 't groot Numancen En 't oud Carthago smeet ter aarden, na veel twist, Dat van ons Scipions elkeen te spreken wist'; Zoo ooit ons krijgsvolk klom gelukkig over de Alpen, Zoo wijd de Rijn zijn strand gaat weêrzijds overzwalpen, Passeerde als in slagoorde het Pyreneesch gebergt', Daar Frankrijk[142] Cæsar bracht de sleutels ongevergd, Bedwong van wereld afgeschovene Brittoenen[143], Den Roomschen Tyber met haar manschap te verzoenen, Of, om te lesschen-uit het smooken van de brand, Die van dees monarchy ontstak het ingewand, Pompejus ruimen deê de velden van Farsalien, En opdroeg Cæsar de voogdije van Italien;-- Zoo, zegge ik, ridder ooit opgeven dorst zoo breed, Omdat hij onder zoo beroemden veldheer streed: Nog geven wij 't niet op, noch Titus derf[144] niet wijken, Zoo Cæsar zijn trofeên met hem wil vergelijken.
TITUS.
Dat Cæsar Cæsar is, die heer op heer verstrooid, In 't lest dees monarchie[145] heeft tot den top voltooid, Voltooid, dat, bij aldien mocht Romulus verrijzen, Hij zijn vergode ziel zou met verwondren spijzen: Daar waagt de wereld af, zoo wijd den hemel blaauwt, En valt de faam hierom d' aarbodem te benaauwd: Maar 't is geen minder kunst, 't gewelf van zoo veel rijken Te houden in een knoop, en gaâr[146] te houwelijken[147], Als 't is te rijzen doen een glorie, die zoo bromt, Dat 't aardrijk voor haar neigt, en zijnen rugge kromt.
LIBRARIUS.
Dat bleek wel, hoe vergeefs de dappere Alexander De rijken schakelde, als een keten, aan malkander, Doen, als hij naauwlijks dronk een slaapdrank aan 't vergift, Zijn purperen gewaad in vieren wierd geschift[148]: Daar lag de praal in d' asch. Monarchen! gaat oorlogen, Uw vijanden ontzegt[149], en ziet haar onder oogen, Bestookt ze, en overwint ze, en vat ze bij de kraag[150], Half levende of heel dood, en viert haar onderlaag[151]: Ziet, waartoe dienen zal uw grootheid opgeblazen, Die al den ommeloop des werelds kan verbazen, Als uw nazaten, slap, verwijfd, en achteloos, Zoo dier verkregen pand verslensen voor altoos. Wordt Titus dan vergeefs[152] gedankt van zijn voorzaten, Die hem vertrouwden, en 't rijk hebben nagelaten, Om dat hij 't hoofd ophoudt van deze monarchij, Die onlangs scheen geneigd ten val door muiterij? Ziet, hoe, verlegen zij 't hoofd in haar schelp ophalen, Die waanden ons den tol met muiten te betalen: Ziet, hoe, als in uw schoot 't ontzag wordt opgekweekt, Hoe 't al voor u verschrikt, en ijlig 't mes opsteekt.
TITUS.
Dees wraak, bij ons zoo versch geoefend over 't muiten, Ontwijflijk zal veel ramps van onze staat afstuiten, En de onverwelklijke eere en prijs, hier in behaald, Werd[153] door 's tijds nijdigheid noch ouderdom bepaald: Die gloeit ons om het hert, dat schijnt van vreugd te zwellen: Maar als wij wederom ons helden overtellen, En mijmren in[154] de rol der gener, welk zoo zuur Gedurende 't beleg deê sneuvlen 't avontuur; Dan loopt al mijn gewin, vermids 't verlies, verloren, Om dat ik missen moet die riddren welgeboren: Nicanor, andren erm uws maarschalks! waar zijt gij, Die een gevederd hout[155] deê slippren aan mijn zij[156]? Sabinus, Juliaan, en meer ter dood gewonden, Wiens geest, in 't strijden, van 's lijfs kerker is ontbonden, Wat is 't, of ten triumf uw veldheer overschiet, Als uw gedachtenis hem 't hert roert met verdriet? Wat is 't, of zijnen roem den waassem breekt der wolken? Als hij u vallen, 't bloed ziet uit uw lenden stolken? Wat is 't, of waar toe strekt--
LIBRARIUS.
Zacht, zacht, doorluchtig vorst! U zelf genadig zijt, en kwetst uw edel borst Niet met 't vergiftig punt van zoo onnutten rouwe!
TITUS.
Zijn dan geen tranen weerd die riddren, zoo getrouwe?
LIBRARIUS.