De complete werken van Joost van Vondel. Het Pascha
Chapter 2
Aanschouwt dat heerlijk licht! Hoe blikt in 't sterflijk oog dit wonderlijk gezicht! 't Bosch schijnt in vuur en vlam te sparken[54] en te gloeyen, Nogtans in 's vuurs gegolf gebloemt en blad'ren bloeyen. Ik wil mij derwaarts spoên.
GOD.
Zacht, Mozes! Mozes, beidt!
MOZES.
Hier ben ik.
GOD.
't Is hier van mijn tegenwoordigheid Een driemaal heilig land, dus wacht u mij t' ontmoeten, Eert mij en deze plaats, ontschoeit terstond uw voeten. 't Bosch, dat hier branden schijnt[55], en niet en wordt verteerd, Daarmede is Israël naakt af gefigureerd: 't Vuur is een beeldtenis van mijnen Geest, die leerlijk De kwaaddoender verteert, de goede loutert heerlijk, En, g'lijk men op den toets het edel dierbaar goud, Nadat het is doorvuurd, veel waardiger beschouwt, Zoo zullen ook in 't kruis de twalef Joodsche stammen Groen blijven, als 't geboomt', in 't golven dezer vlammen. Ik ben Abrahams God, de God die 't al bezielt, Waarvoren zich[56].
MOZES.
Amy! waar zal ik vliên, in klippen of in kuilen?
GOD.
Ik was, Ik ben, Ik blijf.
MOZES.
Waar zal ik mij verschuilen?
GOD.
Den hemel is mijn troon, d' aard mijner voeten bank, En 't Helsche keizerrijk 't wit van mijn pijlen strank[57], Dit wonderlijk geheel van hemel en van aarde, Ja, tot mijn evenbeeld, den mensche hoog van waarde Ik in zes dagen schiep; de zon is maar een vonk Van mijne heerlijkheid, die voor veel eeuwen blonk: De God, die Abrams zaad in Izak wilde noemen, Zoo vele als 't zand des meers of als de Lentsche bloemen; Ik ben dezelfde God, die Isrels troebelzee En groot heerleger met mijn vleugelen bespreê[58], Werpt slechts op mijn beloft den anker van uw hopen, Want over Jakobs huis staan steeds mijn oogen open, Mijn oor beluistert hun gebed van woord tot woord, Ik heb hun leed gezien, en hun geschrei gehoord! Mijn zeisen maait nu eens den draad van hun ellenden, Ik zal nu 't wankel rad van mijn beproeving wenden, Nu zult gij zien wiens hand den Farao ontrukt Mijn lelie, die zoo lang de doornen heeft gedrukt! Gij zult de leidsman zijn, en brengen hun persoonig[59], Met uwen staf, in 't land dat vloeit in melk en honig; In 't land, daar Abraham zoo dikwijls zag de maan Heur hoornen spieglen in de glazige[60] Jordaan; Daar zijn gehoorzaamheid mij over had gegeven Zijn eenig liefste kind, den spiegel van zijn leven, Daar hij niet en ontzag, op Salems hoogte trots, Te storten 't bloed zijns zoons, tot eenen offer Gods; Daar hij te buiten trad de vaderlijke palen, En zag op 't altaar-plat alreê ten hemel stralen, (Met oogen des geloofs, van wil en van gemoed) 't Vuur van zijn offerand', en zijn verkoren bloed; Daar hij, in asch en stof, op 't heilige gesteente, Alreê begraven had zijn vleesch en zijn gebeente; Daar hij zijn wandeling ten einde heeft gebrocht[61], En 't hemelsch burgerschap hier boven heeft gekocht; Daar zijnen zoon Izak en Jakob, beî te gader, Zijn pelgerims geweest, met hunnen ouden vader; In 't land, daar ik de kroon hun drukken zal om 't hoofd Die Abraham, Izak, en Jakob is beloofd. Gaat, boodschapt Farao, wie dat u is verschenen; De weg is al bereid, dus trekt met vreden henen.
MOZES.
Ik ben een sterflijk mensch, ik ken mij veel te zwak.
GOD.
Hij maakt u machtig, die[62] nooit sterkheid en ontbrak; En tot een teeken blij, na uw verlossing veilig, Doet mij op dezen berg een offerande heilig Van liefelijken reuk.
MOZES.
O God gebenedijd! Hoe zal ik Jakob toch betuigen, wie gij zijt Die mij gezonden hebt?
GOD.
Jehova, God almachtig, Die hun met zijnen arm zal helpen sterk en krachtig: Ik ben, die Ik zal zijn, die u de kroone biedt Met uitgestrekte hand, en gij en grijpt ze niet: Ik ben die 't al vermag, die uwen staf bepeerelt Den dans-beleider wijs van d' een en d' ander wereld; Ik ben de Heere zelf.
MOZES.
De vonk van hun geloof Is zeer na uitgebluscht, in asschen bleek en doof.
GOD.
Met wonderdaden dan versterkt hun dwaasheid teder; Wat hebt gij in uw hand?
MOZES.
Een staf.
GOD.
Wel, werpt hem neder.
MOZES.
Wat kronkelt hier alreê? hier wemelt, krolt[63] en drilt Een slange, die mij in de hielen bijten wilt[64]: O Heere, staat mij bij!
GOD.
Wel, grijpt den krommen worme.
MOZES.
Dit 's mijnen zelfden staf, weêr in zijn eerste vorme: O, Heere wonderbaar!
GOD.
Opdat u niets ontbreekt, Uw rechterhand nu eens in uwen boezem steekt, En trekt ze weder uit.
MOZES.
Mijn hand is stijf en kromme, Melaatsch, gelijk de sneeuw.
GOD.
Wel, drukt nu weder omme Uw ongeloovig hart.
MOZES.
Ze is zuiver, rein en klaar.
GOD.
Gelooven zij dan niet dees teekens wonderbaar, Met vochtig water sprengt de vloer die gij bewandert[65], 't Wordt in roodverwig bloed door mijne kracht veranderd.
MOZES.
Om voor den Farao verschijnen ik mij schaam, Want, Heer! mijn tonge lispt, mijn stem is onbekwaam; Kiest elders een gezant.
GOD.
Zal mij dan iets ontbreken? Die 't alles schiep uit Niet, in d' eerste week der weken, Den Hemel, die om u met zijne lichten wielt[66], En al wat in 't begrijp[67] van nat of drooge krielt, 't Gevogelt' in de locht, dat op de winden zwieret, En 't waterzuchtig aas, dat naar 't vlietwater gieret, 't Viervoetig veldsch[68] gediert', 't geboomte, dat gekromd Van zijne vruchten hangt, de dalen vol geblomt: Wie heeft den mensch toch eerst 't gesuisel en 't gehoore Van eenen zachten wind geblazen in zijn oore? Wie heeft den appel klein van zijn gezicht bepaald, Waarmede hij alsins mijn heerlijkheid bestraalt; Wie heeft toch geconfijt zijn milde tong schoontalig? Waar met den mond ontvloeit zijn rijpe woorden zalig; En of ik schoon uw tong gebrekkelijken liet Om uw hardnekkigheid;--wat dunkt u, kan ik niet Gebruiken nevens u, voor Israël en Faron, De zoetvloeyende taal van uwen broeder Aron?
MOZES.
Of[69] Farao blijft versteend, en drijft met ons den spot?
GOD.
Leeft met hem zoo gij wilt, tot eenen aardschen God Zijt gij van mij gezalfd.
MOZES.
En blijft hij onbewogen?
GOD.
Zoo dreigt hem mijnen toorn, met mijn gespannen bogen; Mijn pijlen hangen reê gescherpt in mijnen tros[70], En naar mijn dreigement, zoo gaan mijn pezen los.
MOZES.
En of mijn haters mij nog in Egypte vonden?
GOD. De dood heeft lang vernield die naar uw leven stonden: Dus spoedt u.
MOZES.
Op uw woord zal ik mij henenspoên, Mijn vliezen zijn hier vast verstrooid, verspreid in 't groen, Wel op, mijn geilig vee! loopt huiswaarts voor mij henen, Dit 's voor de laatste maal; den tijd die is verschenen, Dat ik een herder ben van Jakobs huis bescheerd[71]: Wat schaadt het, dat ik 't aan dees schaapkens heb geleerd?
KORACH, JOZUA, EN KALEB.
KORACH.
Hoe lang zal Jakob nog betreden deze pleinen? Daar hij zijn oogen maakt tot schreyende fonteinen? Hoe lange zullen nog, in zijne dagen oud, Dees groene velden met zijn tranen zijn bedauwd? Hoe lange zullen nog zijn klagelijke lippen Bewegen berg en dal, de rotsen en de klippen? Hoe lange zal hij hier gelijken ongestild Een sneeuwen beeld, dat in de zonneschijn versmilt[72]? Hoe blijft hij dus van God verworpen, droef en smartig? Wien heeft de Hemel ooit geweest zoo onbarmhartig? O, Heere! niet om ons, maar om uw vast verbond En driemaal heil'gen naam, verstopt den lastermond Der Heidenen, die stout en schimpig durven spreken: Is dit 't verkoren volk, 't welk voert het Godd'lijk teeken? Gij zijt toch onze God, wij kennen anders geen, Wij hebben toch nooit beeld van koper noch van steen, Gesternte, zon noch maan, noch schepsels creatuurlijk, Nog nooit gouden kolos noch zilverbeeld figuurlijk, Afgodisch aangebeèn, noch zichtbaar beeldtenis; In vuur noch in geboomt' wij nooit geheimenis Verblind hebben gezocht, noch uw onsterflijk wezen. Den glans benomen van uw heerlijkheid geprezen; Wij hebben[73] nimmermeer voor Isis onbezield, De Egypter afgodin, devotelijk geknield; Wij kennen Osiris niet met een blinde zotheid Voor iets byzonders, of een drievuldige Godheid. Met uw straffende hand en drukt ons niet altoos, Gij kent onz' zwakheid teêr, en onz' nature broos, Wij zijn toch aarde en stof, wij hebben niet te roemen, Wij zijn niet anders dan vergankelijke bloemen; Als gij het stralig licht uws aanschijns van ons wendt, Zoo zijn wij arm en zwak, vol kommer en ellend'. Ziet, hoe ons Gozen, laas! van droefheid overvloeit[74], Hoe ons Farao heeft geketent en geboeid[74], Wij zijn 't rookende vlas, wij zijn 't gekrookte riet, Een ander eenen vloek, ons zelven een verdriet! Met dat de ronde zon de hemelsche gordijnen Van zijne koetse schuift, en doet den nacht verdwijnen, Met dat de dageraad treedt haar slaapkamer uit, Die van den witten[75] dag den draaiboom open sluit, Met dat zij hare vlucht[76] gaat in den wagen spannen, Zoo spant terstond in 't juk de Israëlietsche mannen De slaafsche arrebeid, met een gezichtel eep[77], Die steeds ons onvernoegd voortklatert met zijn zweep, Dat elke druppel haars schijnt eenen stroom te zweeten, Wanneer het zoncompas den dag heeft overmeten. Scheldwoorden is het loon van al onz' dienstbaarheid, Ons wordt naauw spijze en drank om[78] leven bij geleid. Och! of de bleeke dood onz' slavernije susten, Wij hebben hier toch niet daar wij op mogen rusten: Kom, aangename dood! en help ons uit dit krijt[79], En overschrijdt het perk, het perk van onzen tijd: Want onze slavernij schijnt eeuwig en gedurig, Gelijk de zee de een' baar op de ander golft azurig, Een ander roept: o dood! keert elders uwen boog, Maar wij: o zoete dood! kom, dwaat[81] oog! 't Is onbestendig al: het planten en het zaayen Men weder keeren ziet in plukken en afmaayen, Nu ploegt men de aarde zwart met 't kouter om en om, Nu scheert men weêr de vrucht met eene zeisen krom, Nu bloeit de lieve Lent' met al haar bloempjens verwig, Nu is de Herfst bekroond met gulden aren terwig[82], Nu lacht de Zomer schoon, nu knort de Winter grijs, De een spiegelt zich in 't groen, en de ander in het ijs; Nu rijst de zon in 't Oost', nu daalt zij neêr in 't Westen, Wanneer de bleeke maan klimt uit de watervesten, De mane die heur[83] nu in volle rondte stelt, En weder heuren glans en zilverschijn versmelt; Ja, zelf der sterren loop, de hemel met zijn sferen, Met de elementen steeds veranderen en keeren: Maar onze droeve staat gelijkt een vaste Pool, Die staâg uit een klimaat blijft pinken[84] als een kool. Hetgeen God eens belooft, breekt God dat wederomme Door wispelturigheid?
JOZUA.
Neen, God, als een kolomme En pyramide sterk, blijft altijd vast gegrond.
KORACH.
Is hij 't niet die hem[83] aan onz' vaderen verbond?
JOZUA.
Door onz' misdaden is dit zegel weêr gebroken.
KORACH.
Hij heeft het toch beloofd, hij heeft het zelf gesproken, Ook heeft hij wel voorzien onz' wankelmoedigheid, Een kroon (geen lastig juk) heeft hij ons toegezeîd, Noch geen Egypteland, maar Kanaän vruchtbarig, Noch geen gehoornden[85] Nijl, maar een Jordane barig[86].
KALEB.
Hij heeft ons deez' beloft' in geenen tijd gesteld.
KORACH.
En heeft zijns waarheids mond niet Abrams zaad gemeld?
KALEB.
Dat strekt zich eindeloos op onz' nakomelingen.
KORACH.
Wat heugenis[87] is 't ons, als onze tijd gaat springen[88]?
KALEB.
Hij is in zachte rust, die ondertusschen sterft.
KORACH.
Waartoe is 't dan beloofd, als men de vruchten derft?
JOZUA.
God heeft het niet beloofd die zijn gebod versmaden.
KORACH.
Waaruit bewijst gij dat?
JOZUA.
God bindt hem[83] aan geen kwaden.
KORACH.
Is zijn belofte niet aan Abrams zaad verklaard?
JOZUA.
't Zaad, dat als Abraham oprechte vruchten baart, In liefd', geloof en hoop, en in zachtmoedigheden, In gehoorzamigheid, in ootmoed, en in vreden: Dat God nu zijn belofte in ons niet en vervult Daar zijn wij oorzaak van, om onzer zonden schuld: Onze ongerechtigheid doet zijne liefd' veranderen, De misdaad scheidet God en mensche van malkanderen Als eenen sterken muur: want God is onbevlekt, Hij heeft den hemel heel met wolken overdekt, Hij wendt zijn aangezicht, verstoppende zijne ooren, Ons krachteloos gebed en wil hij niet verhooren.
KORACH.
Wat staat ons dan te doen?
JOZUA.
Tot boete zijn bereid Voor hem, die overvloeit rijk van bermhertigheid, Misschien (wij mogen[89] toch zijn wijsheid niet begrijpen), Opdat in ons gemoed vruchtbariger mocht rijpen De vruchte des geloofs, heeft hij ons dus beproefd; God kent onz' nuttigheid, en wat de mensch behoeft Weet hij te voren wel.
KORACH.
Behoudens uw propoosten[90], Beproeving, schijnt[91] nochtans, den mensche leidt ten boosten.
JOZUA.
O neen, de rouwe, die ons God heeft toegeveugd[92], Ontwijfelijk beklimt den steilen berg van vreugd; Dat hij ons van hem[93] werpt geschiedt maar uit ontfermen; Om vaderlijken[94] ons te omhelzen met zijn armen: Wij zijn van oordeel blind, want 's Heeren wil en eisch Meer onzer zielen rust zoekt, dan 't gemak des vleisch.
KORACH.
En schiep hij lijf en ziel niet in den Paradijze?
JOZUA.
De een tot onsterflijkheid, en 't ander tot een spijze Der wormen in het graf, waarom hem ook gewis Veel waarder onze ziel als 't sterflijk lichaam is: De ziele keert tot God, maar na dit tijd'lijk slaven Wordt 't lichaam weder in zijn zelfde stof begraven, En moet, gelijk het graan in 't aardrijk eerst verrot, Versterven, eer 't verrijst in heerlijkheid tot God: Doch onz' ziele is een beeld zijns heerlijkheids zelfstandig, Die geen tiran en mag verdrukken, hoe vijandig; Gelijk ons teêre lijf, ellendig, naakt en bloot, 't Welk van den menschen boos werd lichtelijk gedood; Maar de edel' ziele staat alleen in 's Heeren handen, Al wordt ze hier bezwaard met veelderleie banden, Terwijl ze in 't aardsche dal ons lichaam 't leven geeft, En in 's lijfs hutte vast heur korte woning heeft: En of ons lichaam schoon[95] in allerlei wellusten En duizend weelden zwom: wat waar' 't, als niet en rustten Onz' edel' ziele in God den Heere Sebaoth? Wat baatten[96] ons deez' winst? wanneer wij namaals 't lot En 't allerhoogste goed, den hemel, moesten derven? 't Wordt hier toch al op 't lest geëindigd met een sterven: Gij ziet, hoe hier het glas van onze tijd verloopt, Geen balling is hij die een burgerschap verhoopt Hier namaals; zijt getroost, het dient ons al ten besten, Dat wij, als wandelaars, ons herte niet en vesten Op een vergank'lijk rijk; dwaas is hij, die verkiest Het tijd'lijke, en daarvoor het eeuwige verliest.
KORACH.
Onz' vaders leefden wel voorspoedig en gelukkig,
KALEB.
God heeft ze ook al gesteld in zijn beproeving drukkig.
KORACH.
Nooit in zoo harden proef als nu is Jakobs huis.
JOZUA.
Een ieder dunkt zich 't zijn te zijn het zwaarste kruis.
KORACH.
Heeft God ons niet op 't strengst getreden op de hielen?
JOZUA.
Hij heeft een geesel nog, waarmeê hij na der zielen[97] Den mensche harder straft, een onverganklijk wee; Zijn allerscherpste staal steekt nog in zijne scheê. Deez' waarschouwende straf ons ernstelijk te voren Op een veel grooter wijst, dat niemand ga verloren; Dus laat ons deze roê, waarmede hij ons driegt[98], Waarnemen nog in tijds, eer onze tijd vervliegt: Hij zal ons met zijn gunst en vleugelen bespreyen, Indien wij niet te spade onz' zonden en beschreyen, Gelijk als d' eerste weerld, die Noach al betraand[99] Had zoo veel jaren tot boetvaardigheid vermaand, Zij bleven onbeweegd[100], al zagen zij voor oogen Zoo vele wolken zwart, zoo vele regenbogen, Tot 't Goddelijk kompas verloopen was te vroeg, En 's hemels groote klok de laatste ure sloeg; Toen heeft God opgesteld[101] zijn groote waterspuyen[101], En alle sluizen van zijn vochte regenbuyen, De meeren liepen t' zaâm, met alle stroomen droef, Tot eindelijk een zee den aardenkloot[102] begroef.
KALEB.
Ook toen 't boos wezen hem begonste te verdrieten Van die van Gomorra en stoute Sodomieten, Hij alzins op hun spoog vuurpijlen, damp en smook, Zoo dat er niets van hen bleef over als de rook.
JOZUA.
Integendeel bleef Loth beschaduwd van de vlerken Van 's Heeren Engelen, en Noach van der Arken[103]: Dus bouwt uw hope op hem, die deez' twee heil'gen puur[104] D' een vrijdt van 's waters vloed, en d' ander van het vuur.
KORACH.
't Is al vergeefs gehoopt.
JOZUA.
Vertwijfelt niet in hopen.
KORACH.
Ik zie toch geenen weg tot onz' verlossing open.
KALEB.
Aan duizend middelen 't hem nimmermeer en schort, Zijn armen reiken wijd, zijn hand is niet verkort: Toen Ammons vader Loth geraakt was in de handen Van Kedor Lamors heir, en schenen niet zijn banden Onbrekelijk te zijn? Maar God de Heere nam Tot eenig instrument den ouden Abraham, Die derwaarts henen met zijn knechten is getrokken, Met keyen toegerust, met pijlen en met stokken: Maar God was zijnen schild, de Hemel was zijn vaan, Waar onder hij dan, bij den oorsprong der Jordaan, Zijn vijanden aangreep, die alreê met versagen De grootste kapitein had in de vlucht geslagen; Wie niet ontvlieden mocht[105], viel in zijn eigen zwaard. Aldus verloste d' een' den andren broeder waard, Die heel verlaten scheen, naar aller menschen oordeel; Want die de Heere helpt, heeft altijd 't grootste voordeel.
KORACH.
Wij hebben onzen last getrokken zoo veel jaar.
JOZUA.
Wanneer de tijd verschijnt, zoo is Gods hulpe daar; De Heere Zebaoth mocht[105] wel Loths kommer stelpen, Eer Abram ooit optrok had hij hem kunnen helpen.
KORACH.
Waarom en deed hij 't niet?
JOZUA.
Maar[106], vraagt gij den waarom? Van zijn verlossing was de wijzer nog niet om: Want Gods voorzienigheid, die eeuwiglijk zal duren, Heeft haren tijd bestemd[107], haar dagen en haar uren: Gelijk de akkerman 't goed' zaad in d' aarde zaait, Waar van hij t' zijner tijd de rijpe vruchten maait: God is de Bouwer ook, die, tegen ons genoegen, Den akker van ons hart komt door Farao ploegen, Al wat steenachtig is vermorzelt hij geheel, Eer dat hij in ons zaait zijn goede zaden eêl; Het zaad zijns godd'lijk woords daar na begraaft hij wakker, En delvet met zijn eg het zaad in onzen akker; Als nu de troebel zon van boven uit de locht Haar stralen op ons schiet, op dat te rijker mocht Zijn ingezaaide zaad in ons vruchtbarig groeyen, Hij eenen regen laat van tranen ons bevloeyen, Zoo waardig zijn wij hem; daar omme zijt getroost, Gelijk de landman, die op hope van den oogst Zoo vele kommers lijdt, zoo dikwijls moet verzuchten: Hij bouwt en slaaft alleen op hope van de vruchten
KORACH.
Gij keeret[108] al in 't best.
JOZUA.
Geeft gij ons geen geloof, Zoo proevet[108] bij u zelv', en achtet geenen roof Dat God ons dus beproeft; wij hebben hem te loven, Al zwermen wij, helaas! in droefenis verschoven: Na slaven volgt de rust, na droefheid volgt de vreugd, Wij moeten dankbaar zijn, 't zij wat ons God toeveugt[109].
KORACH.
Hoe onlangs is 't, dat nog de koning had vermeten Ons te verdelgen heel.
KALEB.
Gelijk als aan een keten De leeuw gesloten staat, dien zijne meester viert Niet langer dan hij wil, zoo wordt van God bestierd 't Voornemen des tirans, die niet en kan volbrengen Dan 'tgene God hem zal toelaten en gehengen; Zijn voornemen heeft God ten uiterste beperkt, Die door veel middelen voorzieniglijken werkt: Den prins van Sinear, den[110] Nemrot, dacht tirannig Met zijnen scepter wel te trotsen wederspannig Het blaauwe firmament, eilasen! maar zijn hert Rees, eer het groot gebouw, tot boven in 't gestert'[111], En werd van schaamte rood, toen 't Babylons gestamer[112] Leem, kalk, voor steenen bracht, de truffel voor den hamer; Zijn willen hing aan God, gelijk 't hier merk'lijk bleek. God leidt de koningen gelijk een waterbeek: Niets is er zoo gering van al wat hier mag blikken[113], Hij heerschet[114] t' zamen door zijn wijselijk beschikken God is alleen het Roer daar 't heele schip na zeilt, 't Gerechtig Wijscompas dat nimmermeer en feilt! Zoo weinig in een zaak geldt 't koninklijke spreken, En of hij schoon iets bouwt, de Heer zal 't weder breken Zoo 't hem niet en behaagt: hun woorden altemaal Zijn krachteloos en ijl, indien zij in de schaal Des Goddelijken wils niet even op en wegen.
KORACH.
Gij spreekt u zelven en de zuivre waarheid tegen.
KALEB.
Waarom?
KORACH.
Het goddeloos bestuur van een tiran (Na uitwijs van uw reên), daar is God oorzaak van.
KALEB.
Geenszins, in 't minste niet; 't kwaad, dat hij mag verschaffen, Den goede strekt tot heil, den kwade t' zijnder straffen[115]. Niemand en is tot kwaad gedwongen, g'lijk men ziet, Dat alle kwaad door Gods toelating maar geschiedt: 't Leed daar ons Farao met[116] pijnigt ongerichtig (Op mijne woorden let, en oordeelt dan voorzichtig), Hem t' zijnder straffe dient: maar ons, indien ons vroed[117] Dees kastijdinge leidt tot rechte ware boet, Die God hier mede eischt, ze is ons zoo nut en zalig, Als zij den koning is verdoemelijk en dwalig[118].
KORACH.
Gij zegt nochtans--
MOZES en AARON.
MOZES.
Ontluikt, gelijk een lustdal schoon, Dat in den morgenstond zijn bloemen stelt ten toon;
AARON.
Vervrolijkt u, gelijk de vogelkens met lusten De Zonne groeten, als zij stijgt uit heurder rusten, Gij die verlaten scheent.
KORACH.
Wie of met vrolijkheid Ons ongewoon begroet?
KALEB.
't Zijn Amrans zonen beid'.
JOZUA.
o Broeders, wellekom!
MOZES.
Uw voorhoofd wilt vervrooyen[119].
KORACH.
Waarin? in onzen druk en jammerlijk verstrooyen?
MOZES.
Verheft uw droef gelaat, o Israël! en steekt Nu 't hoofd ten hemel op, die al uw banden breekt, De Heer die is met u, die alle uw ellenden En droevig treurspel komt met vreugd en blijdschap enden: De God van Abraham, Isak, en Jakob zelf, Die zijnen troon pilaart op 't brandende gewelf, Is mij verschenen in een bliksemende klaarheid.
KORACH.
Ik denk 't is eenen droom.
MOZES.
Neen, broeders! in der waarheid; Toen ik bij Sinai was hoedende mijn kudd' Met deez' gedoornde mik[120], mijn herderlijke stut[121], Zag ik 't groot Horebs bosch een blikkig[122] vuur omranden, 't Welk heel verteeren[123] scheen en t' zamen te verbranden: Maar even vrolijk loech[124] blaên, bloemen, kruid en loof: Eer deze bliksem nog voor mijn gezicht verstoof, De donder van een stem, o wonderlijk spektakel! Verklaarde mij den zin en eisch van dit mirakel, Op deze wijze: 't bosch, waarin deez' vlamme speelt, Daarmede is Israël naar 't leven afgebeeld, Die in 't vervolgingsvuur zal als dit bosch ontluiken; Ik wil mijn lelie schoon nu uit de doornen pluiken[125]. Toen dreunde 't heele bosch, ik stond geheel bedut[126], Driemalen heeft de berg zich bevende verschud: En als ik niet en wist waar henen te vervluchten, Met een borstkloppig[127] hart, en met een zwaar verzuchten, En schier van vreeze lag begraven in het gras, Toen gaf de Heere mij te kennen wie hij was: De God JEHOVA zelf, de God van onzen vader, De Schepper van het al, alleen des levens ader, De Herder Israëls, die in 't beloofde land Ons nu vervoeren wil uit Faraonis[128] hand, Uit al onz' slavernij.
KORACH.
En deed hij u geen teeken Van zijn' almachtigheid, dat hij ons leed zal wreken, Dat hij ontboeyen zal den zwerm van zoo veel duisd[129] Die onder Farao dus lange zijn gekruist[130]?
MOZES.