De complete werken van Joost van Vondel. Het Pascha

Chapter 5

Chapter 53,811 wordsPublic domain

Of dezen dooden mond nooit vader, vader! riep, Dees wiens liefde in mijn hert begraven lag zoo diep, Die letterlijken stond in mijn gemoed geschreven, De zonne van mijn vreugd, de ziele van mijn leven, Den rechten erfgenaam, en d'aldernaasten oor[338] Van al mijn rijke haaf, van 't goud in mijn thresoor, Ja, 't beeld mijns aangezichts, de wortel, die de vruchten Mijns zaads beloofde voort te brengen met genuchten. Wat is ons leven? ach! wat is ons leven ook? Een liefelijke bloem, bel, bobbel, damp en rook Of smook, die in de lucht verblazen en verzwenen, Gelijk een schaâuw verstuift, en ijdel vliegt daar henen: Het duurt een wijle maar, een tijdeloozen eeuw, En smelt weêr lichter als een witgevlokte sneeuw, Of als een ijzen[339] beeld, twelk spoedig overwonnen Zijn statua[340] verliest met 't stralen eender zonnen[341], 't Is als een bliksemslicht[342], dat naauw om[343] schijnen poogt En mist zijn heerlijkheid met dat het zich vertoogt[344], Een torts[345], die durig schijnt en smeltet al bezweken, Met dat haar lemmet sparkt[346], met dat zij is ontsteken: Hoe vliên ons dagen weg, als waren zij gevlerkt! Ons uren zijn bestemd en onzen tijd beperkt, Ons wiege wordt ons graf, ons leven is verloren, Wanneer wij naauwlijks zijn uit moeders schoot geboren.

VROUW.

Dus schreiden de ouders vast in zulken harden proef Ons oogen vloeiden, laas! als twee fonteinen droef, De zuster om haar zus, de broeder om zijn broeder Riep, of nooit uit den schoot van een verkoren moeder Wij beid' waren geteeld, och! of wij nooit met smert En pijn hadden gedrukt een zelfde moeders hert; Och! waren wij nooit beide uit éénen bloed geronnen, Noch nooit door eenen ring geraakt int licht der zonnen, Noch van een vader nooit in zijne liefde zoet Gewonnen op een koets, noch met de melk gevoed Die uit een ader vloot, noch samen opgevoedsterd; Noch in een wankel wieg met pijnen opgekoesterd; Zoo'n[347] had uw droevig einde, als 't ommers wezen most Ons zoo veel zuchten (laas!) noch tranen niet gekost. Wat hebdy meer misdaan als wij, dat 's doods verstaalden Gescherpten schicht met-een dees borsten niet doorstraalden[348]? O Helschen Atropos! Wie dacht, wien had gedacht[349], Dat gij huns levens draad zoudt korten dezen nacht? Wij hadden uwe komst wel vlijtig waargenomen, En niet den zachten slaap met Lethes[350] laten stroomen Op ons gesloten oog, en nog voor 't laatst adieu Dees wangen eens gekust, eer uwe vlimme[351] hieuw En scheidde ziel en lijf wraakgierig van den andren, Voor eeuwig hadden wij nog eens omhelsd malkandren. Ach! zaliger ist lijk 't welk hier ligt uitgestrekt, Dat nu den rouwe met haar vleugelen bedekt, Als wij, die treurig, om dees droefheid te verzachten, Ons overstelpen in ons tranen en ons klachten.

MAN.

Tweemaal vijf straffen wij (eilaas!) hebben gevoeld, En worden altijd meer van droefheid nog bespoeld, Den Hemel even streng houdt zijnen boog gespannen; Dies bidden wij: verlaat[352] d'Israëlietsche mannen! Verlatet den Hebreen, ontsluit Egyptenland, Op dat zij hunnen God voldoen zijn offerand; Ontslaat ze toch van 't jok van al hun slavernijen, En wilt ons allen voor een grooter straf bevrijen.

FARAO.

Zij vluchte[353] metter ijl, van daar het morgenrood Verrijst, tot daar het licht neêrdaalt in Thetys' schoot, Voor Pluto trekken[353] zij zoo wijd ter Hellen neder, Tot daar zij nimmermeer en keeren herwaarts weder, Zij reizen[353] naar 't besneeuwd en 't koud behijzeld[354] Noord, Tot daar men nimmermeer van hun vertrekken hoort, Zij laten dan den Nijl, die overvloeit van 't goede, Tot daar hun al gelijk moet drukken de arremoede: 't Weêrspannig slaafsch gedrocht, zij loopen al hun best Die ons gezond klimaat ontsteken als de pest; Zij nemen al hun vee, zij nemen al hun have, En worden op het veld een spijze voor de rave, Zij ruimen 't gansche rijk, zij loopen naar hun dood, En erven Pluto's nest voor eenen zachten schoot. (_Binnen_).

_De_ REI DER ISRAËLIETEN _zingt_:

Hebreên! speelt 's Hemels lof Nu op uw luite schoone, Adieu, Misraïms hof! Adieu, Memfidis troone!

Adieu, Egypten-land! Adieu, rijksstaf en kroone, Die Nylus zandig strand Beheerscht door Faraone.

Adieu, tyrannig jok, Adieu, dienstbarig[355] Gozen! Waar uit de Heer ons trok Door Aaron en door Mozen.

Israël wil[356] 't beloofd Canaän nu gelukken, Daar Juda zijn voorhoofd Zal met een kroone drukken.

Daar Juda, onder 't licht En 't wankel rond der mane, Zijn stoel en zetel sticht Bij 't stroomen der Jordane.

Gij Filistijnen haast[357], En gij o Jebuzieten! Met Amalek verbaasd Maakt plaats met de Ammonieten.

De koning Juda komt Preutsch in uw schoenen treden; O luistert! hoe hij tromt, En nadert met zijn schreden.

Dat dijnen hoogmoed daalt Voor die zijn rijk wil vesten, Gelijk den bliksem straalt Vant Oosten tot den Westen.

Uw grenzen open sluit Voor onzen prins personig[358], En laat tot roof en buit Uw melk en uwen honig.

Jordaan, die van den top Der heuvelen komt bruisschen, Steekt uw blaauw hoornen op, En laat uw bobbels ruisschen!

Golft in d'azuren zee, Zegt de Oceaansche[359] baren, Hoe Juda op uw reê Komt zijnen troon pilaren.

Sinaï! maak dy[360] reê, Want op uw hoogte steilig Wil smoken doen d' Hebreê Zijn brandofferen heilig.

Dat Horeb eeuwig staat Gerezen onder 't maanschijn, En tuigt wie heeft gedwaad[361] De tranen van ons aanschijn.

Mensch-stappen[362] zullen eer Des hemels cirkel meten, Dan hunnes konings eer Israël zal vergeten.

Den Engel maakt het spoor, O, laat ons niet verslappen, Ons leidsliên treden voor, Wij volgen hunne stappen.

FARAO de koning. ALBINUS, veldhoofdman met zijn heirleger.

FARAO.

Die niet ontziet den roem zijns scepters te bevlekken, Mag doen als Farao, en laten henen trekken De slaven van zijn rijk, die onder 's Hemels wiel[363] Den koning eigen zijn met lichaam en met ziel, Die steeds gehouden zijn den koning toe te wijden De vruchten van hun zweet, en honger zelfs te lijden, De slaaf, die 's princen hoofd met een gemarmerd dak Moet overwelven 's daags, en onder 't hemelvlak Zelf slapen al den nacht, en dubbel wordt vergouden[364], Wanneer bij zijnen loon hij 't leven mag behouden, Of rekent zijnen heer hem 't schuimsel van der aard, En is hij op de helft naauw zoo veel eere waard, Geen vrijheid komt hem toe, ten zij hij 't mag verwerven Door zijnes konings gunst, of eindlijk door zijn sterven. Vast hebben dees Hebreên, verdobbeld[365] snoô en valsch, 't Jok van hun dienstbaarheid geschoven van den hals, Door tooverkunst huns Gods, die 't scheen ons zou verdelgen En heel Egypten in zijn toornigheid verzwelgen, Zoo nu zijn rechte hand verlamd is noch verkort, Hij neem de handschoen op, die hem geboden wordt. Zij zijn wel uit 't gezicht, maar nog niet uit mijn handen, Nog uit hun slavernij, al schijnen ze uit de banden Van 't slaafsche juk te zijn: Zij werden[366] na gedraafd, En eer den vluggen tijd de bleeke zon begraaft, Zie ik hun achterhaald en onverziens bedrogen, Gelijk de vogel 't net wordt over 't hoofd getogen, En als in 't bladig bosch zoo schielijk 't bloode hert Beschreit zijn vrijheid, alst in strikken is verwerd, Zoo zal ook al betraand 't heirleger der Hebreeuwen Hun vrijheid zien beroofd voor allen tijd en eeuwen. Tsa, Hoofdman! werwaarts is 't, dat zij getogen zijn?

HOOFDMAN.

Ontziende 't bloedig staal des preutschen Filistijn, Heer koning! al verbaasd begaf zich dezen zwerme Daar 't rood Arabisch Meers gekromden woesten erme[367] Dit rijk een deel omvangt, en de woestijne dreigt: Gewapend naauwlijks, zij om[368] strijden niet geneigd En schenen, noch bekwaam ten minste, hun vijanden Het half gelaat te biên, ik late staan hun tanden Te breken met geweld: indien gij dezen rei Vervolgt, genadig vorst! voor 't oorlogs veld-geschrei Zij raken in de vlugt, en reppen saam hun zolen, Als schaapskudd', die de wolf het herte[369] heeft ontstolen, Om geen beschermen denkt, maar van een bende haast Wel honderd benden maakt en vluchtet al verbaasd.

FARAO.

Welaan, de rossen toomt, om geenen tijd verzuimen.

HOOFDMAN.

Zij briesschen, en 't gebit huns breidels doen zij schuimen, En zijn met strijdschen moed gespannen int gareel, De wagens toegerust; en 't leger, al geheel Gehelmd, gestokt, gestaafd, vierkantig in slagorden, Verlangt, wanneer de tocht zal aangevangen worden.

FARAO.

Zoo treed' de koning voor, op trommel en trompet! De wapenroovers[370] noodt tot 't bloedige banket, Dat elk zijn hielen ligt, 't is geenen tijd om hinken[371], Nu in 't bestoven veld Mars zijnen schild doet blinken; Krijgt[372] onder zijn banier, hij leidt u aan den dans! Des overwinners hoofd omvlecht den lauwerkrans. Den weg is al gebaand, dus laat ons niet verslappen, Zoo ver te vinden is het spoor van hunne stappen. (_Binnen_).

_KOOR._

Die den Hemel derft bekrijgen, Zal wel voor een wijl opstijgen, Even als Neptunus' vocht Worpt[373] zijn baren na de locht, Die van zelf in korter stonden[374] Weder vallen in de afgronden, Of gelijk een vlam gezwimd[375], Licht op naar den hemel klimt. Die men wederom zich zelven In zijn asschen ziet bedelven: Want de groote goedheid Gods Latet[376] wel den koning trotsch Op het hoogste en even dolle Woeden, doch wanneer hun rolle Is ten uitersten volspeeld, Op 't theatrum getoneeld, En wanneer hij met berommen[377] Meent ten hoogsten zijn geklommen, Stoot de godlijke Monarch Hem afgrijzig van den berg. Hoe hij was den hemel naarder Hoe den val hem is te zwaarder, Hoe hij meerder opwaarts steeg Hoe hij dieper valt om leeg. Hoe hij meerder rees verkorseld[378] Hoe hij platter valt vermorseld. Dit blijkt aan Farao straf, Die zoo blind'ling loopt naar 't graf; Die in 's Heeren straffe tijdig Blijft verstokt, versteend partijdig, Daar een ieder roê, als vriend, Hem tot beteringe dient: Want de strengheid Gods ten lesten Iedereen kastijdt ten besten, En zijn geessel al begrijsd[379] Op een grooter roede wijst. Wie dan, in der zonnen luister, Sluit zijn oogen in het duister, Wie de aankloppers van 't gemoed 's Herten deur niet open doet: Wie zoo vele donderslagen, Luiden laat voor ijdel vlagen, Op het onverzienste bald[380] 's Heeren bliksem overvalt: Gelijk dezen koning prachtig, Die[381] geen teekenen aandachtig Mochten leiden uit den tred Van zijn obstinaat opzet. Dies de Heere t' eenenmalen Hem onttrekt de helder stralen Van zijn hemelsch aangezicht, En verduistert hem in 't licht, In verkeerdheid overgeven, Tot hij eindelijk gedreven, Even als een roerloos schip, Drijft al blind'ling op de klip Van zijn overgeven boosheid, Van zijn stoute goddeloosheid, In den afgrond en 't verleid[382] Van zijn overgevenheid.

VIJFDE EN LAATSTE DEEL.

FAMA, of 't blazende gerucht. 't Heer-leger Israëls (dat God zelfs[383] had geleid Onder zijn vleug'len uit de Egyptsche dienstbaarheid, Dat God 's voorging in een vierige colomme En 's daags in eene wolk) Farao wederomme Had eindlijk achterhaald, en met zijn oorlogs-heer Omringd tusschen 't gebergt en tusschen 't roode Meer, Dat, met de zonne kwam de duisternis verrassen, Zich spiegelde verbaasd in zoo veel harrenassen, In zoo veel ijzer-blaauw; dies riepen zij: 't en helpt[384], Wij blijven samen hier in droefheid overstelpt, Wij zijn besloten van 't gebergte en van de baren, Van zoo veel oorlogs-volk en toegeruste scharen: Ha, Amrams zonen snoô! die ons zoo onbedocht[385] Vervoerd hierop een graf en kerk-hof hebt gebrocht: O, zalig waren wij, in arbeid en in slaven, Eer in Egypteland gestorven en begraven: Verraders van den rei[386] en 't leger der Hebreên, Een ieder wreek' zich zelf en worp'[387] den eersten steen! Gelijk de reizigers (als in de azure golven Van eenen waterberg bedekt wordt en bedolven Het vlottig schip, wanneer zich Boreas verheft, En 't golvig driftig[388] hout met groene baren treft) Den schipper dreigen vast, zoo voor de stuure[389] winden Hij 't opgeblazen zeil wil strijken noch ontbinden: De een met een bleek gelaat naar 't leven vast de dood Afschildert, de ander klaagt, dat in Thetydis schoot Hij vindt zijn duister tombe, en de ander dat zijn leven Ontijdelijk hij moet den baren overgeven, Dat ondertusschen heeft den zeeman, al ontrust, Genoeg te doen, eer hij d'een stilt en d'ander sust;-- Zoo ook in dezen storm de Israëlietsche hoeders Aaron en Mozes beid' vertroosten hun gebroeders, En roepen: "makkers denkt, dat uwen koning leeft, Die midden in 's doods nood de zijne 't leven geeft, 't Is eenen vasten grond en twijfelt niet zoo wanker[390], Vest uw geloove op hem, en worpt der hopen[391] anker Op Gods almachtigheid, die 't steil gebergte kan Tot dalen platten, en verdroogen d'ocean: Den jongsten toont, hoe hun den Hemel is te goede, En slaat, met zijne doode en levendige roede, Het woeste baargeplots, dat zich verdeelet stuur, En wederzijden maakt een roô robijnen muur, Een schutsel van kristal, en nemet zijn afscheidsel Zoo wijd, dat midden[392] blijft een guldig zand-plaveisel, Een droogen vloer geschelpt, waar op dees leidsliên voor 't Gansch leger volgen doen hun stappen op het spoor. O zeldzaam wonderwerk! wie zal ik best gelijken Israël, die zoo haast een plaatse vindt om wijken, Als bij de watervloed, die stroomig opgehoopt Een leger[393] diepte vindt en snellijken verloopt! Terwijlen dus d' Hebreên (spijt 't wezen[394] der naturen) Vast dweerssen[395] deze straat van kristalijne muren, Roep de een: "de zee is droog, en 't water even vocht Hangt, ik en weet niet hoe, tot boven in de locht!" En d' ander krijst: "wats dit? 't Roô meer schijnt opgeblazen, Thetys siert heur paruik in deze spiegelglazen: Waar toe met schepen meer gevloten over 't nat, Wanneer men doorgaans[396] vindt zulk eenen droogen pad? Waar toe dient doch 't kompas en de opgespannen zeilen, Of't grondloos[397] dieplood, om de diepten met te peilen?" Dus in verwondering treedt vast 't heerleger voort, En vindet zich droogs voets van de een op de ander boord Behouden op het strand; dies Farao verbolgen Verkiest den zelfden pad, om fluks hun te achtervolgen Met al zijn wapentuig, met al zijn krijgs geweld, En is naauw in 't gebied van 't zandig zeeusche[398] veld, Of den Hebreeuschen God beginnet zich te belgen, Die om hun in een graf te zamen te verzwelgen, Een slinksch[399] onweder van den hemel nederworpt, Dat 't slibberig gebergt weêr in zijn holte slorpt, Dat ieder over hoofd en hals in 't diepste sobbelt[400], En komen door 't gegolf eens eindling[401] opgebobbeld, Met eiselijk[402] geschreeuw, half levende en half dood: De dooden zijn alreê meer als der golven vloot[403]: De een roept: "Osiri, o! helpt mij te boven klemmen[404]!" En de ander: "help, Isis! opdat ik 't mag ontzwemmen!" De een is met 't harnas zwaar gezonken in den grond, De een houdt zich aan de koets, of aan de wielen rond, En de ander al verbaasd, om boven 't water wakker Nog 't hoofd te houden op, grijpt zijnen naasten makker, En zinken beidegaêr; de zee, die altijd woelt, Wat nog te boven drijft voorts in den afgrond spoelt. De prince van den Nijl, die, in zijn koetse deftig, Werd voortgetrokken van sneeuwwitte hengsten heftig, Vervloekt de troebel zee, de golven zout gezwind[405], Den Hemel en de lucht, de bliksems en de wind, En om ontijdlijk nog de bleeke dood te ontvlieden, Durft hij den dullen[406] storm 't hoofd even dapper bieden, En stijgt de baren op, en krijschet: "of gij schuimt, Voor dezen gaffel spits den weg naar 't strand opruimt, Ik ben Neptunus zelf, de God van deze stranden; Ontziet mijn blaauwe spriet met drie gescherpte tanden: Gij bruischt, gij zwalpt, en krielt; ziet, wie[407] gij rebelleert! Ik ben't, die op het diep van uwen stroom laveert." Den Oceaan en past op[408] vloeken noch op schelden, Zijn dreigementen dweers[409] en mogen hier niet gelden; Na dat hij zevenmaal met 't woest getuimel vocht[410], Zijn voorhoofd heeft gebergd ten wolken in de locht, En weder zevenmaal gedaald is in de vesten Van't grondelooze diep, hem eindelijk ten lesten De vochtigheid verzwaart, ja alle hoop berooft, En in heur grimmigheid delft over hals en hoofd. Ik geef te denken voorts, de Hebreên, die 't aanzagen, Hoe hunnen vijand lag zoo korteling[411] verslagen, Hoe God zoo lichtelijk den pratten hoogen moed Farao's had gedempt vertreden onder voet, Of niet een ieders tong, van vrolijkheid ontsprongen, Den driemaal hoogen lof des Hemels heeft gezongen, Als zij aanschouwden, vrij van 's konings wreedheid straf Dat hun verlossing werd Farao tot een graf, Diens korten ondergang, diens droevig treurspel even En onverzienste[412] dood hun strekte tot den leven. De winden en het meer goedjonstig[413] wierpen ruit[414] De Egyptsche wapening[415] weêr aan den oever uit, Wierp harnas, schild en zwaard juist den Hebreên in handen, Daar zij eerst werden met[416] gedreigd van hun vijanden. Dit heb ik zelf gezien, dit heb ik zelf gehoord, En deel 't een ieder voor de zuiver waarheid voort; Veel wijder als men ziet zon, maan en sterren blinken, Zal ik dees nieuwe maar met mijne tromp[417] doen klinken. (_Binnen_).

_HYMNE OF LOFZANG._

VAN DE ISRAËLIETSCHE REI.

Nu zingt, nu speelt, nu reit en danst, Nu looft den Heer der Heeren, Die ons met de overhand bekranst, Vlecht hem een kroon van eeren; Hij is, die al de banden van Ons slavernije breken kan, En onzen rouw in vrolijkheid verkeeren.

De Heer gedenkt aan zijn verbond Over zijn uitverkoren, Looft Hem met ziele, tong en mond, Die Israël staat voren[418], Die Jacobs huis, in dienstbaarheid, Onder zijn schaduwe bespreidt[419], Prijst zijnen naam, en wilt nu vreugd oorboren[420].

Hij is de God van Abraham, Isak en Jacob machtig, Die nu tot koning zalft den stam, Den stamme Juda krachtig, Die ons naar 't zoet beloofde land Geleidet door zijn sterke hand, Om[421] heerschen int land Canaän eendrachtig.

In 't land, daar melk en honig vloeit, Daar de Jordaan beneven Stroomt, die uit zoo veel beekskens groeit Van 't steil gebergt verheven: Daar, als de baren van der zee Of 't zand der stranden, nu alreê, 't Zaad Israëls doet zijn vijanden beven.

Looft dezen krijgsheld onvervaard, Die paarden, ros en wagen, 't Gewapend heer met schild en zwaard Heeft mannelijk verslagen, Met den verstokten koning trotsch; Bouwt op dees klip en sterke rots, Die niet en zwicht voor stormen en zee-vlagen.

Den rood-scharlaken mantel breid[422] Van 't roode meer hij scheurde, En heeft guld-zandig geplaveid Een effen straat, waar deur de Hebreên ontweken hun misval, Tusschen twee muren van kristal, Daar Farao den laatsten zucht betreurde[423].

Farao, die ons op de hiel Vervolgde met zijn scharen, 't Zee-water stormig overviel Met 't zwalpen van de baren; Die 't voorhoofd bergden int gestert[424], In den afgrond vernederd werd: Speelt 's Heeren lof op harpen en op snaren.

Farao's wimpelen ontdaan En zag men niet meer zwieren, Noch 't bloedzeil van zijn oorlogs vaan, Noch al zijn roô banieren; Zijn wapens en geslepen staal Zonk met zijn rusting altemaal: Wilt hem op 't plat van zijn altaren vieren.

Bouwt al uw hoop op dezen steen, Bouwt uw geloove vaste Op den monarche der Hebreên, Die Farao verraste, Die des tyrans voornemens schort, Den hoogmoed van hun vleugels kort, En met zijn sterke schouders ons ontlastte.

In koper, steen, noch ijzer hard Alleen niet dees weldaden En prent, maar schrijft ook in uw hart Gods goedheid vol genaden, Die ons 's doods muile heeft ontrukt: Groen palm en myrtetakken plukt, Kroont, siert, en vlecht uw hoofd met lauwer-bladen!

MOZES doet zijn offerande en spreekt: Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden, Zoo stijg' ten hemelwaart ons harte met gesmook Van dezen altaar, als een liefelijken rook, Ontvangt o Heer! ontvangt dees heilige offeranden! Ontvangt dees offerand tot een dankbarig teiken[425], Of schoon de teêre mensch mets anders wedergeeft, Dan 't gene hij (eilaas!) van u ontvangen heeft, Zijn zwakke sterflijkheid niet[426] hoogers mag bereiken. Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine, Die overvloeit van 't goede; o mensch! die niet en hebt Iet goeds, als tgeen gij uit dees zuiver borne[427] schept, En zijt niet van u zelf als stof en asch onreine! Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof der Oprechter[428] lippen vroom voor zijn weldadigheid, 't Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit; Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer. 't Is God, die 't al uit Niet heeft door zijn woord geschapen, Die 't wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch, Gewelfd, gebouwd, gesierd gelijk een schoon paleis, De stieren hooren hem, de kalveren en schapen. Niets is er zoo gering, of 't is van hem gevloten, Hij hevet[429] al gemaakt;-- o, groot is uwen lof! Die 't al hebt rijkelijk gebouwet[430] zonder stof, Zoo gij in uwen raad verholen[431] hadt besloten. Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen, Wat wij op den altaar in vier en vlammen rood Ontsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot, Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen. Den offer komt u toe, die[432], Heer! verteert tot asschen! Neemt, dat u toebehoort: den altaar toebereid Alleene zij 't bewijs van onze dankbaarheid, Dat gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen. Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste, En dat ons harte brandt, gelijk als in 's vuurs gloed Op 't heilige gesteent ons offerande doet, En dat wij we wet betrachten aldermeeste. Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengen Des altaars hooge plat, zal ik gedenken aan[433] Hoe wij de straffe hand uws engels zijn ontgaan, Waar door gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen. Ik zal gedenken, hoe, om Faraos verdinsten[434], Al de eerstelingen van geheel Egypteland Van menschen en van vee, door uwe sterke hand Geslagen werden, van den meesten tot den minsten. En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannye Van dezen koning, die, om zijn hardnekkigheid, Met zijnen hoogmoed nu in 't meer begraven leît, Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernye. O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen, Gelijk gij tot nog toe gedaan hebt goedertier, Des daags in eene wolk, 's nachts in een vlammig vier, Waar in gij mij ook zijt op Sinaï verschenen. Versaagt[435] voor onze komst de stoute Filistijnen, Kwetst hunnen preutschen[436] moed! o Heer, blijft onzen borcht En onzen schild, op dat wij mogen onbezorgd Geraken door de dorre Arabische woestijnen. Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeeren In 't land van Canaän, en dat wij uwe wet, Uw offeranden daar, rein, zuiver, onbesmet, En ons beloft voldoen, tot uws naams prijs en eeren. (_Binnen_).

_KOOR._