De complete werken van Joost van Vondel. Hymnus of Lofzang van de Kristelijke Ridder, [etc.]
Part 2
AAN DEN GEDICHTLIEVENDEN LEZER.
Dat de Alderhoogste van het onmenschelijk bloedvergieten eenen afkeer heeft, zulks hebben ook de blinde Heidenen eenigsins gedroomd en gevoeld: want zij ontzagen, den altaren en den dingen, die zij heilig schatten, te genaken met handen of kleederen, die besprenkeld waren met beesten- of menschen-bloed. Dit geeft Virgilius, door zijnen vluchtenden Æneas, eendeels te kennen daar hij hem doet spreken:
Wilt, Vader! kuische vingren aan D' huisvaderlijke[31] Goden slaan; 't Waar mij een schandvlek rechtevoort[32] Die, nu ik uit zoo versche moord En zulken slachting koom gevloôn, Te roeren[33], eer ik rein en schoon Heb afgewasschen 't laauwe bloed, In 't water van een frissche vloed.
En Homerus door zijnen strijdbaren Hector:
't En past niet, dat me[34] God Jupijn Met onrein' handen offert wijn: De schaamt' verbiedt me, nu 't gemoed Van menschenslachten en van 't bloed Ontsteld is, voor den Goden luid Te storten mijn gebeden uit.
En gewisselijk God de Heere schijnt hier in bijna met zich zelven te strijden, wanneer hij den koning David, die voorgenomen hadde hem een huis te timmeren[35], aldus aanspreekt: gij en zult mijnen name geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en hebt bloed vergoten. Hier uit vloeit dan niet als te krachtiger, gelijk ook de koninklijke Profeet leert, dat de dood der heiligen weerd gehouden is voor den Heere: hetwelk ook betuigd werd door de schrikkelijke oordeelen Gods, geveld over de tyrannen, die zijn volk verdrukten, en haar handen in het bloed der rechtveerdigen verwden. Hoewel dit den Joden, zoo uit de wet en Profeten als andersins, overvloedig bekend was, nochtans hebben zij haar niet ontzien Gods Profeten en zendboden te dooden en te steenigen, gelijk de Heere Kristus henluiden zulks in het Evangelie voorwerpt[36]; alle welke zonden en grouwelen zij ten leste hebben opgehoopt met het onmenschelijk bloedstorten en kruisigen van de verschenen Zaligmaker, die, naar Ezaias voorzegginge, doen hij gestraft en gemarteld wierd zijnen mond niet opdede, als een lam dat ter slachtbank geleid wordt, en als een schaap dat stom wordt voor zijnen scheerder, en zijnen mond niet open doet, en die zoo klagelijk door den Psalmist uitroept: Mijn God, mijn God! waarom hebstu my verlaten? en nog: Ik ben een worm, en geen mensche, eenen spot der lieden, en verachtinge des volks; alle die mij zien sperren den mond op, en schudden den kop. Maar nadat nu de goddelooze menschen haren bloeddorstigen moed gekoeld en die afgrijselijkste zonden volbrocht hadden, zoo is de wrake des rechtveerdigen rechters hun kort op de hielen geweest, en zij zijn, van dag tot dag, aan alle kanten jammerlijk overvallen, als van stormen en plasregens van allerlei plagen en ellenden, die eerst met den eindlijken en geheelen ondergang des Joodschen volks zijn ge-eindigd: gelijk Josephus, Egesippus, en andere geschichtschrijvers daar van op het breedste handelen, en Carolus Langius zulks zijnen Lipsius kort en geleerdelijk als in een tafel[37] voor oogen stelt, zeggende: "Laet ons van Iudea beginnen, dat is van een heyligh land en volck Gods. Ick gae voorby het gene zy in Egypten, en na haren optocht uyt Egypten geleden hebben: want dat is ons duydelyck genoegh inde heylige boecken naegelaten: ick kome tot de zwaerste en tot die gene, die als aen haer uytvaert behooren. Het welck ick best elck in het byzonder als met een register zal verklaren. Zij hebben dan met het in en uytlandsche oorloogh dit uytgestaen:
Voor eerst zijnder te Ierusalem door het bevel van Florus gedood zes honderd en dartigh.
Te Cesarien op een tijd van de inwoonders, uyt haet van het volck en de godsdienst, twintich duyzend.
Te Scythopolen, een stad in Syrien, darthien duyzend.
Te Ascalon in Palestynen oock vande inwoonderen twee duyzend vijf honderd.
Te Ptolemaïde van gelijcken twee duyzend.
Te Alexandrien in Egypten onder de voogdije van Tiberius en Alexander vijftigh duyzend.
Te Damascus thien duyzend.
En dit alles heeft zich als door een beroerte en oploop toegedragen: en daer nae met een wettelijck en openbaer oorlogh van de Romeynen:
Ioppe ingenomen wezende, zijnder van Cesius Florus verslagen acht duyzend vier honderd.
Op zekeren bergh Cabulon twee duyzend.
Inde slagh by Ascalon thien duyzend.
Wederom door verraed acht duyzend.
Te Aphaca als het ingenomen was vijfthien duyzend.
Op den berg Garizim zijnder verslagen elf duyzend vijf honderd.
Te Iotapata, daer Iosephus zelf was, ontrent dartigh duyzend.
Ioppe andermael ingenomen wezende, zoo zijnder verdroncken vier duyzend en twee honderd.
In Taricheen zijnder verslagen zes duyzend vijfhonderd.
Te Gamalien, zoo verslagen, als die haer zelf vande steylte wierpen negen duyzend; en daer is in die stad niet een mensch behouden gebleven, als twee vrouwen wezende gezusters.
Giscala verlaten wezende, zijnder in het vluchten gedood twee duyzend, en zoo vrouwen als kinderen gevangen dry duyzend.
Van Gadarensers zijnder verslagen darthien duyzend, en gevangen twee duyzend twee honderd, behalven die in ontallijcke menighte inde rivier gesprongen zijn.
Inde dorpen van Idumea zijnder verslagen thien duyzend.
Te Gerasiën duyzend.
Te Macherunten duyzend twee honderd.
In het bosch van Iardes dry duyzend.
In het kasteel Massada, die haer zelven hebben gedood, negen honderd zestigh.
Te Cyrenen zijnder van Catulus de Landvooghd verslagen dry duyzend.
Maer gedurende de belegeringe, zijnder inde stad Hierusalem zelf gestorven, en verslagen thienmael honderd duyzend, en gevangen zeven en negentigh duyzend.
Dit getal beloopt, behalven ontellijcke die achtergelaten zijn, twelfmael honderd en veertigh duyzend. Wat zeghdy Lipsius? slady hier over uwe oogen nederwaerts? heftze liever op: en schroomt niet met my, de veeljarige oorloogen van gants Christenrijck met de nederlage van dit eenige volck te gelijcken: maer hoe kleynen stucxken lands en hoop volcx is dat geweest ten aenzien van geheel Europa?" Dus verre uit Lipsius.
Daar zien wij, wat het kost den Vorst des levens te dooden, en het bloed, dat genoegzaam is tot een rantsoen voor des geheelen werelds zonden, op zoo geringe weerdije te stellen. Met de aandachtige oudvader Hieronymus mogen wij van Jeruzalem spreken: Fame perit, ante quam gladio. De stad vergaat eer door honger als door het zweerd; en liever, als een volkomen verhaal te doen van de ellenden, die gedurende de belegeringe voorgevallen zijn, willen wij, ons daar over verwonderende, met den poëet[38] roepen:
Quis cladem illius noctis, quis funera fando Explicet; aut possit lacrymis æquare labores? Urbs antiqua ruit, multos dominata per annos: Plurima perque vias sternuntur inertia passim Corpora perque domos, et religiosa deorum Limina.
_Dat is:_
Wie zal de lijken, wie de neêrlage ons verklaren Van die vervloekte nacht? of konnen evenaren Met tranen al het leed? die oude stad, die stond En had zoo lang 't gezag, stort plotseling te grond. Veel olick[39] volksken men alsins ter neêr doet stromplen, Langs straat, in huis, en op der Goôn gewijde dromplen[40].
Josephus[41], zelf een Jode, erkent deze nederlage te zijn een bijzondere goddelijke wrake, overmids de tyrannen te Jeruzalem, meer door vreeze als nood, uit hare onwinbare vastigheid weken; en Titus, na het veroveren der stad, zich verwonderende over den geweldigen bouw van torens en muren, en der steenen hooge, groote, en behendige te zamenvoeginge zeide: gewisselijk God heeft voor ons gestreden, en zelf de Joden uit zulke vestingen gedreven; want wat menschenhanden of stormgeveerte mocht hier tegen gelden? Dit wordt, behalven uit meer omstandigheden, die wij om de kortheid voorbij gaan, ook hier mede bevestigd, overmids zij niet van een onmenschelijk tyran maar van een goedertieren prince bestreden zijn, die liever haar behoud als ondergang zocht, en gehouden wierd voor de wellust en het vermaak des menschelijken geslachts. Dat dienvolgende de Romeinen dit voor een uitnemende overwinning hebben geacht, blijkt uit het heerlijke zegefeest, over der Joden nederlage te Romen gevierd: alwaar Vespasiaan, Titus, en Domitiaan, met loverkransen en purper gecierd, de triumfpoorte inreden: daar der Romeinen beelden en afgoden, mitsgaders de arke des verbonds, de gouden tafel, Mozes en Aärons roede, vier tempelstijlen, de toonbrooden, den gulden kandelaar, de wettafelen, en andere heiligdommen, met een wonderbaarlijke pracht, statig heromme gevoerd wierden, en daar de schare van de gevangen Joden, dragende de handen op den rug gebonden, en naakt ten halven lijve hun vijanden een gaapspel[42] verstrekten, en met haar versmaadheid der Heidenen statie verheerlijkten. Van deze gehouden zegefeest getuigt nog op huiden te Rome de Arca triumphalis of Triumfboge, staande in via sacra boven de kerke van S. Maria nova, opgetrokken van schoone marmor, en met goud gecierd: in dewelke deze woorden in steen, tot een eeuwige geheugenisse, uitgehouwen staan:
SENATVS POPVLVSQVE ROMANVS DIVO TITO DIVI VESPASIANI FILIO, VESPASIANO AVGVSTO, ET OB VICTORIAM ET PERPETVVM ----
de volgende letteren heeft de nijdige tijd en grijze ouderdom uitgewischt. Ook is er nog een ander schrift aldus:
S. P. Q. R. IMP. TITO, CAES. DIVI VESPASIANI FILIO, VESPASIANO AVGVSTO PON. MAXIMO TRIB. POST. IMP. P. P. PRINCIPI SVO, QVI PRAECEPTIS TRIAE CONSILIISQ. ET AVSPICIIS, GENTEM IVDEORVM DOMVIT, ET VRBEM HIEROSOLYMAM, OMNIBVS ANTE SE DVCIBVS, REGIBVS, GENTIBVS, AVT FRVSTRA PETITAM, AVT OMNINO INTENTA, DELEVIT.
Zoo leeg zijn die gene gedaald, die tot den Hemel en aan de sterren verheven waren, een volk, dat eertijds met God en de Engelen gemeenschap hadde: zij[43], wien vuur, water, aarde, en locht ten dienste stonden, zijn alle dingen tegen geweest, en hebben het al tot vijand gehad, en Rome heeft den roem weggedragen van tot den grond en ondersten wortel toe uitgeroeid en verdelgd te hebben een oude koning- en priesterlijke stad, die, na veel geleden aanvechtingen, van haar eerste grondlegginge 2177 jaren hadde gestaan. Onze versmitste[44] Cunæus mag wel zeggen: Ita vertuntur subitò cuncta, & omninò natura, quæ ad originem rerum parcè utitur viribus suis, ad ruinam toto impetu venit; (alzoo wordt alles schielijk te gronde gesmeten, en de nature die tot der dingen oorsprong al heel spaarzaam hare krachten bezigt, komt met volle geweld ten bederve). En de mond der waarheid voorspelde geen ijdele droomen, als hij sprak: "hier zal niet eenen steen op den anderen blijven, die niet afgebroken zal worden." Het overschot der Joden heeft sedert in gedurige ballingschappen jammerlijk omgezwerfd[45], en allerlei zwarigheden bloedig en ellendig uitgestaan. Zoo de kinderen der voorvaderen misdaad bekenden, zij zouden billijk beklagen, dat haar ouderen riepen: "zijn bloed zij op ons en onze kinderen!" want, gelijk Prudentius zingt:
Exilijs vagus huc illuc fluctantibus errat, Iudæus, postquam de patria sede revulsus, Supplicium pro cæde luit, Christique negati Sanguine respersus commissa piacula solvit.
Dat is:
De Jood, zijnde uit den stoel zijns vaderlands gerukt, Dwaalt vluchtig[46] hier en daar in ballingschap verdrukt, 's Moords straffe draagt, en met 's verzaakten Kristus' bloed Besprengd, zijn misdaad en begangen[47] zonde boet.
Niemand, hopen wij, zal ons leep[48] en overdweers[49] aanzien, dat wij dit groot treurspel hier wederom, als op het tooneel, te voorschijn brengen, opdat men aanmerke Gods strengheid over die gene die gevallen zijn: aangezien wij hierin als op het spoor navolgen den heiligen en brandenden ijver van den koninklijken harpenaar David, en den Goddelijken dichter Jeremias: van welke beide, _deze_, in zijn Klaaglieden, heeft beweend de verstoringe der stad Gods en des ganschen koninkrijks, en de ongelukken bij het Jodische volk uitgestaan onder den Babylonischen Nebucadnezar;--_die_, met zijn snarenspel getreurd over de bloedstortinge en aanstoot, dewelk Jeruzalem van den tyran Antiochus te verwachten stond. Effen alzoo[50] beklagen wij mede het uiterste en grootste jammer, dat de dochter Sion onder de Roomsche[51] keizeren Vespasiaan en Titus is overkomen, en vieren de uitvaart dezes beroemden geslachts. Mijn Zangeresse, van den hoofde ten voeten toe in rouwe, treurt over die verwoesting, die Kristus, aller Engelen en geloovigen blijdschap, tranen gekost heeft, onaangezien hij dezes versteenden volks wreedheid in zijnen vleesche voelde, en den kelk der bitterheid korts[52] van haar ontving. Maar och, hoe vaak hebben wij gewenscht, dat onze rijmen mochten antwoorden de weerdigheid van de stoffe, voorwaar zoodanig wezende, dat wij hier van onze geringheid moeten roemen, en belijden, dat het maar stukwerk is wat wij voortbrengen; want het gene de Latijnsche treurspeelder[53], door zijn van droefheid overwonnen koninginne[54], uitschreeuwt:
-- -- -- -- -- -- non unquam tulit Documenta Fors majora, quam fragili loco Starent superbi;--
het zelfde mogen wij, door onze bedrukte vorstinne, aldus uitroepen:
Het lot en wees nooit klaarder aan, Hoe slibbrig dat de trotsche staan.
En zullen wij met Euripides, Seneca, en andere poëten dingen naar den palm, dat is, om wie van ons beiden hoogdravender[55] en uitnemender zaken verhandelt: de Joodsche stammen van wegen haar afkomst zijn bij ons niet leeger geadeld, als de Frygen[56] bij haarlieden. De dochter Sion wijkt niet voor Hecuba, noch Jeruzalem voor tien Trojens. Ginder was de kerk[57] van Minerve: hier des Heeren tempel, dat zesenveertigjarige getimmer[58], hetwelk aller uitheemschen oogen in Syrien lokte, en waarin de Nijd niet als enkel schoonheid verachtte. Dáár stond het Palladium: hier school de Arke des verbonds, bedekt met goude Cherubijnen en meer heiligdoms, elk om het heerlijkste. Ook is de Jordane, die den Israelieten week, en de beke Cedron, over de welke Jezus ging, meerder als Xanthus[59]. Davids burcht gaat Ilium te boven. Zij hebben het Grieksche leger, wij de Roomsche heerkrachten aangevoerd. Hare oversten en voorbarigste[60] waren Agamemnon en Menelaus, Achilles en Pyrrhus: mijn veldheeren zijn Vespasiaan, de strijdbare Titus, zijnen zone, en andere. Laat ze al haar best Laomedon, Priamus, en Hector roemen: ik zal Jozua, Gedeon, David, Salomon, en de andere koningen en helden prijzen. Willen ze met de Amazone Penthesilea pronken: ik zal met Debora, Judith, en zulke heldinnen brageeren. Zij hebben de Rhæteesche heuvelen, bewandeld van zoo veel doorluchtige mannen, gezongen[61]: wij de heilige bergen, vaak betreden van zulke, die, haar werk onder maan[62] verricht hebbende, als bliksemen door het azuur en het goud des blinkenden Hemels naar den vrolijken stoel Gods opvoeren. Wederom, die versierde[63] twist rees uit Paris' oordeel: deze uit Pilatus' vonnis. Gene scheidsman oordeelde Venus te gevalle, om de schoone Helena: deze rechter den Joden, om de keizerlijke gunst. De een gaf een gewaande Godinne den twistappel, als het verdiende pand van hare schoonheid: den ander leîde den betuigden levendigen Zone Gods het kruis op zijne schouderen, als verschulde[64] straffe van zijn mismaaktheid[65]. Cytherea[66] behield op Ida[67] den zege: Kristus wierd op Calvariën gedoemd; en zoo voort. Dit dan aldus tegen malkanderen overwogen, zoo ziet men, met een half oog, welke stoffe van beiden meest weegt, en hoe de Zonne des Heiligen Geestes alle Heidensche sterren met haren glans uit doet[68]. Indien de lezer gretig[69] is, om de nuttigheid van dit werk en de oorzaken van Israëls val na te vorschen, hij geve den Engel Gabriël gehoor, wien wij, in het einde[70], de verklaringe des zelfs[71] bevolen laten. Maar ontbeid[72], ik zie alreede het tooneel openen, en het volk, met opgesteken ooren en gapende monden, naar den inhoud van het spel luisteren. Het is hoog tijd, dat wij zwijgen.
HET INHOUD.
Sedert dat de Joden hare grouwelen en zonden, begaan in het dooden en vervolgen der profeten, hadden opgehoopt met het onmenschelijk bloedvergieten en mishandelen des onschuldigen Lams, en andere vrome Heiligen Gods: zoo heeft haar verdoemenisse niet geslapen. Want Florus, die namaals van de keizer Nero was gesteld als landvoogd over Judea, ontstak met zijn inslokkende gierigheid en onverdraaglijke wreedheid den brand van tweespalt: waaruit vele jammerlijke beroerten en bloedige slachtingen tusschen Joden en Romeinen langs hoe meer zijn ontstaan: zoo dat eindlijk de keizer veroorzaakt was[73], Vespasiaan, als veldoverste over het Syrische krijgsvolk, derwaarts te zenden: die, vergezelschapt met zijnen zone, Jotapata, daar Josephus gevangen wierd, en voorts het Jodische land met meest alle de omliggende plaatsen vermeesterd, en Jeruzalem bezet hebbende, tijdinge kreeg, hoe, na Nero's rampzalige dood, Galba en Otho omgekomen wezende[74], Vitellius het gebied tot zich getrokken hadde: waarom de Roomsche[75] hoofdluiden hem drongen het keizerdom te aanveerden en derwaarts te trekken, gelijk hij ook dede, latende Titus de volendinge van het aangevangen oorloog bevolen. Ondertusschen was het te Jeruzalem zoo verre gekomen, dat ze, als in slagoorde, in drie rotten vijandelijk gedeeld stonden; te weten: de Zeloters[76], die Eleazar aanhingen, hadden den tempel, Johannes het onderste, en Simon Giore zoon het opperste deel der stad in. Titus, hier van verwittigd, heeft deze gelegentheid waargenomen, en in het 72. na Kristus' geboorte, 'twelk is het tweede jaar van Vespasiaans rijke, op den 14en van de maand April, als de Joden haar Paaschfeest vierden, de stad met zijn ruiterije berend, belegerd, en eerlange, na veel gehouden schermutselingen en gedane stormen, met een muur in drie dagen tijds bezet en besloten: waarop gevolgd is een onlijdelijke hongersnood, die de burgerlijke beroerten dede aangroeyen, en ontallijke menschen versmachten: zoo dat ze genoodzaakt waren de doode lichamen over stads muren in de grachten te worpen, ja, een edel joffrouwe[77] spijze van haar onnoozel kind most bereiden. De tiende dag van Oogstmaand wierd het vuur in de tempel gesteken, daar een onmenschelijke slachting gebeurde, en alle priesterlijke gebouwen afbrandden. En hoewel de keizer hun vaak hulde[78] aanbood, en haar beloofde in genade op te nemen, zoo zij haar goedwillig overgaven: nochtans volherdden zij in de voorgaande halstarrigheid, tot dat ten leste, op de achtste dag van Herfstmaand, de overstad[79] gewonnen, en alles in vuur en bloed wierd gesteld. Na de overwinninge ontbrak het den Roomschen soldaten aan geenderhande moedwil en wreedheid, over de moedwilligen te plegen. Titus, de schuldige naar haar verdienste gestraft, en zeven honderd jongelingen, sterk van lichaam, tot het aanstaande zegefeest, dat hij te Rome dacht te houden, uitgezonderd hebbende, bedankte zijn krijgsluiden voor haar dapperheid, in de strijd betoond, verplichtte haar manhaftigheid met den verkregen roof en eerlijke[80] ampten, en offerde dankbaarlijk, op de heilige plaatse des tempels, zijn Goden. Daarna stelde hij Terentius Rufus tot overste van zijn tiende bende, die hij tot bezettinge liet van de verwoeste stad, en vertrok met het gansche leger en de gevangenen. En dewijl de geschichtboeken melden, dat Simeon Kristenbisschop, met zijn heilige vergaderinge, volgens het ontvangen Godlijk antwoord, van Jeruzalem te Pella vluchtte, en, als Judea wat in ruste was, weder te Jeruzalem metter woon kwam: zoo hebben wij, om ons geheel werk Kristelijker wijze te verklaren, en alles leerlijk voor oogen te stellen, versierd[81], dat hij met de zijne wederkeerende, als het leger juist vertrokken was, en de verwoeste stad bezichtigende: hun de Engel Gabriël, met een Hemelsche klaarheid aangedaan, verschijnt, die henluiden volkomentlijk ontsluit de oorzaken van den val en ondergang des Jodischen volks, met meer omstandigheden, die daar aan vast zijn. Daar hebdy het kort inhoud van ons treurspel, genomen uit Josephus 2, 3, 4, 5, 6 en 7, en Egesippus 2, 3, 4 en 5, en Eusebius 2 en 3, en Carions 3e boek, en uit meer andere schrijvers. Het tooneel is op, rondom, en ontrent de verwoeste plaatsen, daar het krijgsvolk legert, en Jeruzalem gestaan heeft.
Aan de Joodsche Rabbijnen.
Klinkert[82].
De rei uws priesterschaps was als van blijdschap dronken, Doen Jezus hing aan 't hout met ermen uitgestrekt, Gekruist, gegeeseld, en bespogen, en begekt, Om dat hem was den kelk der bitterheid geschonken.
Zij dachten luttel, dat rechtveerdigheid, die, boven In 's Hemels gulden schoot, de weegschaal recht ophoudt, 't Onschuldig bloed meer schat als fijn Ofirisch goud, En telt al 't zuchten van de waarheid, hier verschoven.
Maar als de dag aanbrak, die God beschoren had Tot wraak van 't schelmstuk van die godvergeten stad En 't volk, dat veilig dacht te staan op heilge dremplen;
Doen zag men baar[83] wat zonde al plagen met zich brocht, En dat de boosheid tot geen borstweer strekken mocht Geweld van muren, noch schijnheiligheid van templen.
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
DE TREURSPEELDERS ZIJN DEZE:
JOSEPHUS een dapper voorvechter der Joden. TITUS de Keizer. LIBRARIUS Rotmeester. DE REI van Roomsche[84] soldaten. DE DOCHTER SION. DE REI van Staat-jonffren. DE REI van Joodsche vrouwen. DE REI van Jodinnen in 't algemeen. FINEAS Priester. DE REI van Priesteren. TERENTIUS Hopman. FRONTO Drossaart. SIMEON Bisschop van Jeruzalem. DE REI van Kristenen. GABRIËL, een Engel.
Jeruzalem verwoest.
DE EERSTE HANDEL.
JOSEPHUS.